163-176

|163|

De kerkorde en de classicale vergadering

 

Inleiding

Deze bijdrage gaat over de classicale vergadering in de kerkorde-1951. Die vergadering is de bijeenkomst ‘voor de in een classis verenigde gemeenten’.1 Als zodanig geeft zij leiding aan het leven van de classis, de ‘gemeenschap van gemeenten in een (geografisch) deel van een kerkprovincie/regio van het land’.2 Voor de goede (kerk)orde: dat geldt althans voor de Nederlandse Hervormde Kerk. De kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland kent geen classicale vergadering. In die orde is ‘classis’ niet alleen de aanduiding voor het ressort van een aantal in elkaars nabijheid gelegen kerken, maar ook voor de ‘gemeenschappelijke vergadering van de kerkeraden (...) door middel van afgevaardigden’. Overigens: in de beoogde kerkorde voor de Samen op Weg-kerken wordt de hervormde terminologie aangehouden.

In 1951 schreef Th.L. Haitjema over ‘eerherstel van de classicale vergaderingen’.3 Terecht, want in de kerkorde-1951 verkreeg de classicale vergadering als ‘grondvergadering’ weer de plaats die haar volgens het recht van de kerk van de Reformatie in ons land toekwam. P. van den Heuvel merkt met betrekking tot de kwalificatie ‘grondvergadering’ op: ‘Deze uitdrukking wil niet zeggen, dat de classicale vergadering de belangrijkste ambtelijke vergadering is: dat is ongetwijfeld de kerkeraad. De betekenis moet naar mijn gedachte veel meer zijn, dat in deze vergadering het kerkzijn in zijn bredere verbanden voor het eerst tot uitdrukking komt. In de classicale vergadering zien we dat het kerk-zijn de plaatselijke situatie overstijgt. In de classis worden de gemeenten verenigd tot kerk (vergelijk art. V-2). De kerk is meer dan een optelsom van gemeenten: ze is ook erk in de bredere verbanden.’4


1Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk, art. V-2.
2 L.C. van Drimmelen, Het abc van SoW. Woordenlijst bij vijf kerkordes (Zoetermeer 2000), p. 26.
3 Th.L. Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht (Nijkerk 1951), p. 193.
4 P. van den Heuvel, De hervormde kerkorde. Een praktische toelichting (Zoetermeer 1991), p. 109v.

|164|

De invalshoek van dit artikel is: hoe staat het met de verhouding tussen principe en praktijk van de classicale vergadering? Uiteraard komt ook de plaats van die vergadering in de voorgenomen kerkorde van Samen op Weg-kerken aan de orde. Maar eerst geef ik een historisch overzicht tot 1951.

 

De classicale vergadering in de kerkgeschiedenis

De eerste bredere kerkelijke vergadering die voor de Nederlanden gehouden werd, was het convent van Wezel in 1568.5 Daar werd een begin gemaakt met de constituering van de kerk voor het Nederlandse gereformeerde protestantisme. Men maakte gebruik van de Ordonnances Ecclésiastiques van Calvijn, maar voor de afdelingen van de kerkorde die op de bredere kerkelijke verbanden betrekking hadden, volgde men het presbyteriaal-synodale systeem uit de Franse Discipline Ecclésiastique.6 Elke kerkprovincie moest in classes ingedeeld worden. In tegenstelling tot de uit de kerkorden van Genève en Londen bekende coetus- of colloquium-vergaderingen, zou de classicale vergadering niet een bijeenkomst van predikanten maar van gemeenten worden. In de Emdense synoe, waar de ‘Nederlandtsche Kercken die onder ’t Cruys sitten’ in 1571 vertegenwoordigd waren, werd een modelkerkorde vastgesteld voor de eenmaal te bevrijden Nederlanden.7 De in Wezel geïntroduceerde classicus conventus werd overgenomen. Wat daarbij opvalt: er wordt niets over de samenstelling van de bijeenkomst bepaald. Maar het is zeker niet de bedoeling geweest, dat de gemeenten in de classicale vergadering alleen door predikanten vertegenwoordigd zouden zijn.

B.A.M. Luttikhuis wijst op het pastorale motief dat bij de classicale indeling een rol gespeeld heeft: de gebiedsverkaveling moest doorgevoerd worden om herderlijke zorg te kunnen waarborgen.8 Een ander belangrijk


5 Zie daarvoor: F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw (’s-Gravenhage 18891, Dordrecht 19802), p. 1-41.
6 Zie daarvoor: Th.L. Haitjema, ‘Calvijn en de oorsprongen van het Nederlandse gereformeerde kerkrecht’, in Christendom en Historie (Amsterdam 1925), p. 183-212.
7 Zie daarvoor: D. Nauta, J.P. van Dooren en Otto J. de Jong (red.), De synode van Emden oktober 1571. Een bundel opstellen ter gelegenheid van de vierhonderdjarige herdenking (Kampen 1971).
8 B.A.M. Luttikhuis, Een grensgeval. Oorsprong en functie van het territoriale beginsel in het gereformeerde kerkrecht (Gorinchem 1992), p. 62.

