194-219

|194|

De kerkorde en de generale synode

 

De vraag hoe de kerkorde (dat is: de grondleggende artikelen met de bijbehorende ordinanties en overgangsbepalingen) in de afgelopen vijftig jaar in de Hervormde Kerk heeft gefungeerd verdient stellig een toespitsing op de rol die de generale synode daarbij heeft gespeeld. Tussen de kerkorde en de generale synode bestaat een bijzondere samenhang, zoals die er niet is tussen de kerkorde en andere hervormd-kerkelijke organen en ambtelijke vergaderingen.

We beginnen met ons van deze bijzondere samenhang rekenschap te geven. Daarna komen wij toe aan het eigenlijke onderwerp van deze bijdrage: de wijze waarop de generale synode in de afgelopen periode de kerkorde heeft gehanteerd. Globaal gesproken kunnen bij dat laatste twee manieren van omgang worden onderscheiden:
1. de generale synode heeft zich in haar werk naar vermogen gehouden aan hetgeen de kerkorde voorschrijft,
2. ze heeft echter ook (telkens) in de kerkorde wijzigingen aangebracht.
Op elk van deze twee omgangsvormen zullen wij straks nader ingaan.

De term ‘generale synode’ veronderstelt dat er ook op ander dan generaal (nationaal) niveau synodes bestaan. Die zijn er inderdaad, namelijk op provinciaal niveau, evenals dat vroeger, ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden, vóór 1816, het geval was.1 Alleen heten ze nu (anders dan in de Gereformeerde Kerken in Nederland2) niet meer ‘synodes’. Men spreekt van ‘provinciale kerkvergaderingen’ en heeft het woord ‘synode’ gereserveerd voor de ambtelijke vergadering op nationaal niveau. Dat maakt het bijvoeglijk naamwoord ‘generale’ vóór ‘synode’ feitelijk overbodig. In het nu volgende zullen wij dat dan ook achterwege laten en kortheidshalve steeds spreken over: de synode.


1 Cf. over de herinvoering in 1951 van de ambtelijke vergaderingen op provinciaal niveau: A.J. Bronkhorst, Inleiding tot het Ned. Hervormd kerkrecht I: De inrichting der Kerk (’s-Gravenhage 1951), p. 67.
2 Zie de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, art. 53-57, over de ‘particuliere synode’, als niveau tussen de classis en de generale synode in.

|195|

Bijzondere samenhang tussen kerkorde en synode

De bijzondere samenhang tussen kerkorde en synode is er in drieërlei opzicht. In de eerste plaats: evenals de synode heeft de kerkorde betrekking op het geheel van de Nederlandse Hervormde Kerk. Gezien over het geheel van de Nederlandse geschiedenis is dat laatste niet vanzelfsprekend. De Dordtse kerkorde, aanvaard door de nationale synode van Dordrecht 1618-1619, is ondanks de strekking van het desbetreffende synodale besluit nooit een voor de gehele kerk geldende kerkorde geworden. In bepaalde provincies bleven aparte, eigen regelingen van kracht. Pas met de invoering in 1816 (krachtens koninklijk besluit) van het Algemeen Reglement is over het gehele land kerkordelijke uniformiteit bereikt.3 Die situatei is in 1951 gecontinueerd. Dat betekende meteen een continuering van de institutaire eenheid van de landelijke Hervormde Kerk zoals die sinds 1816 gestalte had gekregen (voordien had meer nadruk gelegen op het kerk-zijn per provincie).

Juist die onderstreepte eenheid deed als vanzelfsprekend des temeer het accent vallen op de synode als de voor de gehele kerk geldende en sprekende ambtelijke vergadering. Dat accent blijkt mede uit het gegeven dat de synode, net zoals bijvoorbeeld de kerkenraad in de plaatselijke gemeente, een permanente instantie is. Ze is weliswaar (uiteraard) niet permanent bijeen, maar kan wel op elk moment bijeengeroepen worden, telkens wanneer dat noodzakelijk wordt geacht.4 En ze wisselt wel van samenstelling, maar steeds slechts voor een deel: de leden (vanuit elke classis één afgevaardigde) hebben een zittingstij van vijf jaar en elk jaar maakt een vijfde deel van de synodeleden plaats voor nieuwe afgevaardigden.5


3 Zie hierover mijn De Nederlandse Hervormde Kerk. Haar geschiedenis en identiteit, Kampen 2000, p. 55v en 82.
4 Zie de Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk, ord. 1-12-1 en 2.
5 Zie ord. 1-10-1 en 1-19-3, en cf. overgangsbepalingen 88 en 88a. In de Gereformeerde Kerken geldt een andere regel. Hier komt (zie Kerkorde GKN, art. 60 en 61) de generale synode om de twee jaar samen, telkens samengeroepen door een andere kerk (= plaatselijke gemeente). Aan het begin van elke periode van twee jaar wordt door de synode haar agendum vastgesteld. Dit agendum wordt vervolgens gedurende die twee jaar afgehandeld in zoveel zittingen als daartoe nodig zijn. Gedurende deze periode blijft de samenstelling van de synode ongewijzigd; aan het eind ervan treedt zij als geheel terug. Een geheel nieuw gekozen synode begint vervolgens aan een nieuwe zittingsperiode van twee jaar. In de Gereformeerde Kerken is er dus in principe geen continuïteit in de samenstelling van de generale synode. Wel kunnen dezelfde ambtsdragers naar een volgende synode opnieuw worden afgevaardigd en is er voor herkiesbaarheid ook nadien geen beperkende bepaling, maar dit eventueel afvaardigen van dezelfde ambtsdragers hangt geheel af van de afvaardigende instantie en is dus landelijk bezien een kwestie van toeval.

|196|

Zo wordt, bij de telkens plaatsvindende vernieuwing van de samenstelling, voor continuïteit gezorgd.

De bijzondere samenhang tussen kerkorde en synode is in de tweede plaats gegeven met het feit dat het de synode was die (op 7 december 1950) de kerkorde heeft vastgesteld en het besluit nam over haar invoering. Zoals het ook de synode was die in de loop van de jaren nieuwe kerkordelijke bepalingen en wijzigen in de bestaande bepalingen heeft vastgesteld en ingevoerd. De synode heeft in de kerk wat men in het staatsbestel wel de wetgevende macht noemt. Ze is daarbij weliswaar zelf gebonden aan regels voor overleg met ambtelijke vergaderingen op ander niveau (in het bijzonder de classicale vergaderingen). Niettemin: de synode zelf neemt steeds de eindbeslissing.

In de derde plaats is de bijzondere samenhang tussen kerkorde en synode gelegen in het feit dat niet alleen de kerkorde haar bestaan en gelding dankt aan de synode, maar dat ook het omgekeerde waar is: de synode dankt haar bestaan aan de kerkorde. Synodevergaderingen op nationaal niveau zijn er in de Nederlandse Hervormde Kerk (die naam werd trouwens pas in 1816 officieel) in de tijd van de Republiek sinds 1619 niet meer geweest. Het in 1816 van kracht geworden Algemeen Reglement voorzag wel in een regelmatig (jaarlijks) samenkomende ‘synode’, maar die was niet een werkelijke synode, niet een brede ambtelijke vergadering. Ze was een klein bestuurscollege, bestaande uit (aanvankelijk door de koning, naderhand door de provinciale besturen van de kerk) benoemden, in plaats van uit afgevaardigde ambtsdragers. Als zodanig had zij slechts tot taak, de gang van zaken in de kerk organisatorisch te regelen. Men had in 1816 dus de oude namen zoals ‘synode’ wel gehandhaafd, maar onder die oude namen een nieuw, regentesk bestuurssysteem ingevoerd. Pas in de kerkorde van 1951 werd met dat bestuurssysteem gebroken. Toen werden op alle niveaus, ook het nationale, de ambtelijke vergaderingen hersteld. De synode als bestuurscollege maakte definitief weer plaats voor de echte synode, in de zin zoals de Dordtse kerkorde die bedoeld heeft. De hervormde synode als ambtelijke vergadering is door de kerkorde van 1951 opnieuw in het leven geroepen. En anders dan in de tijd van de Republiek werden voortaan regelmatig, zelfs meer keren per jaar, synodevergaderingen gehouden.

Ik schreef dat in 1951 de synode als bestuurscollege ‘definitief’ plaatsmaakte voor de echte synode. In feite was dit terugtreden van het synodale bestuurscollege al eerder gebeurd: in 1945. Toen was, krachtens besluit van de toenmalige ‘synode’ (het synodebestuur) en met vrijwel unanieme instemming van alle leden van de diverse provinciale besturen,

|197|

een ‘werkorde’ aanvaard, als tijdelijke regeling. Krachtens deze ‘werkorde’ kon nog in datzelfde jaar een werkelijke generale synode als vertegenwoordiging van de gehele Hervormde Kerk bijeenkomen. Het was deze synode die de taak had, de definitief nieuwe kerkorde voor te bereiden en vast te stellen, en die, vooruitlopend op die definitieve kerkorde, alvast de plaats innam van de synode in haar oude samenstelling. Ze was de voorloper en wegbereider van de synode die op basis van de kerkorde van 1951 kon aantreden. De kerkorde van 1951 betekende met betrekking tot de synode de bevestiging van de beslissing die terzake (voorlopig) al in 1945 was genomen.6

 

De synode handelend overeenkomstig de kerkorde

Hoe heeft de synode in de achterliggende vijftig jaar de kerkorde gehanteerd? Het eerste dat daarover gezegd moet worden is dat zij zich naar vermogen gehouden heeft aan hetgeen de kerkorde voorschrijft, inzake haar samenstelling, arbeidsveld en werkwijze. Dit op zich mag trouwens nauwelijks verwonderlijk heten. Kon van de synode als ‘wetgevende vergadering’ anders worden verwacht?

