133-145

|133|

De kerkorde en de zending

 

De kerkorde van 1951

In de kerkorde van 1951 hebben zending en apostolaat een prominente plaats gekregen. In artikel VIII, voorafgaande nog aan artikel X dat over het belijden handelt, wordt beleden: ‘Als Christus-belijdende geloofsgemeenschap gesteld in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen, vervult de Kerk, delend in de aan Israël geschonken verwachting van het Koninkrijk Gods, haar apostolische opdracht in het bijzonder:
- in haar gesprek met Israël,
- door het werk der zending,
- door de verbreiding van het Evangelie en de voortdurende arbeid aan de kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie.’

In lid 3 worden als kerntaken van de zending genoemd de ‘dienst der barmhartigheid in de geestelijke en lichamelijke nood van de(ze) volkeren,’ het tezamen brengen van hen die tot geloof gekomen zijn in de gemeenten ‘bij de bediening van Woord en sacrament en ze dient nieuw gevormde gemeenten bij de inrichting en opbouw van een eigen kerkelijk leven.’

 

Juist op het terrein van ‘kerkorde en zending’ betekent dit een ingrijpende verandering van de stand van zaken, zoals die in de Nederlandse Hervormde Kerk vanaf de tijd van haar ontstaan heeft gegolden. Nadat de zending eerst al een overheidstaak is gezien, en vervolgens vooral als een activiteit van zendingsgenootschappen is aangevat, wordt hier voor het eerst de zending als een wezenlijke opdracht van de kerk gezien.

Het is duidelijk dat deze verandering niet uit de lucht is komen vallen. De scheiding van kerk en staat, met de grondwetswijziging van 1848 mogelijk gemaakt, haalt de gedachte dat de overheid de taak heeft ‘het Evangelie van Christus overal te doen prediken’ (Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 36) onderuit. Het door de overheid gesponsorde zendingswerk (voornamelijk in Nederlandse Indië) sterft eind achttiende eeuw een zachte dood. Hiermee breekt de tijd van de zendingsgenootschappen aan, ontstaan in de slip-stream van de grote zendingsbeweging van de negentiende

|134|

eeuw. Met grote ijver en inzet van vele zendingsvrienden is gehoor gegeven aan de opdracht tot zending.1

Wanneer in 1951 de zending als een wezenlijke taak van de kerk wordt gezien, heeft dit mede te maken met de veranderde plaats van de kerk in de eigen samenleving. Tussen 1920 en 1930 vond bijna een verdubbeling van het aantal buitenkerkelijken plaats (van 7,7 tot 14,3 procent van de bevolking) en liep het hervormde volksdeel terug van 41 naar 34 procent. En dat, terwijl dit percentage in 1879 nog 55 procent bedroeg. Daarmee is deze kerk haar status als volkskerk kwijt. Hiermee groeide het bewustzijn dat de kerk de zending niet als een luxe goed kan overlaten aan een groep hobbyisten aanmerkelijk.

 

H. Kraemer

De grote impuls voor de vernieuwing van het denken over kerk en zending heeft H. Kraemer (1888-1965) gegeven. Vooral op grond van zijn grote ervaring op het zendingsveld, heeft hij onvermoeibaar kerkelijke instanties en directies van de verschillende zendingscorporaties het vuur aan de schenen gelegd. Eén van de acties die vooral op zijn initiatief werd ondernomen om het zendingsbewustzijn van de kerk op te wekken, bestond uit de vorming van een klein legertje, de zogenaamde ‘honderdmannen’.2 Zij waren bedoeld het bewustzijn te doen ontwaken, dat de zending een vitale christelijke levensuiting vormt. Te lang, zo meende Kraemer, is de zending het slachtoffer geweest van de kerkelijke malaise en richtingenstrijd, te lang is de kerk blind geweest voor de wereld. De zending zelf, zo stelde hij, was een groot en achtenswaardig bedrijf, maar niet een geestelijke beweging. De gedachten en idealen van Kraemer hebben grote invloed gehad op andere Nederlandse theologen. Kramer schreef in 1936 een boekje Waarom Zending juist nú.3 Met overtuiging wordt hierin duidelijk gemaakt dat de