|165|

oogmerk van instelling van de classicale vergadering was, dat de kerkelijke eenheid zo zichtbaar gemaakt werd.9 Immers: de verschillende gemeenten stonden niet op zichzelf, maar behoorden tot de ene kerk. In latere vergaderingen (zoals de provinciale synode van Dordrecht in 1574 en de nationale synoden eveneens van Dordrecht in 1578, van Middelburg in 1581 en wederom van Dordrecht in 1618-1619) ging men op het spoor van Wezel en Emden door. In de Dordtse kerkorde bestaan de classicale vergaderingen uit naburige gemeenten, die elk een dienaar des Woords en een ouderling afvaardigen.10 De vergaderingen geven gestalte aan de eenheid van de gemeenten met een gereformeerde geloofsovertuiging. Ter vergadering bespreken de afgevaardigden de gang van zaken in de gemeenten.

De verdeling van de gemeenten over de classes onderging na 1571 menige wijziging en de frequentie van de classicale vergaderingen wisselde ook nogal eens, maar meer dan twee eeuwen hebben de classicale vergaderingen gefunctioneerd.11 Een belangrijke wijziging van de kerkelijke organisatie trad in 1816 op. Toen werd bij koninklijk besluit het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden afgekondigd.12 De ambtelijke vergaderingen werden vervangen door kleine bestuurslichamen. De enige meerdere vergadering die uit afgevaardigden bestond, was de classicale vergadering. Maar: alle bestuursbevoegdheden waren deze vergadering ontnomen en opgedragen aan een classicaal bestuur. Dat bestond uit een commissie van (door de koning benoemde) moderatoren. Aan de ambtelijke vergadering was slechts de taak overgelaten om een nominatie op te stellen voor de leden van het classicaal bestuur en zich te benoemen met de rekening van enkele fondsen. Luttikhuis wijst op een verband tussen de toegenomen overheidsinvloed en de versterking van het territoriale beginsel in de kerkorde: het departement wilde zelf de grenzen van de classis bepalen, met het oog op bestuurlijke hanteerbaarheid.13 Tussen 1842 en 1870 werd de bemoeienis van de overheid met het kerkelijk bestuur geleidelijk opgeheven, maar het bestuurssysteem


9 Cf. C. Hooijer, Oude kerkordeningen der Nederlandsche Hervormde gemeenten (1563-1638) en het Conceptreglement op de organisatie van het hervormd kerkgenootschap in het Koninkrijk Holland (1809) (Zaltbommel 1865), p. 33.
10 Zie voor de Dordtse kerkorde: K. de Gier, De Dordtse Kerkorde. Een praktische verklaring (Houten 1989).
11 J. Plomp, ‘De kerkorde van Emden’, in D. Nauta, J.P. van Dooren en Otto J. de Jong (red.), o.c., p. 115.
12 Zie daarvoor: J.C.A. van Loon, Het Algemeen Reglement van 1816 (Wageningen 1942).
13 B.A.M. Luttikhuis, o.c., p. 80.

|166|

bleef gehandhaafd. Over het belijden, de leer, mochten (en/of wilden) de kerkelijke besturen geen uitspraken doen.

Degene die meer dan wie ook zijn stem heeft laten horen ten gunste van reorganisatie van de vaderlandse kerk van de Reformatie in ons land was Ph.J. Hoedemaker (1839-1910). Hij ontkende de wettigheid van de bestuursinrichting van 1816, maar koos niet voor de uitvlucht van de Doleantie (1886). Het ging Hoedemaker bij de kerkelijke reorganisatie vooral om het herstel van de rechten va nde classicale vergadering. In Ter Classicale Vergadering? Waarom en waartoe? schrijft hij: ‘Laat het voorshands blijven bij het herstel der oude classis. Het beginsel zal wel doorwerken. Een nationale Synode kan nog niet samenkomen. Hiervoor zijn de spraken te verward. Eerst moet onze Kerk weder stoelen op haar eigen wortel.’14 Rusteloos heeft Hoedemaker zich in die geest uitgelaten. In 1901 richtte hij zich samen met J.H. Gunning jr. en P.J. Kromsigt tot de classicale vergaderingen: met het verzoek, de reorganisatie van de kerk bij de synode aanhangig te maken.15 Uiteindelijk leverden alle inspanningen niets op.

