57-150

|57|

Het Doleantiekerkrecht en de Afgescheidenen

 

 

1. Inleiding

De uitdrukkingen ‘het kerkrecht van de Doleantie’ en ‘het Doleantiekerkrecht’ komt men in publikaties van de laatste honderd jaar veel vaker tegen dan de termen ‘het kerkrecht van de Afscheiding’ en ‘het Afscheidingskerkrecht’. Dit is opmerkelijk omdat er kerkordelijk tussen de kerken van de Afscheiding en die van de Doleantie geen verschil heeft bestaan. Bij de ‘afwerping van het juk der synodale hiërarchie’ in 1886 en volgende jaren werd aan de Dordtse kerkorde opnieuw ‘kracht en geldigheid’ verleend. Eerder was men bij en na de Afscheiding reeds tot deze kerkorde teruggekeerd, al gebeurde dit niet zonder ‘de crisis der jeugd’.1

Vanwaar dit zoveel frequenter voorkomen van de eerste uitdrukkingen?

Aan de Doleantie is intensieve kerkrechtelijke studie en bezinning voorafgegaan.2

Als vrucht van historisch onderzoek en principiële bezinning werden reeds vóór de Doleantie kerkrechtelijke beginselen geformuleerd en uitgedragen, die voor ogen werden gehouden bij de afwerping van het synodale juk en die in de daaropvolgende tijd krachtig werden gehandhaafd. Bij deze beginselen valt vooral te denken aan de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, het confederatieve karakter van het kerkverband, en het principiële onderscheid tussen de kerkeraad (de enige ambtelijke bestuursinstantie) en de meerdere vergaderingen (geen hogere vergaderingen; zonder ambtelijk gezag; wel met overeengekomen zeggenschap). In de periode van 1886 tot 1892 is er bij de Dolerenden op kerkrechtelijk gebied een elan en homogeniteit, die tot de sterkste kanten van deze reformatiebeweging te rekenen zijn.

Aan de Afscheiding gingen geen jaren van kerkrechtelijke studie vooraf.3 De Cock keert zich tegen de aantasting van Gods Woord, de leer van de kerk, de schaapskooi van Christus; hij wordt geschorst, afgezet, komt als de weg van wederkeer tot Gods Woord volledig geblokkeerd wordt, met de kerkeraad en gemeente te Ulrum tot afscheiding. God leidde hem, zoals Hij eenmaal ook Luther leidde, als een paard met oogkleppen voor. In die eerste tijden na de Afscheiding: wat een onderlinge divergenties, wat een twisten op kerkrechtelijk terrein, zelfs ook over de kerkorde. Zij maken het op zichzelf reeds uiterst moeilijk, van ‘het kerkrecht van de Afscheiding’ te spreken. Vergelijkt men de eerste synoden van de Afgescheidenen met die van de Dolerenden dan is het onderscheid zo groot dat men van een contrast zou kunnen spreken.

|58|

Maar wat een verschil ook in omstandigheden. Als de eerste synode gehouden wordt, Amsterdam 1836, komt men bijeen in het geheim.

Het veelvuldiger gebruik van de termen ‘het kerkrecht van de Doleantie’, ‘het Doleantiekerkrecht’ kan dus zéker verklaard worden. Mar wat houden ze eigenlijk in? We vermeldden zojuist een paar beginselen. Moet aan deze, en hiermee rechtstreeks verband houdende beginselen worden gedacht? Of hebben de uitdrukkingen een bredere strekking, een vollere lading? Wanneer we nagaan waar de aandacht in die jaren vóór de breuk zich inzonderheid op richtte, dan lijdt het geen twijfel dat gedacht moet worden in eerstgenoemde richting. In wat de Doleantie gevindiceerd heeft inzake de plaatselijke kerk, het confederatieve kerkverband, het reeds aangeduide verschil tussen de kerkeraad en de meerdere vergaderingen, èn wat hiermee rechtstreeks annex is, is ook steeds het ‘eigene’ gezien van ‘het Doleantiekerkrecht’.4 Ook door de tegenstanders! Maar we moeten erbij zeggen, dat er wèl een marge is. Om die bepaalde beginselen heen ligt er een rand, die het mogelijk maakt het begrip ‘Doleantiekerkrecht’ ook iets ruimer te nemen. Vóór en na 1886 is er bijvoorbeeld ook terdege aandacht besteed aan de ambten en aan de roeping tot kerkelijke zendingsarbeid.5 Maar zaken als deze, hoe belangrijk ook, zijn toch als minder specifiek te beschouwen. Wat daarover naar voren werd gebracht, heeft van andere zijde in het algemeen ook weinig bestrijding ondervonden.6

‘Het kerkrecht van de Doleantie’, genomen in die eerste (zo men wil: engere) zin, heeft dus iets eigen gehad. Een eigen merk. Wil dit zeggen dat er iets nieuws werd gelanceerd? Het hoeft geen betoog dat er principieel en diametraal onderscheid was met het kerkrecht van de organisatie van 1816/52. Maar bracht de Doleantie kerkrechtelijk iets nieuws in vergelijking met de 16e eeuw, en het begin van de 17e eeuw, toen de gereformeerde kerken in de Nederlanden en in de vluchtelingenplaatsen daarbuiten, elkaar vonden, er een kerkverbandelijk samenleven ontstond, groeide, en bevestigd werd? Het antwoord van de Doleantie op deze vraag luidt: neen! Niets nieuws. Re-formatie, wederkeer, terugkeer tot de oude gereformeerde beginselen. Hoe heeft met name dr. F.L. Rutgers zich beijverd de vroege geschiedenis te onderzoeken, de stukken te publiceren, de feiten te laten spreken.

‘Het Doleantiekerkrecht‘ — geen nieuw kerkrecht, maar terugkeer tot de oude, gereformeerde beginselen. Toen de Doleantie in 1936 herdacht werd, werd in gereformeerde kring deze kerkrechtelijke terugkeer, die voor het leven van de Gereformeerde Kerken in Nederland na 1892 van zo grote invloed en betekenis is geweest, in herinnering gebracht en belicht, met grote dankbaarheid jegens de Here. In zijn bijdrage over ‘De Doleantie en het kerkrecht’ 7 schreef ds. T. Ferwerda:

“Zij heeft geen nieuw kerkrecht geschapen, integendeel, zij heeft welbewust teruggegrepen naar het eeuwenoude systeem van kerkregeering, dat zijn klassieke uitdrukking had gevonden in de kerkenordening die door de Groote Nationale Synode van Dordrecht in 1618/19 was vastgesteld. Maar ook de Dordtsche vaderen waren niet de corypheeën geweest, die dit systeem hadden ontworpen en uitgewerkt, zij waren in dit opzicht niet anders dan dankbare leerlingen van Calvijn, wiens vormenden invloed zij hadden ondergaan”.8

|59|

Er is sindsdien in de gereformeerde wereld veel veranderd! In 1937 promoveerde aan de Vrije Universiteit M. Bouwman op zijn geruchtmakend proefschrift met stellingen, waarin grondbeginselen van ‘het Doleantiekerkrecht’ veroordeeld werden.9 “Dit boek is dus een werk van beteekenis”, schreef de Kamper hoogleraar dr. S. Greijdanus,10 die evenals dr. J. van Lonkhuyzen een uitvoerige en grondige kritiek leverde.11 “Het neemt de eere van dr. F.L. Rutgers en dr. A. Kuyper sr. en vele anderen in hunne kerkrechtelijke leeringen en ‘Reformatie’-handelingen weg, veroordeelt wezenlijk opkomst en bestaan van de Gereformeerde Kerken, die uit de Doleantie ontstonden, en stelt deze voor de vraag, of zij niet geroepen zijn onder het Synodale Bestuur van de Hervormde Kerk terug te keeren”.12 We zullen op deze dissertatie verder niet ingaan, en over de ontwikkelingen daarna niet uitweiden. Alleen zij deze opmerking ons nog veroorloofd, dat, indien het Samen op weg-proces tot het tot stand brengen van een nieuwe kerkorde leidt (de noodzaak daarvan is reeds op duidelijke wijze met o.i. sterke argumenten uiteengezet13), de kwestie van het ambtelijk karakter en het ambtelijk gezag van classes en synoden geen moeilijkheid zal kunnen vormen. In de sinds 1959 geldende kerkorde van de synodale Gereformeerde Kerken is op dit punt immers positie gekozen tégen ‘het Doleantiekerkrecht’.14

Aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland die in 1944/45 de weg van de ‘Vrijmaking of wederkeer’ zijn gegaan, blijft op de ecclesiologische katheder het kerkrechtelijk onderwijs van Rutgers dankbaar in ere gehouden. Wij zijn de overtuiging toegedaan dat hij principieel het gelijk aan zijn zijde heeft op die punten die voor ‘het Doleantiekerkrecht’ kenmerkend zijn.

Tot nog toe heeft het ontbroken aan een overzicht van de ontwikkeling van dit kerkrecht. En er is ook een zekere leemte in de belichting van kerkrechtelijke opvattingen bij de Afgescheidenen, de toenmalige ‘Christelijke Gereformeerden’ (sinds 1869). In de jaren na 1886 speelde, zoals bekend, het Reglement van 1869 een grote rol. Maar de inhoud van dit ‘collegialistische’ reglement is lang en taai verdedigd door een figuur als Helenius de Cock. Toch zien we ook De Cock, op eigen plaats in de afgescheiden gelederen, met de broeders van de Doleantie Samen op weg.

 

Graag willen wij in dit artikel een bijdrage leveren tot enige verscherping van het beeld, in beide opzichten. Een korte oriëntatie ten behoeve van die lezers voor wie de kerkrechtelijke stof enigszins nieuw zou kunnen zijn, is misschien niet ondienstig. Nog een kleine slotopmerking: de aanhalingstekens die we tot nog toe telkens bij ‘het Doleantiekerkrecht’, ‘het kerkrecht van de Doleantie’ plaatsen, laten we in het vervolg achterwege, en voor de Dordtse kerkorde gebruiken we in de regel de afkorting D.K.O.

 

2. Korte kerkrechtelijke oriëntatie

2.1. De organisatie van de Hervormde Kerk, naar het Algemeen Reglement van 1816 en van 1852.

|60|

2.1.1.

Bij Koninklijk Besluit werd op 1 april 1816 van kracht het ‘Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden’.15 Evenals de voorbereiding vond ook de invoering van dit Algemeen Reglement plaats van overheidswege, buiten de kerken om. De nu aan de kerken opgelegde organisatie verschilde principieel van de inrichting der kerkelijke samenleving zoals deze in de D.K.O. geregeld was.

 

1. Er komt één landelijk genootschap, met een besturenstelsel.

Het bestuur over ‘het hervormd kerkgenootschap’ (art. 1) wordt uitgeoefend ‘sijnodaal, provinciaal, classikaal en gemeentelijk’ (art. 3). De volgorde is kenmerkend.

Allereerst wordt gehandeld ‘Van het Sijnode’, dan volgt het Provinciaal Kerkbestuur, daarna “het classikaal bestuur” (geen hoofdletters), tenslotte “het kerkelijk bestuur in de gemeenten”: de kerkeraad (ook geen hoofdletters).

Dit besturenstelsel heeft een hiërarchische orde. “Het hoogste kerkelijk bestuur is opgedragen aan het Sijnode” (art. 16). Ieder volgend bestuur is telkens lager. Aan de bevelen van een hoger bestuur heeft een lager bestuur te gehoorzamen. “Een minder kerkbestuur vermeenende, door de besluiten van een hooger, bezwaard te zijn, heeft het regt zich deswegens bij nog hooger bestuur te beklagen, onder gehoudenheid nogtans, van aan de ontvangen bevelen inmiddels te gehoorzamen …” (art. 6). De synode, het provinciaal kerkbestuur en het classicaal bestuur zijn geen vergaderingen, maar colleges (art. 4). Van afvaardiging door en lastbrieven van de kerken (als in de D.K.O.) is geen sprake. In de besturenhiërarchie is er bovendien dominocratie; de synode en de provinciale kerkbesturen tellen slechts één ouderling (artt. 17, 31).16

 

2. Dit genootschap is met zijn organisatie een staatsapparaat.

In dit reglement, door de koning opgelegd, kunnen geen veranderingen worden gemaakt “dan door Zijne Majesteit” (art. 15). De leden van de synode, het provinciaal kerkbestuur en het classicaal bestuur worden door de koning benoemd, de eerste keer rechtstreeks; in het vervolg op grond van ingediende voordrachten (artt. 17, 32, 57, 58). De koning benoemt de president en de secretaris van het provinciaal kerkbestuur, de scriba van het classicaal bestuur (artt. 17, 37, 38, 57).