1 Zie verder voor de tijd van de zendingsgenootschappen Th. van den End, ‘Tweehonderd jaar Nederlandse zending: een overzicht’ in Th. van den End e.a., Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997 (Zoetermeer 1997), p. 1-24. Zie verder S.C. Graaf van Randwijck, Handelen en denken in dienst der zending (2 delen) (’s-Gravenhage 1981), p. 141-188 en p. 673-808. Voor de aparte positie van de Gereformeerde Zendingsbond en haar motivatie de eigen genootschappelijke positie niet op te geven Th. van den End, De Gereformeerde Zendingsbond 1901-1961 Nederland-Tanah Toraja (1985), p. 40-45.
2 Zie S.C. Graaf van Randwijck, o.c., p. 777vv.
3 ’s-Gravenhage, 19382. De ondertitel is ‘een studie over het goed recht en de noodzaak der zending, juist in den tegenwoordige tijd’.

|135|

Zending als de ‘normale onmisbare uiting van het leven en de daadkracht der Christelijke Kerk’ (10) moet worden opgevat. Ze bestaat vooral uit de ‘verantwoordelijkheid voor het getuigen van Christus in de wereld’ (p. 38v). Dit getuigenis is een wezenlijke taak, een noodzaak ook. ‘In de Zending blijft de Kerk, blijft de Christenheid, trots al haar gebreken en lamlendigheden, temidden der moderne wereld hooghouden dat de godsdienst, of meer gepreciseerd, het Evangelie, de alleraangelegenste zaak der menschheid is, omdat het de weg, de waarheid en het leven is voor elken mens’ (p. 47). Naast de primaire zendingsreden, gelegen in de zending van Christus zelf en zijn opdracht aan de discipelen, ontwaart Kraemer bijzondere redenen tot zending in de eigen tijd. Het Westen is de afgelopen eeuw hardhandig ingebroken in het Oosten. Daarom zending nú. ‘Het (Christendom) màg niet buitengesloten worden, omdat het een onbegrijpelijke en eeuwige schande voor de Christelijke Kerk zou zijn, als zij zelf als natuurlijk en vanzelfsprekend zou accepteeren, dat het Westen al zijn invloedstralen, heilzame zoowel als verstorende, loslaat op het Oosten, maar alleen het Evangelie, het kostbaarste bezit der menschheid, de aan de Kerk toevertrouwde schat, buiten dien stralenbundel gehouden werd.’ (p. 66). Kraemer voorziet dat de grote geestelijke crisis in het Oosten nog moet komen (p. 73). Het Oosten ‘maakt zich gereed om aan het bepalen van den gang der menschheidsgeschiedenis beslissend mede te werken, en zal dat in de toekomst steeds krachtiger gaan doen’ (p. 79). Juist werkt de Zending, ‘die in de “niet-christelijke” Oosterse wereld werkt (...) zeer wezenlijk mede aan het lot van de Kerk in Europa’ (p. 80), aldus Kraemer.4

Kraemer had er uiteraard open oog voor, dat zending zich niet langer als bijproduct van het kolonialisme mocht beschouwen. In zijn dagen was bovendien al duidelijk dat de kerkgeschiedenis in toenemende mate in Afrika en Azië geschreven wordt. Het is dan ook niet toevallig dat in artikel VIII wordt gesproken over de inrichting en vorming van een eigen kerkelijk leven.

 

Verkerkelijking van de zending?

Hiermee is voor een belangrijk deel aangegeven, wat als de drijfveren achter het belangrijke artikel VIII van de kerkorde van 1951 gezien moet worden.


4 Cf. voor Kraemer verder vooral zijn magnum opus, geschreven als voorbereidingsmateriaal voor de zendingsconferentie van 1938 te Tambaran, The Christian Message in a Non Christian World (London 1938).

|136|

De ‘verkerkelijking’ van de zending heeft verder een voorgeschiedenis in het denken van Kerkherstel en Kerkopbouw. Het voert te ver hier nader op in te gaan. ‘Verkerkelijking’ heeft, zeker in hedendaagse oren, een negatieve klank. Het is daarom goed, te bedenken dat voor de ‘voormannen’ van deze verkerkelijking vooral de kerk zelf ter discussie werd gesteld. O. Noordmans heeft in een lezing, getiteld ‘De kerk als zendingsprobleem’, juist dit aspect met nadruk aan de orde gesteld. ‘(...) alle kerkelijke kwesties zijn onoplosbaar zolang men ze niet uit zendingsoogpunt beziet’.5 De kerk kan alleen kerk zijn als ze zich realiseert uit zending geboren te zijn. Vervolgens stelt Noordmans de vraag: ‘Hoe kan de kerk haar zendingskarakter bewaren? Hoe kan ze vermijden een academisch dispuut te worden, waarbij de wetenschappelijke methode de apostolische manier van overtuigen vervangt?’, en de aard van de vraag geeft aan dat hier de identiteit van de kerk zelf op het spel staat. Niet verkerkelijking van de zending is het primaire doel, maar ‘missionering’ van de kerk is de eerst aangelegen opdracht. Daarmee wordt voorkomen dat verkerkelijking een verkokering van de zending met zich meebrengt. Wanneer de zending verkerkelijkt in een kerk die haar missionaire wortel en roeping vergeet, dreigt deze verkokering wel toe te slaan.