In het begin van de twintigste eeuw heeft de Confessionele Vereniging onophoudelijk aangedrongen op herstel van de rechten van de classicale vergadering, in de geest van Hoedemaker en de zijnen.16 Zij bewandelde daarbij steeds de kerkelijke weg. Soms leek het erop, dat men moe werd van de synodale onwil om de kerkelijke situatie te veranderen. Dan nam men zijn toevlucht tot verbetering van de bestaande bestuursinrichting, bijvoorbeeld door aan te dringen op verscherping van de proponentsformule, de belofte die aanstaande predikanten moesten afleggen. Maar steeds bleef het herstel van de rechten van de classicale vergadering hoog op het verlanglijstje staan. De Confessionele Vereniging bestreed alternatieve voorstellen, die niets met reorganisatie van de kerk te maken hadden.17 Die kwamen namelijk veeleer op vernietiging van de kerk als kerk neer. Zo werd wel gepleit voor ‘evenredige vertegenwoordiging’. De bedoeling


14 Ph.J. Hoedemaker, Ter classicale vergadering? Waarom en waartoe (Sneek 1888), p. 24. Cf. G. Scheers, Philippus Jacobus Hoedemaker (Wageningen 19391, Leiden 19892), p. 217-220.
15 Zie daarvoor: Ph.J. Hoedemaker, Ontwerp tot reorganisatie der Hervormde Kerk naar de beginselen der Presbyteriale Kerkregeering (Amsterdam 1901). Cf. W. Balke, Gunning en Hoedemaker samen op weg (’s-Gravenhage 1985) en B.A.M. Luttikhuis, o.c., p. 123-125.
16 Zie daarvoor: J.D.Th. Wassenaar, Noordmans in Friesland. Bijdrage tot de biografie van een kerkvader (Zoetermeer 1999), p. 216v.
17 Zie daarvoor: J.D.Th. Wassenaar, o.c., p. 211-215.

|167|

was, dat de ‘rechten’ van bepaalde groeperingen gewaarborgd zouden worden, onder het motto ‘ieder het zijne’. In 1916 werd een modus vivendi-voorstel van zes Utrechtse professoren in de synode behandeld. Dat behelsde, dat de kerk in een administratief verband opgelost zou worden. De diverse richtingen zouden feitelijk alleen nog formeel onder één dak samenwonen. Vooral H. Visscher, een van de hoogleraren, die overigens connecties met de Gereformeerde Bond had, zag in dit voorstel een uitweg.18

Vooral in de periode van 1929 tot 1939 is veel over de reorganisatie van de Nederlandse Hervormde Kerk nagedacht.19 Met betrekking tot de classicale vergadering waren de meningen verdeeld. Het (confessionele) Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel stond steeds op de bres voor de classicale vergadering, terwijl de (ethische) vereniging Kerkopbouw de bevoegdheden daarvan leek te willen inperken. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam een doorbraak. Gedurende het najaar van 1944 en de hongerwintr van 1945 werkte H.M.J. Wagenaar aan een Bouwplan, dat in de eerste vergadering van de Commissie voor de Kerkorde, die met de voorbereiding van een nieuw kerkorde belast was, tot uitgangspunt voor haar verdere bespreking werd gekozen.20 Wagenaar creëerde een model met vier ambtelijke vergaderingen, waaronder de classicale.21 Opmerkelijk is, dat alle ambten uit de kerkenraad voor afvaardiging in aanmerking komen: alle dienaren des Woords en bij toerbeurt één andere ambtsdrager, hetzij een presbyter, hetzij een quaestor, hetzij een diaken. Zo worden ze alle in de regering van de kerk betrokken. Dit idee is overgenomen voor de nieuwe kerkorde.

H. Oostenbrink-Evers schrijft aangaande de classicale vergadering in die kerkorde: ‘Bij de taak van de classicale vergadering valt op het geven van consideraties. Van belang is verder dat in elke ambtelijke vergadering de afgevaardigden verslag uitbrengen over hetgeen in de meerdere vergadering is besproken, zodat er niet alleen naar boven toe, maar ook naar het grondvlak toe een uitwisseling plaatsvindt.’22


18 Zie daarvoor: B.J. Wiegeraad, Hugo Visscher 1864-1947. ‘Een calvinist op eigen houtje’ (Leiden 1991), p. 79v. en 236v.
19 Zie daarvoor: H. Bartels, Tien jaren Strijd om een Belijdende Kerk. De Nederlandsche Hervormde Kerk van 1929 tot 1939 (’s-Gravenhage 1946). Cf. H. Oostenbrink-Evers, Beginselen en achtergrond van de kerkorde van 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk (Zoetermeer 2000), p. 41-71.
20 H. Oostenbrink-Evers, o.c., p. 153.
21 Zie daarvoor: H. Oostenbrink-Evers, o.c., p. 180v.
22 H. Oostenbrink-Evers, o.c., p. 266.