De samenstelling van de synode7 hangt niet van haarzelf af. Het zijn de classicale vergaderingen die door hun afvaardigingsbeleid deze samenstelling bepalen. Maar de synode heeft er via haar breed moderamen wel steeds voor gezorgd dat duidelijk was welke classicale vergaderingen aan de beurt waren nieuwe afgevaardigden te zenden en welke daarvan een predikant, dan wel een ouderling, een ouderling-kerkvoogd of een diaken zouden moeten afvaardigen (en dan ook een secundus- en een tertius-afgevaardigde, drager van hetzelfde ambt als de primus-afgevaardigde, zouden moeten aanwijzen).

Niet elke classicale vergadering achtte zich altijd tot het hier van haar gevraagde in staat. Soms was een classis gedurende vijf jaar niet in de synode vertegenwoordigd. Dat kan principiële redenen hebben (bijvoorbeeld het feit dat in een classis geen of nauwelijks ouderlingen-kerkvoogd aanwezig waren), of ook heel praktische (de geografische afstand van het


6 Zie over deze gebeurtenissen en hun achtergrond beknopt mijn De Nederlandse Hervormde Kerk, o.a. p. 82v en 131-133; uitvoeriger: H. Oostenbrink-Evers, Beginselen en achtergrond van de kerkorde van 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk, Zoetermeer 2000.
7 Zie ord. 1-10-1.

|198|

gebied van de desbetreffende classis tot de vergaderplaats van de synode in het centrum van het land). De synode kon in zulke gevallen niet anders doen dan er bij de desbetreffende classicale vergadering op aan te dringen, haar verantwoordelijkheid ernstig te nemen. Dat gebeurde dan ook, via brieven en persoonlijke bezoeken.

Het breed moderamen nam met betrekking tot de samenstelling van de synode nog andere initiatieven. Ook nadat de ambten voor vrouwen waren opengesteld (ik kom daarop terug) bleven mannen de grote meerderheid van de synode uitmaken. Dat gaf het breed moderamen herhaaldelijk aanleiding, aan die classicale vergaderingen die een nieuw synodelid moesten aanwijzen de suggestie voor te leggen, te bezien of men niet tot afvaardiging van een vrouwelijke ambtsdrager zou willen overgaan. Een groter aantal vrouwelijke synodeleden zou de synode meer tot een afspiegeling van het geheel van de Kerk maken. Het doen van een dergelijke suggestie is niet een kerkordelijke verplichting van de synode. Maar men meende, daarmee wel degelijk te handelen in de geest van de kerkorde. Meer dan het doen van zo’n suggestie was voor het breed moderamen uiteraard niet mogelijk. De aanwijzing van de afgevaardigden ter synode was en is uiteindelijk een zaak van de classicale vergaderingen zelf.

In haar werkwijze hield de synode zich aan het kerkordelijk daarvoor bepaalde.8 Het voorgeschreven minimum van één jaarlijkse synodevergadering werd elk jaar niet alleen in acht genomen, maar ook overtroffen. Aan het begin van elk kalenderjaar werden door en uit de synode een preses en een assessor gekozen of herkozen (die samen met de — voor onbepaalde tijd benoemde — scriba het moderamen vormen), evenals een breed moderamen (synodus contracta9). Naast de assessor zijn er10 de assessor-secundus en de assessor-tertius, eveneens jaarlijks gekozen, officieel ter vervanging van de assessor, in de praktijk al sinds jaren mede tot het moderamen gerekend en ten volle bij het moderamenwerk betrokken. Deze bredere samenstelling van het moderamen maakt het wat beter mogelijk, bij de keuze van de moderamenleden rekening te houden met de verscheidenheid aan geestelijke stromingen, binnen de kerk en dus ook in de synode. Dat laatste is weer geen kerkordelijk voorschrift, maar men meende er de goede gang van zaken mee te dienen.

De synode heeft in de kerkorde11 een breed arbeidsveld toegewezen


8 Ord. 1-12.
9 Ord. 1-13-1 en 1-22-1.
10 Zie ord. 1-17-1.
11 Ord. 1-11.

|199|

gekregen. Allereerst wordt als haar taak genoemd: het ‘leiding geven ... aan het leven en werken der Kerk’ en het ‘ter hand nemen’ van ‘al wat het leven der Kerk kan bevorderen’. Zij moet dus niet alleen ordenend en regelend, maar ook stimulerend bezig zijn; en dat: in zo algemeen mogelijke zin. Daarnaast heeft zij in voorkomende gevallen een taak in het opzicht, met name daar waar het de dienst des Woords en de catechese betreft.12 Voorts is zij er toe geroepen, ‘te getuigen met en voor de Kerk’ ‘tegenover overheid en volk van het Evangelie van Jezus Christus’.

Van dit veelomvattend geheel van taken heeft de synode zich zo goed mogelijk gekweten: als bestuur in besluiten en benoemingen (vaak via haar breed moderamen); als stimulator tot bezinning op wezenlijke vragen van geloof en leven (getuige de overvloed aan geschriften, herderlijke brieven, rapporten, handreikingen, die zij over zulke vragen het licht heeft doen zien); als spreekbuis van de kerk ten opzichte van overheid en volk (in tal van publieke stellingnamen inzake actuele sociale en politieke kwesties, waarin gepoogd werd vanuit het evangelie richting te wijzen, te vermanen en/of de discussie op gang te helpen).13

 

De synode en haar organen van bijstand, volgens de kerkorde

In dit alles werd de synode geadviseerd door haar organen van bijstand. Men kan over het werk van de synode niet spreken zonder daarbij het werk van deze organen van bijstand te betrekken. In de naoorlogse jaren is het, ten dienste van synode en kerk, gekomen tot instelling van een groot aantal van zulke organen: raden en commissies, elk met een eigen specialisatie, een eigen bureau en vaak een eigen, vrijgestelde directeur of secretaris.14 Elk van deze raden en commissies vond een eigen verankering in de kerkorde. Hun functie als orgaan van bijstand komt onder meer tot uitdrukking in het feit dat in elke synodevergadering


12 Zie ord. 11-16.
13 Zie voor een recent overzicht van het synodale werk in met name de jaren 1945-1990 mijn De Nederlandse Hervormde Kerk, p. 142-170.
14 Zie voor een beschrijving van het geheel van organen van bijstand zoals dat zich in de eerste naoorlogse jaren had ontwikkeld: De Kerk aan het werk. Een schets van de betekenis der organen van bijstand voor het leven der Nederlandse Hervormde Kerk en haar geschiedenis van 1945 tot 1955, samengesteld in opdracht van het moderamen van de generale synode der Nederlandse Hervormde Kerk door de Raad voor de Zaken van Pers en Publiciteit, ’s-Gravenhage 1955.

|200|

vertegenwoordigers van bepaalde van deze organen als adviseurs aanwezig zijn.15

In de loop van de jaren is in dit patroon van organen van bijstand uit praktische overwegingen wel het één en ander verschoven. Soms werden organen samengevoegd; soms werden ze omgezet in organen met een andere taak en status,soms ook werden nieuwe organen (vormen van beraad) ingesteld. Dat maakte telkens dan weer aanpassing van de kerkorde nodig. Soms bleef die trouwens achterwege. Hoe dan ook, in essentie is het systeem van organen van bijstand tot in de jaren negentig ongewijzigd gebleven.

Erg overzichtelijk was het niet. Die onoverzichtelijkheid was mede het gevolg van het feit dat er tussen de diverse organen van bijstand grote verschillen waren. Die verschillen betroffen niet alleen (uiteraard) hun arbeidsveld, maar ook de omvang van de bureaustaf en de mate van hun (mede financiële) zelfstandigheid en handelen. Ze zijn ten dele het gevolg van historische omstandigheden. Sommige organen waren veel méér dan orgaan van bijstand van de synode. Ze opereerden op hun eigen terrein als, zelf, vertegenwoordiging van de kerk als zodanig. Andere hadden zo’n geprononceerde, vrije positie niet.

