310-318

|310|

Hoe nu verder? — Naar een nieuw puritanisme!

 

Welk ideaal hebben de opstellers van de kerkorde van 1951 voor ogen gehad? Een ideaal is niet het eerste woord waaraan ik zou denken. De opstellers van deze kerkorde hebben wat er tijdens de Duitse bezetting aan de kerk geschonken werd vruchtbaar willen maken voor het leven van de kerk na die bezetting. Dat de kerk tijdens de bezetting iets overkomen is, dat haar iets gegeven werd waar veel mensen innig dankbaar voor waren, is het eerste dat me bij de kerkorde van 1951 te binnen schiet. Wil je nu toch over een ideaal spreken dan kun je zeggen dat de opstellers van deze kerkorde hun uiterste best gedaan hebben om de kerk verder te laten gaan op het spoor waarop ze tijdens de bezetting geplaatst bleek te zijn.

We moeten ons geen vrolijke voorstelling maken van het leven van de Nederlandse Hervormde Kerk in de eerste helft van de vorige eeuw. De richtingen hadden hun organisaties goed uitgebouwd en hadden niet meer dan het dak van de algemene synode boven hun hoofd met elkaar gemeen. Hervormden die van het ene deel van ons land naar het andere verhuisden konden terechtkomen in een gemeente waarin ze niets herkenden van wat ze gewend waren geweest. Veel mensen, zeker veel predikanten, hebben onder deze dingen geleden. Er werd dan ook gepoogd de kerk weer rondom het evangelie bijeen te brengen. Kerkherstel (confessioneel) en Kerkopbouw (ethisch) deden een gemeenschappelijk voorstel voor reorganisatie, zodat de ambtelijke vergaderingen van de kerk niet alleen zouden besturen maar ook zouden spreken, maar dat voorstel werd in 1938 verworpen. Angst voor leertuchtprocedures waarin orthodoxen vrijzinnigen ter verantwoording zouden roepen zal daarvan een belangrijke oorzaak geweest zijn. Maar toen kwam op 10 mei 1940 de overval van nazi-Duitsland op ons land en daarop volgden de donkere jaren van de bezetting. Wat niemand voor mogelijk had gehouden gebeurde: de kerk begon bij monde van de Algemene Synode te spreken en beleed Jezus Christus ten overstaan van de machten die ons volksleven in hun greep gekregen hadden. Het gebeurde niet in een klein hoekje: kanselboodschappen die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten werden in de zondagmorgendienst voorgelezen en dat maakte diepe indruk. Wie het allemaal na wil lezen kan terecht bij H.C. Touw, Het verzet der Hervormde Kerk, deel I en II (’s-Gravenhage 1946).

|311|

Daar kwam nog iets anders bij: de kerken begonnen vol te stromen en waren ook in de grote steden tot de laatste plaats bezet. Waarom gingen de mensen naar de kerk? Omdat daar tenminste nog wel eens ‘een nationaal woord’ te horen was? Of omdat daar een ruimte was waarin je niet blootgesteld was aan de oorverdovende nationaal-socialistische propaganda en omdat er dus een andere geest heerste dan in het openbare leven? Wie zal het zeggen? Ze zaten er en ze bleven niet weg.

In dit verband ook iets over de ‘kerkeweken voor iedereen’ die tijdens de bezetting gehouden worden. Het waren weken waarin op dagen door-de-week bijeenkomsten werden belegd in het kerkgebouw, met de bedoeling zoveel mogelijk mensen in aanraking te brengen met het evangelie. — Het dorp waarin ik opgegroeid ben had een gemeenteraad van zeven leden: of vier SDAP-ers en drie protestants-christelijken, of omgekeerd. (Als de SDAP de meerderheid had was er kermis, als de protestants-christelijken de meerderheid hadden niet.) Het dorp was dus scherp verdeeld, maar toen de plaatselijke voorman van de SDAP gevraagd werd zitting te nemen in het comité van aanbeveling voor de ‘kerkeweek’ zei hij ‘ja’, en men zag hem iedere avond ter kerke tijgen.