De synode heeft een vaste secretaris en een vaste quaestor, benoemd door de koning (art. 19). Het hoofd van het ministerie (‘het ministerieel departement’) van eredienst of andere commissarissen-politiek hebben het recht de synodale samenkomsten bij te wonen (art. 18). De synode ontwerpt kerkelijke reglementen en verordeningen, draagt deze voor aan het ministerie van eredienst, teneinde daarop ’s konings goedkeuring te kunnen verkrijgen (art. 23). Het reglement bevat een indeling in 43 classes, de grensscheidingen en verdelingen zullen nader bepaald worden door het ministerie van eredienst (art. 52). Geen enkel kerkbestuur mag corresponderen met buitenlandse kerken zonder voorafgaande toestemming van de koning (art. 12).

|61|

3. In dit reglement wordt de belijdenis van de kerkorde geïsoleerd en het ambt gedegradeerd.

De drie formulieren van eenheid en daarmee verband houdende ondertekeningsformulieren blijven in dit reglement onvermeld. Wel wordt gesproken over ‘de handhaving harer leer’, maar dit element neemt een vreemde plaats in tussen burgerlijke en nationale instanties, terwijl het desbetreffende artikel een plaats heeft tussen louter formele voorschriften van een bestuursapparaat:

“De zorg voor de belangen, zoo van het christendom in het algemeen als van de hervormde kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering van godsdienstige kennis, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendragt, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn” (art. 9).17

Geheel anders dan in de D.K.O. wordt de belijdenis van de kerkorde geïsoleerd. Hierbij valt op te merken dat eveneens in 1816 de zaak van de belijdenis in de mist werd gezet door de bekende quia-quatenuskwestie bij de nieuwe voorgeschreven proponentsformule in het Reglement op het Examen (art. 38).18

De ambten (‘diensten’) waarmee de D.K.O. begint, komen slechts indirect ter sprake, wanneer in het slot enkele bepalingen over het bestuur in de gemeente voorkomen. De ambtstaken van de predikant en de ouderlingen worden niet omschreven. Betreffende de diakenen wordt alleen verklaard: “Aan diakenen blijft de zorg voor de armen der gemeente, naar plaatselijk gebruik, aanbevolen” (art. 89). Aan de roeping en rechten van de gemeenteleden wordt geen aandacht besteed.

De strekking van dit Algemeen Reglement kwam overeen met de ideeën en idealen van koning Willem I.19 Naar zijn mening moesten de vorsten ook op geestelijk en kerkelijk gebied de chefs zijn van hun volk. Reeds in Fulda had hij ontwerpen gemaakt voor de reorganisatie van de Nederlandse en zelfs Europese christenheid. In die oecumenische ontwerpen, waarin de eenheid met Rome een ideaal was, moesten de afzonderlijke belijdenissen verbleken.20

De nu in het leven geroepen besturenkerk werd steeds meer een reglementenkerk; in de jaren 1820 tot 1843 werden de verzamelde reglementen en verordeningen uitgegeven door G. van der Tuuk in niet minder dan zes banden.21

 

2.1.2.

Onder koning Willem II, die in 1840 de troon besteeg, veranderde de toestand.22 In 1843 werd bij Koninklijk Besluit gesanctioneerd dat het recht om veranderingen aan te brengen in het Algemeen Reglement toekwam aan de synode. In de grondwet van 1848 werd vastgelegd de vrijheid der kerkgenootschappen om hun eigen zaken te behandelen, zonder inmenging van de overheid.23 In deze omstandigheden werden door de synode wijzigingen ontworpen in het Algemeen Reglement. Het herziene reglement kwam in 1851 gereed en trad op 1 mei 1852 in werking.24 Tevoren werd het aangeboden aan de koning. Bij de koninklijke bekrachtiging werden elf reserves gemaakt, die in de jaren daarna geleidelijk werden ingetrokken.25

|62|

De voornaamste wijzigingen betroffen de volgende zaken.
a. Terwijl volgens 1816 de genootschappelijke landelijke kerk geacht werd te bestaan uit individuele leden werd zij nu geacht te zijn opgebouwd uit gemeenten (art. 1).
b. Terwijl in 1816 de opsomming van de besturen bij de synode begon, ving ze nu bij de kerkeraden aan en klom ze via de classicale en provinciale besturen op naar de algemene synode (art. 4).
c. Terwijl in 1816 de kerkeraden de beroeping van predikanten en de benoeming van ouderlingen en diakenen volledig in handen hadden, werd nu geïntroduceerd het benoemingsrecht van de gemeente (art. 23).
Het hiërarchische besturenstelsel zelf bleef ongewijzigd. “Bij de synode berust de hoogste wetgevende, regtsprekend en besturende magt” (art. 61).

De kerken waren wel ontslagen uit de gevangenschap van de overheid, maar bleven in boeien.26

 

2.1.3.

Kan van het Algemeen Reglement van 1816 verklaard worden dat het ‘caesaropapistisch’ en ‘erastiaans’ was, deze typeringen gelden niet meer voor het in 1852 gewijzigde reglement. Wel is, niet zonder recht en reden, voor de kerkelijke structuur en organisatie die in 1816 werd vastgesteld en in 1852 gehandhaafd bleef, de kenschetsing ‘collegiaal’ (of: ‘collegialistisch’) gebezigd. Deze term wordt nog steeds gebruikt voor een stelsel van kerkregering dat in de 18e eeuw ingang vond en waarbij de kerk met haar structuur en organisatie op één lijn kwam te staan met een vereniging (‘collegium’), die ook een landelijke omvang kan hebben. Zij heeft dan het karakter van een landelijk genootschap, met een hoofdbestuur en met lagere besturen over de afdelingen.27 Vóór en na de Doleantie is de uitdrukking ‘collegiaal’ vaak toegepast op de sinds 1816 bestaande hervormde kerkorganisatie, m.n. door dr. A. Kuyper.

 

2.2. De terugkeer tot de Dordtse kerkorde, en kerkrechtelijke opvattingen in de kerken van de Afscheiding.

We bieden hier slechts enkel notities over de periode 1834 tot 1854, met het oog op wat in het tweede onderdeel van deze bijdrage ter sprake komt.

 

2.2.1.

De terugkeer tot de Dordtse kerkorde heeft heel wat meer voeten in de aarde gehad dan zich liet aanzien in 1834. De moeilijkheden die zich in dit verband hebben voorgedaan, zijn reeds uitvoerig beschreven.28 We beperken ons tot enkele hoofdmomenten, vermeld in korte stijl.

1834. Ulrum, betuiging van terugkeer tot de D.K.O. In de verklaring van Genderen, Doeveren en Gansoyen (ds. H.P. Scholte) een formulering met wat meer voorbehoud.

1836. Eerste synode, Amsterdam. Zeer uiteenlopende gevoelens. Besluit: vooreerst de D.K.O.; op een volgende synode een nadere beslissing.

1837. Scholte concipiëert een eigen kerkorde, aanvaard door kerken in

|63|

Zuid-Holland, Utrecht, een gedeelte van Noord-Brabant en Gelderland. Tweede synode, Utrecht: besluit om de D.K.O. te herzien, waartoe zonder voorbereiding wordt overgegaan. Slechts 36 artikelen blijven ongewijzigd, 8 worden geschrapt, 42 artikelen veranderd. Reeds eerder aanvaard twee reeksen andere artikelen (resp. “als behoorende bij een volledige kerkeordening” en “betrekkelijk de regeering der kerk in het algemeen”). Hierna een eerste breuk: het ontstaan van de ‘kruisgemeenten’.

1840. Derde synode, Amsterdam. Kerken rondom Scholte afwezig. Eveneens kerken Noord-Brabant rondom ds. G.F. Gezelle Meerburg. Besluit tot intrekking van de ‘Utrechtse’ kerkorde en tot terugkeer tot de D.K.O., “als eenige regel in de regeering der Gereformeerde Kerk in Nederland” (minus: patronaatsrecht en macht der overheid in kerkelijke zaken). Hiertegen: de predikanten A. Brummelkamp en A.C. van Raalte en ouderling C.G. de Moen, die hierover schriftelijke verklaringen indienen.

1843. Vierde synode, Amsterdam. Aanwezig o.m. de inmiddels geschorste Scholte. Reeds in de constituerende vergadering grote verdeeldheid over de vraag of men zal vergaderen onder vigeur van de D.K.O. De afgevaardigden van Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Zeeland en een deel van Zuid-Holland vertrekken. De overige afgevaardigden constitueren zich als synode. Ook in deze kring manifesteren zich verschillen, zodat men spoedig uiteengaat.

Van de leidslieden is H. de Cock reeds in 1842 overleden. In 1846 emigreert ds. A.C. van Raalte naar Noord-Amerika, in 1847 trekt ook Scholte daarheen. In het einde van de jaren ’40 en het begin van de jaren ’50 geleidelijk herstel.

1854. Synode Zwolle. De kerken rond Brummelkamp definitief met de overige kerken herenigd. Een krachtige bijdrage voor verdere eenheid: het besluit inzake de Theologische School te Kampen (eenheid in de opleiding).

 

2.2.2.

Divergerende opvattingen waren er in deze periode omtrent tal van zaken. We beperken ons tot het volgende.

 

1. Tussen De Cock en Scholte openbaarde zich spoedig een verschil in kerkbeschouwing. Voor De Cock betekende de Afscheiding: wederkeer tot het historisch erfgoed van de gereformeerde kerken. De afgescheiden gemeenten vormden de voortzetting van de aloude gereformeerde kerk, met de in Dordrecht vastgestelde formulieren van eenheid, liturgische formulieren en kerkorde. In de periode na Dordrecht was de gereformeerde kerk al meer volkskerk geworden, de tucht was verslapt, de betekenis van Gods verbond en de sacramenten werd door velen niet meer verstaan. Anderzijds groeiden er conventikels, vooral in het noorden. Veel gedoopten durfden niet te komen tot openbare geloofsbelijdenis. Met de afscheiding in Ulrum en andere plaatsen gingen ook volwassen doopleden mee. De Cock bleef hen beschouwen als leden van de gemeente, en huldigde het standpunt dat ook doopleden die tot de gemeente wilden toetreden moesten toegelaten worden als zij de gereformeerde

|64|

leer als de leer der waarheid erkenden en aan het onderwijs, de vermaning en de tucht der kerk zich wilden onderwerpen. De Cock kende zulke doopleden ook het recht toe, hun kinderen ten doop te presenteren: de beloften van het verbond kwamen ook hun toe. Bij zijn gemeentebeschouwing was voor De Cock het genadeverbond van alles beheersende betekenis. Met de volwassen doopleden wilde hij pastoraal veel geduld hebben. Reformatie betekent geen plotselinge negatie van wat historisch gegroeid is.

Scholte, die een geheel andere achtergrond had, ging het veel minder dan De Cock om reformatie van de historische gereformeerde kerk. Veel meer was het hem te doen om, in een van het knellend bestuursjuk bevrijde gemeente, gebonden te zijn alleen aan Christus en zijn Woord. Hem stond voor ogen een vrije gemeente van bekeerden, naar recente voorbeelden in Genève en elders. Met het standpunt van De Cock betreffende de volwassen doopleden en het dopen van hun kinderen was hij het pertinent oneens. In de eerste reeks nieuwe artikelen van de synode van Utrecht 1837, de zgn. dogmatische reeks, is de invloed van Scholte onmiskenbaar. Het ontstaan van de kruisgemeenten had als oorzaak niet slechts het loslaten van de D.K.O., maar ook deze dogmatische reeks en breder: de nieuwe koers in het leven van de door Scholte beïnvloede kerken.29

 

2. Ook betreffende de kerkorde nam Scholte een ander standpunt in dan De Cock, die de D.K.O. wilde handhaven. Scholte wenste een kerkorde, die, in de geest van de belijdenis, een weergave bood van de inhoud van de Schrift — de nieuwtestamentische gegevens inzake de kerkinrichting. Naar dit beginsel concipiëerde hij zijn kerkorde van 1837.30 Dat hij deze, onafhankelijk van de te houden volgende synode, in juli en augustus van dat jaar liet aanvaarden door de onder zijn invloed staande kerken in Zuid-Holland, Utrecht en een gedeelte van Noord-Brabant en Gelderland, geeft duidelijk blijk van zijn independentistische instelling.31 Terwijl Scholte de D.K.O. als een in veel opzichten niet schriftuurlijke kerkorde bestreden heeft, kan ditzelfde niet worden gezegd van Brummelkamp, Van Raalte en De Moen, die in Leiden tot ‘de club van Scholte’ hadden behoord. Van hen stond Brummelkamp wel het dichtst bij Scholte. Maar de houding van Brummelkamp ten aanzien van de D.K.O. was toch fundamenteel anders. Zij kan gekarakteriseerd worden als een relativeren van de D.K.O., het weigeren van stringente binding daaraan.32 De kerkverbandelijke complicaties die hierdoor veroorzaakt werden, zijn bekend. De attitude met betrekking tot het kerkverband bij Brummelkamp en zijn beide genoemde zwagers, ook bij Gezelle Meerburg,33 onderscheidde zich echter duidelijk van die van Scholte, die alleen reeds door zijn karakter een independent was en het standpunt verdedigde dat iedere provincie, classis en kerkeraad vrij moest zijn een eigen kerkorde samen te stellen — een algemeen geldende kerkorde was beslist niet nodig.34

 

2.2.3.