De kerkordelijke taakomschrijving van de Raad voor de Zending16 vermeldt dat deze raad ‘onder verantwoordelijkheid aan de synode en in haar naam belast (is) met de leiding van het zendingswerk der Kerk’. Dat houdt ondermeer in: ‘het leggen van bijzondere banden tussen bepaalde geledingen van de Kerk en delen van het zendingswerk buiten Nederland of uit het zendingswerk voortgekomen Kerken’. Typerend is in deze omschrijving de formulering: ‘onder verantwoordelijkheid aan de synode en in haar naam’. Deze twee bepalingen lijken niet geheel met elkaar te stroken. Het ‘in haar naam’ impliceert een mate van zelfstandigheid van vertegenwoordigend optreden naar buiten toe (bijvoorbeeld in het leggen van contacten met uit het zendingswerk voortgekomen kerken), die niet zonder meer overeenstemt met de hier eveneens uitgedrukte formele (eind)verantwoordelijkheid van de synode voor het werk van de raad. De kerkorde formuleert hier tweeslachtig. Dat heeft alles te maken met de voorgeschiedenis van het zendingswerk. Dat was immers vóór 1951 een zaak van particuliere, dus ten aanzien van de officiële kerk ongebonden, genootschappen. Pas in 1951 droegen al deze genootschappen (op één na17) hun arbeid over aan de Hervormde Kerk en gingen op in de Raad voor


15 Zie ord. 1-10-2.
16 Zie ord. 4-8-2.
17 De Gereformeerde Zendingsbond. Zie overgangsbepalingen 161 en 162.

|201|

de Zending als nieuw, kerkelijk orgaan.18 Maar in deze raad leefde een stuk van de oude vrijheid van handelen-in-eigen-verantwoordelijkheid voort.

Ook andere organen waren zich bewust van hun eigen verantwoordelijkheid in optreden namens de kerk naar buiten toe. Zij onderhielden zelf contacten met verwante instanties elders in oecumene of maatschappij en behartigden eigen uitvoerend werk. Ze waren daarbij alleen vaak sterker dan de Raad voor de Zending afhankelijk van de hun in de centrale begroting van de kerk jaarlijks (door het breed moderamen van de synode) beschikbaar gestelde financiën.

Al met al was sinds 1951 het geheel van de organen van bijstand met bijbehorende bureaus en personeelsleden uitgegroeid tot een uiterst omvangrijke en gevarieerde organisatiestructuur. In de kerk groeide de kritiek daarop, vooral vanaf de jaren zeventig. Waren al die raden wel nodig en zinvol? Waren ze trouwens niet veel te duur? Men werd geconfronteerd met de noodzaak van bezuinigingen, ook op het landelijke werk. Dat stimuleerde de kritiek. Men kon soms depreciërend horen spreken over de ‘radenrepubliek’ van de Hervormde Kerk. Was er tussen het werk van al die raden en commissies nog wel enige samenhang? Kon dat alles nog wel worden overzien? Die samenhang en overzichtelijkheid hadden van meet af wel in de bedoeling gelegen, getuige bijvoorbeeld de kerkordelijke bepaling dat vrijgestelde secretarissen van organen van bijstand, uitzonderingen daargelaten, worden ‘verbonden aan het secretariaat-generaal der Kerk’ en dat de secretarissen of bureaus van deze organen gevestigd (dienen te) zijn ‘terzelfder plaatse als het secretariaat der synode’.19 Deze bepaling is echter grotendeels een dode letter gebleven dan wel steeds meer geworden: in de loop van de jaren werden de bureaus van steeds meer organen verplaatst naar andere locaties, elders in het land.

Formeel gebeurde al het werk van raden en commissies onder synodale verantwoordelijkheid. Die kwam tot uitdrukking in het feit dat in elk geval de voorzitter en secretaris van elke raad door of vanwege de synode werden benoemd.20 Evenzeer in het feit dat aan de synode jaarverslagen


18 Beknopt daarover: S.C. Graaf van Randwijck, in zijn bijdrage ‘De christelijke boodschap tot de niet-christelijke wereld. De arbeid van de raad voor de zending’, in De Kerk aan het werk, p. 18-24 (cf. p. 7).
19 Ord. 1-27-3.
20 Zie ord. 1-23-2 en 3.

|202|

en beleidsnota’s werden voorgelegd.21 Van sommige raden (bijvoorbeeld de Raad voor de Zending, de Generale Diaconale Raad) werden dergelijke stukken inderdaad regelmatig door de plenaire synode besproken. Andere kwamen aan de orde in vergaderingen van het breed moderamen. Op deze wijze trachtte de synode haar kerkordelijke verantwoordelijkheid waar te maken. Bevredigend was dat echter niet. Het bleef te incidenteel. De synode kon niet veel anders doen dan telkens, naar aanleiding van afzonderlijke nota’s van afzonderlijke organen, inzake de afzonderlijke arbeidsvelden ad hoc-besluiten nemen.

De drang om te komen tot een samenhangend synodaal totaalbeleid werd groter. Die drang werd uiteraard gevoed door de aan de synode door de Generale Financiële Raad (en andere financiële en kerkvoogdelijke organen in de kerk) steeds klemmender voorgelegde noodzaak van bezuiniging. Hoe kon de synode immers doordacht over bezuinigingen besluiten als ze zelf geen overzicht had over al het (in haar naam uitgevoerde) bovenplaatselijke werk?

Boven noemde ik al het feit dat bepaalde organen werden samengevoegd (de synode is daar ook uitdrukkelijk toe bevoegd22). Zo’n samenvoeging had bijvoorbeeld plaats van de Raad voor de Catechese met de Raad voor de Zaken van Kerk en School en de Centrale voor Vormingswerk. Uit deze drie samen ontstond in de jaren tachtig het Centrum voor Educatie, dat naderhand (in maart 1994) werd omgezet in de Raad voor de Educatie.23

Een dergelijke samenvoeging (vooral dan gemotiveerd door de ervaren samenhang van de betrokken arbeidsvelden) was alvast een kleine stap in de richting van grotere overzichtelijkheid. Maar grotere stappen werden nodig geacht. Zo nam de synode in november 1986 het besluit dat voortaan in de gehele landelijke kerk, door alle organen van bijstand, zou moeten worden gewerkt volgens een centraal, periodiek vastgesteld beleidsplan. In de procedure tot opstelling daarvan zou een belangrijke rol moeten worden gespeeld door de ‘financiële’ èn de ‘inhoudelijke beleidsvoorwaarden’. Deze laatste zouden, na overleg met vertegenwoordigers van de organen van bijstand (daartoe samengebracht in een centrale beleidsstaf), moeten worden opgesteld door de secretaris-generaal (de scriba van de synode) en vastgesteld door de synode. Ze zouden een aanwijzing moeten


21 Inzake de raad voor de zending is uitdrukkelijk voorgeschreven dat deze ‘telken jare in een vergadering van de generale synode verslag (doet) van de zendingsarbeid der Kerk’ (ord. 4-8-3).
22 Zie ord. 1-23-6.
23 Zie het op 1 januari 1995 van kracht geworden artikel ord. 5-5.

|203|

bevatten omtrent de door de kerk, in de diverse door de organen bestreken takken van arbeid, te varen inhoudelijke koers. Met het oog op dit alles werden de organen van bijstand bijeengebracht in ‘clusters’. Elk cluster omvatte organen, werkzaam op een bepaald, breed arbeidsveld. Men onderscheidde vier van zulke arbeidsvelden: pastoraat, theologie en oecumene, zending-getuigenis-diaconaat, vorming-educatie-opleidingen.

Deze clustering bracht althans de overzichtelijkheid inderdaad een flink stuk dichterbij. Maar de opstelling van een centraal beleidsplan, dat niet alleen aan financiële maar ook aan inhoudelijke randvoorwaarden zou moeten beantwoorden, bleek een moeilijke klus. De beleidsplannen die achtereenvolgens tot stand kwamen bleken wat het inhoudelijke gedeelte betreft de diverse organen van bijstand weinig concrete richting mee te geven.24 Voorzover er concrete aanwijzingen mee werden verbonden waren dat in feite niet anders dan opsommingen van de beleidsvoornemens die de organen zelf hadden ingebracht. Tot het stellen van prioriteiten daarin, en dus ook tot het aanwijzen van posterioriteiten, achtte de synode zich niet in staat. Echt greep op het werk van de organen van bijstand kon zij zo niet krijgen. Bij de organen zelf bestond trouwens, uiteraard, beduchtheid voor een dergelijke synodale ‘greep’: men vreesde daardoor al te zeer in de eigen verantwoordelijkheid beknot te worden.

In het kader van Samen op Weg kwam het eindelijk tot drastische reorganisatiebesluiten. In de loop van 1998 werden alle organen van bijstand van de synode opgeheven, tegelijk met de overeenkomstige deputaatschappen en commissies in de Gereformeerde Kerken en in de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden. Al het werk werd samengebracht in één nieuwe organisatie, gevestigd op één centrale locatie: het (op 1 december 1999 officieel geopende) Landelijk Dienstencentrum van de drie Kerken zelf, als het officiële einddoel van het Samen op Weg-proces. Het bereiken van dat einddoel zal samenvallen met het in werking treden van een nieuwe, gezamenlijke kerkorde; de hervormde kerkorde van 1951 zal dan hebben afgedaan (de hervormde kerkordelijke bepalingen omtrent de organen van bijstand zijn dan ook, ondanks de recente opheffing van deze organen, ongewijzigd gebleven; wijziging hier werd niet meer nodig geacht; dit te meer niet na de vaststelling van de kerkordelijke


24 De inhoudelijke beleidsnota’s die in de jaren 1988-1994 tot stand kwamen zijn opgenomen in: W.P. van der Aa, A.W. Berkhof en B.A. Venemans (red.), Vaar wel. Hervormde koers onder secretaris-generaal Karel Blei (Zoetermeer 1997), p. 11-94.

|204|

bepaling die, in het kader en terwille van Samen op Weg, samenvoeging van organen van bijstand ook in afwijking van het elders bij ordinantie bepaalde mogelijk maakt25). Tegelijk kan men zeggen dat juist zo, in dit vooruitgrijpen, de oorspronkelijke bedoelingen van de hervormde kerkorde wat betreft samenhang en overzichtelijkheid van al het werk van de organen van bijstand eindelijk zijn gerealiseerd.