 

De missionaire praktijk

Wanneer we nu zien welke de idealen achter de formuleringen in de kerkorde van 1951 zijn geweest, dringt zich de vraag op hoe de kerkelijke en missionaire praktijk van de afgelopen vijftig jaar is geweest. Het mag niet ontkend worden, dat er deze halve eeuw veel is gebeurd. Op het gebied van de missiologie moet, na Kraemer, het werd genoemd worden van onder andere J.C. Hoekendijk, J.H. Bavinck, J. Verkuyl en J.A.B. Jongeneel. Daarnaast hebben natuurlijk ook belangrijke missionaire impulsen van internationale missiologen hun beslag gekregen.6 Het ‘zendingsterrein’ is verbreed van Indonesië tot een groot aantal landen in de ‘Derde Wereld’. De opleiding van de zendingswerkers in Oegstgeest (aan het Hendrik Kraemer Instituut) is aanmerkelijk geprofessionaliseerd. Interkerkelijke


5 O. Noordmans, De kerk als zendingsprobleem, in Verzamelde Werken dl. 5 (Kampen 1984), p. 259. De redactie meent dat Noordmans deze lezing in 1936 op een classicale vergadering te Deventer hield. Noordmans, zelf geen ‘zendingsman’, geef aan deze lezing gehouden te hebben na aandringen van Kraemer.
6 Met name moet hier gedacht worden aan L. Newbigin en D. Bosch.

|137|

missionaire tijdschriften (de Heerbaan, later Wereld en Zending) vervullen een belangrijke functie. In 1970 wordt het Interuniversitair Instituut voor Missiologie en Oecumenica (IIMO) opgericht. Er zijn netwerken ontstaan: de Nederlandse Zendingsraad (al vanaf 1929) en de Wereldraad van Kerken. Daarnaast moet ook de invloed van de evangelische en para-kerkelijke organisaties worden genoemd, verenigd in de Evangelische Alliantie.7 De financiële betrokkenheid van de gemeenten, via de bemoeienis van plaatselijke en classicale zendingscommissies, is sterker geworden. De toenadering van de Nederlandse Hervormde Kerk met de Gereformeerde Kerken in Nederland, resulterend in de uiteindelijke samenvoeging van de zendingsbureaus in de dienst Missionair en Diaconaal Werk en Oecumenische Relaties (MDO) van het Landelijk Dienstencentrum is van betekenis, zeker gezien het feit dat de oecumene voor een groot deel een zendingservaring is. Ook de toenemende verschuiving van het werk onder ‘onbereikte volkeren’ in de richting van ‘interkerkelijke hulpverlening’ en ‘wederzijdse assistentie’ moet genoemd worden, al leeft de eerste vorm van zendingswerk onder de evangelische zendingscorporaties voort. Wel is daarmee een nog immer voortlevend idee van ‘zending overzee’ in de traditionele zin van het woord definitief een afgesloten zaak. Dat het christendom nu een wereldwijd verschijnsel is geworden, kan alleen maar een stimulans zijn voor een missionair besef, ook al zal dit zich in toenemende mate richten op de eigen cultuur.8 En tenslotte: allochtone christenen melden zich in toenemende mate op het Nederlandse kerkelijke erf. Hun aanwezigheid en missionaire gedrevenheid zal in toenemende mate een factor van belang worden.

 

Verschuivingen

Toch is het zonneklaar, dat het kerkelijk en missionaire klimaat intussen ingrijpend is veranderd. Van het enthousiasme en de gedrevenheid die aanleiding hebben gegeven tot het formuleren van artikel VIII is in den brede weinig meer over. Dat laat zich niet meteen aflezen aan het ontwerp van de nieuwe kerkorde voor de Samen op Weg-kerken. In artikel 1-2


7 Zie hiervoor J.A.B. Jongeneel, ‘Nederlandse kerkelijke en para-kerkelijke zending na 1945’ in Th. van den End e.a., o.c., p. 225-240.
8 Voor wat betreft de cijfers van het percentage christenen wereldwijd, cf. J.A.B. Jongeneel, in Kerk en Theologie, 51 (2000), p. 349v. In 1999 stond 33,3 procent van de wereldbevolking als christen te boek.

|138|

wordt beleden: ‘Levend uit Gods genade in Jezus Christus vervult de kerk de opdracht van haar Heer om het Woord te horen en te verkondigen’.

