23-28

|23|

1b Kerk en recht; een juridische benadering

T.J. van der Ploeg

 

 

1b.1 Het begrip kerkrecht en het recht

In het voorafgaande is door Van Drimmelen het eigene van het kerkrecht beschreven. Hij laat zien dat de binnen de kerk geldende regelingen enerzijds sterk theologisch-ecclesiologisch gekleurd zijn maar anderzijds wel als recht moeten worden beschouwd. In dit hoofdstuk zal ik trachten aan te geven wat de juridische positie van de kerk en van het kerkrecht is vanuit juridisch oogpunt.
In de eerste plaats dient duidelijkheid te bestaan over de betekenis van ‘kerkrecht’. Met ‘kerkrecht’ wordt gedoeld op de binnen een bepaalde kerk geldende regels betreffende de bevoegdheden van de organen en de rechten en verplichtingen van de leden van de kerk.
Iedere kerk heeft haar eigen kerkrecht. Wanneer we het over het kerkrecht in verschillende kerken hebben, spreken we ook wel over het ‘kerkelijk recht’. In deze bundel is echter slechts een deel van de hoofdstukken van kerkelijkrechtelijke aard. Een ander deel betreft de positie van de kerk en het kerkrecht vanuit extern juridisch oogpunt. Het gaat dan om wat de verhouding is tussen het publiek recht, het privaatrecht en het sociaal recht enerzijds en de kerk en het kerkrecht anderzijds.
In de middeleeuwen had het kerkrecht van de Rooms-Katholieke Kerk in Europa een evenwaardige positie aan het recht van de wereldlijke overheid. Op de juridische faculteiten werd zowel het canonieke als het Romeinse recht onderwezen. Men werd na het halen van de examens meester in de rechten (dat wil zeggen in het Romeinse en canonieke recht), een term die tot op heden is blijven bestaan.

|24|

 

1b.2 De plaats van kerk en kerkrecht ten opzichte van het ‘positieve recht'

Er zijn vanuit het (positieve) recht twee duidelijke aanknopingspunten voor bemoeienis met de kerk en het kerkrecht. In de eerste plaats is dat de vrijheid van godsdienst die in de Grondwet en het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) gegarandeerd is. In de tweede plaats is het de vaststelling in boek 2 BW, art. 2 dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd rechtspersoon zijn. De Grondwet en het EVRM bieden in de eerste plaats houvast bij de ruimte die de kerken in het publiekrecht dienen te krijgen. Het genoemde artikel in het BW maakt de kerken deelnemers in het rechtsverkeer en geeft hen een eigen rechtssfeer. Deze feiten bepalen voor een groot deel de wijze waarop kerken en het kerkelijk recht in het burgerlijk recht en dus ook door de burgerlijke rechter worden benaderd.

Bij de confrontatie tussen theologen en juristen blijkt steeds weer de verschillende wijze van denken. Dat kan voor beide groepen verwarrend en verfrissend werken. Zo is het juridische begrip kerk of kerkgenootschap, zoals de wet (art. 2:2 BW) zegt, een begrip dat door uitwendige kenmerken wordt gekwalificeerd. Dat staat uiteraard in schrille tegenstelling tot het inhoudelijk  theologisch gekwalificeerde begrip in de theologie. De burgerlijke wetgever houdt zich, gezien de verschillende typen kerken1 verstandig, verre van de interne kant van de kerk.
Voor juristen is de inhoud van de godsdienstige boodschap van het kerkgenootschap in beginsel niet van belang voor de toepassing van regels. De vrijheid van godsdienst geldt voor alle godsdiensten. De mogelijke beperkingen, die aan de vrijheid van godsdienst kunnen worden gesteld, hebben niet te maken met haar al dan niet bestaande waarheidskarakter, maar met de bescherming van de goede zeden, de volksgezondheid en de openbare veiligheid. Art. 9 EVRM geeft dan ook een ruim omschreven vrijheid van godsdienst die slechts op enkele gronden kan worden beperkt.2
De rechter kan in sommige gevallen wel worden geroepen om te oordelen over geschillen met of binnen kerken. Aanknopingspunt hiervoor is art. 112 Gw en art. 6 EVRM. In genoemd artikel van het EVRM worden de beginselen van een behoorlijke procesgang geformuleerd die gelden bij het vaststellen van burgerlijke rechten en plichten. Dat betreft vermogensrechtelijke rechten en plichten


1 Zie hierna hoofdstuk 10 over de pluriformiteit van kerken.
2 Zie nader hoofdstuk 4 over kerk, staat en mensenrechten.

|25|

maar ook andere rechten en plichten waardoor het bestaan of de bestaansmogelijkheden van een burger3 worden bedreigd.4