Het is hier niet de plaats om dit alles gedetailleerd te beschrijven. In dit verband stellen wij slechts vast dat wij in de aangeduide worsteling om een goede verhouding tussen de synode en haar organen van bijstand te maken hebben met een rechtstreeks gevolg van de omvang en het ambitieuze van het in de kerkorde aan de synode toegewezen arbeidsveld. Het was een problematiek die in de kerkorde zelf van de aanvang af zat ingebouwd, en die juist opdoemde naarmate de synode de haar kerkordelijk toegewezen taak serieuzer opvatte.

In feite was de synode, met haar niet alleen bestuurlijke en opzicht houdende, maar ook stimulerende en getuigende taak, immers bedoeld als de centrale instantie van de Kerk als ‘Christus-belijdende geloofsgemeenschap’. Deze laatste zelfbenaming van de Hervormde Kerk komt voor in het centrale kerkorde-artikel over ‘het apostolaat der Kerk’.26 Ze typeert de kerk als geroepen tot apostolair getuigen èn belijden, in één. Ook aan het belijden van de kerk is een afzonderlijk kerkordeartikel gewijd;27 maar het artikel over het apostolaat gaat voorop. Met die volgorde heeft men willen uitdrukken: tot recht belijden kan het pas (en moet het dan ook) komen in het kader van het apostolaat, dus daar waar men zich weet te staan in de relatie tot Israël, tot de volken en tot de eigen samenleving.28 De centrale plaats van de apostolaatsvisie in de kerkorde zien wij bevestigd in de kerkordelijke omschrijving van het arbeidsveld van de synode. De omvang en het ambitieuze van dat arbeidsveld beantwoorden aan de wijdheid van de apostolaire roeping van de kerk zoals in de kerkorde gedefinieerd.

Zo-even zagen wij dat het in de kerkorde onderstreept-zijn van de institutaire eenheid van de landelijke Hervormde Kerk op zich al des temeer het accent deed vallen op de synode als de voor de gehele kerk geldende en sprekende ambtelijke vergadering. Nu kunnen wij daaraan toevoegen:


25 Ord. 20-15; cf. ook 20-16.
26 Art. VIII-1.
27 Art. X.
28 Zie over het apostolaat in de hervormde kerkorde mijn Een sprekende kerk in een mondige wereld (Kampen 1998), p. 46-56.

|205|

het feit dat in deze kerkorde het apostolaat centraal staat bevorderde deze accentuering van de betekenis van de synode nog extra. Er zit iets van een vicieuze cirkel in. Een Kerk die geroepen is tot publiek getuigen en belijden in de samenleving heeft per definitie een instantie nodig die dat namens haar doet: de synode. De synode die aan deze gewichtige roeping wilde beantwoorden kon niet zonder een veelheid van organen van bijstand — en kreeg het zodoende onvermijdelijk te kwaad met de vraag naar de samenhang in en het overzicht over het vele dat door al die organen werd gedaan. Kwam daarin misschien iets tot uiting van een problematiek waardoor de in de kerkorde van 1951 neergelegde apostolaatsvisie al van meet af bedreigd is geweest? En zou het dan toevallig zijn dat de problematiek de kop opstak juist in een tijd die met die naoorlogse apostolaatsvisie niet meer zoveel kan beginnen?29

In het Samen op Weg-proces is deze hervormde apostolaatsvisie niet alleen formeel, maar ook inhoudelijk tot een einde gekomen.30 De gang van dit proces is illustratief voor het (ook in de Hervormde Kerk) veranderde tijdsklimaat. De synodale organen van bijstand zoals ze er in de Hervormde Kerk tot 1998 waren, en die daarin op hun wijze fungeerden als dragers van de apostolaatsvisie, zijn wèrkelijk verdwenen. Hun werk is niet alleen ingebracht in het nieuwe Landelijk Dienstencentrum, maar daarmee ook van karakter veranderd. Juist zo kon de nieuwe, gezamenlijke organisatie tot stand komen.

 

De synode als wetgevende vergadering

De synode heeft zich, zagen wij, naar vermogen gehouden aan hetgeen de kerkorde voorschrijft inzake haar samenstelling, werkwijze en arbeidsveld. Wij kunnen er bij zeggen: met alle voor de synode zelf niet onproblematische gevolgen van dien.

Het tweede dat over de hantering van de kerkorde door de synode moet worden gezegd is: dat ze — als ‘wetgevende vergadering’ — zich telkens geroepen achtte in de kerkorde wijzigingen aan te brengen. Ik noemde de


29 Zie over de verandering van mentaliteit vergeleken met de eerste naoorlogse, apostolair bevlogen jaren mijn: Een sprekende kerk in een mondige wereld, p. 84-88.
30 Veelzeggend is het feit dat in de voor de toekomstige Verenigde Kerk ontworpen nieuwe kerkorde het woord ‘apostolaat’ niet voorkomt. Zie mijn Een sprekende kerk in een mondige wereld, p. 58-63.

|206|

bevoegdheid daartoe van de synode al als één van de redenen waarom er kan worden gesproken van een bijzondere samenhang tussen kerkorde en synode. Die bevoegdheid is weliswaar niet een ongelimiteerde. Wij zagen al dat ze is gekoppeld aan overleg met de classicale vergaderingen. Die dienen altijd de gelegenheid te krijgen, over concrete, in eerste lezing vastgestelde wijzigingsvoorstellen hun mening (‘consideratie’) te geven, waarna de synode pas tot definitieve vaststelling, dus in tweede lezing, kan overgaan.31 Deze classicale consideraties spelen zeker een rol. Ze leidden vaak, op onderdelen, tot aanpassingen van formuleringen. Enkele malen is het voorgekomen dat op basis van veel negatieve consideraties een wijzigingsvoorstel op het moment dat het in tweede lezing in behandeling zou moeten komen alsnog werd ingetrokken. Niettemin, de hoofdverantwoordelijkheid en de eindbeslissing laten steeds, ondubbelzinnig, bij de synode.

Al spoedig is de gewoonte gegroeid dat de synode zich bij haar werken aan de kerkorde liet adviseren door een (overigens in de kerkorde zelf niet genoemde) speciale commissie van deskundigen: de Commissie voor Kerkordelijke Aangelegenheden. Deze commissie werd telkens voor een jaar (her)benoemd.

We zagen van het ‘wetgevend’ optreden van de synode in het bovenstaande ook al iets doorklinken, namelijk toen wij er over spraken dat het patroon van organen van bijstand soms werd veranderd. Raden werden samengevoegd of opgeheven, of ook vervangen door nieuwe organen met een andere status en taak. Aangezien de plaats en taak van elke raad was omschreven in de kerkorde, moest deze dan aan de nieuw ontstane situatie worden gewijzigd (iets wat trouwens wel eens achterwege bleef).

Bij dergelijke zaken ging het om aanpassingen aan de gegroeide andere praktijk. De kerkorde is een vorm van wetgeving, en in wetgeving zit altijd iets van aanpassing aan wat in brede kring billijk en normaal wordt gevonden. De kerkorde regelt het kerkelijk leven, maar wórdt op haar beurt door dat kerkelijk leven ook beïnvloed. De praktijk stelt soms evidente eisen waaraan de officiële regelgeving wel moet beantwoorden. Ze is immers geen doel in zichzelf. Ze is er ten dienste van het leven!

Intussen zijn bij schijnbaar louter praktische zaken toch vaak principiële inzichten in het geding. De kerkorde is meer dan een praktische regelgeving. Ze is regelgeving op basis van een principiële overtuiging. In de kerkorde van 1951 wordt dit het duidelijkst zichtbaar in de grondleggende (of ‘Romeinse’, namelijk Romeins genummerde) artikelen, de ‘kerkorde


31 Zie art. XXVII-4.

|207|

in engere zin’. Die trekken inderdaad het grondpatroon. Ze hebben een belijdende ondertoon. De ordinanties geven een meer praktische uitwerking. Geen wonder dat wijzigingen in de grondleggende artikelen meer voeten in de aarde hadden dan wijzigingen in de ordinanties (of de overgangsbepalingen). De synode kon daartoe, zo is bepaald (anders dan bij ordinantiewijzigingen), slechts in verdubbelde samenstelling besluiten.32 Dergelijke verdubbelde synodezittingen hadden alleen bij hoge uitzondering plaats. Toch waren ook wijzigingen in de ordinanties zelden zonder inhoudelijke betekenis. Het gaat bijna altijd om meer dan louter aanpassing aan een gewijzigde praktijk. Er is over het algemeen ook een gewijzigd principieel inzicht in het geding. Al was het maar de principiële conclusie dat een van ouds gegroeide gewoonte niet per definitie ‘heilig’ is. Dat ook aan werkelijk gewijzigde inzichten kerkordelijk plaats kon worden gegeven hangt op zichzelf weer samen met de principiële overtuiging omtrent het dienstbare, menselijke, dus voor verbetering vatbare karakter van de kerkorde.