In artikel X-1 wordt gesproken over ‘getuigenis en dienst aan hen die het Evangelie niet kennen of daarvan vervreemd zijn’ met als doel hen te doen ‘delen in het heil van Christus’. Dit neemt niet weg dat er verregaande verlegenheid is als het gaat over zending. ‘Missionair werk wordt geplaagd door postmissionaire verlegenheid. De grote zendingsbeweging van de negentiende eeuw heeft haar sporen nagelaten in allerlei raden en commissies en in talrijke relaties met zusterkerken over de hele wereld, maar het missionaire zelfvertrouwen dat bij die beweging hoorde is tanende. Zending (...) is voor een groot deel gestold in oecumene, dat wil zeggen in het onderhouden van “buiten-lijnen”, het behartigen van wereldwijde interkerkelijke hulp en het organiseren van interculturele ontmoetingen,’ zo begint L.A. Hoedemaker een recente publicatie.9

De oorzaken van deze teloorgang van het oorspronkelijke enthousiasme en het ‘missionaire zelfvertrouwen’ zijn divers. Ze zijn overigens niet over heel de linie in gelijke mate waar te nemen. Het gaat er echter niet om in dit artikel een volledige beschrijving te vinden van de stand van zaken op missionair terrein, laat staan om een beoordeling te geven van de inspanningen van de zending in Nederland van de afgelopen halve eeuw. Er zijn allerlei oorzaken genoemd voor de veranderde beleving van de zending. Europa is haar leidende rol in de wereld kwijtgeraakt. De zegeningen van de westerse cultuur worden in toenemende mate van een vraagteken voorzien, hoewel anderzijds diezelfde cultuur verantwoordelijk is voor het fenomeen van de globalisering. Daarmee zou ook de zending, vaak als bijproduct van het Westen en als de ideologie van het westerse superioriteitsgevoel genoemd, schade hebben opgelopen. De rol van de niet-christelijke wereldgodsdiensten, de islam voorop, is op het forum van de internationale betrekkingen toegenomen en maakt dat het christendom in missionair opzicht zeker geen monopoliepositie meer inneemt. De multireligieuze samenleving is een feit, waar niemand omheen kan, zodat zonneklaar duidelijk is dat het christendom in haar religieuze waarheidsclaims zelfs in eigen land te maken heeft met tegenclaims.

Het is echter de vraag of deze oorzaken ten nadele van het zendingsbewustzijn moeten werken. De genoemde oorzaken zijn of in hoge mate discutabel (het is een grove vertekening de zending integraal te zien als de ideologie van het westerse superioriteitsgevoel), ze zijn voor een deel niet


9 L.A. Hoedemaker, Met anderen tot Christus: zending in een postmissionair tijdperk (Zoetermeer 2000), p. 9.

|139|

nieuw (er wordt al zo lang een vraagteken gezet achter de westerse cultuur) of ze kunnen evengoed het zendingsbewustzijn stimuleren (islam en multiculturele maatschappij als uitdaging en verhoging van het zelfbewustzijn).

Gezegd moet dus worden dat de betekenis van de bovengenoemde factoren op zichzelf geen verklaring biedt voor het afnemende zendingsbewustzijn. Daarom moet de hoofdoorzaak gezocht worden in de eigen kerkelijke cultuur. Met name in Nederland hebben zich op kerkelijk terrein desastreuze ontwikkelingen voorgedaan. Zo is de ontkerkelijking in een razend tempo doorgegaan. Nu is ongeveer zestig procent van de Nederlandse bevolking onkerkelijk. Zeker is wel dat in Nederland ook de heilloze polarisatie en richtingenstrijd, begonnen in de negentiende eeuw, de geesten rijp gemaakt heeft voor dit kerkelijk echec. De Gereformeerde Kerken zijn in een grote geestelijke identiteitscrisis beland. De Nederlandse Hervormde Kerk is haar kerkelijke midden, een mixture van ethische theologie en barthianisme, kwijtgeraakt. De Gereformeerde Bond heeft te weinig visie op de eigenlijke theologische uitdagingen gehad om een echt leidende rol te kunnen spelen op de theologische landkaart.