Is het een wonder dat de leidinggevende figuren in de Hervormde Kerk dankbaar waren en dat zij probeerden de kerk na de oorlog zo’n orde te geven dat ze Jezus Christus belijdende volkskerk zou kunnen worden? Dat ‘volkskerk’ is een beetje dubbelzinnig: je zou er onder kunnen verstaan dat je als volk hervormd bent, of althans behoort te zijn, maar dat lijkt me de bedoeling niet; het gaat om een kerk die midden in ons volksleven Jezus Christus belijdt. Ik sta daar nog steeds van harte achter.

De belangrijkste artikelen zijn VIII en X. Wat er in artikel VIII over het apostolaat staat is, gezien de tijdens de bezetting opgedane ervaringen, heel goed te begrijpen. In artikel X kregen de belijdenisgeschriften de hun toekomende plaats: ‘In dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als de bron der prediking en de enige regel des geloofs doet de gehele kerk (...) in gemeenschap met de belijdenis der vaderen (...) belijdenis van de zelfopenbaring van de Drieënige God’. Nu wordt er bij de ‘belijdenis der vaderen’ niet zozeer gedacht aan de in X-2 genoemde Geloofsbelijdenis van Athanasius en de Catechismus van Genève, maar eerder aan de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Bij de discussies over artikel X ging het over de vraag: overeenstemming met de belijdenis der vaderen of gemeenschap met die belijdenis? Het eerste zou een formele, en misschien zelfs wel formalistische binding kunnen betekenen en gelukkig is het dat niet geworden. Gemeenschap is geestelijk: je bent verbonden met het geloof zoals dat in

|312|

de Oude Kerk onder woorden is gebracht en met het geloof in de in Jezus Christus gegeven rechtvaardiging en heiliging, zoals dat in de Reformatie zo scherp onder woorden is gebracht.

Ik wijs toch ook nog even op artikel XXVI: ‘De Nederlandse Hervormde Kerk zoekt hereniging met de andere Kerken, waarmede eenheid of verwantschap bestaat in geloof en kerkorde’. Vlak na de aanvaarding van de kerkorde van 1951 hebben we wel pogingen in die richting gedaan, maar de kerken waarmee we ‘eenheid of verwantschap’ hadden in ‘geloof en kerkorde’ lieten ons een blauwtje lopen. Nu is dat anders: de poort voor hereniging met de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden staat wijd open.

Er is in de vijftig jaar na het aannemen van wat toen de ‘nieuwe’ kerkorde heette veel gebeurd, maar ik weersta de verleiding daarvan een schets te geven. Ik volsta met het uitspreken van de hoop dat er eens iemand een dissertatie zal wijden aan F.H. Landsman, die als secretaris-generaal vóór en àchter de schermen een enorme invloed heeft uitgeoefend, en die — daar gaat het om — zijn uiterste best heeft gedaan om de in 1951 uitgezette koers aan te houden.

Het gaat mij om de vraag hoe we nu, gelukkig samen met de gereformeerden en de luthersen, verder moeten. Ik kan die vraag, wat mij betreft, vlug beantwoorden: we zijn ertoe geroepen Jezus Christus belijdende volkskerk te zijn. Ik zou niet weten wat je anders zou kunnen willen zijn. Maar de vraag is wat het in onze tijd inhoudt om Jezus Christus te belijden. Ik ga ervan uit dat je Jezus Christus belijdt ten overstaan van de machten die je eigen tijd beheersen. Wie Jezus Christus belijdt spreekt uit dat hij bij Hem hoort, ja zeker, maar die machten van je eigen tijd zijn er ook en ze proberen je op sleeptouw te nemen. Belijden heeft voor mij niet in de eerste plaats met het onder woorden brengen van de rechte leer te maken. Toen iemand eens sneerde dat het verschil tussen ‘leer’ en ‘leer’ is dat ze ‘allebei even taai’ zijn, antwoordde K.H. Miskotte: ‘Ja zeker, maar je hebt ze allebei nodig om stevig in je schoenen te staan’. Dat is waar en je hebt de rechte leer nodig om stevig in je schoenen te staan tegenover de machten die je willen laten struikelen.

