|7|

1 Waar het om gaat

 

Is er naast de horizontale lijn (het aangewezen of gekozen zijn door de gemeente) ook een verticale lijn (de opdracht van Godswege, de roeping door Christus zelf?
(Wat is er aan de hand met het ambt, 10)

 

1.1 Het kerkelijk ambt is op het ogenblik sterk in discussie. Niet alleen in die zin dat er over geschreven, gesproken en geconfereerd wordt, maar ook in die zin dat er onzekerheid ontstaat over de betekenis die het ambt heeft en over de waarde die men aan het ambt en aan het optreden van ambtsdragers* moet toekennen. Het wordt als een reëel probleem ervaren wanneer bijvoorbeeld de paus of een bisschop spreekt of optreedt op een wijze, waar men geen raad (meer) mee weet. Ook in basisgemeenten, waar men kerk ‘van onder-op’ wil zijn, is of wordt het ambt een probleem, omdat het ambt nu eenmaal door velen ervaren wordt als iets ‘van boven-af’. En veel ambtsdragers tenslotte hebben zoveel vragen in en rondom hun eigen ambt dat het niet overdreven lijkt om met betrekking tot dat ambt over een crisis te spreken.

Het is daarom niet zo vreemd dat Roos kan stellen: ‘Een van de hoofdthema’s van het huidige oekumenische gesprek — misschien wel het belangrijkste — is de vraag naar de betekenis van de dienst of het ambt voor de kerk. Het gaat daarom te weten of deze dienst door de Heer van de kerk gewild en ingesteld is, en daarmee tot het wezen en de opdracht van de kerk behoort, of dat deze een door de kerk getroffen regeling is, die zich als nuttig en praktisch bewezen heeft, die echter nu — door de huidige omstandigheden — niet slechts door zijn vorm maar ook naar inhoud, veranderd moet worden en eventueel wegvallen kan.’ (Roos, 19)** Al met al lijkt een bezinning op de plaats en de betekenis van het kerkelijk ambt geen luxe.


* Met het woord ambtsdrager bedoel ik steeds mannelijke en vrouwelijke ambtsdragers; dat geldt ook voor andere mannelijk klinkende namen, zoals predikant.
** Bij literatuur-verwijzigingen noem ik zoveel mogelijk de naam van de auteur en het pagina-nummer; de volledige titel van de publikatie is opgenomen in de ‘lijst van aangehaalde publikaties’.

|8|

1.2 Ter voorkoming van misverstanden is het gewenst nu reeds vast te stellen wat we onder het kerkelijk ambt verstaan. In dit stadium kan vanzelfsprekend niet meer gegeven worden dan een voorlopige omschrijving, een soort werkdefinitie, die de bedoeling heeft om vast te stellen waar we het over hebben. Voor dat doel willen we vertrekken vanuit de omschrijving in het studierapport van de Nederlandse Hervormde Kerk ‘Wat is er aan de hand met het ambt?’, die als volgt luidt: ‘Onder ‘ambten’ verstaan wij die binnen een christelijke kerkgemeenschap algemeen erkende functies die zich van haar andere functies daardoor onderscheiden, dat zij het heil van Christus representeren en vertolken en dus doende de kerk met gezag bij zijn genade en bedoelingen bepalen.’ (p. 18)

Het gaat ons dus niet om alle ‘functies’, om alle werkzaamheden die binnen een kerkgemeenschap verricht worden; het gaat om die werkzaamheden, die met het essentiële van de kerk te maken hebben en op grond waarvan men met gezag binnen de kerk kan optreden (concreet: niet bijvoorbeeld om de koster of de organist, wél om de priester of de predikant). In de regel verricht men die werkzaamheden op grond van een wijding, een ordening, een bevestiging.

 

1.3 Mijn uitgangspunt bij de verdere beschouwingen over het kerkelijk ambt is dat het kerkelijke ambt en de kerkelijke gemeente principieel bij elkaar horen of anders uitgedrukt: dat het kerkelijke ambt principieel aan de kerkelijke gemeente gebonden is. Over het ambt kunnen we met andere woorden alleen maar spreken binnen het kader van de kerkelijke gemeente; er is geen ambt buiten of zonder de kerk.