 

Postmodernisme

De oorzaken van deze fatale secularisering zijn divers. Met name de invloed van de cultuur van het postmoderne levensklimaat is debet aan de voortgaande ontkerstening van de samenleving en de ontkerkelijking van Nederland. Nu is dit postmodernisme ook niet nieuw: het is een vervolg op tendensen die al veel eerder zichtbaar waren. Pluralisme, relativisme, het zijn fenomenen die al zo oud zijn als de moderniteit, ook al worden ze door sommigen gepresenteerd als de nieuwste ontdekkingen. Wel heeft deze cultuur steeds verder doorgewerkt. Postmodernisme wordt hier niet gebruikt als een gemakkelijk scheldwoord Het postmodernisme heeft terecht afgerekend met een aantal ideologieën van de moderniteit, ideologieën die hun invloed tot ver in de kerk en de theologie hebben gehad. De idee van vooruitgang in de richting van een ideale samenleving, of die nu door een meer liberale of meer socialistische ideologie werd onderbouwd, is ingestort. Daarvoor in de plaats is echter geen alternatief gekomen. De toekomst is dermate onzeker geworden, dat als gevolg hiervan er geen macrovisie op de geschiedenis meer is en dat zelfs de idee van de geschiedenis zelf aan erosie onderhevig is. Het einde van de Grote Verhalen betekent een verbrokkeling van het leven in een groot scala aan kleine verhalen, die,

|140|

hoe waardevol wellicht, niet in de plaats kunnen komen van het verband van een groot, dragend verhaal. Verleden en toekomst zijn niet langer zingevende domeinen. Het heden komt op zichzelf te staan en wordt geëxploiteerd in het scheppen van een virtuele werkelijkheid en het aanbieden van evenement en happening. Het is deze cultuur, vooral waar ze een afname van historisch besef, institutionele betrokkenheid en objectieve waarheidsclaim met zich meebrengt, die inwerkt op de kerk en indirect verlammend werkt op haar missionair besef.

 

Kritische reflectie

Een kritische reflectie op deze cultuur is nodig. Allereerst moet worden gezien, dat het missionaire besef voor een belangrijk deel is ondergraven door een bepaald type postmodernisme. Het is een zaak van eerlijkheid om dit toe te geven. Allerlei terugblikken, die op een wat vaderlijke toon duidelijk maken dat het voorgeslacht toch wel erg bevangen was in een bepaald soort zendingsretoriek, die bij nader inzien kortzichtig was en die nu niet meer werkt, raken niet de eigenlijke oorzaak van de omslag in het missionaire besef.10 Het is te simpel, om te beweren dat het missionair besef, zoals door Kraemer cum suis verwoord, teveel berustte op een verbond van christendom met de moderne, westerse cultuur. Zelfs van de veelgewraakte voorstelling van A.Th. van Leeuwen kan dat zo maar niet gezegd worden. Het probleem van de huidige crisis in missionair besef ligt niet in overtrokken verwachtingen of eenzijdige concepten van het voorgeslacht, ligt evenmin in vermeende gemankeerde idealen die tot de kerkorde van 1951 hebben geleid. Het probleem is onze eigen verlegenheid met zending en evangelisatie vanwege de dominantie van de postmoderne cultuur, waartegen te weinig verweer is. De besmuikte manier waarop over zending en evangelisatie gesproken wordt, werpt een grauwsluier over het kerkelijk leven.

Dat er onvoldoende verweer is tegen de geest van de eeuw, heeft alles te maken met het uit het zicht raken van het fundament van de kerk, Jezus Christus. Gewurgd door partijpolitiek, verbrokkeld in de strijd van rivaliserende groepen, verstikt door binnenkerkelijke zelfgenoegzaamheid, is het zicht op dit fundament wazig geworden. De kerk kan, wil ze trouw blijven aan zichzelf, niet anders dan belijden dat Jezus Christus de uiteindelijke openbaring is van God, en dat Hij de vervulling is van het


10 Een voorbeeld hiervan is L.A. Hoedemaker, o.c., p. 15-20.

|141|

onuitwisbare verlangen van elk mens naar heil. Er is een deel van de kerk, dat voor zich de orthodoxie heeft opgeëist, maar dat ver afstaat van de wijdte en breedte ervan. Jezus Christus is daarin maar al te vaak betrokken geweest op een klein groepje uitverkorenen. Het zicht op de universele betekenis van Christus is dermate uit het zicht verdwenen, dat Hij ook niet meer gezien wordt als de Middelaar, gericht op de realisering van de bestemming van elk mens. Het is niet verwonderlijk dat Hij dan al helemaal niet als de weg tot de ware menselijkheid wordt gezien. In een ander deel van de kerk is het geloof en christen-zijn een vrijblijvende aangelegenheid geworden en lijkt Christus hooguit als een synoniem voor algemeen menselijke idealen te worden gehonoreerd.11 Men krijgt soms de indruk dat het zoeken is naar een gaatje in de markt en dat allerlei creatieve ideeën moeten bewijzen dat de kerk nog leeft, maar dat het niet meer duidelijk is waar de kerk nu eigenlijk nog voor leeft. Wanneer het klassiek-christelijk denken over God en mens wordt beschouwd als een relict uit vroeger tijden, dan wordt er een gevaarlijk spelletje gespeeld en zal het missionair besef het loodje leggen.