Het probleem is dat de machten die onze tijd beheersen moeilijk in het vizier te krijgen zijn. Ik kan dat verduidelijken aan de in onze tijd zo gewilde en gevierde zelfontplooiing. Dat is dan nog niet eens een macht en eerder een product van een macht, maar er is aan de hand daarvan het een en ander te verduidelijken. Je hoort dat je in de kerk beschadigd wordt, je moet vooral niet denken dat je goed bent of ook maar iets goeds kunt doen, je mag niet voor jezelf opkomen, kortom: je loopt in de kerk de ene

|313|

bluts na de andere op. Daartegen wordt de leus van de zelfontplooiing aangeheven: het is goed dat je er bent, je mag voor jezelf opkomen en als je dat niet kunt moet je een training volgen om dat te leren, je mag de mogelijkheden die je in je hebt ten volle werkelijkheid laten worden, want dan ben je juist goed. Degene die aan zelfontplooiing doet is ervan overtuigd dat niet alleen hij, maar ook alle anderen in zijn omgeving daar alleen maar op vooruit gaan. Het probleem is alleen dat die anderen daar ook iets over te zeggen hebben: zij kunnen door die zelfontplooiing in de verdrukking komen.

Het is waar dat er in de kerk mensen beschadigd zijn. Daarin ligt het goed recht van het pleidooi voor zelfontplooiing. Maar dat anderen daardoor in de verdrukking komen is ook een feit, en hoe zou er dan vanuit het evangelie over de zelfontplooiing gesproken moeten worden? Ik denk dan aan het tweede deel van het grote gebod: je naaste liefhebben als jezelf. Wat kan het dan betekenen om jezelf lief te hebben? Ik denk dit: je hoort dat God je in Jezus Christus liefheeft en dat dringt tot je door, je bent zondaar maar er is vergeving en je mag uit kracht van die vergeving leven: je leven wordt op de rails gezet. Zo laat God weten dat het goed is dat je er bent, dan mag je er zelf ook willen zijn, met al je mogelijkheden, en je hoeft je de kaas niet van het brood te laten eten. Maar je naaste is net zo iemand als jij, ook hem heeft God in Jezus Christus lief en je liefde voor hem is dat je naar hem luistert en hem helpt daaruit te leven. Dat brengt met zich mee dat je niets zult doen om hem de hem door God gegeven ruimte te ontnemen en dat je dus niets doet waardoor hij in de verdrukking komt.

Conclusie: er is op zichzelf niets tegen zelfontplooiing, maar zodra de zelfontplooiing anderen in de verdrukking brengt verwildert ze en wordt ze demonisch. Alleen het evangelie zet de dingen op hun plaats. Hetzelfde geldt voor de machten die onze tijd beheersen: er is niets tegen en soms zelfs veel voor, maar ze verwilderen en brengen de mensen schade toe. Alleen het evangelie kan ons leren hoe we er mee om moeten gaan.

 

Eén van de machten die onze tijd beheersen is de techniek. Laten we om te beginnen zeggen dat de techniek de mensheid een onvoorstelbaar grote hoeveelheid sjouw-, graaf- en loopwerk afgenomen heeft en dus ook een zegen voor de mensheid is. Maar daarna moeten we zeggen dat de techniek de mensen de baas is geworden: wat technisch mogelijk is wordt gedaan en als noodzakelijk voorgesteld.

Ik denk aan de informatie- en communicatietechniek die als een golf over ons komt. Dat deze techniek de supermarkt veel werk bespaart en de

|314|

bibliotheek toegankelijker maakt is buiten kijf, en het bezwaar ertegen zit niet zozeer in de informatie die ze geeft als wel in de communicatie die ze pretendeert tot stand te brengen. Echte communicatie komt tot stand wanneer mensen elkaar meedelen wat hen bezighoudt en daar is niet alleen een stem voor nodig, want het gezicht en de lichaamshouding horen er ook bij. Voor echte communicatie is rust nodig en de ICT maakt de ruimte voor echte communicatie juist kleiner.