Het is onmogelijk, hier een totale opsomming te geven van alle kerkordewijzigingen van de afgelopen vijftig jaar. Ik doe slechts een greep.

In het oog springen de veranderingen die in de loop van de jaren zijn aangebracht in ordinantie 2, de ordinantie voor de vorming van gemeenten. In het bijzonder is daarbij te denken aan de wijze waarop is omgegaan met de verscheidenheid van modaliteiten binnen de Hervormde Kerk. Die verscheidenheid wordt in de kerkorde niet als zodanig benoemd. Ze geldt niet als organiserend principe, bijvoorbeeld als uitgangspunt voor afvaardiging of voor samenstelling van ambtelijke vergaderingen, of voor gemeentevorming. Men is altijd in de eerste plaats hervormd kerklid, en pas in de tweede plaats, eventueel, lid van een modaliteitsorganisatie. De diverse modaliteitsorganisaties zijn intussen een realiteit. Dat het ene evangelie op verschillende wijzen kan worden verstaan en beleefd wordt in de kerkorde bovendien, althans impliciet, erkend. Dat gebeurt in het artikel over ‘het belijden der Kerk’, waarin over dit belijden wordt gezegd dat het geschiedt, niet in overeenstemming, maar ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’. Daarmee alleen al is immers uitgedrukt dat belijden een levende, dus veelkleurige zaak is, niet te vatten in de eenvormigheid van het eenvoudigweg repeteren van de klassieke belijdenissen.

Zo gold het binnen de Hervormde Kerk als legitiem dat er verschillende typen van prediking en geloofsbeleving naast elkaar bestaan; dat het dus in de ene gemeente anders toegaat dan in de andere; dat ook binnen


32 Zie art. XXVIII-4 en 5.

|208|

bepaalde gemeenten de ene groep gemeenteleden de geloofszaken anders aanvoelt en beoordeelt dan de andere. Daarbij werd in de kerkorde wel uitgegaan van de ene gemeenschap waarvan men, bij alle onderlinge verscheidenheid, samen deel uitmaakt. Grondgedachte bij gemeentevorming is dat alle kerkleden die wonen in een bepaald, geografisch begrensd grondgebied tot dezelfde, ene gemeente ter plaatse behoren.

Juist dit uitgangspunt en deze grondgedachte bleken echter niet altijd in overeenstemming te zijn met de feitelijke situatie. Op allerlei plaatsen bestond er naast de ‘officiële’ hervormde gemeente van ouds een rechtzinnige of vrijzinnige evangelisatievereniging met eigen kerkdiensten en een eigen vorm van kerkelijk leven. Het streefdoel was dat dergelijke verenigingen in de officiële gemeenten zouden worden geïntegreerd. Dat zou betekenen dat de plaatselijke kerkenraad prediking, kerkdiensten en geloofsbeleving van de evangelisatievereniging voor zijn eigen verantwoording zou nemen. De kerkorde-opstellers beseften intussen dat dat lang niet overal haalbaar zou zijn. Daarom namen zij regels op die het officieel mogelijk maakten dat (het breed moderamen van) de desbetreffende provinciale kerkvergadering ten behoeve van een bepaalde groep een voorziening treft voor kerkdiensten en pastoraat. Dit laatste het liefst samen met de kerkenraad ter plaatse, maar desnoods zonder diens instemming en medewerking. Deze regels kregen een plaats in de overgangsbepalingen — dat zijn bepalingen die een soepele overgang van de periode vóór de kerkorde naar de periode onder de kerkorde moesten mogelijk maken — en waren daarmee gekwalificeerd als tijdelijk. Een door de provinciale kerkvergadering zònder instemming van de kerkenraad getroffen regeling werd hier trouwens ook als ‘noodvoorziening’ bestempeld.33

De praktijk bleek hardnekkiger dan de overgangsbepalingen hadden verondersteld. Zo werden na enkele tussenfasen de regels in 1985 uit de overgangsbepalingen weggehaald en overgebracht naar de normale, vaste, kerkordelijke regelingen. Ze zijn opgenomen in de ordinantie voor de vorming van gemeenten.34 In plaats van over ‘noodvoorzieningen’ werd voortaan gesproken over ‘deelgemeenten’.

Men kan deze gang van zaken betreuren. Men kan zeggen dat de kerkorde regels is gaan bevatten die ze, gemeten aan het ideaal van kerk-zijn, niet zou mogen bevatten. Men kan stellen dat de synode hier ten onrechte


33 Aldus overgangsbepalingen 235, 236, 237 en 238 a-h in de Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk, uitgave mei 1956. Deze overgangsbepalingen behoorden bij ord. 11, de ordinantie voor het opzicht.
34 Zie ord. 2-10a en 10b.

|209|

is gezwicht voor een weerbarstige, onkerkelijke praktijk. Maar die praktijk zou bij een handhaving van de vroegere regels niet anders zijn geworden. En de kerkorde is er ter regeling, niet van het ideale, maar van het werkelijke kerk-zijn. Daarom heeft de synode er, denk ik, goed aan gedaan, de bestaande situatie tot uitgangspunt van kerkordelijke regeling en kerkordewijziging te maken. Ook in de uiteindelijk ingevoerd desbetreffende regels komt trouwens duidelijk uit dat de aldus geregelde situatie (die van de ‘deelgemeente’) niet ideaal is.

Een andere geruchtmakende wijziging in de ordinantie voor de vorming van gemeenten betreft de, na veel onderlinge discussie, opgenomen regels die een ‘perforatie’ van de geografische gemeentegrenzen mogelijk maken. Hier ging en gaat het over het gegeven dat gemeenteleden zich niet thuis voelen in de gemeente waartoe zij krachtens woonplaats behoren en daarom (vaak al lang) meeleven met een andere, naburige gemeente. Zij zouden dan ook officieel tot die andere gemeente willen behoren. Dat zich-niet-thuis-voelen kan te maken hebben met modaliteitsverschillen, maar dat is niet noodzakelijk het geval. Hoe dan ook: dit zich-niet-thuis-voelen is een kwestie van gemeenteleden persoonlijk, niet (per se) van groepen.

Lang heeft de synode geaarzeld over de vraag of aan dit verlangen en deze praktijk tegemoet zou moeten worden gekomen. Daarbij ging het niet om het al dan niet handhaven van de geografische gemeentegrenzen als, als zodanig, ‘heilig’ en ‘onaantastbaar’. Een dergelijke ‘heiligheid’ bestaat niet. In het geding was voor de synode veeleer het principe dat men niet krachtens persoonlijke voorkeur en beslissing tot een gemeente behoort. Een gemeente is niet een club van gelijkgezinden, maar een gemeenschap van mensen die elkaar aantreffen als van Godswege gegeven broeders en zusters in Christus. Zo goed als evangelieverkondiging niet kan bestaan in het anderen naar de mond praten. Het zich ergens geestelijk ‘thuis voelen’ is zo bezien een zaak van het tweede plan.

Maar mag het niet toch óók meespelen? Is de persoonlijke beleving en appreciatie van de geloofsverkondiging niet toch een belangrijke factor in het gemeenteleven? Geldt dat trouwens, als het er op aankomt, niet voor ieder? Mondige gemeenteleden zijn mobiel; is het dan ook niet een tegen de moderne tijd willen ingaan wanneer men mensen, tegen hun zin, wil vastpinnen op bepaalde traditionele, geografisch bepaalde gemeentevormen?

Zo kwam het in 1992, nog weer gewijzigd in 1997, tot nieuwe kerkorderegels die officieel de mogelijkheid openen, zich bij een andere dan de woongemeente als lid te laten inschrijven. Weliswaar binnen bepaalde voorwaarden. Beide betrokken kerkenraden — of wijkkerkenraden — dienen

|210|

met de gevraagde overschrijving in te stemmen. Het besluit tot inschrijving wordt genomen door of vanwege het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering — of binnen een centrale gemeente door de centrale kerkenraad — ‘indien bijzondere overwegingen van pastorale aard’ ten aanzien van het gemeentelid dat om inschrijving (overschrijving) verzocht ‘daartoe aanleiding geven, dan wel indien bij het gemeentelid behoefte bestaan aan een andere modaliteit van prediking en catechese dan ter plaatse wordt gevonden’. Bovendien moet vaststaan dat de belangen van de betrokken gemeenten (of wijkgemeenten) — de woongemeente en de gemeente van voorkeur — zich tegen de gevraagde overschrijving niet verzetten. Bij dit laatste moet worden gedacht aan de financiële bijdrage die van het gemeentelid mag worden verwacht ten behoeve van de gemeente waartoe hij behoort, en die mede de basis vormt voor de binnen elke gemeente aanwezige voorzieningen (zoals de instandhouding van de predikantsplaats).35 Maar in de praktijk werken deze voorwaarden vaak niet of nauwelijks remmend. De nieuwe kerkordebepalingen betekenen hoe dan ook een principiële relativering van het tevoren geldende beginsel dat de (elke) gemeente geografisch begrensd is.