In de periode 1834 tot 1854 lag wetenschappelijke bestudering van het kerkrecht buiten het bereik van de mogelijkheden. De predikanten

|65|

kwamen handen te kort; in de begintijd omvatte hun arbeidsveld grote delen van het land. In de eerste synode, 1836, waren vier predikanten aanwezig, maar nadat candidaat A.C. van Raalte, beroepen te Genemuiden en Mastenbroek, door de synode geëxamineerd was, werd hij ter synode bevestigd als predikant en kreeg hij onmiddellijk zitting als lid van de vergadering.35 De plaats die de predikanten toen in het kerkelijke leven innamen, weerspiegelde zich in de synode. Het later door de Doleantie benadrukte onderscheid tussen de kerkeraden als ambtelijke vergaderingen en de meerdere vergaderingen als vergaderingen zónder ambtelijk karakter werd, zoals de juistgenoemde handelwijze in de eerste synode al doet blijken, zéker in de eerste tijd na de Afscheiding allerminst helder ingezien. De Handelingen van de eerste synoden worden gepresenteerd als ‘Handelingen van de Opzieners der Gemeente Jesu Christi’.36

Ook bij het enkelvoud in de aanduiding ‘Gemeente’ voor het geheel van de kerken dient de vinger te worden gelegd. Deze aanduiding wordt in 1836 afgewisseld met benamingen als: ‘de Christelijke Gereformeerde Kerk’ en ‘de Gereformeerde Kerk onder het kruis in Nederland’.37 Terwijl van het midden van de jaren ’40 af telkens bij Verslagen van synoden de naam: ‘de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk’ gebezigd wordt, blijft, bij de variaties in de naam, toch steeds in zwang het gebruik van het enkelvoud voor de gezamenlijke kerken. Van debatten over de vraag of het enkelvoud ‘kerk’ dan wel het meervoud ‘kerken’ in de naam moest voorkomen, geven de Handelingen en Verslagen van synoden geen blijk.

 

2.3. Een eerste en voorlopige opgave van beginselen, gevindiceerd in het Doleantiekerkrecht.

Ter oriëntatie bieden we nu onmiddellijk een eerste en voorlopige opgave van beginselen gevindiceerd in het Doleantiekerkrecht. Tegenover de hiërarchische besturenmacht en de bestaande leervrijheid wordt beleden de souvereiniteit van Christus die over en in zijn Kerk volstrekte zeggenschap heeft; de eenheid van de Kerk ligt in de eenheid van de daadwerkelijke erkenning van Christus’ koningschap en de eenheid in de schriftuurlijke leer. Daarom vormt de gereformeerde belijdenis de onmisbare en onopgeefbare grondslag van het plaatselijke kerkelijke leven én van het kerkverbandelijk samenleven van de gereformeerde kerken in Nederland.

Dit kerkverband heeft een confederatief karakter. Terwijl het doen uitkomen van de eenheid en het oefenen van de gemeenschap met zusterkerken door Christus van iedere kerk wordt vereist, mag geen kerk door een zusterkerk of door zusterkerken (of door overheidsmaatregelen) tot toetreding tot, resp. tot blijven in, het kerkverband gedwóngen worden. Iedere plaatselijke kerk met haar door Christus gegeven ambtelijke institutie is een complete kerk, die geen macht bóven zich heeft dan die van Christus. De meerdere vergaderingen in het kerkverband zijn geen hogere vergaderingen. Anders dan de kerkeraden hebben zij van Christus geen ambtelijke taken en bevoegdheden ontvangen. Hun taken en bevoegdheden beperken zich tot wat de kerken zelf vrijwillig

|66|

overeengekomen zijn. Door de confederatie ontstaat er niet een institutaire landskerk waarvan de plaatselijke kerken onderafdelingen vormen. Het enige besturend college blijft de plaatselijke kerkeraad, die echter in het kerkverband gebonden is aan de kerkorde, en dus de door de meerdere vergaderingen genomen besluiten heeft na te komen conform artikel 31 D.K.O.

 

(A) Het kerkrecht van de Doleantie

3. De hoofdfiguren met betrekking tot het Doleantiekerkrecht: Kuyper en Rutgers

Wanneer we spreken over het Doleantiekerkrecht, richten we ons inzonderheid op de twee hoofdpersonen dr. A. Kuyper38 en dr. F.L. Rutgers.39

|67|

Naast hen treden er ook andere figuren naar voren, als bijvoorbeeld jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman (die echter vooral aan het aangrenzend juridisch gebied zijn aandacht gaf en bij de sinds 1886 gevoerde processen krachtig zich inzette),40 mr. dr. W. van den Bergh,41 mr. D.P.D. Fabius,42 ds. J.C. Sikkel43 — om slechts enkele namen te noemen. Maar onbetwistbaar waren Kuyper en Rutgers de hoofdfiguren.

In de Doleantiebeweging staat Kuyper vooraan. Wekelijks wapent hij, geeft hij leiding in De Heraut. Wanneer in 1886 de gang naar de synode moet worden gemaakt, valt deze taak als vanzelf Kuyper ten deel. Moeten de Amsterdamse kerkleden worden ingelicht en voorgelicht, dan weet Kuyper hen te benaderen, hij treft het hart. Niet alleen als schrijver, ook als spreker is Kuyper ongeëvenaard. In de landelijke samenkomsten bindt hij samen, stuurt en bezielt hij. Rutgers, zijn wapenbroeder, staat steeds naast hem. Naar Kuypers eigen woorden: “Rutgers is in den fellen strijd, die voor het weer-opleven van het Calvinisme gevoerd moest worden, althans op kerkelijk gebied, in den vollen zin des woords mijn alter ego geworden. Zonder zijn trouwe hulp en medewerking ware het doorzetten van die pijnlijke worsteling eenvoudig ondenkbaar geweest”. Maar: Rutgers was anders: “Rutgers en ik waren persoonlijk van geheel uiteenloopender aanleg. Onze beider karakters verschilden niet slechts, maar gingen in de grondlijnen vaak tegen elkaar in. Maar het verrassend gelukkige hierbij was, dat we elkaar volkomen aanvulden, en in het diepere levensbeginsel ons al spoedig steeds meer als tweelingbroeders gevoelden”.44 Rutgers was een principieel zeer belijnd man, constanter en minder plooibaar dan Kuyper.45 Hij miste diens veelzijdigheid, maar overtrof hem ver in nauwkeurigheid. Een journalistieke pen had hij niet, maar hij was een grootmeester in het redigeren van officiële stukken en het formuleren van besluitteksten. Terwijl Kuyper continu de publieke opinie bewerkte, verrichte Rutgers telkens de nodige veeleisende arbeid op de achtergrond, zeer solide, punctueel en zonder enige ophef. “Groot in ’t kleine te zijn (bleef) tot het laatste toe het kenmerk van Rutgers’ optreden” (Kuyper).46

Met betrekking tot het Doleantiekerkrecht hebben beiden hun eigen betekenis gehad. Kuypers in 1883 in het licht gegeven Tractaat van de Reformatie der Kerken, naar zijn eigen woorden het resultaat “van tien jaren worstelens en denkens”, geeft de bij hem gegroeide inzichten en opvattingen over de schriftuurlijke wijze van kerkinrichting en -regering in de hem eigen vloeiende en boeiende stijl weer. Naast dit afzonderlijke, systematische werk, en in samenhang hiermee, dient op Kuypers kerkrechtelijke artikelen in De Heraut gewezen te worden. De grondgedachten van het gereformeerde kerkrecht heeft hij er bij zijn medestrijders ingehamerd. Behalve allerlei incidentele artikelen schreef hij soms hele series. Bijvoorbeeld over het convent van Wezel 1568 en de synode van Emden 1571, over het collegiale stelsel, over de hiërarchie, over het kerkelijk ambt, en afzonderlijk over het ambt der gelovigen. Vóór de Doleantie en in de eerste Doleantietijd polemiseerde hij voor alles tegen de hiërarchie van de ‘Synodale Genootschapskerk’ waarbij de Irenischen een trommelvuur moesten verduren. Na 1886 bestreed hij onder meer herhaaldelijk het Reglement van 1869 en z.i. collegialistische gedachten in de Christelijke Gereformeerde Kerk.47

|68|

Terwijl Kuyper aldus grote betekenis heeft gehad met betrekking tot het Doleantiekerkrecht en de doorwerking daarvan, heeft hij Rutgers geëerd als kenner van het gereformeerde kerkrecht par excellence. In het jaar dat Kuypers eigen Tractaat zal gaan verschijnen, noemt hij Rutgers “verreweg de fijnste en beste kenner van ons gereformeerde kerkrecht”.48 Na Rutgers’ overlijden schrijft Kuyper, met het oog op het meesterwerk dat Rutgers, samen met De Savornin Lohman schreef, De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken: “ ge zult van bladzijde tot bladzijde bespeuren hoeveel rijker zijn aandeel in de bange worsteling was dan de mijne”.49

Wanneer Rutgers als hoogleraar optreedt, heeft hij reeds meermalen over kerkrechtelijke onderwerpen gesproken en geschreven.50 Telkens treft ons hierbij het zorgvuldig onderzoek naar de historie: hoe is de praktijk geweest sinds de Reformatie, en vooral: welke beginselen heeft men in de 16e eeuw kerkelijk aanvaard en doen gelden? Deze historische gerichtheid kenmerkt ook het werk dat Rutgers jarenlang als canonicus aan de Vrije Universiteit heeft verricht; zij was er, zoals terecht is opgemerkt, “uit de aard van de zaak”: “het verloren terrein moest allereerst herwonnen worden”.51 Daaruit laat zich ook verklaren de grote toewijding waarmee Rutgers zelf het bronnenmateriaal dat hier het allereerst en allermeest in aanmerking kwam heeft geordend en uitgegeven. Inzonderheid valt te denken aan de door hem bezorgde editie van de Acta van de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw, een eminent bronnenwerk, dat nauwelijks overtroffen kan worden.52 Zeer grondig heeft Rutgers zich ingewerkt in de vierdelige Politica Ecclesiastica van Voetius, waarachter — ook in kerkrechtelijk opzicht — de figuur van Calvijn voor hem oprijst. Het klassiek-gereformeerde kerkrecht weer onder het stof vandaan halend besteed Rutgers in de jaren vóór de Doleantie veel aandacht aan de vraag, hoe het verband tussen de Nederlandse gereformeerde kerken ontstond en voortbestond in de 16e eeuw en werd gehandhaafd in de moeilijkheden van het begin der 17e eeuw — een vraag die door de deformatie van het kerkverband dringend beantwoording vereiste. Hierbij valt in rekening te brengen de verwaarlozing van de principiële studie van het kerkrecht aan de universiteiten — Rutgers zelf wijst daarop in zijn rectorale rede van 1882.53

Het is te begrijpen dat op het Gereformeerd Kerkelijk Congres van januari 1887 (waar Rutgers het eerste referaat leverde) de betekenis voor de Doleantie van “de nauwkeurige wetenschappelijk onderzoeking van ons kerkrecht” aan de Vrije Universiteit gereleveerd werd.54 Trad Rutgers op dit Congres als adviseur en als opsteller van tal van modelstukken op, met name door zijn adviezen in de periode tot de Vereniging heeft hij in en buiten de officiële vergaderingen van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken kerkrechtelijk grote invloed gehad. Het zegt veel dat Rutgers ook na 1892 om zijn adviezen in de generale synoden en aan kerkeraden en ambtsdragers bijzonder gewaardeerd werd ook door de broeders die uit de kerken der Afscheiding stamden. Op drieërlei wijze is de kerkrechtelijk arbeid van Rutgers van groot belang geweest: door zijn heldere en doorwrochte publikaties,55 door zijn pluriforme adviezendienst56 en door zijn gedegen colleges, waarin hij onder meer een zeer waardevolle kommentaar op heel de D.K.O. leverde.57

|69|

Bij het 25-jarig hoogleraarschap werd de dankbaarheid van Rutgers’ leerlingen vertolkt door dr. H.H. Kuyper:

“Zoo hebt ge in het verleden ons ingeleid, maar ge hebt ons doen verstaan, dat de adelbrief van dat verleden ons verplichtingen oplegt voor het heden. Ge hebt dat gedaan door in uw kerkrecht met vaste hand de lijnen te trekken voor den rechten gang van ons kerkelijk leven. Gij hebt ons geleerd daarbij ons niet krampachtig vast te klemmen aan wat uit dat verleden was overgeleverd, maar naar het voetspoor van onze vaderen zelf steeds terug te keeren tot de beginselen van Gods woord en daarin het richtsnoer te vinden voor het leven onzer dagen. Wanneer schertsend gezegd is dat “al wat kerkrecht heet in uw hoofd gevaren is”, dan ding ik op dien lof niet af, maar meen toch, dat die lof niet volledig is. Want wel weten we, dat geen plaats uit Voetius’ lijvige kwartijnen u onbekend bleef en geen besluit onzer nationale synodes aan uw memorie ontglipte, maar het jurare in verba magistri hebt ge ons toch nooit geleerd en noch het gezag van Voetius noch de autoriteit der synodes maar alleen Gods woord moest beslissen”.58

Deze woorden zijn niet geciteerd in de levensschets die Rullmann van Rutgers gaf. Evenmin is dat het geval met tal van andere verklaringen die eveneens de betekenis van Rutgers in het licht stellen.59

 

4. Profilering (A): de jaren 1882 tot 1885

4.1. Rutgers over de aard van het vroegere kerkverband (1882).

4.1.1. Rutgers’ rede voor de “Vrienden der Waarheid”.

Het was een zeer belangrijk onderwerp dat het hoofdbestuur van de “Nederlandsche Vereeniging van Vrienden der Waarheid” 60 op de algemene vergadering in het voorjaar van 1882 aan de orde stelde. Het luidde: In hoeverre heeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Nederl. Gereformeerde Kerken is opgelegd, voor de bijzondere kerken die daarin geplaatst zijn, eene bindende kracht?