Zo’n uitgangspunt lijkt nogal vanzelfsprekend: over ouderlijk gezag kun je immers alleen maar spreken binnen een gezinsverband en over een overheid alleen maar binnen een statelijk verband; welnu, zo valt over kerkelijk ambt toch alleen maar te spreken binnen kerkelijk verband? Nadere bestudering van vooral theologische literatuur over het ambt leert echter dat dit uitgangspunt ook een positiekeuze inhoudt, een keuze die niet door iedereen gedeeld wordt. Ik sluit mij aan bij het in 1.2 genoemde studierapport, waarvan Berkhof de auteur is, dat stelt (p. 34): ‘Het ambt behoort thuis in de kerk.’ En bij Ridderbos, die in artikelen in het Gereformeerd Weekblad zegt: ‘Het ambt heeft geen eigen bestaan buiten of boven de gemeente, ook geen

|9|

eigen volmacht of gezag, welke aan de gemeente als zodanig (d.w.z. als lichaam van Christus) zou ontbreken. Het ambt behoort tot de gemeente ...’ Terwijl hij verderop zegt ‘... dat het ambt niet alleen van de gemeente, maar ook door de gemeente is, d.w.z. slechts op aanwijzing van de gemeente kan optreden.’ (Ridderbos-a, 274) Tenslotte noem ik nog één van de constateringen van de commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken te Leuven in 1971: ‘Het ambt heeft onafhankelijk van het volk Gods geen eigen continuïteit, maar slechts binnen het volk Gods.’ (Lange, 103/4)

 

1.4 Het is niet toevallig dat in 1.3 alleen protestantse auteurs of rapporten van protestantse colleges werden aangehaald. De positiekeuze waarover daar namelijk werd gesproken is een keuze met betrekking tot de klassieke typen ambtstheologieën. Berkhof zegt dat we in de verschillende kerken grofweg drie typen van ambtstheologie kunnen onderscheiden: ‘1. het katholieke of hoogkerkelijke, waarin de ambtelijke wijding een sacrament is dat de drager voorgoed onder een aparte belofte van de Geest niet alleen tegenover, maar ook boven de gemeente stelt; 2. het klassiek-reformatorische type, dat hem niet alleen tegenover, maar ook in de gemeente stelt, en zijn gezag laat begrenzen door het algemeen priesterschap der gelovigen; 3. het vrij-kerkelijke of laag-kerkelijke type, dat in de ambtsdrager niet meer ziet dan een functionele verbijzondering van het ambt der gelovigen, niet principieel anders dan de koster of de administrateur.’ (Berkhof, 398).

Als we van deze onderscheiding uitgaan, kunnen we zeggen dat wij ons — gezien voorlopige omschrijving en uitgangspunt — bewegen binnen de klassiek-reformatorische ambtsopvatting. Het eerste type stelt de ambtsdrager immers ook boven de gemeente en dat is in strijd met ons in 1.3 geformuleerd uitgangspunt. En het derde type maakt geen principieel onderscheid tussen de verschillende werkzaamheden binnen de kerkelijke gemeente en dat hebben we door middel van onze voorlopige omschrijving in 1.2 nu juist wel gedaan.

Zo eenvoudig als deze onderscheiding suggereert liggen de zaken echter niet, of in ieder geval niet meer.

 

1.5 Juist omdat het kerkelijk ambt op het ogenblik zo in discussie is treden er ook ingrijpende veranderingen op in de ambtsopvattingen. Het duidelijkst merkbaar is dat in rooms-katholieke

|10|

kring. De veranderingen zetten in rondom het tweede Vaticaanse Concilie. Wie de officiële besluiten daarover leest (Constituties en decreten, 362 e.v.) valt op dat soms met nadruk over de gelijkheid, of beter: de gemeenschappelijkheid van ambtsdragers en niet-ambtsdragers wordt gesproken (de priesters zijn ‘broeders onder broeders’), al wordt anderzijds toch ook duidelijk het onderscheid, het in zekere zin afgezonderd-zijn van de priesters genoemd. Bij personen of instanties die voortborduren op de gedachten van het tweede Vaticaanse Concilie komen we meer ingrijpende veranderingen tegen. Zo schrijft Bunnik: ‘...; want het ambt is er slechts als dienst aan de kerk, de ambtsdragers bestaan slechts bij gratie van de leken ...’ (Bunnik, 42) Ook de Duitse bisschoppen trekken bepaalde gedachtengangen van het genoemde concilie door en stellen o.a. met nadruk dat het kerkelijk ambt zich niet tussen Christus en de kerkleden mag schuiven, zodat door het ambt de onmiddellijke relatie met Christus verzwakt zou worden. (Schreiben ..., 11/12) En het Pastoraal Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie tenslotte leverde een rapport over het ambt op, waarvan het verstrekkende misschien het beste geïllustreerd kan worden aan de ‘definitie-achtige omschrijving’ die het rapport zelf van het ambt geeft: ‘het ambt bestaat in een door de christelijke gemeenschap officieel verleende opdracht en volmacht om die gemeenschap op basis van het evangelie voor te gaan in de zingeving van het leven en het inspireren van al haar activiteiten in deze wereld.’ (Pastoraal Concilie, 93/4) Dit rapport is niet officieel aanvaard, maar het geeft wel in deze kring heersende gedachten weer. Het merkwaardige feit deed zich voor dat in de discussie op dit rapport enkele ‘vertegenwoordigers van de andere kerken en geloofsgemeenschappen’ opmerkten ‘dat dit rapport meer verwantschap vertoonde met een meer laagkerkelijke visie op het ambt in hun eigen geloofsgemeenschap dan met die van de rooms-katholieke kerk’. (Past. Concilie, 269)