Is de synode met de vaststelling van deze kerkordewijziging op een onverantwoorde manier, en dan ook nog halfslachtig, aan de moderne tijd, met haar nadruk op ieders persoonlijke voorkeur, tegemoet gekomen? Ze had aan de oude regels voor gemeentevorming, aan de strikt geografische gemeentegrenzen, kunnen vasthouden. Maar alweer: de situatie zou daardoor niet anders geworden zijn. En kerkorderegels die in brede kring niet meer als zinvol worden ervaren doen meer kwaad dan goed. Doordachte aanpassing van de kerkorde aan een nieuwe situatie kan, omgekeerd, helpen de gegroeide praktijk van gemeentevorming kerkelijk te regelen. Daartoe is hier in elk geval een poging gedaan. De betrokkenheid van ambtelijke vergaderingen blijft gegarandeerd. Dat met het lidmaatschap van een gemeente bredere dan individuele belangen en verlangens in het geding zijn is ook in de nieuwe regeling tot uitdrukking gebracht. Dat lijken mij goede zaken.

Wat hier is gebeurd is vaker voorgekomen. De synode heeft telkens weer door kerkordewijziging willen inspelen op nieuwe situaties, op nieuwe behoeften, zodanig dat het wezenlijke van kerk-zijn gehandhaafd bleef. Zij heeft (we zijn nog steeds bezig met de ordinantie voor de vorming van gemeenten) nieuwe mogelijkheden voor gemeenteleven in het leven geroepen, daar waar de traditionele gemeentevormen niet voldoen of niet meer


35 Zie ord. 2-1-2 a-k en ord. 2-10-2 a-i.

|211|

mogelijk zijn. Ze heeft er naar vermogen naar gestreefd, te voorkomen dat de kerkorde zou werken als een knellend harnas, een belemmering, in plaats van als een bevordering van het gemeenteleven. Zo kwam het in de loop van de jaren tot nieuwe bepalingen voor de vorming van ‘streekgemeenten’, waarin gemeenten in een bepaald gebied, die ieder op zichzelf niet meer ten volle zelfstandig kunnen functioneren, kunnen samengaan om zo toch, samen, verantwoorde vormen van gemeenteleven overeind te houden. Er fungeert dan een streekkerkenraad, en de predikanten zijn aan de streekgemeente verbonden.36

In dit kader is er ook, sinds betrekkelijk kort, de mogelijkheid voor de vorming van ‘kleine gemeenten’, kernen die te klein zijn om ook maar uit eigen midden een voltallige kerkenraad te verkiezen en die nu toch, ondersteund door de streekgemeente, een officieel erkende eigen gemeenschap kunnen zijn, met eigen kerkdiensten onder leiding van een ouderling.37 Dit laatste — het voorgaan van een ouderling in een kerkdienst — was al een kerkordelijke mogelijkheid. Preciezer gezegd: een mogelijkheid voor ‘noodgevallen’.38 De introductie van deze mogelijkheid in de kerkordelijke bepaling inzake kleine gemeenten betekent een stap in de richting van verbreding en normalisering. Het voorgaan in kerkdiensten is echter niet toegevoegd aan de in de grondleggende kerkordeartikelen vervatte taakomschrijving van de ouderlingen.39 Men blijft hier dus een uitzonderingssituatie veronderstellen.

De bovengenoemde mogelijkheden van gemeentevorming waren er voorheen niet. Ze bleken nodig in een situatie van secularisatie, waarin het kerkelijk leven zich moet instellen op kleine aantallen gemeenteleden. De synode probeerde steeds aan de praktijk te beantwoorden zonder principiële inzichten te verloochenen.

 

Gewijzigde principiële inzichten en hun kerkordelijke vertaling

Maar, zoals gezegd, ook principiële inzichten (geloofsinzichten) bleken soms gewijzigd te zijn en kerkordewijziging nodig te maken. Dat wij bijvoorbeeld het geval inzake de vraag of ook vrouwen ambtsdrager zouden mogen zijn. Die vraag was bij de opstelling van de kerkorde (zij het niet


36 Ord. 2-18 tm. 26a.
37 Ord. 2-20.
38 Ord. 14-5.
39 Zie art. IV-6.

|212|

zonder discussie) nog negatief beantwoord.40 Nieuwe voorstellen om vrouwen voor verkiezing tot ambtsdrager in aanmerking te laten komen stuitten in 1954 in brede kringen in de Kerk op verzet. De bepalingen die bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen de keuze beperkten tot de mannelijke lidmaten van de Kerk, en die uitsluitend voor mannelijke lidmaten de mogelijkheid openden om via het colloquium te worden toegelaten tot de evangeliebediening in de Nederlandse Hervormde Kerk,41 bleven ook toen ongewijzigd. In 1958 kwam de zaak opnieuw aan de orde. Nu werd besloten de ambten van ouderling en diaken voor vrouwen open te stellen. In 1966 werd ook het predikantschap (het ambt van dienaar des Woords) zonder restricties voor vrouwen opengesteld. De boven genoemde beperkende bepalingen werden geschrapt.

Technisch gezien waren dat uiterst kleine tekstwijzigingen, maar met grote consequenties. De desbetreffende besluiten werden niet eenstemmig genomen. Nog altijd is een deel van de Hervormde Kerk (dat deel dat gerepresenteerd wordt door de Gereformeerde Bond) van oordeel dat zij ten onrechte zijn genomen. Men beroept zich hier tot op vandaag op gewetensbezwaren. Voor de synode was dat aanleiding om op te roepen tot behoedzaamheid jegens deze tegenstanders. Hun bezwaren kunnen echter niet zodanig worden ontzien dat daarmee de openstelling van de ambten voor vrouwen in feite zou worden teruggedraaid. Die beslissing is bewust en uit principiële overwegingen genomen. Ze was het gevolg van de nieuw verworven overtuiging dat uit bepaalde bijbelteksten in de brieven van Paulus, met betrekking tot de rol van vrouwen in het gemeenteleven van Paulus’ tijd, niet zonder meer goddelijke voorschriften voor het gemeenteleven van alle tijden kunnen worden afgeleid, en dat in de Schrift in haar kerngedeelten overigens juist sterke nadruk wordt gelegd op de gelijkwaardigheid van man en vrouw. De uitsluiting van vrouwen uit de kerkelijke ambten is weliswaar eeuwenlang traditie geweest, maar aan de bijbel is daarvoor welbeschouwd geen argument te ontlenen. De conclusie was dat de kerkorde tot dusver de voor vrouwen beperkende bepalingen inzake het ambt ten onrechte had bevat. Hier moest met de traditie worden gebroken.

Merkwaardig genoeg behoefden voor de openstelling van de ambten


40 Zie A.J. Bronkhorst, o.c., p. 48v. Merkwaardig dat Th.L. Haitjema, in zijn Nederlands Hervormd Kerkrecht (Nijkerk 1951), deze kwestie, voorzover ik zie, geheel onbesproken laat; zie p. 167.
41 Zie ord. 3-11-1 en ord. 7-15-1 (cf. ord. 3-16-1a) in Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk, uitgave mei 1956.

|213|

voor vrouwen de grondleggende artikelen van de kerkorde niet te worden gewijzigd (die waren, om zo te zeggen, op die openstelling al ingesteld geweest). Wel werden in de loop van de jaren daarin op andere plaatsen wijzigingen aangebracht.

In 1973 werd de mogelijkheid geopend dat ouderlingen of diakenen voorzitter van de kerkenraad zouden zijn.42 Tot die tijd was het voorzitterschap (althans van de kerkenraad, niet van de meerdere vergaderingen) uitsluitend een predikantszaak. Men was echter tot de overtuiging gekomen dat voor een dergelijke voorrangspositie van de predikant geen reden bestond. Het lijkt een puur praktische kwestie, maar in feite was hier de principiële zaak van de gelijkwaardigheid van de ambten in het geding. Er was trouwens ook de overweging dat een voorzitter niet bóven een vergadering staat. Voortaan gold: predikanten kùnnen voorzitter zijn, maar ze behoeven het niet te zijn. Het voorzitterschap is een technische vaardigheid, waarvan niet bij voorbaat vast staat dat juist de predikant er het meest geschikt voor is.