 

1b.3 Het kerkgenootschap als een bijzonder rechtspersoon

Vanuit het publiekrecht is het de vraag of er reden is om de privaatrechtelijke5 rechtspersoon kerkgenootschap anders te behandelen dan andere privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals verenigingen en stichtingen. Ook zij kunnen immers nobele, godsdienstige doelen nastreven.
In de periode tussen 1976 en 1992 was in art. 18 van boek 2 BW bepaald dat de artikelen uit boek 2 BW betreffende besluiten en vernietiging van besluiten niet golden voor kerkgenootschappen en genootschappen op een geestelijke grondslag.6 Dat is weer geschrapt, onder meer omdat dat laatste begrip niet duidelijk is — overigens geldt dat ook voor het begrip kerkgenootschap — en de rechter bij de toepassing van de regels van boek 2 BW rekening kan houden met het karakter van de organisatie. Men zou dan geneigd kunnen zijn te zeggen dat hetzelfde geldt voor kerkgenootschappen ten opzichte van de vereniging en de stichtingsbepaling. Dit gaat echter niet op, omdat in boek 2 BW, anders dan voor kerkgenootschappen, voor deze andere rechtspersoonssoorten wel inrichtingseisen gelden.

 

1b.4 Een conflict tussen kerk en recht?

Op zich onttrekt het ‘heilige’, de Godsverering, zich aan het recht. Godsverering veronderstelt een zich overgeven/onderworpen weten aan God, het hogere. De daarbij ‘van hogerhand’ gegeven regels zijn niet vergelijkbaar met de regels van mensen. Zo geredeneerd wordt de Godsverering niet bepaald door menselijke — publiek- of privaatrechtelijke en wellicht zelfs niet door kerkrechtelijke — regels. Wel zal als het goed is het ‘heilige’ het publieke


3 Het EVRM wordt in jurisprudentie en literatuur ook van toepassing geacht op rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld kerkgenootschappen.
4 Zie hierna hoofdstuk 9a Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en kerkelijke conflicten en ook Santing-Wubs, Kerken in geding, prft. Groningen 2002, p. 91 e.v. en 106 e.v.
5 In sommige landen zijn kerkgenootschappen, althans de door de overheid erkende, rechtspersonen naar publiekrecht.
6 Zie Parl.Gesch. Maeijer-Schreurs, p. 19 e.v.

|26|

en private leven beïnvloeden.7 Het is duidelijk dat wanneer gelovigen zo ‘verticaal’ — zo alleen op God gericht — denken, zij zich in principe niet zullen inlaten met het gebruik van al dan niet kerkelijk recht. Wij menen echter dat wij ook in het godsdienstige mensen zijn die met anderen leven en delen. Dan zijn al heel gauw organisatorische en rechtsregels nodig. Heel ver gaat E.H. van Eikema homes, die vanuit de christelijke wijsbegeerte der wetsidee meent dat ondanks de bijzondere bestemmingsfunctie van de kerk in het geloofsaspect8 in het burgerlijk recht voor haar geen uitzonderingspositie dient te bestaan.9

 

1b.5 De taak van de staat en van de kerk

Juristen zullen, anders dan theologen blijkbaar,10 niet snel zeggen dat ‘kerk en staat’ kinderen van één vader zijn. Het recht van de kerk en het recht van de staat kan men weliswaar als twee rechtssferen zien, daarbij moet niet worden vergeten dat het recht van de staat daarbij de taak heeft om zorg te dragen voor integratie van de kerkelijke gemeenschap met haar regels in de maatschappij. Het is een overheidsrechter die bij conflicten met kerken en binnen kerken een oordeel kan vellen. Dat is de kerkelijke rechter niet gegeven voor ‘wereldlijke’ conflicten. Het is ook de overheid die de grenzen aangeeft waarbinnen de kerken kunnen opereren. Dat de overheid daarbij zelf aan bijvoorbeeld het EVRM is gebonden doet aan dit principe niet af.