Onder deze titel zagen ook de uiteenzettingen het licht van de beide sprekers in deze vergadering, F.L. Rutgers en A.F. de Savornin Lohman.61 De taken waren verdeeld. Lohman, de tweede spreker, belichtte de ontstaansgeschiedenis van 1816, de betekenis van de veranderingen toen aangebracht, en de ontwikkelingen daarna. Hij betoogde, met bespreking en bestrijding van tegenargumentatie, dat de in 1816 opgelegde en sindsdien gehandhaafde genootschappelijke band, door de plaatselijke kerken verbreekbaar was, en sprak als zijn overtuiging uit dat met de Haagse synode gebroken móest worden. Hij eindigde met enkele wenken.62

Eerder voerde Rutgers het woord die na een aantal inleidende opmerkingen zijn deelonderwerp aldus formuleerde: Hoedanig was het kerkverband van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken, toen de organisatie van 1816 haar werd opgelegd? 63

Van allesbeheersende betekenis was, volgens Rutgers, de kwestie van de grondslag. Allereerst handelt hij over de inhoud daarvan. De grondslag was “in volstrekten zin, de gemeenschappelijke erkenning van het onvoorwaardelijk gezag van Gods Woord, d.i. van de Heilige Schrift, en de gemeenschappelijke belijdenis van de daarop gegronde artikelen en

|70|

stukken der leer”. “Voor de kerkgemeenschap kwam het daarbij vooral aan op de belijdenisgeschriften”. “Er bestaat”, aldus Rutgers, “een kerkverband tusschen alle ware kerken van Christus, omdat zij eenzelfde geloof deelachtig zijn, en geroepen zijn tot getuigen, en het belijden zelf niet kunnen nalaten. En toen nu hier de religie naar Gods Woord gereformeerd was, was er ook vanzelf dat innerlijke verband, zelfs nog vóór er een uitwendige band kon gelegd worden”. Dat werd dan ook toen reeds gevoeld en beleden, zoals bijvoorbeeld lijkt uit art. 27 NGB: verspreid en verstrooid door de gehele wereld, nochtans tezamen gevoegd en verenigd in éénzelfde Geest, door de kracht des geloofs. Waar die innerlijke band aanwezig is, daar hoeft slechts de weg geopend te zijn en het uitwendig kerkverband komt dan bijna vanzelf. De eenheid in het geloof, de eenheid in de schriftuurlijke leer de grondslag van het kerkverband — Rutgers staaft dit en werkt dit uit door o.m. te wijzen op art. 29 NGB, uitspraken van het convent van Wezen 1568 en de synode van Emden 1571.64

In de tweede plaats betoogt Rutgers dat in kerkrechtelijke zin de grondslag van het kerkverband de vrijwillige toetreding van de bijzondere kerken was.65

“In Duitschland was het gansch anders; daar ging de reformatie voornamelijk van de landsvorst, van de overheid uit. Hier te lande evenwel was het juist andersom. Hier zijn eerst bijzondere kerken gevormd, onder het kruis en in de verstrooiing, en later pas zijn die in een uitwendig kerkverband vereenigd; door vrijwillige toetreding; als een kerkenbond; tot wederkeerige correspondentie; en dan zóó, dat iedere bijzondere kerk haar volle macht en vrijheid onder de heerschappij van haar eenige Hoofd Christus, en naar den regel van Gods Woord bleef behouden”.66

Tot bewijs, en ook “tot nadere kenschetsing” voert Rutgers allerlei gegevens aan; zoals hij het uitdrukt “slechts het een en ander” uit de grote overvloed.

Allereerst vraagt hij er aandacht voor, “dat men hier van den aanvang af altijd sprak en bleef spreken, ook in alle officiëele stukken, van de Nederlandsche Gereformeerde k e r k e n in het meervoud”. Door de wijze waarop hij dit meervoud laat drukken (gespatieerd, cursief, de beide laatste letters vet) blijkt het bijzondere  belang dat hij aan deze zaak toekent. Enkele andere gegeven die hij voor, of in verband met, het door hem geschetste confederatieve karakter van het kerkverband naar voren brengt, vermelden we in ’t kort. Na diverse uitspraken van Wezel 1568 geciteerd te hebben, wijst hij op het verschijnsel dat in classes en synoden naar lastbrieven gestemd werd — “Zeer natuurlijk, omdat men erkende, dat de macht bij de bijzondere kerken, die mandateerden, verbleef”. Een ander door Rutgers gememoreerd verschijnsel is, dat in de verschillende provincies de kerken aan elkanders besluiten en getuigenissen niet gebonden waren; hij geeft daar enkele voorbeelden van. Tenslotte wijst hij op gereformeerde schrijvers over kerkrecht, waarbij hij met name Voetius noemt. Hij geeft dan de sindsdien telkens herhaalde stelling van Voetius weer, dat de macht en autoriteit van classes en synoden niet oorspronkelijk is, maar afgeleid en opgedragen; niet een eigen en blijvend bezit is, maar alleen tot tijdelijke uitoefening strekt; niet volstrekt, maar beperkt is enz.

|71|

Tot toetreding tot het kerkverband moet niet gedwongen worden; tot blijven in het kerkverband evenmin. Maar er is de eis van Gods Woord:

“… de bijzondere kerk mag niet op zichzelve blijven staan, daar Gods Woord dat niet wil. En zoolang dat Woord regel blijft en de eenparigheid der leer blijft bestaan, moet de uitwendige band ook bewaard blijven. Het is er geheel mede (zeide men terecht) als met den uitwendigen band, die de bijzondere Kerk en hare individuëele leden verbindt. “Niemand mag zich op zichzelven houden”, etc. (art. 28 der belijdenis). En vooral tegenover de Brownisten en de Independenten hebben onze vaderen de noodzakelijkheid van het kerkverband steeds gehandhaafd. Maar zij geven hun ook altijd toe, dat hun argumenten onwederlegbaar zouden zijn, indien de Gereformeerden een soort kerkverband hadden, als hun wel eens door Independenten werd toegedicht, en waarvan de beschrijving sprekend gelijkt op hetgeen de organisatie van 1816 heeft zoeken op te dringen”.67

Het is opmerkelijk dat aan deze rede van Rutgers in verhandelingen over het Doleantiekerkrecht vrij weinig aandacht is gegeven.68 Zij bevat de hoofdzaak van wat voor, tijdens en na de Doleantie telkens geponeerd en verdedigd is over de aard van het kerkverband der Nederlandse gereformeerde kerken.

 

4.1.2. Rutgers’ rectorale rede over het kerkverband

Wat Rutgers voor de Vrienden der Waarheid uiteenzette, was in zekere zin een voorproef van de rectorale rede die hij een half jaar later, op 20 oktober, hield. Opnieuw handelde hij over het kerkverband, nu over Het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen kerkeraad in den aanvang der 17e eeuw. Nog in hetzelfde jaar kwam deze eerste rectorale oratie van Rutgers, voorzien van talrijke aantekeningen en een groot aantal aktenstukken als bijlagen, van de pers — een boekwerk van 192 pagina’s.69 Het vormt de grondigste studie op het gecombineerde gebied van kerkhistorie en kerkrecht die aan de Doleantie voorafgegaan is. Na een inleiding over de studie van het kerkrecht en een eerste oriëntatie betreffende de moeilijkheden in het begin van de 17e eeuw, bespreekt Rutgers uitvoerig de handelingen van de genoemde kerkeraad voorzover deze het kerkverband raakten. Zij hadden, zoals hij aangeeft en toelicht, vierderlei strekking, en wel: (1) om het in het algemeen krachtig te handhaven; (2) om het in sommige opzichten buiten werking te stellen; (3) om het desgevorderd tijdelijk te verbreken; (4) om het terzelfder tijd zoveel mogelijk te herstellen.70

In het eerste onderdeel71 wordt de vraag gesteld of het kerkverband destijds gevaar liep? Het liep niet alleen gevaar, het werd zelfs ernstig bedreigd. In zijn recht van bestaan, door het independentisme; in zijn nationaal karakter, door het provincialisme; in zijn onmisbare grondslag, door het arminianisme. Het is niet mogelijk, ook niet nodig, het hele betoog hier weer te geven. We beperken ons tot een passage over de grondslag. Er is sterke overeenkomst met het eerdere woord tot de Vrienden der Waarheid:

“Indertijd was dat kerkverband gelegd en bevestigd, omdat en doordat de samenkomende kerken in geloofsovertuiging overeenstemden. Zij hadden

|72|

reeds aanvaard, of zij aanvaardden, dezelfde geloofsbelijdenis; en die eenparigheid in de leer was de voorwaarde en de grond waarop zij, ook uitwendig met elkander zich vereenigden. Maar juist daarom bleef die gemeenschappelijke belijdenis de onmisbare grondslag van het kerkverband, en was er voor zijn duurzaamheid wel geen grooter gevaar, dan dat dit belijdenis werd bestreden of terzijde gesteld”.72

In het tweede onderdeel73 brengt Rutgers vooral ter sprake, hoe er destijds gehandeld is en moest worden met betrekking tot attestaties, waaraan wegens de personen die ze inleverden of wegens de kerkeraden die ze ondertekend hadden, geen vertrouwen kon worden gegeven.

In het derde onderdeel74 wordt belicht hoe kerkeraden en classes die van de belijdenis afweken, toen eenvoudig beschouwd en behandeld werden als vergaderingen van particulieren, door die afwijking zelf al van het kerkverband losgeraakt; en wat de Amsterdamse kerkeraad toen gedaan heeft om de eenheid te bevorderen.

In het vierde onderdeel75 wordt gehandeld over de bemoeiingen van de kerkeraad met de dolerende kerken en met de vergaderingen van correspondentie.

Aan het einde van het overzicht wordt aangewezen dat alle handelingen, in de vier onderdelen vermeld, de toepassing waren van één en hetzelfde beginsel. Dat éne beginsel betreft: de grondslag van het kerkverband, de belijdenis als de formulering van de schriftuurlijke leer.

“Het kerkverband werd gehandhaafd, door handhaving der aan al zijne kerken gemeenschappelijke belijdenis; het werd buiten werking gesteld, waar dat noodig was om die belijdenis zuiver te bewaren; het werd verbroken, waar afwijking van die belijdenis het inderdaad reeds had losgemaakt; en het werk hersteld, door vernieuwde aansluiting aan al wat die belijdenis was blijven vasthouden. Klaarder dan woorden het kunnen, toont ons die gedragslijn: waarop het kerkverband rustte, waarin zijn karakter eigenlijk gelegen was, aan welke voorwaarde het moest blijven voldoen, waartoe het de kerken als het ware contractueel verplichtte, en wanneer dat contract mocht en moest geacht worden door wanpraestatie vervallen te zijn. En dan komt dat alles nêer op dit ééne: de belijdenis die door allen erkend werd als de formuleering der leer die den Woord Gods conform is, en de handhaving dier belijdenis tegen eigenmachtige afwijking en persoonlijke willekeur”.76

Op 15 januari 1883 zou in de Nederlandse Hervormde Kerk de nieuwe proponentsformule van kracht worden, waarin ook het laatste draadje dat nog aan de belijdenis verbond geëlimineerd was. De rede, “ een meesterwerk van historische studie en scherpheid van betoog” (Kuyper),77 was daarom te meer bijzonder actueel.

 

4.2. Kuypers uitgave van de drie formulieren van eenheid en de kerkorde (1883).

Na de invoering van de nieuwe proponentsformule werd op 24 februari 1883 door ouderlingen van de kerk te Amsterdam besloten, om samen met de predikanten door ondertekening van de drie formulieren van eenheid onverdeelde en hartelijke instemming met de belijdenisgeschriften van de kerk te doen blijken. “Deze niet van gewicht ontbloote gebeurtenis” was voor Kuyper aanleiding, een nieuwe uitgave van de

|73|

drie formulieren, samen met de D.K.O. te bezorgen.78

In zijn Voorrede, gedateerd 28 februari 1883, doet Kuyper over de belijdenis als de grondslag van het leven en samenleven van de kerken uitspraken die in een eerder artikel in deze herdenkingsbundel al geciteerd zijn.