Stilte is in onze samenleving een schaars artikel geworden en bovendien worden we de hele dag gebombardeerd met beelden. Overal zie je reclame en het televisietoestel schiet het ene beeld na het andere op je af. Is dat echt zo erg? De televisie kan voor mensen die slecht ter been zijn en maar heel moeilijk hun kamer uitkomen iets goeds betekenen, maar over het algemeen zijn we er met de televisie niet op vooruitgegaan. In de eerste plaats omdat gebeurtenissen er een draagwijdte door krijgen, die ze niet hebben als je er met je gewone ogen naar kijkt. Op 9 november 2000 was ik bij de herdenking van de Kristallnacht bij de Dokwerker in Amsterdam. De bedoeling was te demonstreren tegen racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme en islamofobie. Er kwamen verschillende sprekers aan het woord en toen een Marokkaanse spreker in vrij goed Nederlands kritiek op de staat Israël begon uit te oefenen kwam er protest. De afspraak was namelijk dat het conflict tussen Israël en de Palestijnen niet aan de orde zou komen en de Marokkaan werd het onmogelijk gemaakt verder te spreken. Het was allemaal in minder dan een minuut voorbij, maar toen ik ’s avonds naar het TV-journaal keek leek het allemaal erg dramatisch. Wanneer de tv iets heeft uitgezonden komt het ook al gauw op de radio en dan gaat het de kranten in. Op 10 november had zelfs Metro het nieuws van de verstoring van de herdenking van de Kristallnacht op de voorpagina. In de tweede plaats zijn we er met de tv niet op vooruitgegaan omdat er een wezenlijk verschil is tussen het nieuws dat het journaal uitzendt en het nieuws dat je in de krant leest. Bij het kijken naar het journaal heb je geen tijd voor reflectie, want het gaat allemaal heel vlug, en een bericht in de krant kun je herlezen om goed in je op te nemen wat er gebeurd is. Is het een wonder dat politici die stemmen willen halen het op de televisie goed moeten doen en dat ze ons minder dan vroeger op onze redelijke vermogens aanspreken?

Is het allemaal zo erg? Je kunt van de ICT en de tv een goed gebruik maken, maar je moet ze wel op een afstand, en als het even kan uit de huiskamer houden. ‘Gods verborgen omgang vinden, zielen waar zijn vrees in woont’ zingen we in psalm 25: 7. Voor die ‘verborgen omgang’ is ruimte nodig om tot rust te komen en die ruimte zullen we moeten verdedigen, en zo nodig moeten bevechten òp de moderne elektronica.

|315|

Een andere macht die onze tijd beheerst is de economie. Naar de armoede van de eerste helft van de vorige eeuw hoeven we niet terug te verlangen en een goed functionerende economie is van groot belang voor een samenleving. Maar wanneer de economie steeds maar moet groeien, wanneer er steeds nieuwe behoeften gekweekt worden die dan weer bevredigd moeten worden, en wanneer niemand meer nadenkt over de prijs die er voor een steeds maar groeiende economie betaald moet worden, verwildert de economie en wordt ook zij demonisch. Toch is de noodzaak van economische groei een onaantastbaar dogma, dat ook klakkeloos aanvaard wordt door degenen die alleen maar smalend over het dogma van de kerk kunnen spreken.

Je leest wel eens dat de energie de achilleshiel van onze moderne economie is. De voorraden steenkool en olie zijn eindig, kernenergie brengt enorme risico’s met zich mee en wind- en zonne-energie kunnen de enorme behoefte aan energie niet dekken. Als het waar is dat de energie de achilleshiel van de moderne economie is, dan zouden we over enkele tientallen jaren wel eens voor grote problemen kunnen komen te staan, maar er is niets dat er op wijst dat de mensen in Europa en de Verenigde Staten, hun politici daarbij inbegrepen, zich van dit gevaar bewust zijn. Zelfs nu het waarschijnlijk is dat onze manier van doen het klimaat verandert zijn ze nog niet bereid zichzelf beperkingen op te leggen.