Uit het laatste blijkt duidelijk dat de verschillende ambtsopvattingen niet meer exclusief aan bepaalde kerkelijke groeperingen zijn gebonden. Bovendien mogen we uit het geheel naar mijn mening de conclusie trekken, dat er een ontwikkeling gaande is, waarbij meer nadruk gelegd wordt op de relatie tussen ambt en gemeente, zónder dat het specifieke van het ambt overigens ontkend wordt. Een ontwikkeling dus in de richting van het tweede door Berkhof genoemde type.

|11|

1.6 Toch zijn hiermee de problemen niet opgelost. Integendeel zou men kunnen zeggen. Want bij een — voorzover ik het kan constateren — groeiende overeenstemming in theologisch opzicht, blijft het probleem van de relatie tussen ambt en gemeente volop bestaan; misschien zelfs wel sterker vanwege de toegenomen nadruk op die relatie. Er blijven vragen rondom de plaats en de betekenis van het ambt binnen de gemeente. Dat is inherent aan het ambt, zoals ons dat in de theologische literatuur beschreven wordt. In bijna alle beschrijvingen kunnen we het probleem tegenkomen.

Kernachtig geformuleerd vinden we het bij Ridderbos, die zegt: ‘Het ambt, zo kan men het bovenstaande onder één formule samenvatten, is uit Christus en door de gemeente.’ (Ridderbos-b, 534)

Van Andel schrijft in de brochure ‘Tillen aan het ambt’: ‘Het ambt is Christus-representatie. Als zodanig staat het tegenover de gemeente.’ ... ‘Het ambt komt nl. op uit de gemeente.’ (Van Andel, 10)

Het hervormde studierapport omschrijft het probleem als volgt: ‘Is er naast de horizontale lijn (het aangewezen of gekozen zijn door de gemeente) ook een verticale lijn (de opdracht van Godswege, de roeping door Christus zelf)?’ (Wat is er aan de hand met het ambt, 10)

Ook in rooms-katholieke kring komen we het probleem tegen. In een bijdrage, die handelt over de deelname van niet-gewijden aan liturgievieringen, schrijft Blijlevens: ‘Deze kerk vraagt intrinsiek om ambten, beter: om ‘ministeria’, eigenlijk om één ‘ministerium’ met verschillende concretiseringen.’ ... ‘Het ministerium dat door wijding wordt overgedragen, heeft twee aspecten die we kunnen karakteriseren als ‘temidden van’ en ‘tegenover’ de geloofsgemeenschap.’ (Blijlevens, 170)

In al deze omschrijvingen van het ambt zit een ambivalentie, een tweeslachtigheid. Enerzijds wordt gesteld dat het ambt er door de gemeente is, dat het uit de gemeente opkomt, dat het door de gemeente aangewezen of gekozen wordt. Anderzijds wordt gezegd dat het ambt uit Christus is en als zodanig tegenover de gemeente staat, ja — zoals het hervormde studierapport het zegt (p. 40) — ‘desnoods tegen de wil van de meerderheid in’ moet fungeren. Die tweeslachtigheid blijkt ook uit het veelvuldig spreken over het ‘meer-zijn’ of de ‘meerwaarde’ van het ambt (vgl. Bunnik, 76 e.v.). Zij blijkt echter vooral uit het gebruik

|12|

van de term ‘tegenover’: het ambt dat, hoe nauw ook met de gemeente verbonden, toch tegenover de gemeente staat.

 

1.7 Achter deze tweeslachtigheid in het spreken over het ambt schuilt een meer fundamenteel probleem. Dat is de tegenstelling die men ervaart tussen enerzijds het feit dat de kerkelijke gemeente gevormd wordt door mensen en anderzijds de opvatting dat het in de kerk om iets gaat dat niet uit mensen opkomt. Daarvoor worden allerlei formuleringen gebruikt. Men zegt dan dat het in de kerk gaat om God, om het Woord van God om de absolute Waarheid of — met een uitdrukking die ons probleem goed weergeeft — om het evangelie dat ‘niet naar de mens’ is. Heel algemeen geformuleerd gaat het hier om de tegenstelling tussen het goddelijke en het menselijke of, zoals men het ook wel uitdrukt, tussen het verticale en het horizontale.