Kuyper spreekt ook over de kerkorde. Hij stelt voorop: “ Niet de eenheid van de kerkorde, maar de eenheid van belijdenis beslist voor de eenheid der Kerken”.79 In de gegeven situatie dient men in de eerste plaats bedacht te zijn op de zaak van de belijdenis.

Pas na de zaak van de belijdenis dient die van de kerkorde aan de orde te komen. De D.K.O. is nooit wettig afgeschaft. “Geen nationale Synode van alle gereformeerde kerken dezer landen is na de Synode van 1618/19 meer samengekomen. Ons kerkrecht staat dus nog altoos op den toen gelegden grondslag”.80 Kuyper houdt de mogelijkheid open van een enigszins gewijzigde (Dordtse) kerkorde, maar dan moet eerst de moed worden gegrepen om de kerkorde waaronder men nu leeft kordaat opzij te zetten.

“Dit immers springt in het oog; twee Kerkorden kan niemand tegelijk volgen. Wie dus zijn naam onder de Kerkorde van Dordt van 1619 plaatst, schaft daarmee de Kerkorde van 1816 af. En nu wenscht zeker niemand vuriger dan schrijver dezes, dat God de Heere ons spoedig den dag doe aanlichten, waarop de meeste Raden onzer Kerken tot dezen stap mogen verwaardigd worden; maar dit kan noch mag, eer men eerst weer met bewustheid zich plaatsen kan op den grondslag onzer Belijdenis, gelijk die ligt uitgesproken in onze drie Formulieren”.81

De rang- en volgorde is dus duidelijk aangegeven. Kuyper geeft “deze prachtige documenten” uit “voor kerklijk en huislijk gebruik”. Niet alleen ambtsdragers, ook gemeenteleden buiten het ambt, dienen de D.K.O. beter te leren kennen.

 

4.3. De Conferentie van Gecommitteerde Kerkeraadsleden (1883).

De op 11 april 1883 in Frascati te Amsterdam gehouden samenkomst, bekend als de Conferentie van Gecommitteerde Kerkeraadsleden, vormde een belangrijke ontwikkeling in de richting van de Doleantie. Het initiatief ging uit van Amsterdam, niet van de kerkeraad, maar van de adviescommissie, door de kerkeraad benoemd met het oog op de nieuwe proponentsformule. Rullmann legt verband tussen Rutgers’ rectorale rede en het beleggen van deze conferentie: Amsterdam hervatte de rol die eerder was gespeeld.82 Kuyper en Rutgers treden sterk op de voorgrond. Zij maken deel uit van de uit vier personen bestaande kerkeraadscommissie; de drie reeksen concept-resoluties verraden beider hand; Kuyper leidt de conferentie als voorzitter, Rutgers beantwoordt verscheidene sprekers in de discussies en redigeert wijzigingen in de tekst.83

De eerste reeks resoluties betreft “de ontstane moeilijkheid in haar tegenwoordigen stand”. De tweede reeks spreekt zich uit over de vraag “Op wat wijze de slooping onzer Vaderlandsche Kerk kan tegengegaan en zij bij haar heilige belijdenis bewaard”. Het derde deel van het geheel bestaat uit twee slotresoluties.

|74|

De resoluties vertonen een systematische opbouw, iedere resolutie heeft haar eigen plaats als schakel in de keten. Een bijzonder karakter heeft de tweede resolutie van de eerste reeks (een schuldbelijdenis voor God) en de tweede slotresolutie (een plechtige verklaring, met bede). Over deze twee resoluties is niet gediscussieerd, ze werden staande uitgesproken en aangehoord.

In de eerste reeks84 wordt uitgesproken dat de nieuwe proponentsformule “als losmaking van den band, die in Jezus’ kerk het ambt des Woords aan den Woorde Gods behoort te verbinden, in volstrekten zin te veroordeelen is” (I:1).

Zeer belangrijk is de uitspraak over het door de kerkeraden te nemen besluit. Het houdt in, dat van nu af in de eigen kerk niemand tot de dienst des Woords zal worden toegelaten, dan die zich bereid heeft verklaard ten overstaan van de kerkeraad zijn onvoorwaardelijke onderwerping aan het gezag van Gods onfeilbaar Woord te betuigen, en daartoe de drie formulieren van eenheid, met betuiging van hartelijke instemming te ondertekenen (I:5). En omdat geen opziener aan zijn mede-opzieners een verplichting mag opleggen waaraan hij niet ook zichzelf gebonden acht, moet men beginnen met zelf in zijn eigen kerkeraad de drie formulieren te ondertekenen (I:6).

Staat in deze eerste reeks de binding aan de belijdenis centraal, in de tweede reeks85 is de optiek breder: er worden uitspraken gedaan die betrekking hebben op het kerkverband en de kerkorde, waarbij onder ogen wordt gezien een eventueel breken met het bestaande kerkverband als ook een eventueel breken met de eigen kerkeraad.

Over het kerkverband wordt allereerst uitgesproken dat de kerken van Christus enerzijds verplicht zijn tot instandhouding van een goedgeordend kerkverband door correspondentie (kerkelijke gemeenschapsoefening) met al die kerken in deze landen die eenzelfde heilige belijdenis met haar deelachtig zijn. Anderzijds mogen zij aan geen correspondentie met andere kerken zich ooit als onherroepelijk gebonden beschouwen, als door deze band voor haar zelf gevaar zou ontstaan om afgetrokken te worden van haar belijdenis (II:1).

Deze algemene stelling wordt concreter gemaakt in de volgende: “Ten tweede, dat mitsdien ook het kerkverband waarin onze Kerken thans sedert 1816 staan, mag en moet afgebroken, waar de gereformeerde Kerken hierdoor zouden belet worden Koning Jezus overeenkomstig hare belijdenis, als den eenigen Souverein in zijn Kerk te eeren” (II:4).

De drie volgende resoluties betreffen de zaak van de kerkorde. Het valt hierbij op, dat gesproken wordt van “een betere kerkorde” dan die van 1816, ook wel van “een nieuwe kerkorde”. Uiteraard is aan de D.K.O. gedacht, maar omdat niet alle bepalingen daarin meer van toepassing konden zijn, blijft men in de aanduiding opmerkelijk voorzichtig.86 Gereformeerde kerken, die zich van ’s Heren wege gedrongen voelen om met de bestaande kerkorde te breken en een nieuwe aan te nemen, zullen gehouden zijn, na invoering daarvan, onverwijld weer in correspondentie te treden met andere gelijkgezinde kerken, “teneinde het lichaam des Heeren, niet slechts plaatselijk, maar ook aanstonds classicaal, en zoo allengs Synodaal voor heel ons land, tot openbaring kome” (II:5).

|75|

Van breuk met de kerkeraad en van doleren spreekt de zesde resolutie: gereformeerde belijders, die onder een kerkeraad verkeren wiens doen en toeleg tegen Jezus’ Koningschap ingaat, zijn gehouden, na ernstige vermaning, eendrachtig de gemeenschap met zulk een kerkeraad af te breken; als dolerende kerk op te treden; eigen ouderlingen en diakenen te benoemen; en zo mogelijk onder leiding van een naburig dienaar des Woords te bewerken, dat de zuivere bediening der sacramenten en de oefening van de christelijke tucht weer onder hen plaats vindt naar de inzettingen van God (II:6).

Van de laatste resoluties van deze reeks stippen we alleen aan, dat aangestuurd wordt op het weer doen functioneren van de classicale vergaderingen (II:7), en dat reeds onder ogen worden gezien te verwachten moeilijkheden inzake de predikantstraktementen, kerkelijke goederen e.d. (II:8). In de eerste slotresolutie wordt de kerkeraad van Amsterdam verzocht, zo nodig opnieuw een conferentie samen te roepen.

De grote betekenis van deze conferentie ligt primair in het bijeenkomen zelf, op de grondslag van de drie formulieren van eenheid, en in de tweede plaats in de resoluties (en discussies). De koers staat vast, de gedragslijn is bepaald, de weg is — met deze conferentie zelf — in feite al betreden: stáan voor de belijdenis, breken met 1816 en het bestaande verband, eventueel breken met de eigen kerkeraad en dan ‘doleren’.

Het is niet overbodig er op te wijzen dat ook nu, evenals in de eerder door ons geciteerde publikaties, benadrukt wordt de roeping tot het oefenen van kerkverband, op de grondslag van de drie formulieren van eenheid: de kerken zijn daartoe “gehouden”.

 

4.4. Kuypers Tractaat van de Reformatie der Kerken (1883).

In het najaar van 1883 deed Kuyper zijn Tractaat van de Reformatie der Kerken verschijnen, het resultaat “van tien jaren worstelens en denkens”.87 De inhoud werd grotendeels gevormd door lezingen, gehouden voor de Amsterdams ‘Broederkring’.88

In 1883 werd Luthers geboorte herdacht, en in zijn voorrede wijst Kuyper op luthers betekenis voor alle kerken van de hervorming. De voorrede eindigt met de woorden: “Alle man, die roept ‘Te breken met ons kerkverband ware revolutie!’ die heeft het recht verbeurd, om als echte zoon van de reformatie mêe te jubelen op het feest van dien held des Heeren, die juist door breuke met het kerkverband van zijn dagen de held onzer liefde en de stichter onzer kerken wierd”.89

Het werk is verdeeld in vier hoofdstukken. Het eerste handelt over algemene beginselen. Kuyper brengt hier onder meer ter sprake het vierderlei gezichtspunt waaruit de kerk, naar zijn opvatting, beschouwd kan worden.90 Het tweede hoofdstuk bespreekt de rechte formatie der kerken. Met dit meervoud kerken bedoelt Kuyper de plaatselijke kerken; elke plaatselijke kerk heeft in zichzelf het wezen van een kerk, en het uiterlijk verband in rechten met andere kerken komt niet anders tot stand dan door confederatie.91 In de verschillende stelsels die hij naar voren brengt noemt Kuyper als 4 hoofdkenmerken van het gereformeerde stelsel: 1. dat de plaatselijke kerk uitgangspunt voor alle kerkregering wordt; 2. dat deze plaatselijke kerken confederatief verbonden worden;

|76|

3. dat hier voor ’t eerst het ‘lekenelement’ krachtig te voorschijn treedt; 4. dat het kerkelijk gezag zich volkomen zelfstandig tegenover de landsoverheid poneert.92 Kuyper geeft ook zijn gedachten over de ambten in de kerk. Alle gezag wordt door Christus aan iedere kerk in haar geheel gegeven, maar zij heeft voor de uitoefening daarvan organen ontvangen in de door Hem ingestelde ambten. Essentieel wordt de macht uitgeoefend door de hele kerk met het daarin fungerende ambt der gelovigen, organisch vindt de uitoefening plaats door het bijzondere ambt.93 Afzonderlijke aandacht krijgt in dit hoofdstuk ook het kerkverband. Een kerk mag niet op zichzelf blijven staan, maar heeft de stellige verplichting tot correspondentie met zusterkerken. Kuyper somt zeven doeleinden van het kerkverband op.94 De verzorging van de belijdenis, van de leerdienst en de eredienst moet op de voorgrond staan, omdat hierin het geestelijk karakter van de kerken zich aftekent. “Formulieren van eenigheid vast te stellen en te waken voor heur handhaving is alzoo de eerste plicht aller kerken die in kerkverband treden”.95

Het derde hoofdstuk handelt over de deformatie der kerken. Hierin geeft Kuyper onder meer zijn gedachten over ‘dolerende kerken’.96 Het zijn “een soort onvolkomen kerken, die ook wel volkomen zouden willen en konden zijn, maar die hierin verhinderd worden niet door het kruis der vervolging, dat de overheid over haar brengt, maar uitsluitend door den druk die een ingedrongen en dus valsch kerkbestuur op haar uitoefent”.97 Een kerk die recht zal hebben om voor God en mensen te doleren “is zulk een vergadering der geloovigen, die zich afscheidt van degenen, die de kerk verdrukken, naar Gods Woord trouwe opzieners aanstelt, en met het overgeven van de gevolgen aan God Almachtig, zoodra doenlijk overgaat tot een goede inrichting van den dienst des Woords en der sacramenten”.98

Het vierde hoofdstuk, verreweg ’t grootst,99 handelt over de reformatie van de kerken. Diverse methoden worden onderscheiden, waarbij Kuyper ook zijn opvattingen geeft over het onderscheid tussen de ware en de valse kerk. Bij de reformaties die in Nederland tot stand kwamen, spreekt Kuyper ook over de Afscheiding. Hij maakt hierbij een verschil tussen hen die werden afgezet en hen die zonder afzetting later zijn uitgetreden. De eersten deden een soort dolerende kerken ontstaan.100 De uittreding van de laatsten keurt Kuyper niet goed: men krijgt de indruk dat zij “de Kranke wel wat spoedig hebben opgegeven”.101