|168|

De classicale vergadering: principe en praktijk

Na een lange tijd van voorbereiding werd de nieuwe kerkorde ingevoerd. Toen werd de classicale vergadering in ere hersteld. Over de classicale vergadering vanaf 1951 is het volgende te melden.23 De vergadering werd samengesteld uit door elke kerkenraad van het classicaal ressort af te vaardigen predikanten, ouderlingen en diakenen, namelijk alle predikanten voor gewone en buitengewone werkzaamheden uit zijn gemeente, en daarbij evenveel ouderlingen of diakenen, naar een door het breed moderamen van de classicale vergadering opgemaakt rooster. En wel zo, dat steeds uit het classicale ressort vijf kerkvoogden en vijf diakenen werden afgevaardigd. De zittingstijd van de afgevaardigden naar de classicale vergadering bedroeg drie jaren. Overigens: de classicale ressorten werden opnieuw ingedeeld: het aantal classes werd van 45 op 54 gebracht, inclusief het ressort van de Waalse gemeenten. Tenminste tweemaal per jaar moest de classicale vergadering gehouden worden. Met betrekking tot het arbeidsveld schrijft Haitjema: ‘(...) bij een zorgvuldige lezing van O. 1-5-1 zal men bemerken, dat de daar gegeven opsomming van taken heel duidelijk de opvatting laat doorschemeren, dat deze ambtelijke vergaderingen in de grond der zaak “grote kerkeraden” zijn voor meerdere gemeenten tezamen, en dat de grond van het gezag dezer vergaderingen in de ambtelijke autoriteit der afgevaardigde ambtsdragers gelegen is, veel meer dan in de afvaardigingsgedachte zelf, welke, op zichzelf beschouwd, de classicale vergadering hoogstens tot een min of meer democratisch parlement voor het kerkvolk uit de classis zou stempelen.’24 Haitjema vervolgt: ‘Merkwaardig is zeker, dat de kwestie van de benoemingen van afgevaardigden naar de meerdere vergaderingen, welke onder de reglementaire organisatie eigenlijk het enige was, dat aan de ontluisterde classicale vergaderingen reële betekenis gaf, hier in O. 1-5-1 zelfs niet met één woord expresselijk genoemd wordt! Misschien is dit — naast hetgeen wèl genoemd wordt — welhaast het duidelijkst symptoom van het daadwerkelijk eerherstel van de classicale vergaderingen.’

In de loop der jaren is het een en ander gewijzigd in de bepalingen inzake de classicale vergadering. Zo is de zittingstijd van de afgevaardiden verlengd, van drie naar vijf jaren; zo is de minimale vergaderfrequentie opgevoerd, van twee- naar driemaal per jaar. Belangrijker is, dat in 1965 een


23 Zie daarvoor: Th.L. Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht, p. 191-193.
24 Th.L. Haitjema, o.c., p. 192v.

|169|

nieuwe regeling inzake het opzicht tot stand kwam.25 In plaats van 54 classicale en tien provinciale commissies kwamen er vijf regionale commissies. Nog belangrijker is het antwoord op de vraag, of de classicale vergaderingen goed gefunctioneerd hebben en nog goed functioneren. In 1982 schreef M.H. Bolkestein: ‘(...) in de reorganisatiestrijd is jarenlang het “eerherstel der classicale vergaderingen” bepleit. Dat is ook inderdaad gekomen. (...) Maar is de classicale vergadering werkelijk tot de grondvergadering van de kerk geworden? Zeker, de wetswijzigingsvoorstellen van de Generale Synode worden daar geconsidereerd. En de afgevaardigden voor de Generale Synode worden daar aangewezen. Maar zijn de classicale vergadering tot de vruchtbare gespreksplaatsen geworden, die ze bedoelden te zijn? De ervaring leert, dat de classicale vergaderingen het kerkelijk leven veel minder beïnvloeden dan verwacht werd. De centra van overleg en beraad zijn veel meer de Provinciale Kerkvergaderingen geworden. Deze omvatten per definitie grotere rayons. Ze zijn belangrijker voor het geestelijk leven van de kerk geworden dan de classes. Ze zijn beter bemand (be-vrouw-d is er niet één) dan de classicale vergaderingen door hun vrijgestelde secretaris met een bureau, ze zijn groot-schaliger. Dacht men in 1951 nog te klein-schalig?’26 In 2000 publiceerde A. Romein een artikel met de veelzeggende titel ‘De classis, moet ik daar nu werkelijk naartoe ...?’27 Daarin noemt hij absentie als een veel voorkomend euvel bij de hervormde classicale vergaderingen.

