5-6

|5|

Voorwoord

 

 

 

Kerk en recht.
Deze combinatie van begrippen is voor velen binnen en buiten de kerk een onmogelijke. Kan geloofsleven geregeld worden? Moet religie niet juist vrij zijn van elke vorm van wetgeving?
Hoe dan ook, vrijwel alle christelijke geloofsgemeenschappen in ons land hebben zich als kerken georganiseerd en zij hebben elk voor zich een kerkorde opgesteld. Bovendien hebben kerken te maken met de regels van het burgerlijk recht, zodra zij als rechtspersonen deelnemen aan het burgerrechtelijk rechtsverkeer. En in de derde plaats hebben kerken een eigen positie in de maatschappij en ten opzichte van de staat.
Op elk van deze drie aandachtsvelden komen beoefenaars van het kerkelijk recht en van het wereldlijk recht – ‘canonisten’ en ‘legisten’ – elkaar tegen. En dan blijkt nogal eens hoe de meesters ‘in de beide rechten’ sinds de Middeleeuwen uit elkaar zijn gegroeid en moeite hebben om elkaar te verstaan.

De bundel artikelen die u in uw hand heeft is gegroeid vanuit een serie colleges over kerk en recht, die sinds 1991 gezamenlijk verzorgd wordt door de juridische en de theologische faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam. De bundel is een poging om de beide soorten juristen beter ‘on speaking terms’ te krijgen. Of dat gelukt is kunt u zelf beoordelen. Complicerend is dat in het boek zowel kerkjuristen als andere juristen met verschillende achtergronden aan het woord komen. In het boek wordt dan ook niet één specifieke opvatting over de verschillende onderwerpen verondersteld.

Geopend wordt met een verhandeling over kerkrecht/kerkelijk recht als theologisch (Van Drimmelen) en als juridisch vak (Van der Ploeg). Daarop aansluitend volgen in de rubriek ‘kerk, staat en maatschappij’ een artikel over kerkelijk recht en wereldlijk recht (Hallebeek) en een drietal bijdragen over de verhouding tussen kerk en staat: historisch (De Bruijn), bezien vanuit de mensenrechten (Vermeulen) en staatsrechtelijk (Sap).

|6|

Het deel over het ‘kerkelijk recht en burgerlijk recht’ bevat een bijdrage over deelname van kerkgenootschappen aan het burgerrechtelijk rechtsverkeer (Van der Ploeg), over de rechtspositie van priesters en predikanten (Van der Ploeg), over fusie en splitsing van kerkelijke rechtspersonen (Van Drimmelen, Van Kooten en Van der Ploeg) en over de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten (Oldenhuis en Santing-Wubs).
Het derde deel gaat over ‘kerkrecht in de praktijk’ en begint met een uiteenzetting over de verschillende systemen volgens welke de christelijke kerken zijn georganiseerd (Van Drimmelen) en over de bronnen van positief kerkrecht (Van Drimmelen). Vervolgens wordt aandacht geschonken aan de bevoegdheidsverdeling binnen enkele kerkgemeenschappen (Van der Ploeg, Meijers en Van Drimmelen), aan de organisatorische structuur van de rooms-katholieke parochie (Van der Helm) en de reformatorische gemeente (Van Drimmelen), aan het vermogensbeheer (Meijers, Van Drimmelen), aan de kerkelijke armenzorg (Van Drimmelen, Van Oosten) en aan de interne kerkelijke rechtspraak (Koffeman).

 

Achter in het boek zijn een trefwoordenregister en een jurisprudentieregister opgenomen.
Op deze wijze wordt geprobeerd een panorama te geven van de wereld van het kerkelijk recht met de bedoeling dat u er – ook al is het maar een beetje – de weg in kunt vinden.

 

Amsterdam, oktober 2003

 

L.C. van Drimmelen
T.J. van der Ploeg