In de situatie van het ogenblik onderscheidt Kuyper onder het synodale juk drie categorieën plaatselijke kerken. De eerste categorie, waartoe Kuyper Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, en nog wel “een 5 à 600” kerken rekent, zijn metterdaad nog ware kerken; zij hebben nog een tamelijk zuivere bediening van het Woord en de sacramenten.102 In deze kerken zijn de gelovigen verplicht, in geen enkel opzicht gemeenschap te oefenen met predikanten of andere ambtsdragers die “ den raad Gods weerstaan”.103 In de tweede categorie kerken ontbreekt de goede bediening van de genademiddelen, maar zijn er nog gelovigen en is er nog hoop.104 Kuyper zou de gelovigen in die kerken “gebeden willen hebben om zonder verwijl een dolerende kerk op te richten”.105De derde categorie wordt gevormd door kerken die geheel verstorven zijn.106 Indien daar nog gelovigen zijn, dienen zij “óf een kerke Christi op te richten, óf zich

|77|

aan te sluiten bij een andere kerk, die in hun woonplaats als gescheiden kerk mocht bestaan”.107

Op de ‘gescheidenen’, de ‘Christelijke Gerformeerden’, oefent Kuyper in het slotgedeelte van zijn boek ook kerkrechtelijke kritiek. Hij vindt in hun kring een “min of meer collegiale beschouwing, waardoor sommigen ook onder hen het gescheiden kerkgenootschap zich denken als hoofdidée en de plaatselijke kerken als van dat genootschap de compartimenten”. Kuyper vervolgt: “Dit is ongereformeerd en zal door de heerschappij van het gereformeerde beginsel ook uit deze kerken allengs worden uitgedreven”.108 Wanneer Kuyper aan het einde aangeeft wat ‘de gescheiden kerken’ hebben te doen, is het eerste: “dat deze haar zelfstandigheid als plaatselijke kerken steeds duidelijker hebben te accentueeren, opdat elk overblijfsel van den zuurdeesem van het collegiale stelsel gebannen worde”.109

 

Van dit voornaam uitgegeven werk verscheen in 1884 een volksuitgave. Bij die gelegenheid maakte Kuyper ook enige opmerkingen over de uitgebrachte kritiek. De degelijkste kritiek was volgens hem door H. Bavinck uitgebracht.110 We zullen van zijn bezwaren nog een en ander releveren in het vervolg.

Dit Tractaat is het belangrijkste werk op kerkrechtelijk gebied dat Kuyper zelf in het licht heeft gegeven. Juist in diezelfde tijd verscheen er een kerkrechtelijk handboek van de Amsterdamse predikant dr. G.J. Vos.111 Het verschil tussen beide werken is groot.112 Het handboek van Vos werd door Kuyper zelf gekarakteriseerd als een poging het irenische standpunt wetenschappelijk te rechtvaardigen.113 In Kuypers Tractaat vinden we een systematische uiteenzetting van de bij hem gegroeide fundamentele inzichten over gereformeerd kerkrecht. Inzake de belijdenis als grondslag voor het samenleven in het kerkverband is er geen verschil met Rutgers. Ook Kuyper accentueert het confederatieve karakter van het kerkverband en de plicht om dit verband aan te gaan en in stand te houden. Het werk heeft echter een wijder gezichtsveld; het geeft onder meer allerlei beschouwingen over de kerk (met onderscheidingen als: zichtbaar — onzichtbaar) en over de ambten, die in de publikaties van Rutgers niet te vinden zijn. Te noteren valt ook dat aantekeningen en bijlagen gemist worden, met komt beweringen tegen die men graag nader geadstrueerd, c.q. bewezen zou willen zien. Wanneer P.A. van Leeuwen schrijft: “Het Tractaat vormde de naaste wetenschappelijke voorbereiding voor de Doleantie”, dient o.i. hieraan toegevoegd te worden: “voorzover het Kuyper betreft”.114

Het is jammer dat bekwame hervormde auteurs die over de Doleantie geschreven hebben, voor het kerkrecht van de Doleantie zich vrijwel geheel op Kuyper en dan vooral op Kuypers Tractaat richten, met verwaarlozing van Rutgers.115 Eveneens is het jammer dat soms de weergave niet geheel correct is. Om één voorbeeld te noemen: de hoogleraar dr. Th.L. Haitjema, die bij principiële veroordeling er naar gestreefd heeft aan de Doleantie en aan Kuypers ecclesiologische opvattingen recht te doen, kwalificeert het Tractaat als “het ideële beginselprogramma van de Doleantie”,116 en vermeldt als uitgangspunt van dit programma: “de autonomie van de plaatselijke kerken”,117 De term ‘autonomie’ werd echter al vóór het Tractaat door Kuyper nadrukkelijk afgewezen. “Geen Synodonomie: dit is de Synode wetgeefster. Ook geen

|78|

Autonomie: dit is de Kerkeraad wetgever! Maar Christonomie d.i. de eenige wetgever Christus, onze Heer!”118

Het Tractaat heeft veel invloed geoefend. Is alles zo verlopen als Kuyper aangegeven heeft? Belangrijk is het, dat Kuyper zélf in december 1886, toen de vrijmaking in Amsterdam een kwestie van dagen was, tot een erkenning gekomen is die ook voor de richtlijnen van betekenis is.

“Er had veel meer en veel grooter moeten geschieden. Als één man had heel de Kerkeraad in den naam des Heeren reeds voor jaren (curs. D.D.) moeten opstaan, om, al wierp men ons allen uit, geen dag langer den onheiligen toestand in ons midden te dulden.
Dat er nog Modernen en Groningers en Arminianen zaten in een Kerkeraad, die de attesten weigerde en het Beheer beveiligde, dát was de zonde die voor Gods heilige Wet nooit één oogenblik mag verbloemd worden”.119

Deze zelfkritiek impliceert dat ook de richtlijn inzake de isolering van de Modernen, Groningers, Arminianen in de kerkeraden niet juist was geweest, en dat het Tractaat ‘veel meer’ had moeten zeggen.

Ook valt op te merken dat Kuyper gelovigen in kerken van de ‘derde categorie’ vermaand heeft óf een kerk van Christus op te richten, óf zich te voegen bij een afgescheiden kerk. Maar in hoeveel plaatsen heeft men in de periode 1883 tot 1886 daaraan gevolg gegeven? En gelovigen in de kerken van de ‘tweede categorie’ zijn opgewekt “om zonder verwijl een doleerende kerk” op te richten. Maar waar is dit ‘zonder verwijl’ gebeurd?

In dit verband verdient het ook opmerkzaamheid, dat de term ‘doleerende kerken’ in het Tractaat wordt toegepast op de kerken van de ‘tweede categorie’, d.w.z. op kerken, ontstaan door verbreking van de band met de bestaande kerkeraad, en door de verkiezing van een gelovige kerkeraad. Déze toepassing van de naam ‘doleerende kerken’ is in de lijn van de Conferentie van Gecommitteerde Kerkeraadsleden.120 De eerste gemeente die ‘doleerende’ bij de naam heeft gebruikt was de kerk te Amsterdam, op 16 december 1886.121 Daarna heeft het begrip ‘doleerende kerken’ een ruimere algemene toepassing gekregen. “Alle onderscheiding … tusschen Kerken die met en Kerken die zonder behoud van de kerkelijke goederen, verloor men daarbij uit het oog. En zoo vond de naam van ‘doleantie’, hetzij dan terecht of ten onrechte ingang, ter aanduiding van alle afwerpen van het juk der Synodale Hiërarchie”.122 Toen Kuyper in december 1886 geattendeerd werd op tegenstrijdigheid in de uitlegging van het woord ‘dolerende’ heeft hij een nadere uitleg van de term gegeven, en erkend dat hij inzake deze term een fout had gemaakt in zijn Tractaat.123

 

4.5. Nadere aandacht voor de D.K.O. (1884, 1885).

Zoals we hebben gezien werd in 1883 zowel door Kuyper in zijn uitgave van de drie formulieren van eenheid en de D.K.O. als in de Conferentie van Gecommitteerde Kerkeraadsleden, enige voorzichtigheid betracht bij de vraag of de oude gereformeerde kerkorde die nooit wettig was afgeschaft, in haar laatste redactie weer ingevoerd zou kunnen worden.

In de jaren 1884 en 1885 neemt de aandacht voor de D.K.O. toe, en worden

|79|

er hier en daar pogingen ondernomen om weer classikale vergadering te krijgen in de geest van deze kerkorde.

In een rapport, uitgebracht ter classicale vergadering van Middelburg op 25 juni 1884 betoogt ds. N.A. de Gaay Fortman dat de Zeeuwse Gereformeerde Kerken wettelijk staan onder de kerkorde van Dordrecht 1618/19. Bepleit wordt een “teruggaan op den wettige weg” door de kerken en de classis. In het uitgegeven rapport wordt ook de tekst van de D.K.O. volledig afgedrukt.124

In De Heraut verwerpt Kuyper in 1885 de gedachte dat er “door de gedeputeerden der opkomende kerken een breede nieuwe kerkenorde” zou moeten worden uitgewerkt.

“Neem dezen onnatuurlijken band (van 1816 D.D.) weg, en de natuurlijke band herneemt vanzelf zijn rechten.
En zoo kan de organisatie van 1816 niet vallen, of die van 1619 herneemt eo ipso haar beteekenis.
Niet gelijk bij gescheidene kerken, die aan deze Kerkenorde nog eerst macht moesten geven, maar vanzelf”.125

In hetzelfde jaar publiceert Kuyper artikelen over het ontstaan van de gereformeerde kerkorde: het convent van Wezel 1568 en de synode van Emden 1571.126 Zijn slotconclusie is dat men gehouden is tot

“het zuiver gereformeerde synodaal-systeem, dat uitgaat van deze drie beginselen:
1. de kerk is alleen het Lichaam van Christus; 2. van dit ééne lichaam zijn alle plaatselijke kerken de bij elkaar hoorende openbaringen; 3. dat bij elkaar hooren van de plaatselijke openbaringen der ééne kerk van Christus, bestaat geestelijk vanzelf, door de werking van den éénen Geest, maar komt tot uitwendige openbaring door “gemein accoort” der enkele plaatselijke kerken, op het nauwst voor de genabuurde, nauwer voor die van ééne natie, eenigszins voor alle kerken der aarde”.127

In 1885 verduidelijkt Kuyper ook door een tekening met figuren het verschil inzake de macht in de kerk tussen de op de Schrift gegronde opvatting en die van de ‘synodalen’. “Alle macht dus van Boven, maar in de kerkeraden alleen rechtstreeks ingedaald, en in de Classes en Synode nooit anders dan uit de kerkeraden en door hun kanaal”.128

|80|

5. Profilering (B): het jaar 1886

We gaan hier niet in op de zaak van Amsterdam, en geven geen beschrijving van de gebeurtenissen elders. We beperken ons tot enkele kerkrechtelijke aspecten van de vrijmakingen, en tot het bekende geschrift van de hoogleraren De Savornin Lohman en Rutgers.

 

5.1. De eerste vrijgemaakte kerken.

In het jaar 1886 maakten zich van de Synodale Organisatie los de kerken te Kootwijk, Voorthuizen, Reitsum, Kollum, Leiderdorp, Gerkesklooster, Anjum en Amsterdam. Bij deze losmaking keerde men zonder aarzelen terug tot de D.K.O. Hierbij was van belang de oproep die op 22 februari 1886 uitging van Voorthuizen (dr. W. van den Bergh), gericht aan de Gereformeerde Kerkeraden van Hervormde Gemeenten.129 Op de vraag: wat te doen?, wordt geantwoord:

“Een Kerkeraadsbesluit formeel wettig, nemen, waarbij de Synodale Organisatie wordt afgeschaft en de Dordtsche Kerkenorde ingevoerd, met de noodige kleine wijzigingen, daarbij aangegeven in het adres van Voorthuizen. Dat adres op zegel aan Z.M. den Koning toegezonden”.

Na enige wenken over informatie aan de gemeente, en mededelingen onder meer over de verkrijgbaarheid van de D.K.O.:

“Men late zich niet vervaren door het geroep, dat men op deze wijze een ‘afgescheiden kerk’ wordt, of zich zelf van de Hervormde Kerk afscheidt. Men scheidt zich af van de Synodale Besturen en de Organisatie, om te nauwer met de plaatselijke Hervormde Kerk, en waarlijk Hervormde Gemeenten in deze landen verbonden te worden. Hoe meer Kerkeraden thans dezen stap doen, des te spoediger zal blijken hoe eerst dan het Kerkverband hersteld en werkzaam worden zal, zoo wij alras in Classicale, Provinciale en God geve het! Nationale vergaderingen samenkomen”.