Wat betekent dit voor ons wanneer wij Jezus Christus belijden? Ik denk: dat we eenvoudig leven, dat we ons geen apparaten aan laten smeren die we eigenlijk helemaal niet nodig hebben, dat we onze auto (als we er één hebben) selectief gebruiken en in ieder geval zo zuinig mogelijk omgaan met energie. Ik denk ook nog aan een paar andere dingen: er zijn boeren in ons land die hun vee niet opofferen aan economisch rendement: zij ‘kennen de ziel van hun dieren’. Wij kunnen hen steunen door naar de scharrelslager te gaan. Max Havelaar maakt het mogelijk producten van overzee te kopen waar de producenten meer profijt van hebben dan wanneer ze hun producten aan de gewone tussenhandel verkopen. Zo verdient Max Havelaar onze steun.

Het marktdenken is ook doorgedrongen in de publieke sector. Diensten die bij uitstek van belang zijn voor de hele samenleving zijn geprivatiseerd, of dreigen dat te worden, en dus tot winstobject gemaakt. Nu is privatisering in sommige sectoren misschien wel te verdedigen, maar de Nederlandse Spoorwegen hebben nagelaten tijdig nieuw materieel te kopen omdat ze er niet zeker van waren dat ze geen concurrentie op het spoorwegnet zouden krijgen. Waarom zijn we niet te hoop gelopen toen het openbaar vervoer, dat van ‘ons’ was, werd geprivatiseerd?

|316|

Uiterst bedenkelijk is het dat scholen, die geld nodig hebben, sponsors, en dus de commercie in huis halen. Nog bedenkelijker is het dat de zorg voor mensen die werkelijk verpleging nodig hebben, zo in de knel is geraakt. We hebben ook onze politieke verantwoordelijkheid en dan lijkt mij een eerste vereiste: goede zorg voor alle mensen die dat nodig hebben en de commercie de school uit.

 

Nieuw is het niet wat ik hier zeg. De ‘kinderen van de wereld’ zijn ons ook in deze dingen vaak een paar slagen voor. Veel jongeren in verschillende gereformeerde denominaties, en niet te vergeten in de evangelische beweging, denken in dezelfde richting als ik. Ik doe ook geen poging aan te tonen dat het evangelie in deze pas aangebroken eeuw nog ‘relevant’ is. Ik probeer alleen maar onder woorden te brengen wat het inhoudt Jezus Christus te belijden tegenover de machten die onze tijd beheersen. Dan kom ik uit bij een levensstijl die veel gemeen heeft met het oude puritanisme. Het oude puritanisme heeft de reputatie het leven te bederven. Dat is het laatste wat ik zou willen: met het nieuwe puritanisme dat mij voor ogen staat kun je heel gelukkig zijn, omdat er helemaal niet zoveel hóeft, omdat je je niet op laat jagen en voor stilte en rust om je heen zorgt, omdat die stilte en rust je de gelegenheid geven te genieten van de kleuren in de lucht en van de mezen in de boom voor je huis, en omdat je van een fiets en een pakje meegenomen boterhammen meer geniet dan van een rit over de snelweg in een nieuwe auto en een lunch in een wegrestaurant. De oude puriteinen stond misschien niet helder voor ogen dat een mens ook gelukkig mag zijn, maar ik hoop dat de nieuwe puriteinen hun deugden wel over zullen nemen: plichtsbesef en onkreukbaarheid, bijvoorbeeld.

Essentieel voor het nieuwe puritanisme dat mij voor ogen staat is dat we de huiselijke godsdienstoefening in ere houden, of zo nodig in ere herstellen. Zeker, we komen op de zondagmorgen met de hele gemeente bijeen, maar het lezen, bidden en zingen thuis hoort er helemaal bij. Want in de huisgemeente kunnen we met elkaar praten en dan kan het evangelie wortel schieten. Dat lijkt me ook het belang van de huisgroepen waar het Evangelisch Werkverband terecht voor pleit.