Van die tegenstelling is al vaak gezegd dat die vals is; dat het hier gaat om twee aspecten die in elkaars verlengde liggen, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ook over de rondom het ambt geconstateerde tweeslachtigheid kan men hetzelfde zeggen; en heeft men hetzelfde gezegd. En toch blijft men daar spreken over de ‘meerwaarde’ en over het ‘tegenover’ en blijft men in de praktijk het ambt ook veelal als tegenover de gemeente ervaren. Zowel van de zijde van het ambt (zodat men gaat stellen dat het ‘desnoods tegen de wil van de meerderheid in’ moet fungeren) als van de zijde van de gemeente (gemeenteleden die een zekere zeggingskracht aan het ambtelijk optreden toekennen, ook als men er geen raad mee weet).

Toch lijkt mij die tegenstelling tussen ambt en gemeente een valse tegenstelling en lijkt mij het ‘tegenover’ een valse tegenover-elkaar-stelling. En ik denk dat de valsheid van die tegenover-elkaar-stelling vooral duidelijk gemaakt kan worden vanuit een beschouwing van het functioneren van het ambt in de kerkelijke gemeente.

 

1.8 Dit geeft al enigszins de aard van deze bijdrage weer. Het is een bijdrage vanuit de sociale wetenschappen, nader: vanuit de sociologie. Daarin wordt in de regel meer nadruk gelegd op de feitelijkheid, op de vraag hoe iets zich in werkelijkheid voordoet dan in de theologische wetenschap het geval is (en dat is de wetenschap die zich het meeste met het ambt bezighoudt).

Nu gaat het niet aan om een eenvoudige tegenstelling tussen

|13|

theologie en sociologie te construeren, alsof de eerste zich alleen zou afvragen hoe iets behoort te zijn en de tweede hoe iets in feite is. Ook de theologie vraagt naar de feitelijkheid en ook de sociologie loopt niet om normen en waarden heen. Voor ons onderwerp is van bijzonder belang dat de sociologie ook het zelfverstaan van de kerk, de vraag wat de kerk van zichzelf vindt en wat zij van het ambt vindt, in de beschouwing moet betrekken. Dat behoort immers ook tot de werkelijkheid.

Maar wel kan men stellen dat naast de overwegend theologische benadering van het ambt de sociologische benadering een andere, zo men wil een aanvullende bijdrage kan leveren. Met behulp van bepaalde sociologische begrippen is het mogelijk om dingen op het spoor te komen, die ons inzicht in het functioneren van het ambt binnen de gemeente vergroten. En die ons zicht geven op de problematiek, zoals we die hiervoor formuleerden. Het gaat dus niet om heel de problematiek van het ambt, maar om een bepaald aspect er van. Ook al is er dus nog veel meer over te zeggen, ik wil graag volhouden dat er ook dít over te zeggen is.

 

1.9 Ook in een ander opzicht is deze bijdrage beperkt: het gaat maar om enkele vragen rondom het ambt. We hebben het niet over taken van ambtsdragers, met alles wat daaraan vastzit, zoals de tijdsbesteding, de toerusting of opleiding enz. Ook niet over de vraag welke kerkelijke activiteiten van de ambtsdrager verwacht mogen worden, in welke mate ambtsdragers vrijgesteld behoren te zijn, in hoeverre we moeten streven naar professionalisering van het ambt enz.

We concentreren ons hier vooral op de relatie tussen ambt en gemeente, tussen ambtsdragers en gemeenteleden (waarmee we ook steeds bedoelen parochianen), waarbij de vraag is: hoe functioneert het ambt in relatie tot de gemeente/de gemeenteleden. Daarbij zal — het is onontkoombaar — speciaal aandacht geschonken worden aan wat men noemt het gezag van het ambt.

 

1.10 De opzet van het boekje volgt min of meer logisch uit hetgeen we in deze inleidende paragraaf hebben gezegd. Omdat ik (in 1.3) als uitgangspunt gesteld heb dat het kerkelijk ambt principieel aan de kerkelijke gemeente gebonden is, volgt eerst een paragraaf over de vraag wat een kerkelijke gemeente is. De visie op het ambt wordt immer door de visie op de kerkelijke

|14|

gemeente bepaald. Vervolgens wordt in een paragraaf ingegaan op het ambt van de gemeente en de relatie tussen ambt en gemeente, waarbij ook de institutionalisering van het ambt ter sprake zal komen. Daarna gaat het meer over de functionering van het ambt in de praktijk, waarin de relatie tussen gemeente en ambt geconcretiseerd wordt in de relatie tussen gemeenteleden en ambtsdragers. Hier wordt ook met name ingegaan op het vraagstuk van het gezag van het ambt. Tenslotte wordt in een nabeschouwing ingegaan op enkele vragen, die tijdens of na het lezen van de verschillende paragrafen kunnen zijn ontstaan en waarvan de beantwoording van belang is voor het gehele in dit boekje ontwikkelde betoog.