Overeenkomstig de D.K.O. kwamen de vrijgemaakte kerken in hersteld kerkverband bijeen; op 16 juni te Voorthuizen (met voortzetting te Kootwijk op 18 juni), op 17 augustus te Reitsum, op 10 november te Leiderdorp.130 Bij de afwerping van het juk der Synodale Hiërarchie keerde ook Amsterdam terug tot de op het “aloude zuivere Evangelie” gefundeerde kerkorde, “ die op de Synode in 1619 het laatst gewijzigd is, en sedert twee eeuwen ook bij de Kerk te Amsterdam gegolden had”.131 In het einde van het jaar bezorgde Kuyper een uitgave van de D.K.O. in enigszins gewijzigde vorm, namelijk “met aanwijzing van hetgeen door de staatkundige gebeurtenissen sints 1619 ophield te werken”.132 De in de tekst weggelaten woorden zijn hierbij vermeld in voetnoten. Deze editie werd spoedig gevolgd door een iets bredere, verzorgd door dr. W. van den Bergh en ds. G.H. Kasteel.133 De vraag naara de D.K.O. was bijzonder groot; beide uitgaven beleefden in korte tijd herdrukken.134

 

5.2. De Savornin Lohman en Rutgers over de rechtsbevoegdheid van de plaatselijke kerken (1886, 18872).

In maart 1886, twee maanden na de schorsing van de 80 kerkeraadsleden

|81|

te Amsterdam, deden A.F. de Savornin Lohman en F.L. Rutgers De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken verschijnen. Hoofdauteur was, naar Kuyper een en andermaal te kennen gaf, de eerstgenoemde.135 Het doel van het geschrift was: het leveren van een bijdrage ten dienste van juristen, in verband met de kerkelijke goederen, met opzet kozen de schrijvers niet voor de verdediging van het recht der Gereformeerden op de kerkelijke goederen.

“Wij bepalen ons tot het recht der locale kerken, onverschillig welke hare gezindheid zij; hopende dat ook dit tot kalmte en onpartijdigheid iets moge bijdragen”.136

Kuyper zei er een paar weken later het volgende over:

“Men las in die kringen (van juristen D.D.) de Heraut niet. Men had in die kringen nooit recht vernomen, wat onzerzijds met de rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerk bedoeld was, noch op welke gronden ze ongeveer bij ons steunde. En zie, in dat gebrek wilde de heer Lohman nu in allerijl te hulpe komen, opdat misverstand ten opzichte van onze bedoeling niet langer oorzaak van spraakverwarring zou zijn …
Zijn pleidooi bedoelde dus in het allerminst niet, ’t zij om het goddelijk recht; noch ook om den historischen gang; noch ook om het geschreven recht, op zichzelf en als zoodanig volledig uiteen te zetten; maar eeniglijk en alleenlijk om … summierlijk de aanspraak te doen gelden die de plaatselijke kerk op de beweerde rechtsbevoegdheid maken kon”.137

Besproken wordt de toestand van de kerkelijke goederen respectievelijk vóór de Hervorming, na de Hervorming, in de periode 1795 tot 1816, en sedert 1816. Afzonderlijk wordt stilgestaan bij de kwestie van de verbreekbaarheid van kerkelijk verband. Tenslotte volgt nog een drietal bijlagen.

Terwijl de 107 bladzijden tellende verhandeling een andere spits heeft dan de uiteenzettingen die beide auteurs in 1882 voor de Vrienden der Waarheid gaven, is vrijwel alles wat toen gezegd werd, hier terug te vinden, in een nieuw kader en met nieuw, uiteraard ook andersoortig, materiaal. Met citaten uit acta en andere historische bronnen worden stellingen onderbouwd die menige Heraut-lezer al vertrouwd waren: dat bij het ontstaan en bestaan van het kerkverband in de 16e eeuw de eenheid van de kerken in de gemeenschappelijke belijdenis lag; dat het confederatieve kerkverband vrijwillig werd aangegaan en dat daarbij geen nieuw soort Kerk ontstond (men bleef in de stukken steeds het meervoud ‘kerken’ gebruiken); dat de meerdere vergaderingen geen besturen waren, en slechts een beperkte, bedienende, afgeleide, ‘lagere’ macht hadden; dat de besluiten, in deze vergaderingen door de van lastbrieven voorziene afgevaardigden genomen, voor alle kerken bindend waren — maar onder het voorbehoud dat in art. 31 van de kerkorde onder woorden wordt gebracht. In de tweede bijlage vlecht Rutgers, van wie deze bijlage duidelijk afkomstig is, materiaal in dat hij niet eerder verwerkte, bijvoorbeeld over Marnix. We vermelden nog dat inzake de kerkelijke goederen o.m. wordt betoogd dat deze gedurende de republiek aan de plaatselijke kerken behoorden, al stonden zij onder toezicht en administratie van de overheid, die zorgde dat zij aan hun bestemming niet werden onttrokken. En dat breed wordt ingegaan op de

|82|

beschouwing (als argument gebruikt ook in het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 jan. 1846), dat de organisatie van 1816 in het Hervormd Kerkgenootschap daadwerkelijk (‘rebus ipsis et factis’) zou zijn aanvaard. In dit verband herhaalt Lohman wat hij reeds in 1882 beklemtoonde: indien dit juist zou zijn, dan is het onbetwistbaar, dat zij die mochten aannemen, krachtens hetzelfde recht later mogen verwerpen. Het waren de kerkeraden die mochten aannemen, het zijn de kerkeraden die mogen verwerpen.138

Het heldere en zakelijke betoog werd in de kring van de toenmalige Christelijke Gereformeerden bijzonder gewaardeerd. In De Bazuin sprak A. Brummelkamp van “een allerbelangrijkste brochure … die door alle partijen moet worden behartigd”. Hij uitte geen enkele kritiek, alleen maar lof:

“Naar onze overtuiging hebben de S. de rechtsbevoegdheid der Kerken, der plaatselijke kerken in ’t heldersten licht gesteld en evenzoo de ongerijmdheid der beweering dat het Synodaal organisme van 1816 eenig recht zou hebben om er inbreuk op te maken … Vijftig jaren hebben wij het voorrecht gehad dezelfde gedachte, die wij hier met de stukken en historische bescheiden uiteen gezet zien, te verdedigen. Wij danken den geëerden schrijvers van ganscher harte voor deze hunnen arbeid. Kroone de Heere dien grootelijks, in de eerste plaats tot handhaving der rechten van de zoo snood en roekeloos geschorste Kerkeraadsleden te Amsterdam en in ’t algemeen ter bevordering van het springen van den toovercirkel dien het Herv. Synodaal Kerkbestuur om de Vrije Gereformeerde, Nederlandsche Kerken had geslingerd en letterlijk in een 70 jarige ballingschap bekneld”.139

Uit de kring van de Nederlandse Hervormde Kerk werd op het geschrift kritiek geleverd in persstemmen, maar ook in twee brochures. De eerste was van ds. E. César Segers, lid van de Algemene Synode.140 Evenals een eerdere publikatie van zijn hand,141 onderscheidde deze reactie zich, om Kuypers woorden te gebruiken, “door bezadigdheid van toon, kalmte van redeneering en waardeering van den tegenstander”.142 Geheel anders was echter het vlugschrift van dr. H.G. Kleyn.143

“Van dienzelfden doctor, die indertijd te Groningen op zoo schandelijk ongerechtigde wijze voor zijn proponentsexamen droop en voor wiens eer en goeden naam de Heraut toen zoo duchtig een lans brak. Thans vergeldt de heer Dr. Kleyn ons dit opkomen voor zijn eer en goeden naam door op de hoonendste wijze de eer en den goeden naam van onze uitnemendste leidslieden aan te tasten … Een bittere scherpheid komt in zijn vlugschrift op een wijze aan het woord, die door de voorrede eenvoudig zichzelve bespottelijk maakt …
Reeds de voorrede toont, dat Dr. Kleyn bij het schrijven van dit werk geïnspireerd is door een ander, die hem te kwader ure meesleepte. Daardoor leed zijn geschrift aan degelijkheid, daarom verloor het zich in spitsvondigheid; en daarna wierd wat het uit Dr. Kleyns pen nooit had moeten zijn, een ongave, een wrange en onrijpe vrucht.
Toch zal dit stuitend-aanmatigende ons niet beletten, om ook op dit geschrift in te gaan”.144

Kuyper deed dit laatste in een artikelenserie in De Heraut.145 Alle kritiek van César Segers, Kleyn en anderen werd vervolgens beantwoord

|83|

door Lohman en Rutgers in de tweede ‘veel vermeerderde’ uitgave van hun geschrift in 1887.

Inderdaad vond hierbij een ‘volledige repliek’ plaats, waarbij ook de kritische opmerkingen zelf nauwkeurig werden geciteerd. Het leeuwedeel van de arbeid werd ditmaal door Rutgers geleverd: met belangrijk kerkhistorisch-kerkrechtelijk materiaal is deze tweede editie verrijkt. Evenmin als men Kuypers Tractaat voor het handboek van het Doleantiekerkrecht houden mag, kan deze tweede editie van De rechtsbevoegdheid als zodanig gelden. Wel blijft voor de kennis van hetgeen kerkrechtelijk verdedigd werd, de waarde ervan bijzonder groot, vooral door de verdere onderbouwing in de repliek. We merken hierbij nog op, dat Kleyns bredere verhandeling die hierna volgde,146 uitvoerig besproken en bestreden werd in een nieuwe reeds artikelen in De Heraut.147

 

6. Profilering (C): de periode 1887 tot 1892

In deze jaren zien we het Doleantiekerkrecht in praktijk gebracht; er komt een her-inrichting van het kerkelijk samenleven, overeenkomstig de D.K.O. Het is spoedig duidelijk dat de dolerende kerken feitelijk in de positie verkeren van afgescheiden kerken. Enige geschriften ui deze periode verdienen eveneens vermelding. De kerkrechtelijke discussies met de broeders van de kerken der Afscheiding laten we in dit onderdeel achterwege, omdat we daarover nog afzonderlijk willen spreken.

 

6.1. Het Gereformeerd Kerkelijk Congres (1887).

Na de afwerping van het synodale juk besloot de kerkeraad van Amsterdam onmiddellijk tot het bijeenroepen van een samenkomst als afgesproken in de Conferentie van 11 april 1883. Reeds op 19 dec. 1886 werd meegedeeld dat deze samenkomst zou gehouden worden op 11 jan. 1887 en de drie volgende dagen. In het begin van het nieuwe jaar volgden verdere mededelingen. De grondslag van het Congres was: “dat het juk van de Synodale Hiërarchie moest afgeworpen worden door een iegelijk die het Koningschap van Christus over Zijn kerk eert”. Het doel was: “eene algemeene beweging te wekken en te leiden, om al onze Kerken van onder het juk der Synodale Hiërarchie uit te brengen en aan Christus, haren Koning te hergeven”. De programmering was diep doordacht en getuigde van een vèrziende blik (er zouden o.m. twee reeksen secties zijn; de reeks zakelijke secties, twaalf in aantal, zouden ieder een eigen taak hebben; zo zou bijvoorbeeld sectie 11 moeten handelen over “de saamroeping van het eerste Synodaal Convent, in de laatste week van Juni te houden” — een zaak als deze was reeds in december door het comité vastgesteld). De organisatie kon moeilijk overtroffen worden. De oproepingsbrief d.d. 4 jan. 1887, was gericht aan ‘Opzieners en leden van de nederduitsch Gereformeerde Kerken’ (en betrok in de aanspraak daarom ook de ‘zusters’).148

 

Aan dit Gereformeerd Kerkelijk Congres, te Amsterdam gehouden in Frascati, werd deelgenomen door ongeveer 1500 personen.149 Op de

|84|

eerste dag werden aangenomen drie resoluties, na referaten van F.L. Rutgers, A.F. de Savornin Lohman en A. Kuyper. Deze resoluties en referaten werden kort daarna gepubliceerd.150

Minder bekend dan deze publikaties zijn twee andere gedrukte werkjes die niet aan de grote klok gehangen zijn, nl. Concept-formulieren van de Afwerping van het juk der Synodale Hiërarchie,151 en: Adviezen der zakelijke sectiën.152 Zij zijn bijzonder belangwekkend.

Voor de verzamelde Concept-formulieren wordt, iets minder officieel, gebruikt de benaming ‘modelboekje’! Het gaat hier om “ontwerpen voor alle besluiten en brieven, die bij de afwerping van het juk der Synodale Hiërarchie te schrijven zijn”.