Bijzondere aandacht verdienen de ontwikkelingen op het terrein van Samen op Weg. In 1982 werd een regeling betreffende de afvaardiging naar de classicale vergadering vanuit gefedereerde gemeenten aanvaard.28 Die behelst, dat vanuit een gefedereerde gemeente met een gemeenschappelijke kerkenraad de afgevaardigde naar de (hervormde) classicale vergadering niet beslist een hervormde ambtsdrager behoeft te zijn. Men mag ook een gereformeerde ouderling of diaken afvaardigen. Omgekeerd mag men ook een hervormd kerkenraadslid naar de gereformeerde classis afvaardigen. Hij of zij wordt als wettig en stemhebbend lid in die vergadering aanvaard. Hij of zij mag in die classicale vergadering evenwel niet als


25 Zie daarvoor: P. van den Heuvel, ‘De kerkelijke rechtspraak’, in de onderhavige bundel, p. 246.
26 M.H. Bolkestein, ‘De Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk na dertig jaren’, in Kerk en Theologie 33 (1982) nr. 1, p. 26v.
27 A. Romein, ‘De classis, moet ik daar nu werkelijk naartoe ...?’, in Ouderlingenblad 78 (2000) nr. 897, katern.
28 Zie daarvoor: P. van den Heuvel, o.c., p. 388v.

|170|

afgevaardigde naar een van de meerdere vergaderingen gekozen worden. De Interimregeling classicale vergadering, die sinds 1982 meer dan eens gewijzigd en aangevuld is, maakt het tevens mogelijk, dat een hervormde classicale vergadering en een gereformeerde classis het besluit nemen om een brede interkerkelijke samenwerking (federatie) aan te gaan.29 De gezamenlijke classicale vergadering wordt gevormd door de beide afzonderlijke classicale vergaderingen. Tezamen verrichten ze de taken die voorheen aan de gremia afzonderlijk opgedragen waren. Allerlei typisch hervormde taken (zoals het considereren over voorstellen tot wijziging van de kerkorde) en typisch gereformeerde taken (zoals de medewerking aan de beroepbaarstelling van kandidaten) worden samen uitgeoefend, tenzij men besloten heeft bepaalde onderdelen van het werk afzonderlijk te blijven verrichten. Als men een brede interkerkelijke samenwerking van de classicale vergaderingen is aangegaan, wordt de hervormde classicale vergadering voortaan op een andere wijze samengesteld dan in ordinantie 1-4 is vermeld. Zo zijn meer punten van verschil met de hervormde situatie te noemen. In het algemeen kan gesteld worden, dat de werkwijze van de gefedereerde classicale vergadering sterk door de gereformeerde kerkorde bepaald is.30 Tenslotte wijs ik in dit verband op het in 1990 genomen besluit om een ingrijpende classicale herindeling door te voeren, waarbij uitbreiding van het aantal classes aan de orde was, naar 74 (exclusief de Waalse classis).31 Dit gebeurde met het oog op Samen op Weg. De opzet was, het aantal hervormde en gereformeerde classes aan elkaar gelijk te maken door de onderlinge grenzen te laten samenvallen. Daardoor moest samenwerking tussen of zelfs federatie van classes mogelijk worden.

Opgemerkt moet worden, dat in gefedereerde classicale vergaderingen een verschil tussen de hervormde en de gereformeerde bestuurscultuur aan de dag treedt. Romein noemt het gegeven dat aan hervormde zijde een tamelijk groot aantal bestuurlijke bevoegdheden aan het breed moderamen overgedragen is. In de classicale vergadering kan men zich concentreren op bespreking van door de generale synode voorgestelde kerkordewijzigingen en op bezinning op belangrijke vraagstukken. Met het oog op het


29 Zie daarvoor: Tussenorde ten dienste van de samenwerking van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (Utrecht 2000), p. 44-52.
30 Zie daarvoor: P. van den Heuvel, o.c., p. 393v.
31 Zie daarvoor: Rapport Classicale Herindeling van de Raad van deputaten Samen op Weg, bestemd voor de gezamenlijke vergadering van synoden van 25-27 oktober 1990.

|171|

laatste worden dikwijls sprekers uitgenodigd, die een discussie over een kerkelijk actueel onderwerp inleiden. Over de gereformeerde classis schrijft Romein: ‘De gereformeerden, wars van overbodige bestuurslichamen, kennen een andere praktijk. Zij maken geen onderscheid tussen classis en classicale vergadering. In de GKN is een classis een vergadering die enkele malen per jaar bijeenkomt. Als de vergadering afgelopen is en afgesloten, dan is de classis voorbij. Van een permanent moderamen weet men niet. Voor verdere besluiten moet gewacht worden op een volgende classis. Wat in de NHK aan het continue breed moderamen is toevertrouwd, behartigt de gereformeerde classis zelf in haar vergadering. Dat maakt die vergaderingen tot werkvergaderingen, waar stukken worden behandeld en besluiten worden genomen. Is er een hervormde gast aanwezig, dan vindt hij of zij de gereformeerde classicale vergaderstijl wel erg formeel en zakelijk.’