Mag ik er tenslotte aan herinneren dat Noordmans veel in het puritanisme zag? — Hij was bij de tijd.

 

A.C. den Besten heeft eens gezegd dat sport en seks de machten zijn die onze tijd beheersen. Op die uitspraak had ik ook voort kunnen borduren. Ik had ook een poging kunnen doen het merkwaardige rationalisme dat onze tijd beheerst in kaart te brengen, een rationalisme dat veel ziet en veel

|317|

ontdekt en zelfs veel aandacht heeft voor gevoelens, maar dat toch blind is voor het feit dat er onder de mensen ook zoiets als liefde bestaat, laat staan dat het op het idee zou kunnen komen dat Gòd de mensen liefheeft.

Wat ik hierboven geschreven heb wil niet meer zijn dan een voorbeeld van wat het inhoudt om in onze tijd ‘in dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als de bron der prediking en de enige regel des geloofs’ en ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’ Jezus Christus te belijden. Het kan ook allemaal anders en het kan zeker beter gezegd worden. Ik wil dit artikel afsluiten met drie opmerkingen:

1. Wanneer we tot een nieuwe levensstijl komen moeten we ons niet verbeelden dat wij rechtvaardig zijn. De Verenigde Staten en de Europese Unie consumeren het leeuwendeel van wat de aarde voortbrengt en daar doen wij aan mee. De Europese Unie maakt het landen van de Derde Wereld met haar tarieven op zijn zachtst gezegd moeilijk hun producten bij ons af te zeggen. We halen altijd nog veel meer uit de Derde Wereld dan we er met ontwikkelingshulp naar toe brengen. We gebruiken allemaal geld en er bestaat geen schoon geld, er is alleen maar geld dat in meerdere of mindere mate vuil is. Met andere woorden: we zijn verstrikt in de zonde. De catechismus houdt ons voor dat ‘ook de allerheiligsten slechts een klein begin van de gehoorzaamheid’ hebben en als nieuwe puriteinen zitten we nog een heel eind onder dit niveau. Wij kunnen niet meer dan een hint geven van de kant die Gods Koninkrijk ons op wil hebben.

2. Een nieuwe levensstijl kan leiden tot wetticisme en het onvermijdelijk daarmee verbonden elkaar veroordelen. In het oude puritanisme, waarvan de restanten nog in ons land te zien zijn, was dat laatste geen zeldzaamheid: Zij gaat ’s avonds dansen! Ik heb hem het café in zien gaan! enzovoorts, en dat was dus allemaal niet zo best. In het nieuwe puritanisme kunnen dergelijke dingen ook gebeuren: Zij neemt niet de moeite even bij de scharrelslager langs te gaan! Hij brengt ’s zondags met zijn auto bejaarden naar de kerk en nu denkt hij dat hij een vrijbrief heeft om maar raak te rijden met zijn auto! enzovoorts. Wanneer wij zo gaan oordelen en veroordelen verliezen we de vrijheid waarin Jezus Christus ons stelt. Onze catechismus houdt ons voor dat Jezus Christus ons door zijn Heilige Geest ‘van harte bereid maakt om voor Hem te leven’ en als we elkaar de maat gaan nemen is dat ‘van harte bereid’ al ver te zoeken. Wie gehoorzaam leeft vindt het leuk om te doen wat hij doet en heeft er dan geen behoefte aan het gedrag van anderen te veroordelen. Laat ieder maar op zijn eigen manier puritein zijn!

3. Wanneer Luther het over de kenmerken van de ware kerk heeft, heeft hij het over de rechte bediening van het Woord en de sacramenten, maar

|318|

daar waar de calvinisten het dan over de tucht hebben heeft hij het over de ‘wederzijdse vermaning en bemoediging van de broeders’. Dat is de positieve kant van de tucht en als die positieve kant er niet is kan de negatieve kant van de tucht niet goed meer aan de orde komen. Laten we dan met die positieve kant beginnen: Jezus Christus belijden ten overstaan van de machten van je eigen tijd gaat met vallen en opstaan en we zullen elkaar daarbij hard nodig hebben.