 

De westerse cultuur

Zoals gezegd: het tanende zendingsbewustzijn heeft vooral te maken met de invloed van een bepaald type postmoderne cultuur. Een reflectie op de eigen cultuur is zeker nodig. Niet alleen de postmoderne cultuur, maar ook


11 Uiteindelijk blijft het daar in de genoemde publicatie van L.A. Hoedemaker ook bij. ‘“Incarnatie” verwijst niet zozeer naar een eenmalige onherhaalbare gebeurtenis, maar naar het ingaan van het Woord in een menselijke geschiedenis.’ (o.c., p. 75). Incarnatie is in de christelijke traditie toch wel — met recht en reden — verbonden geweest aan een eenmalige onherhaalbare gebeurtenis en hiermee is weerstand geboden tegen de ideologische overmeestering van de openbaring van God (of deze nu van progressieve of van conservatieve snit is geweest). ‘Alle unieke aspecten, die het christelijk geloof in de loop van eeuwen aan de verschijning van Christus heeft waargenomen en nog steeds waarneemt, worden — pneumatologisch gesproken — ingrediënten van een interpretatie van menselijk leven, wereld, geschiedenis en toekomst.’ Het ‘pneumatologisch gesproken’ is weliswaar een belangrijke waarborg niet in een algemeen discours te vervallen, toch krijgt men de indruk dat hiermee deze ‘interpretatie’ de eigenlijke motor is van de heilsgeschiedenis. ‘Pneumatologisch gesproken is “zending” (...) de inzet voor een op het eschaton gerichte permanente herijking van d(i)e boodschap,’ stelt Hoedemaker. Ook hier lijkt de interpretatie in de vorm van herijking het eigenlijke proces te zijn, waar het in de zending om gaat.

|142|

de cultuur van het Westen. Het is namelijk niet de bedoeling, het kind met het badwater weg te gooien. Eén van de taken van een missionaire theologie is dan ook het grondig en kritisch doordenken van de interactie van kerk en christelijk geloof en westerse cultuur. Dan dienen de goedkope voorstellingen te wijken. Missionair maakt de kerk nu geen schijn van kans, wanneer niet ook in dankbaarheid wordt teruggezien op de gestalte van de kerk zelf, die als het eigenlijke wonder van de geschiedenis van het Westen moet worden aangemerkt. In de tweede plaats is het goed, wanneer er oog is voor de inwerking van het evangelie in de eigen cultuur en indirect ook daarbuiten. Wie gebukt gaat onder een schuldcomplex van 2000 jaar christendom, en alleen kan wijzen op inquisitie en kruistochten, is niet de geschikte persoon voor een dergelijke terugblik. Wie de westerse cultuur en de aanwezigheid van de kerk daarin alleen kan zien als een geschiedenis van mislukking, maakt zich niet alleen schuldig aan arrogantie, maar is bovendien waarschijnlijk in de greep van een aflegger van diezelfde cultuur.

Op belangrijke terreinen van het leven (politiek, sociaal, burgerlijk, artistiek) heeft het evangelie een weerslag gehad in de cultuur. Dat dit niet altijd het resultaat is van een bewuste missionaire activiteit komt niet in mindering op de missionaire waarde ervan. Deze doorwerking moet niet beschouwd worden als een dood verleden, maar als een erfenis, waar we vandaag de dag nog steeds verantwoordelijk voor zijn. Zeker, er zijn belangrijke nieuwe uitdagingen, en de preoccupatie met de eigen cultuur lijkt een miskenning van het mondiale perspectief en de mondiale problematiek te zijn. Er zijn andere, en wellicht urgentere zaken dan de interne reflectie. Echter, een missionaire visie, die wat betreft de interactie met de eigen cultuur bij nul wil beginnen, miskent de werking van de missionaire kracht bij uitstek, de Geest van God. Positieve verworvenheden, die als een secundaire weerslag van de evangelieverkondiging gezien mogen worden, zijn er vele. Te denken valt aan de waarde van de gewetensvrijheid, die alles te maken heeft met de relativering van bestaande autoriteiten als niet-goddelijk, de waarde van het recht en de daaraan gekoppelde gedachte het geweld tot een minimum te beperken en de gedachte van vrijheid tot spreken, uitgedrukt onder andere in het parlement. Dit zijn waarden, die weliswaar niet direct afleidbaar zijn uit het christelijk geloof, maar die mede door de aanwezigheid van de kerk als nieuwe gemeenschap, zijn doorgesijpeld.12