 

Samen op Weg en de aparte hervormde classis

In 1997 schreef L.C. van Drimmelen een artikel over ‘De classis in de ontwerp-kerkorde’.32 Hij begint zijn pennenvrucht als volgt: ‘In de ontwerp-kerkorde voor de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland staan in artikel VI onder meer de volgende woorden: “De classicale vergadering geeft leiding aan het leven en werken van de classis en geeft daarin gestalte aan de verantwoordelijkheid van de gemeenten voor elkaar en voor de gehele kerk, alsmede aan de verantwoordelijkheid van de kerk voor de gemeenten”. Door deze regel in de ontwerp-kerkorde wordt de classicale vergadering als een spin in het centrum van het netwerk van de verenigde kerk gezet. Bij de classicale vergadering komen alle dragen van de organisatorische structuur van de verenigde kerk samen. Het is het punt waarop iedereen iedereen ontmoet. Op de classicale vergadering zien de gemeenten elkaar. Ze zien er tevens de synodeleden die zij hebben afgevaardigd naar de generale synode en de synode ziet er door deze synodeleden de gemeenten. En deze ontmoeting is niet alleen ten behoeve van de door de gehele organisatie nodige communicatie maar ze heeft een speciale bedoeling: gestalte geven aan de verantwoordelijkheid voor de verschillende geledingen van de kerk, voor het geheel en voor de delen.’

In 1997 aanvaardde de gezamenlijke synoden van de Samen op Weg-kerken de nota De Classicale Vergadering in de VPKN van de Raad van


32 L.C. van Drimmelen, ‘De classis in de ontwerp-kerkorde’, in Ouderlingenblad 72 (1994) nr. 833, p. 10-13.

|172|

Deputaten Samen op Weg. (Terzijde: het stuk was voorbereid door een werkgroep waarin ik zelf zitting had.) Een belangrijke zin uit het discussiestuk is: ‘De classis is het scharnier tussen de gemeente en de kerk. In de classis komen de gemeenten uit de regio bijeen en krijgen we zicht op het gehele kerkverband. Zo wordt de zelfstandigheid van de gemeente gerelativeerd door de overtuiging dat wij in onze kerk samen kerk zijn. Een gemeente staat niet op zichzelf, maar heeft met naburige gemeenten van doen.’33 De classicale vergadering zal dus in de toekomst een ontmoetingsfunctie krijgen. Of daar in de praktijk veel van terecht zal komen, is evenwel de vraag. Wel worden tal van formele en administratieve zaken toevertrouwd aan het breed moderamen, terwijl het adviseren en toerusten van gemeenten aan de Algemene Classicale Vergadering uitbesteed wordt.34 Maar: het takenpakket van de classicale vergadering is bijzonder omvangrijk.35 Zal er genoeg ruimte voor werkelijke ontmoeting zijn? Dat moet prioriteit krijgen, gezien de verscheidenheid (lees: de verdeeldheid) in de kerk. B. Wallet schrijft: ‘Al in de zestiende eeuw vertoonden de gemeenten een grote mate van verscheidenheid. De classis was de vergadering waarbinnen men elkaar vond en de eenheid gestalte kreeg. Ook in de toekomst zal er ten aanzien daarvan veel van de classicale vergaderingen worden gevraagd, wil de kerk niet uiteenvallen in pluraliteiten. Daar waar de gemeenten elkaar ontmoeten, zal op basis van het grondslagartikel het gesprek gevoerd moeten worden om gestalte te blijven geven aan een belijdende kerk.’36 Ik wijs op een knelpunt: de omvang van de classis. De laatste alinea van de nota over de classicale vergadering luidt: ‘Over de grootte van de classis, met name het aantal afgevaardigden naar de classicale vergadering is uitvoerig van gedachten gewisseld. De werkgroep stelt vast dat er problemen zijn bij de huidige omvang, maar wijst er tevens op, dat een verandering daarvan, door het splitsen van classes of het beperken


33De Classicale Vergadering in de VPKN. Nota van de Raad van Deputaten Samen op Weg (z.p. 1997), p. 5.
34 Zie daarvoor: Ontwerp-ordinanties behorende bij de ontwerp-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland (Zoetermeer 1997), p. 56-64, en Toelichtingen bij de ontwerp-ordinanties behorende bij de ontwerp-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland (Zoetermeer 1997), p. 63-67.
35 Cf. ‘Classes overbelast’, in Woord & Dienst 48 (1999) nr. 2, p. 14, en W.P. van der Hoeven, ‘Werkdruk voor toekomstige classes is te hoog’, in Woord & Dienst 48 (1999) nr. 13, p. 9v.
36 B. Wallet, ‘De plaats van de predikant in de toekomstige verenigde kerk’, in Beroep: predikant. Een uitgave ter gelegenheid van het vijfenzeventigjarig jubileum van de Bond van Nederlandse Predikanten (Zoetermeer 1993), p. 156.

|173|

van het aantal afgevaardigden eveneens op bezwaren zal stuiten. Het probleem wordt breed als knelpunt ervaren.’37