Een zeer principiële aangelegenheid is de verhouding van kerk en Israël. Reeds in 1951 was in de kerkorde opgenomen dat deze verhouding er één is van gesprek, uitdrukkelijk te onderscheiden van de zendingsverhouding waarin de kerk staat tot ‘de volkeren in de niet-gekerstende wereld’. De wijze waarop dit ‘gesprek met Israël’ in de kerkorde werd beschreven veronderstelde bij nader inzien echter toch nog teveel eenrichtingsverkeer. De desbetreffende tekst luidde aanvankelijk: ‘De Kerk richt zich in het gesprek met Israël tot de synagoge en tot allen die tot het uitverkoren volk behoren om hun uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is’. Het gesprek lijkt zo een monoloog te zijn: de kerk spreekt, Israël heeft te luisteren. Was bovendien niet de plaats waarop in de kerkorde over het gesprek met Israël werd gehandeld, namelijk: in het artikel over ‘het apostolaat der Kerk’, een aanwijzing in dezelfde richting? In de bijbehorende ordinantiebepalingen was ook sprake van ‘het brengen van het Evangelie in Nederland en daarbuiten, aan hen die tot het volk Israël behoren’, als één van de taken die de kerk in het kader van het ‘gesprek met Israël’ zou moeten vervullen (en waaraan de Raad voor de verhouding van Kerk en Israël werd verondersteld leiding te geven). Dienovereenkomstig bevatte de ordinantie bepalingen omtrent ‘evangelisten’ voor de arbeid ten behoeve van Israël. Op plaatselijk, classicaal en provinciaal vlak zouden er, zo was


42 Zie art. IV-3, 6 en 7, de nu bij de taakomschrijving van alle drie ambten voorkomende identieke formulering: ‘de leiding van de ambtelijke vergaderingen der Kerk, zo zij daartoe geroepen worden’.

|214|

bepaald, commissies voor het gesprek met Israël moeten zijn, maar dit gesprek zou ook kunnen worden toevertrouwd aan de (in elk geval overal aanwezige) commissie voor de zending zodat een afzonderlijke commissie voor het gesprek met Israël dan niet nodig zou zijn (was het ‘gesprek met Israël’ dan dus toch een — verkapte — vorm van zending?). Al deze zaken konden twijfel doen rijzen omtrent de vraag of het in de kerkorde beoogde ‘gesprek met Israël’ wel een ècht gesprek bedoelde te zijn.

Na een lange periode van voorbereiding en discussie kwam het in 1991 tot een ingrijpende kerkordewijziging. In de kerkorde in engere zin werd de omschrijving van het gesprek met Israël zo veranderd dat het misverstand als zou het daarbij van de zijde van de Kerk om een monoloog gaan althans minder voor de hand ligt. De formulering luidt voortaan: ‘De Kerk zoekt het gesprek met Israël inzake het verstaan der Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende het Koninkrijk Gods en het getuigenis dat Jezus de Christus is’. De Kerk ‘zoekt’ het gesprek. Verder kan zij immers niet gaan. Een werkelijk gesprek kan alleen tot stand komen als de beoogde gesprekspartner op de uitnodiging tot gesprek ingaat. En: dat gesprek zal, àls het tot stand komt, moeten gaan over het verstaan van de Schrift — waarbij dus christenen op het juiste verstaan van de Schrift geen patent worden verondersteld te hebben (ook al horen zij er zelf het getuigenis uit dat Jezus de Christus is). Het ‘gesprek met Israël’ werd bovendien in de kerkorde niet langer opgevoerd als middel (één van de middelen) waardoor de kerk haar apostolische opdracht vervult, maar als de verhouding waarin (van waaruit) de kerk tot de vervulling van die opdracht hoopt te komen. In de ordinantie werden de bepalingen over evangelisten ten behoeve van Israël geschrapt, evenals de mogelijkheid om het werk van een commissie voor het gesprek met Israël eventueel toe te vertrouwen aan de commissie voor de zending. En de formulering inzake ‘het brengen van het Evangelie aan hen die tot het volk Israël behoren’ werd vervangen door bepalingen die spreken over ‘de toerusting van de gemeenten tot de ontmoeting met Israël’, ‘het bevorderen van inzicht in wezen en verschijningsvormen van het antisemitisme’ en ‘het bevorderen van de dienst aan Israël’.43

Met name hier bleek kerkorde(her)formulering belijden te zijn!


43 Art. VIII-1 en 2; ord. 4-1-2, 4-2-1a en 4-3; cf. de formulering van deze bepalingen in de Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk, uitgave mei 1956. Zie over deze kerkorde-wijziging: H. Vreekamp, Zonder Israël niet volgroeid. Visie op de verhouding tussen kerk en Joodse volk van hervormde zijde, 2e druk, Kampen 1992, p. 103-108.

|215|

Een niet minder ingrijpende kerkordewijziging, eveneens na lange voorbereiding en veel discussie, betrof de bepalingen betreffende (globaal gezegd) de positie van de kerkvoogdij ten opzichte van de kerkenraad. Ik moet me hier zeer beperken, maar kan deze kwestie hier niet onvermeld laten. Reeds in de kerkordetekst van 1951 was tot uitdrukking gebracht dat kerkvoogden voortaan ten principale ouderlingen-kerkvoogd, dus leden van de kerkenraad, zouden zijn. De kerkvoogdijen behielden weliswaar hun eigen verantwoordelijkheid bij opstelling èn vaststelling van de begroting zowel als van de rekening, maar waren daarbij gehouden, daarover in elk geval met de kerkenraad overleg te voeren. En zij zouden voortaan vallen onder de regelingen van het provinciaal toezicht.

Deze bepalingen waren in 1951 een poging om te komen tot een nieuwe, kerkelijk ingekaderde positie van de kerkvoogdijen, vanuit het principiële inzicht dat geld een geestelijke zaak is. Een poging waarbij werd ingegrepen in een situatie die reeds sinds de negentiende eeuw voor de kerkvoogdijen grote zelfstandigheid van handelen (desnoods ook tegenóver de kerkenraad ter plaatse) had betekend.

Deze deze poging behoedzaamheid vereiste had men in 1951 wel beseft. Daarom waren bij de desbetreffende kerkorderegelingen overgangsbepalingen gevoegd volgens welke het aan de diverse kerkvoogdijen zelf werd overgelaten wanneer — en of — zij zich aan deze regelingen zouden aanpassen. Men had gehoopt dat de kerkvoogdijen zelf daartoe zouden besluiten en had er van afgezien, de nieuwe kerkorderegelingen verplichtend op te leggen.44

De hoop dat de regelingen in de loop van de jaren door de kerkvoogdijen wel uit eigen beweging aanvaard zouden worden was echter in de loop van de jaren ijdel gebleken. Zo werd in 1991 besloten tot een wijziging van de kerkorde, in tweeërlei opzicht. Allereerst werd afgestapt van de bepaling dat álle kerkvoogden ouderlingen-kerkvoogd zouden moeten zijn; het werd dus kerkordelijk mogelijk dat ook gemeenteleden die geen ambtsdragers zijn als kerkvoogd optreden. Daarmee hoopte men tegemoet te komen aan de ‘vrees voor het ambt’ bij diegenen die op zich graag bereid waren, als kerkvoogd financiële medeverantwoordelijkheid voor de gang van zaken in de gemeente te dragen. In de tweede plaats werd door de synode bepaald dat de (bijgestelde) kerkorderegelingen inzake de kerkvoogdijen voortaan niet meer vrijblijvend van karakter zouden zijn. Ze zouden van nu af aan — met inachtneming van een overgangstermijn van


44 Zie ord. 16-1-13 en de overgangsbepalingen 314-335, in de Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk, uitgave mei 1956.

|216|

enkele jaren — in heel de kerk, in alle gemeenten, verplichtend gelden.

Preciezer dan voorheen werd nu ook de verantwoordelijkheid van heel de kerkenraad voor het financiële beleid verwoord. In de taakomschrijving van de kerkvoogdij werd ten aanzien van de eigenlijke taken (het ‘voorzien in de stoffelijke behoeften van de gemeente’ en wat daarmee samenhangt) gesteld dat de kerkvoogdij deze verricht ‘in overleg met de kerkenraad’. De kerkenraad is op zijn beurt gehouden, telkens voor vijf jaar een beleidsplan vast te stellen, waarin tevens de voor de uitvoering daarvan benodigde financiën moeten worden vermeld. Aan de vaststelling van dit beleidsplan moet overleg met de kerkvoogdij (èn met de diaconie) vooraf zijn gegaan. Vaststelling van begroting en rekening geschiedt voortaan door de kerkenraad. Er moet dan wel tevoren overeenstemming met de kerkvoogdij zijn bereikt. Wordt die niet bereikt, dan geschiedt de vaststelling door de provinciale kerkvoogdij-commissie. Eén en ander vereiste mede een (kleine) ingreep in de Romeinse artikelen.45

Deze beslissing bracht een enorme beroering te weeg. Een aantal kerkvoogdijen, in gemeenten behorende tot de rechterflank van de Hervormde Kerk, legde zich niet bij deze beslissingen neer en vocht ze aan, niet alleen volgens de kerkelijke procedures maar ook voor de wereldlijke rechter. Men achtte en acht zich in zijn rechten aangetast. Daarop, op de reeds gevallen rechterlijke uitspraken èn op de nog lopende rechterlijke procedures kan ik hier niet ingaan; dat valt buiten het bestek van deze bijdrage. Met haar in 1991 genomen besluiten heeft de synode in elk geval het hare gedaan om in een verwarde situatie orde te scheppen en een sinds 1951 nog bestaande inconsequentie op te heffen. Ook dat was een opmerkelijke hantering van de kerkorde.