 

1b.6 De basis voor de rechtspersoonlijkheid van de kerk

In dit verband is er ook een interessant discussiepunt tussen enerzijds canonisten, Rooms-katholieke juristen en theologen en anderzijds andere juristen over de rechtspersoonlijkheid van de kerkgenootschappen. Het is onmiskenbaar dat in de middeleeuwen Paus Innocentius IV (1243-1254) door de theologische


7 Zie Charles Correa, ‘The public, the private and the sacred’, in: Daedalus, fall 1989 themanummer ‘Another India’, p. 93 e.v.
8 E.H. van Eikema Hommes, Hoofdlijnen der rechtssociologie en de materiële indelingen van publiek- en privaatrecht, Zwolle 1975, p. 22.
9 E.H. van Eikema Hommes, De samengestelde grondbegrippen der rechtswetenschap, Zwolle 1976, p. 187-188.
10 L.C. van Drimmelen, in: W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen, Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen 1992, p. 197-205.

|27|

voorstelling van de kerk als een ‘zedelijk’ lichaam met Christus aan het hoofd, waarover Christus en zijn aardse vertegenwoordigers voor wat betreft geloofszaken gezag uitoefenen, een eigen rechtssfeer voor de kerk creëerde. Hij schermde de kerk hiermee af van de wereldlijke macht voor wat betreft de zaken van het geloof. Op een bepaalde manier kan men zeggen dat toen de kerk en de wereld twee naast elkaar staande rijken vormden. De kerk heeft toen eigenlijk de erkenning van haar rechtspersoonlijkheid door de wereldlijke heerser afgedwongen.11 De kerk heeft bij de ontwikkeling van het begrip rechtspersoon zoals wij dat nu kennen dus een belangrijke rol gespeeld.
Betekent dit nu dat de wetgever, wanneer hij in boek 2 BW stelt dat kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid hebben, de rechtspersoonlijkheid van hen erkent — omdat zij deze van nature al hebben — of dat hij aan hen rechtspersoonlijkheid verleent? Over de theoretische grond voor het bestaan dan wel de toekenning van  rechtspersoonlijkheid zijn allerlei theorieën. Het idee dat de kerk rechtspersoonlijkheid als het ware van nature heeft, past in de ‘orgaan-theorie’ van Von Gierke. In deze theorie worden organisaties als sociale geestelijk lichamelijke eenheden beschouwd, die via haar organen willen en handelen en maatschappelijk op gelijke wijze optreden als individuen. Deze theorie heeft echter meer een sociologische dan een theologische basis. De andere theorieën veronderstellen een toekennen van rechtspersoonlijkheid door de soeverein.
In ons recht hebben we een gesloten systeem van rechtspersonen, waarbij in boek 2 BW de privaatrechtelijke rechtspersonen zijn vermeld waaruit door burgers en organisaties kan worden gekozen. Ook vóór 197612 werd de rechtspersoonlijkheid van kerkgenootschappen op grond van het gebruik/de traditie aangenomen.13 In boek 2 BW is dit voortgezet en in de wet opgenomen. Mijns inziens is en blijft de toekenning van rechtspersoonlijkheid een kwestie van opportuniteit. Er is geen natuurnoodzakelijkheid voor de wetgever of rechter (indien de wetgever dit niet zou doen) om aan kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid toe te kennen of hen als rechtspersonen te erkennen. Maatschappelijk kwam dat totnogtoe blijkbaar als het meest wenselijk voor. Of dat nog steeds zonder meer het geval is, waag ik te betwijfelen. Voor de leden van een geloofsgemeenschap en voor derden is tegenwoordig vaak onduidelijk of er sprake is van een kerkgenootschap. Bovendien is er geen duidelijkheid in


11 Niet ontkend kan worden dat een en ander zich wel op het grondgebied — en dus in principe binnen de rechtsmacht — van de wereldlijke heerser afspeelde.
12 In 1976 is boek 2 BW ingevoerd.
13 Zie Asser-Scholten, Personenrecht, 1929 zesde druk, p. 592 e.v. en Asser-v.d. Grinten-Maeijer II, 1997, p. 257 e.v.

|28|

de wet en hoeft er in het kerkelijk statuut geen duidelijkheid te zijn aangaande de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Is het dan wel opportuun om deze vehikels zonder nadere eisen aan het rechtsverkeer mee te laten doen? Zoals uit hoofdstuk 6 hierna blijkt, heb ik daarbij grote vraagtekens.
Doet een dergelijke twijfel aan het feit of kerkgenootschappen zonder meer — dus van nature — als rechtspersoon dienen te worden erkend, tekort aan de in de theologie en canoniek recht aangehangen leer dat de kerk een geestelijke eenheid is, die toegang dient te krijgen tot het rechtsverkeer? Het lijkt mij niet. Het (wereldlijk) recht heeft in deze een eigen taak ter bescherming van het rechtsverkeer. Het kan — in beperkte mate — eisen stellen aan het optreden van kerken in het rechtsverkeer. Wanneer om de een of andere reden een kerk zich niet zou willen conformeren aan zulke beperkte eisen zou zij naar haar eigen recht en/of theologie nog net zo’n eenheid kunnen zijn. Dat heeft dan echter geen effect in het rechtsverkeer. Over gevolgen in het rechtsverkeer heeft de kerk en het kerkrecht nu eenmaal geen zeggenschap.