Hier moet nog iets anders ter sprake komen: het pleidooi om in de verenigde kerk aparte hervormde classes toe te staan. In 1993 kwam het hoofdbestuur van de Confessionele Vereniging, waar ik deel van uitmaakte en uitmaak, met dat voorstel. Reden: ‘(...) wanneer gemeenten, waar Samen-op-Weg volstrekt niet leeft, gedwongen worden op classicaal vlak te fuseren, dan zijn de (heilloze) gevolgen niet te overzien.’38 Een merkwaardige zin: gemeenten fuseren op classicaal vlak helemaal niet, hun ambtsdragers ontmoeten elkaar daar. Niet meer en niet minder. Tijdens de conferentie van de Confessionele Vereniging op 3 mei 1993 uitte G. de Klerk de hartenkreet ‘(...) om niet de toevlucht te nemen tot eigen (Hervormde) classes, waar men gelijkgezinden, geestverwanten zal ontmoeten.’39 G.W. Marchal sloot zich bij de oproep van De Klerk aan en merkte over de aparte hervormde classis op: ‘Dat is sektarisch denken en strijdig met de dingen, die de confessionelen in het bijzonder ter harte gaan.’ Ook de confessionele voorman S. Kooistra ondersteunde de oproep van De Klerk.40 H.P. Swets daarentegen verdedigde het recht van de aparte hervormde classis.41 De steun daarvoor brokkelde af, nadat ik de aparte hervormde classis als in strijd met het wezen van de classis had gekwalificeerd.42

In 1998 werd de kwestie weer aanhangig gemaakt, toen door de Gereformeerde Bond.43 Op 29 oktober van het genoemde jaar publiceerde het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een voorstel met betrekking tot het besluit van de generale synode van de Nederlandse Hervormde kerk inzake de zogenaamde motie Van Heijst/De Visser. De bedoeling van die motie was om bezwaarden tegen het Samen op Weg-proces in de gelegenheid


37De Classicale Vergadering in de VPKN, p. 16.
38 H.P. Swets en J.D.Th. Wassenaar, ‘Toelichting bij de amendementen’, in Hervormd Weekblad, 22 april 1993, p. 8.
39 G.W. Marchal, ‘Kort en bondig, met het oog op de Heilige Geest en een goede (kerk)orde’, in Hervormd Weekblad, 24 juni 1993, p. 6.
40 Zie daarvoor: S. Kooistra, ‘Hervormde classes ook bij SoW’, in Hervormd Weekblad, 8 juli 1993, p. 6.
41 Zie daarvoor: H.P. Swets, ‘De nieuwe SoW-Kerkorde’, in Hervormd Weekblad, 8 juli 1993, p. 6.
42 Zie daarvoor: J.D.Th. Wassenaar, ‘Nogmaals: aparte hervormde classes ...?’, in Hervormd Weekblad, 2 september 1993, p. 2 en 6.
43 Zie daarvoor: J.D.Th. Wassenaar, ‘Geroepen samen verder te worstelen. Voorstel Gereformeerde Bon in strijd met wezen classis’, in Centraal Weekblad, 6 november 1998, p. 5 = ‘Gereformeerde Bond ondergraaf classis’, in Woord & Dienst 47 (1998) nr. 22, p. 15v.

|174|

te stellen ideeën in te dienen om een voor hen begaanbare weg naar een verenigde kerk mogelijk te maken. In het voorstel van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond wordt het uitgangspunt van de classicale vergadering als ‘verplichte’ ontmoetingsplaats van de verschillende gemeenten losgelaten. Het hoofdbestuur wil, dat hervormde classes kunnen voortbestaan. Als gemeenten moeite hebben met het besluit van hun classicale vergadering om te verenigen, moeten zij de mogelijkheid krijgen om aan te sluiten bij een naburige classis waarvan de vergadering besloten heeft als hervormde classis te blijven voortbestaan. Omgekeerd moeten gemeenten, als de classicale vergadering besluit om niet tot vereniging over te gaan, kunnen aansluiten bij een naburige classis waarvan de vergadering wel tot vereniging besloten heeft. Verder voorziet het plan van het hoofdbestuur in het instellen van enkele bovenregionale classes en van een ‘interclassicale vergadering’. De situatie moet eenmaal in de vijf jaar geëvalueerd worden. Samengevat stelt het hoofdbestuur, dat men een gedifferentieerde grondstructuur beoogt, zodat zowel gemeenten als classes kunnen blijven in de weg van het gereformeerde belijden. Net als in 1993 heb ik de aparte hervormde classis als in strijd met het wezen van de classis gekwalificeerd.44 Ik citeer uit mijn bespreking van het plan van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond: ‘Ik vind dat wij van Christuswege verplicht zijn verder te worstelen en elkaar te zoeken in het verband van de verenigde classis. Daar moet het kerkelijk gesprek plaatsvinden. De inbreng van de Gereformeerde Bond kan daarbij niet gemist worden!’ Ik citeer verder nog: ‘In de eerste plaats merk ik op dat de beoogde kerkorde (met ordinanties) zelf nogal wat aandacht geeft aan de “voorkomende verscheidenheid”. In de toelichting op het kerkelijk gesprek in de classicale vergadering schrijft de werkgroep kerkorde: “Om de spanning in het gesprek tussen de modaliteiten niet onnodig groot te maken, is naast de classicale vergadering de mogelijkheid gegeven voor gelijk gezinde gemeenten om elkaar te ontmoeten in ringverbanden.” In feite worden “subgroepen” van geestverwanten zo al toegestaan. De verscheidenheid (lees: de verdeeldheid) wordt gelegitimeerd, zij het niet in een ambtelijke vergadering. In de tweede plaats verplicht het aanvaarden van de motie van ouderling J. van Heijst en ds. J. de Visser (in de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk van 21 maart dat jaar) ertoe om het voorstel van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond serieus te bespreken. Het hoofdbestuur merkt op: “Uiteindelijk was het toch de synode zelf, die