Dit zijn geen eenduidige verworvenheden. Ze kunnen gemakkelijk


12 Cf. O. D’Donovan, The desire of the nations (Cambridge 1996), p. 252-271.

|143|

omslaan in hun tegendeel. Waarden, die mede onder invloed van de aanwezigheid van de nieuwe gemeenschap, de kerk en door de Geest als ‘missionaire beweging’13 zijn gevormd, zijn bedreigd, zeker wanneer de wortel ervan in toenemende mate in het vergeetboek dreigt te geraken. Bovendien zijn er grote vraagtekens te zetten bij een aantal fundamentele vooronderstellingen bij de westerse cultuur. Een adequate cultuurkritiek is dan ook een missionaire opgave van groot belang.14

 

De theologie

Behalve op kerk en cultuur past hier ook een woord over de theologie. Missionaire theologie is, als eigensoortige discipline, een relatief jong fenomeen. Dat neemt niet weg dat de theologie altijd op haar tijd betrokken is geweest en ze heeft daarbij met vallen en opstaan geprobeerd de eigenlijke spanningsvelden tussen christelijk en niet-christelijk denken aan te voelen en te versterken. Zo is er in de Middeleeuwen op intellectueel niveau gestreden met het antieke noodzakelijkheidsdenken en is in de tijd van de Reformatie de confrontatie met het nieuwe heidendom van bepaalde dimensies van de Renaissance aangegaan. Zo heeft de ethische theologie in de negentiende eeuw profetisch aangevoeld wat er op het spel stond met de opkomst van het modernisme in kerk en cultuur. En zo is er in het midden van de vorige eeuw een intensieve worsteling geweest het evangelie opnieuw te verstaan in een cultuur, die de crisis van de burgerlijke waarden aan den lijve ondervond.

De missionaire betrokkenheid van de theologie op de eigen tijd is er dus altijd geweest, en het is juist in deze betrokkenheid dat de identiteit van het evangelie opnieuw voor de dag is gekomen. ‘De identiteit van het evangelie’, immers, daar staat of valt de kerk mee. Maar ook: ‘opnieuw voor de dag gekomen’, want alleen door de slagorde van de theologie op de echte


13 Cf. J.M. van ’t Kruis, De Geest als missionaire beweging (Zoetermeer 1998), p. 211-225.
14 Cf. O. O’Donovan, o.c., p. 271-284. Er zijn vele cultuurkritische werken te noemen. Hier moet het werk van L. Newbigin genoemd worden: The other side of 1984 (1984), Foolishness to the Greeks (1986), The Gospel in a pluralist society (1989).
Cf. ook A.J. Plaisier, ‘De crisis van de cultuur als uitdaging aan de theologie’ in B. Gijsbertsen, J.W. Kirpestein (red.), De terugkeer van de mens (Zoetermeer 1999), p. 183-196. Een genuanceerde analyse van de westerse cultuur is te vinden in Ch. Taylor, Sources of the self (Cambridge 1989).

|144|

spanningsvelden van de tijd in te brengen, vernieuwt zich de theologie en blijft de identiteit van de kerk levend.15 Een kerk en theologie, die slechts persisteert bij de in het verleden uitgekristalliseerde theologie, miskent de voortgaande openbaring in de Geest, die aan de kerk beloofd is. Ze is ook blind voor dat wat de Geest van God bewerkt buiten de muren van de kerk.