Een laatste punt in dit verband, dat ik nu alleen maar kan aanstippen, betreft de uitbreiding van de ordinantie voor het verband met andere kerken. De oecumenische toenadering die zich in allerlei verband voordeed noopte de synode in de loop van de jaren tot het uitvaardigen van allerlei nieuwe regels. Die moesten vooral het groeiende oecumenische verkeer met andere kerken binnen Nederland (waarover in de oorspronkelijke versie van de kerkorde zo goed als gezwegen werd) in goede banen leiden.46 Daarbij vroegen de relaties met de Evangelisch-Lutherse Kerk en die met de Gereformeerde Kerken in het bijzonder de aandacht. Die brachten de synode


45 Zie nu art. IV-6 en XII; ord. 16-1-13 en nieuw ord. 1-3a. Zie ook de nieuwe overgangsbepalingen 314-335.
46 Ord. 20; zie vooral de art. 3-2 en 3a. Dit laatstgenoemde art. werd in eerste opzet in 1970 toegevoegd.

|217|

er in de jaren 1992-1996 zelfs toe, enkele speciale regels uit te vaardigen die in het belang van deze relaties in het algemeen (bijvoorbeeld ten aanzien van de organen van bijstand) afwijking van het elders bij ordinantie bepaalde mogelijk maakten. Een afzonderlijk artikel, toegevoegd in 1997, regelt nu de gang van zaken die moet worden gevolgd om tot concrete kerkvereniging te komen. Dat men niet over één nacht ijs wil gaan blijkt uit het hier bepaalde dat een besluit tot kerkvereniging, als beoogd in het Samen op Weg-proces, na raadpleging van de classicale vergaderingen, uiteindelijk een meerderheid van tenminste tweederde van de uitgebrachte stemmen zal vereisen.47 De vele wijzigingen en aanvulling van de ordinantie voor het verband met andere kerken mogen soms een moeizame indruk maken, ze kunnen duidelijk maken dat de Hervormde Kerk haar deelname aan de oecumenische arbeid in Nederland en in de wereld48 serieus neemt.

 

Op weg naar een nieuwe kerkorde in Samen op Weg-verband

Onder invloed van het Samen op Weg-proces is de laatste jaren (afgezien van de zojuist bedoelde wijzigingsarbeid met betrekking tot de ordinantie voor het verband met andere kerken) de aandacht voor wijziging en bijstelling van de kerkorde bij de synode enigszins verflauwd. Centraal in de aandacht stond sinds 1990 de opstelling en bespreking van een nieuwe kerkorde, met bijbehorende nieuwe ordinanties, voor de toekomstige Verenigde Kerk. Dat is de reden waarom bepaalde intussen naar voren gekomen zaken niet meer zijn vertaal in voorstellen tot wijziging van de hervormde kerkorde. De behandeling ervan werd vooruitgeschoven. Men hoopt die in de nieuwe Samen op Weg-kerkorde, respectievelijk in de daarbij ontworpen ordinanties, te kunnen ‘meenemen’.

Dat geldt bijvoorbeeld van de vraag of niet ook (gedoopte) kinderen al, dus nog vóórdat zij openbare belijdenis hebben afgelegd, aan het Avondmaal kunnen worden toegelaten. In veel gemeenten gebeurt dit al jaren. De kerkorde sluit het, nog altijd, nadrukkelijk uit. Zij bepaalt dat alleen belijdende leden van de Kerk tot het Avondmaal worden toegelaten.49 De synode zag desondanks geen aanleiding om tegen de op allerlei plaatsen


47 Ord. 20-10 tm. 17.
48 Zie ord. 20-1. Cf. ook de art. XXV en XXVI.
49 Art. XVIII-2; ord. 10-2.

|218|

gegroeide praktijk van kindercommunie op te treden. Ze heeft integendeel, in een al in 1974 gepubliceerd rapport,50 zelf theologische overwegingen naar voren gebracht die, onder bepaalde voorwaarden, voor deelname van kinderen aan de avondmaalsviering pleiten. Voorstellen tot kerkordewijziging zijn hier echter nooit opgesteld of ingediend.

Er is de vraag of mèt belijdende leden niet ook doopleden al (vanaf een bepaalde leeftijd) stemrecht kunnen hebben bij de verkiezing van ambtsdragers en zelfs voor verkiezing tot ambtsdrager in aanmerking kunnen komen. De kerkorde bepaalt dat het actief en passief kiesrecht in de gemeente slechts kan worden uitgeoefend door lidmaten.51 De vraag om dit ook voor doopleden mogelijk te maken leeft vooral in die sectoren van de kerk die sterk van doen hebben met afkalving van traditionele leefpatronen. Soms wordt gesuggereerd dat het ja-woord bij de ambtsbevestiging tevens zou kunnen gelden als het ja-woord van de openbare belijdenis. Deze zaak kwam in de synode aan de orde bijvoorbeeld bij de bespreking van nota’s inzake het kerkenwerk in de grote steden. De synode toonde zich er niet ongevoelig voor. Maar een beslissing werd niet genomen. En tot kerkordewijziging kwam het ook hier niet.

Binnen de kerk bestaat al geruime tijd een sterke aandrang om het mogelijk te maken dat in bepaalde omstandigheden ouderlingen, bij ontstentenis van een predikant, de sacramenten bedienen. Ook deze aandrang leeft vooral daar waar men met afkalving van traditionele patronen te maken heeft; bijvoorbeeld in grootstedelijke gebieden. Weer moeten we zeggen: de synode wees deze gedachte niet radicaal terug, maar ze nam evenmin het initiatief tot kerkordewijziging op dit punt. In de kerkorde is de bediening van de sacramenten, evenals die van het Woord, nog altijd voorbehouden aan de predikanten (de ‘herders en leraars’).52

Er is de vraag of niet ook alternatieve samenlevingsvormen, naast het huwelijk, kerkelijk kunnen worden (in)gezegend. De kerkorde verbiedt het niet. Maar zij kent wel aan het huwelijk (van man en vrouw), als bij uitstek ‘inzetting Gods’, een unieke plaats toe. Moet dat dan niet anders, minder exclusief op het huwelijk betrokken, worden geformuleerd? Ontwikkelingen binnen de samenleving als geheel oefenen ook binnen de kerk invloed uit. Ook op dit punt kwam het echter niet tot kerkordewijziging.

Om nog één ding te noemen: er is de vraag of niet ook officieel binnen


50De deelname aan het avondmaal. De plaats van jongeren in een luisterende en vierend gemeente (’s-Gravenhage 1974).
51 Ord. 3-2 en 3-11-1.
52 Art. IV-3, cf. 6 en 7.

|219|

de kerk ruimte zou moeten bestaan voor een rite van kinderzegening of kinderopdracht, als alternatieve mogelijkheid naast de kinderdoop. De kerkorde maakt er geen melding van en gaat uit van de kinderdoop als normaal en normatief.53 Strikt genomen laat dat voor een kinderopdracht als aparte kerkelijke rite geen ruimte. Niettemin is zoiets in allerlei gemeenten al geruime tijd ingeburgerd. De synode is er nooit tegen opgetreden. Maar tot een officiële kerkordelijke regeling kwam het in de Hervormde Kerk (anders dan in sommige verwante kerken in het buitenland) nog niet. De zaak ligt wel op de tafel van de synode(n). De traditionele kinderdooppraktijk staat trouwens als zodanig onder toenemende druk, mede onder aandrang van kringen zoals het Evangelisch Werkverband.54

Op al deze punten zal het ook in de komende jaren niet meer komen tot wijziging van de hervormde kerkorde. Ze werden en worden meebedacht bij het werk aan de ontworpen nieuwe kerkorde-met-ordinanties voor de Verenigde Kerk. Daarover te handelen valt buiten het bestek van deze bijdrage.

Eén en ander maakt intussen des temeer duidelijk dat een kerkorde voor het kerkelijk leven niet al-bepalend is. Dat kerkelijk leven gaat voort, ontwikkelt zich. Soms ook buiten de formele, kerkordelijke kaders. Die hebben niet het laatste woord. Al moet wie ze te buiten gaat weten wat hij doet. En al is het goed ervoor te zorgen dat kerkelijk leven en kerkorde niet al te zeer uit elkaar groeien.

Wij zagen al: de kerkorde is geen doel in zichzelf. En ze is er ter regeling, niet van het ideale maar van het werkelijke kerk-zijn. De werkelijke Kerk is: Kerk onderweg; Kerk die haar bestemming nog niet heeft bereikt. De kerkorde zal daarom het karakter van voorlopigheid nooit te boven komen.


53 Zie art. XV en ord. 8.
54 Zie over deze zaak ‘Kinderdoop als mogelijkheid. Een protestantse standpuntbepaling’, in mijn Kerk onderweg. Over Geest, Kerk en Oecumene (Zoetermeer 1997), p. 117-132.