44 Zie voor een kritische beoordeling van mijn benadering: H.J. Lam, ‘Gereformeerde Bond ondersteunt classis’, in de Waarheidsvriend, 3 december 1998, p. 800v.

|175|

een weg insloeg waardoor velen in de kerk in gewetensnood zijn gekomen. De hervormde synode heeft zichzelf door het aannemen van de motie in de maartsynode ook een hoge verplichting opgelegd.” In de derde plaats is gelukkig duidelijk dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond van de nood geen deugd maakt. Men merkt op: “De voorstellen die hier zijn gedaan, moeten worden gezien in het licht van de gescheurde en gebroken gestalte van de kerk, maar kunnen hopelijk dienen om verdere verscheuring te voorkomen en helling van het lichaam van Christus onder Zijn zegen te bevorderen.” In de vierde plaats: het voorstel van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond gaat minder ver dan dat van het Comité tot Behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk.45 Dat Comité wil niet alleen aparte hervormde classes maar ook een aparte hervormde synode. Terecht vindt het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bon dat op die wijze een “afsnoering” plaatsvindt van het geheel van de kerk en dat de hervormd-gereformeerden in hun verantwoordelijkheid voor het geheel worden beperkt.’ Op 3 december 1999 besprak de synode de ingekomen reacties op de motie Van Heijst/De Visser en het advies van de hervormde Commissie voor Kerkordelijke Aangelegenheden.46 Na een intensieve discussie ging men akkoord met voorstellen over onder andere ‘een nader onderzoek naar de mogelijkheid om in de ordinanties de bijzondere verbondenheid van een ringverband met het gereformeerde belijden uit te spreken’. In januari 2000 spraken de gezamenlijke synoden van de Samen op Weg-kerken uit, dat de aparte hervormde classis te ver ging: ‘Als er aparte classes voor bezwaarde gemeenten zouden komen, dan is het isolement van de tegenstanders van Samen op Weg definitief,’ aldus de secretaris-generaal B. Plaisier.47 Wel zal de mogelijkheid tot het instellen van een ‘classicaal ringverband/subclassis’ geopend worden.

 

Besluit

In de kerkorde van 1951 verkreeg de classicale vergadering de plaats die haar toekwam. Daarmee is niet gezegd, dat zij altijd functioneerde zoals


45 Zie voor een beoordeling van het standpunt van het Comité tot behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk: J.D.Th. Wassenaar, ‘Vraagtekens bij het behoud van de hervormde kerk’, in Woord & Dienst 47 (1998) nr. 3, p. 13v.
46 H. Dolstra-Muggen en B. Plaisier, ‘Jaaroverzicht 1999’, in Jaarboek Nederlandse Hervormde Kerk (Zoetermeer 2000), p. 471.
47 Kees Posthumus, ‘Hoe een binnenbrand te blussen?’, in Woord & Dienst 49 (2000) nr. 4, p. 8.

|176|

dat de bedoeling was. Integendeel: her en der worden negatieve geluiden gehoord, niet in het minst vanuit gefedereerde classicale vergaderingen. Het getuigt van moed van de (generale) synoden van de Samen op Weg-kerken om de classicale vergadering opnieuw tot ‘grondvergadering’ uit te roepen, aldus kiezen voor wat G.D.J. Dingemans ‘een dialogische kerkorganisatie’48 genoemd heeft. Maar de vraag blijft, of die hoge roeping waargemaakt kan worden. Een dialoog is afhankelijk van de bereidheid van ‘zonen (en dochters) van ’t zelfde huis’ (Psalm 133:1, berijming) om met elkaar in gesprek te gaan. Daar moet ook ruimte voor geboden worden. Het is de vraag, of alle ‘huishoudelijke’ beslommeringen waarmee de classicale vergadering in de toekomst belast zal worden, die ruimte overlaten.


48 G.D.J. Dingemans, Een huis om in te wonen. Schetsen en bouwstenen voor een Kerk en een Kerkorde van de toekomst (’s-Gravenhage 1987), p. 112.