Daarmee staat de theologie, in de omslag van de cultuur waarin we nu verkeren, voor dezelfde taak de identiteit van het evangelie opnieuw te vinden en te duiden. Dit kan echter niet zonder inzicht in de beslissingen die er in het verleden zijn genomen. Ook de missionaire theologie, die voor een deel een andere agenda heeft dan de systematische, is onvoldoende geoutilleerd om in te gaan op actuele uitdagingen zonder oog te hebben voor deze beslissingen en zonder ze opnieuw te ontdekken. In dit kader pleit ik voor een missionaire theologie, die de erfenis van Kraemer cum suis serieus neemt.16 Het gaat daarbij niet om de absolute binding aan een traditie die vroeg of laat als een blok aan het been wordt ervaren, maar om een spoor dat getrokken is, en waarin de vreugde en de bevrijdende kracht van het evangelie, juist ook in haar missionaire betekenis, is gevonden. Dit betekent derhalve allerminst een kritiekloze houding ten opzichte van de traditie. Immers, dit vinden van de bevrijdende kracht van het evangelie is altijd een strijd geweest, waarin ook vele nederlagen geleden zijn. Een theologie dient ten allen tijde kritisch te zijn, niet alleen ten opzichte van de geest van de tijd maar ook ten opzichte van de geest van kerk en theologie uit heden en verleden. Deze kritische houding is echter wat anders dan een wantrouwende.

 

De kerk als zendingsprobleem

Datgene wat hierboven gesteld is, lijkt wellicht weinig op de toekomst betrokken. En dat terwijl de zending niet alleen gericht is op de uitersten der aarde maar ook op het einde der tijden. Het is ongetwijfeld waar dat de


15 Cf. het belang van de progressiviteit van de theologie bij de vader van de ethische theologie, D. Chantepie de la Saussaye, zie o.a. Verzamelde Werken (Zoetermeer 1997), p. 107 en 198.
16 Daarbij is de kritiek van Noordmans op bepaalde ontwikkelingen in het denken van Kraemer, zoals deze zich na de Tweede Wereldoorlog manifesteerde, van groot belang, ook in de verhouding van kerk en missionaire activiteit vandaag. Cf. Verzamelde Werken, dl. 5, p. 520-548.

|145|

kerk, in haar weg naar de toekomst niet teveel ballast uit het verleden mag meenemen. Dan moet er echter wel bijgezegd worden, dat haar bestaan en toekomst afhangt van de vraag of ze zich het evangelie weet te herinneren. Zonder dat wordt zending een chiffre voor menselijke idealen. En dit evangelie komt niet ter plekke uit de lucht vallen. Het vraagt onder andere om een zorgvuldige en liefdevolle blik op dat wat door de Geest is gewerkt in kerk, theologie en cultuur. Vandaag moeten we met nadruk stellen, dat de kerk niet mee moet gaan aan de losgeslagen drang te vernieuwen om de vernieuwing. Alsof originaliteit en experiment de hoogste deugden zijn die er op kerkelijk en missionair erf bestaan. Vaak camoufleren ze slechts de innerlijke verlegenheid of zijn ze compensatie voor een in wezen aartsconservatieve geest van het bureau. Het wordt tijd om het op te nemen voor de waarde van het bestaande ook al zal dat voor sommigen klinken als het toppunt van burgerlijkheid.

Burgerlijk in de zin van: een tevredenheid met het bestaande, is geen kerkelijke en zeker geen missionaire deugd. De kerk heeft het nodig steeds weer uit haar slaap te ontwaken. De zending, met haar gerichtheid op de toekomst, met haar sensor voor de uitdagingen, moet de nodige vrijheid hebben. Deze functies moeten niet ‘verkerkelijken’. De ervaringen van het zendingsveld moeten vrij zijn. Wanneer de zending te veel gaat rieken naar de kerkelijke burelen, zal ze een zachte dood sterven. Ze zal aangetast worden door de immanente geest van formalisme en verlegenheid. We leven in een tijd, waarin de ervaring van de wereldkerk ons christenen in Nederland kan helpen onze impasse te overwinnen en onze verlegenheden voorbij te komen. De zending is de instantie, die een kerk kan bewaren voor de overmatige aandacht voor de eigen organisatie en structuur. Ze kan en moet de kritische stem zijn tegen de gevestigde orde van een arbeidsorganisatie, die altijd weer de neiging heeft zich naar binnen te keren.

Omgekeerd: de zending zal zich, hoever ze ook uitzwerft, hoezeer ze ook in zakelijke betrokkenheid op maatschappelijke ontwikkelingen moet reageren, hoezeer ingaande op de bestaande nood, hoezeer zich openstellend voor de multireligieuze en multiculturele samenleving — en dat alles zal ze moeten doen, wil ze haar roeping serieus nemen —, steeds moeten herinneren dat ze functie is van de kerk. En de kerk is ten diepste de kerk van alle eeuwen en plaatsen, de apostolische, katholieke kerk, geboren uit de dood en de opstanding van haar Heer. Zonder de band aan deze kerk raakt ze los van haar oorsprong.