Deze ontwerpen zijn niet genummerd, maar hebben aanduidingen met hoofdletters. Zij bestaan uit twee reeksen. De eerste reeks modellen (A-F) is voor kerkeraden die als zodanig tot reformatie overgaan, en voor kerkvoogdijen als deze de kerkeraad in de reformatie steunen. De tweede reeds modellen (G-N) is voor kerken, waar óf de minderheid uit de kerkeraad, óf, geheel buiten de kerkeraad om, gelovigen handelend optreden.
Een groot deel van deze modellen was gedrukt reeds verkrijgbaar tijdens het Congres, enkele modellen werden later ter beschikking gesteld.153
De complete lijst bevat de volgende modellen:
A. Concept-besluit van den Kerkeraad
B. Concept-Adres aan Z.M. den Koning
C. Concept-brief aan den Burgemeester
D. Concept-brief aan Kerkvoogden
E. Concept-besluit voor Kerkvoogden
F. Concept-brief van Kerkvoogden aan den Burgemeester
G. Concept-Notulen zoo de meerderheid van den Kerkeraad weigert
H. Concept-schrijven aan weigerachtige leden van den Kerkeraad
I. Hoofd van Verzamellijst
J. Concept-brief van Geloovigen aan hun Kerkeraad
K. Concept-Adres aan Z.M. den Koning als de minderheid in den kerkeraad tot breking met de Hiërarchie overgaat
L. Concept-Adres aan Z.M. den Koning, zoo de Reformatie tot stand komt krachtens het ambt der Geloovigen
M. Concept-brief aan den Burgemeester
N. Concept-brief aan Kerkvoogden

Alle concepten zijn zeer zorgvuldig geformuleerd, de hand van Rutgers is ook hier bespeurbaar. Het spreekt vanzelf dat zij van moeilijk te onderschatten betekenis waren. Aan alles was gedacht, en in welke situatie men ook verkeerde, men was tot in de puntjes geholpen.

Als voorbeeld plaatsen we hieronder de tekst van Model G.

Concept-Notulen zoo de meerderheid van den Kerkeraad weigert.

Ingeval de meerderheid van den Kerkeraad niet medegaat, dan roepe de Voorzitter de hem als getrouw bekende leden (v.d. Kerkeraad) afzonderlijk saâm; houde met hen kerkeraad; en zette in de Notulen:
Vergadering van …………. 1887.
Geopend met gebed.
Tegenwoordig:
Art. 1
De Voorzitter deelt meê, dat hij, na de jongste weigering van eenige leden van den Kerkeraad, om tot Reformatie der Kerk van ………. over te gaan, zich verplicht heeft geacht, om de broederen, die hier wel in meêgingen, saâm te roepen en alsnu hun voorstelt:
1º. Om, zoolang de weigerachtige broeders niet tot Reformatie gezind blijken, niet meer met hen te vergaderen.
2º. Van dit besluit hun kennis te geven.
3º. Alsnu zonder hen, als Kerkeraad te handelen.
Dit voorstel wordt aangenomen.
Art. 2
Alsnu stelt de Voorzitter voor:
1º. De Synodale Organisatie van 1816 voor deze Kerk af te schaffen.
2º. De Kerkenorde van 1619, behoudens de van zelf ontstane wijzigingen, in te voeren (zie bijliggend exemplaar, dat voor gewaarmerkt in ’t archief gedeponeerd wordt).

|85|

3º. Hiervan kennis te geven aan H.H. Kerkvoogden.
4º. Hiervan kennis te geven aan Z.M. den Koning.
5º. Hiervan kennis te geven aan Burgemeester.
6º. Hiervan kennis te geven van den Predikstoel aan de Gemeente.
7º. Hiervan kennis te geven aan de Kerkeraden van Kootwijk, Voorthuizen, Reitzum, Kollum, Leiderdorp, Anjum, Gerkesklooster, Amsterdam, Rotterdam, Hylaard, Klundert, Bunschoten, Heeg, enz.
Art. 3
Voor a.s. Zondag den dienst vast te stellen, des morgens ten … ure en des namiddags/avonds ten … ure.
enz.

Zoals uit deze tekst blijkt, is de zaak van de Synodale Organisatie van 1816 en de D.K.O. vervat in een formule van slechts enkele woorden (art. 2 sub 1 en 2). In de besluittekst, geconcipieerd voor kerkeraden die als zodanig zouden breken met de bestaande organisatie is de formulering enigszins uitvoeriger. Model A is hiernaast [hieronder] afgedrukt.

Model A

(De Kerkeraad der Hervormde Gemeente te ……)
Besluit, onder bidend opzien tot den Heere:
1º. Krachtens hetzelfde recht, waarmede in de 16e eeuw de Pauselijke hiërarchie alhier werd afgeworpen, en de Kerkeraad in 1816 geacht werd, de Synodale Organisatie van 1816 te aanvaarden, thans de Synodale hiërarchie af te werpen;
2º. Diensvolgens voor de geheele Hervormde gemeente te ……. aan de Kerkorde, ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 1816, van dit oogenblik af, alle kracht en geldigheid te ontnemen en diensvolgens alle daarop gegronde bepalingen en besluiten te verklaren voor vervallen, — en van nu af weer kracht en geldigheid te verleenen aan de Kerkenorde, die hier voor 1816 gold, behoudens al zulke wijzigingen, als door den veranderden staatkundigen toestand vanzelf ontstaan zijn;
3º. Van dit besluit onverwijld kennis te geven aan Z.M. den Koning, ter voldoening van Art. 1 der wet van 10 September 1853 (Staatsblad Nº. 102);
4º. Van deze kennisgeving sub 3º. afschrift te zenden, met begeleidend schrijven, aan den Burgemeester;
5º. Gelijk bericht te zenden aan de Kerkeraden der Kerken te Kootwijk, Voorthuijzen, Reitzum, Kollum, Leiderdorp, Anjum, Gerkesklooster, Amsterdam, Rotterdam, Hijlaard, Klundert, Bunschoten, Heeg, Barendrecht, Aarlanderveen, Zevenhoven, Zwartsluit, Zuidwolde en Wetsinge Sauwert.
6º. En eindelijk bericht hiervan te zenden aan HH Kerkvoogden, opdat de dienst geregeld blijve voortgaan.
En dit alles den Heere God biddende, dat Hij Zijn Kerk genadig zij en het werk der Reformatie wel doe gelukken.

Er wordt in deze besluittekst dus een strakke redenering gevolgd, waarbij de elementen, genoemd in het begin, met elkaar verbonden zijn door het herhaalde ‘diensvolgens’.

 

We hebben gezien dat in de Conferentie van 1883 ten aanzien van de D.K.O. voorzichtigheid betracht werd. Ook dat Kuyper sindsdien betoogde, dat bij breuk met de bestaande organisatie de D.K.O. ‘eo ipso’ weer van kracht werd. Deze ‘eo ipso’-redenering, reeds toegepast door de kerken die zich in 1886 losmaakten, werd nu consequent doorgevoerd. Voorts valt het op, dat hier de belijdenis ongenoemd blijft. Ook in de overwegingen worden de drie formulieren van eenheid niet genoemd. Men blijft hier, evenals in andere modelteksten, op een rechtlijnig kerkrechtelijk spoor. Een verwijzing naar art. 29 NGB, zoals die door de kerk te Voorthuizen geschiedde, is over heel de linie achterwege gebleven.154 In dit verband merken we nog op, dat van Voorthuizen wél een en ander is overgenomen in Model B, het Concept-Adres aan Z.M. den Koning. Deze tekst vormt een soort combinatie van de teksten der Adressen van Voorthuizen en Amsterdam.155

Van de Adviezen der zakelijke sectiën vermelden we hier slechts het volgende.
- De vraag werd gesteld of een kerkeraad die (in meerderheid) ‘afwerping’ voorstond, het oordeel van de gemeente moest inwinnen. Hierop werd geantwoord in positieve zin, met dien verstande dat dit oordeel in de regel gevraagd zou worden “na de breking met de synodale hiërarchie; niet er voor”.156
- Welke naam moest men voeren? Antwoord: “Nederduitsche Gereformeerde Kerk”.157
- Wanneer moest hieraan worden toegevoegd: ‘doleerende’? Antwoord: “Eerst dan, wanneer aan zulk een kerk belet wordt zich als de oude Gereformeerde Kerk te doen gelden; ’t geen inzonderheid blijkt wanneer haar door hen, die de beschikking over gebouwen, goederen en tractementen hebben, het gebruik en genot ervan feitelijk wordt ontzegd”.158

|86|

- Hoe moest men handelen als een kerkeraad in meerderheid een motie tot ‘afwerping’ verwerpen zou? Antwoord: dan zou, naar volgorde, de predikant, een van de ouderlingen naar rangorde, of een van de diakenen naar rangorde, de overige kerkeraadsleden bijeen moeten roepen; men zou zich dan moeten constituteren als kerkeraad, of, zo het aantal te gering is, de gemeenteleden bijeen moeten roepen ter aanvulling van de kerkeraad, om daarna een besluit te nemen tot afsnijding van het overige deel van de kerkeraad.159
- Zijn er gevallen waarin men zijn ontslag moet nemen? Antwoord: nooit.160
- Zijn er gevallen waarin men zijn lidmaatschap moet opzeggen? Antwoord: nooit.161

Het lijdt geen twijfel dat van de Concept-formulieren veel gebruik is gemaakt, en dat de Adviezen veel hebben betekend. In allerlei latere beschrijvingen van de plaatselijke kerkgeschiedenis zien we in weergegeven besluiten de formuleringen van het ‘modelboekje’ gebruikt.162

Het Gereformeerd Kerkelijk Congres brengt eens te meer het verschil met de Afscheiding in herinnering. Wanneer de bekende predikant H. Hoekstra, die zelf aan het Congres deelnam en daarop werd aangeklaagd en geschorst, 25 jaar later op het gebeuren in 1887 terugziet, verklaart hij niet ten onrechte:

“Tot het onderscheid tusschen Scheiding en Doleantie behoorde onder anderen dit, dat de beweging der Afscheiding hier en daar in het land spontaan is opgekomen, niet voorbereid was, eenheid van leiding miste, en daardoor gevaar van geestelijke vrijbuiterij en independentisme in zich droeg; en daarentegen de Doleantie wetenschappelijk en populair is voorbereid, door ’t Amsterdamsche conflict tot uitbreken is gekomen, en het voorrecht van vaste leiding heeft gehad, maar in verband daarmee niet geheel ontkwam aan een zekere formalistische plooi” (curs. D.D.).163

 

6.2. Het Synodaal Convent (1887).

Overeenkomstig afspraken, gemaakt op het Congres van 11-14 januari 1887, werd op 28 juni van hetzelfde jaar te Rotterdam geopend het Synodaal Convent.164 Het werd bijeengeroepen door de kerk te Voorthuizen, die in haar oproepingsbrief er op wees dat dit Convent geen Synode was, en daarom het recht miste om de belijdenis en de kerkorde in behandeling te nemen. Aanwezig waren 193 afgevaardigden van kerken en van classicale conventen uit alle provincies minus Limburg.165 Tot praeses werd Rutgers gekozen; Kuyper werd voorzitter van de ingestelde commissie van advies.

Kerkrechtelijk is van betekenis vooral het eerste vraagstuk dat aan de orde werd gesteld. Bij volledige erkenning van de roeping tot samenleving in kerkverband, werd gevraagd “op welken voet” de nu “ontkomene” kerken zulk een verband nu reeds konden regelen? Moest zulk een verband niet een voorlopig karakter hebben? Zo ja, waardoor zou een voorlopig verband zich dan onderscheiden van een duurzaam verband?166

De commissie van het Convent was van oordeel dat er inderdaad voor

|87|

een voorlopig verband gekozen moest worden. Deze conclusie werd in haar rapport bereikt langs de volgende lijn:

“1. De plaatselijke Kerken zijn naar goddelijk recht gehouden en verbonden, om niet independentistisch op zich zelf te blijven staan, maar zich onderling te verbinden en saam te plaatsen onder het eenige zeggenschap van den Koning de Kerk.
Slechts dan mogen zij geen verband zoeken, en zijn zij hiervan verontschuldigd, wanneer zulks niet kan gevonden worden naar den eisch van Gods Woord, maar strekken zou tot verkorting der Waarheid of tot krenking van de koninklijke Majesteitsrechten van haar eenig Hoofd.
2. Zulk een verband van Kerken kan om de gelegenheden en omstandigheden niet met alle Kerken op even vasten voet aangelegd. Wel moet het in beginsel zijn een verband met alle Kerken, ook buiten ons land, die met ons ééne zelfde dierbare en gezuiverde belijdenis hebben, maar op zoo uitgebreide schaal kan het alleen door correspondentie werken.
3. Daarentegen behooren de meer bij elkander gelegen Kerken van ééne natie dit verband vaster te maken.
4. Daar intusschen het lichaam van Christus, ook voor zooveel het zich in onze natie openbaarde, één is, kan en mag geen definitief kerkverband opgericht, dan zulk een, waarbij alle geloovigen, die een zelfde zuivere belijdenis met ons deelachtig zijn, elk in hun eigen Kerk met ons saam kunnen werken.
Eisch voor een definitief kerkverband zou alzoo zijn, dat niet alleen de doleerende Kerken, maar ook de geloovigen die nog onder de Hiërarchie bleven, en evenzoo de broeders uit de Kerken van Ledeboer, en in de Chr. Ger. Kerk en andere vrije Kerken met ons saamwerken.
5. Zoolang dit nog niet het geval is, kan dus, naar het oordeel der Commissie, het aan te leggen kerkverband niet anders dan voorloopig zijn, en zou een definitief optreden eene ongeoorloofde aanmatiging en eene miskenning van de rechten der andere broederen zijn, terwijl het voorloopig optreden én een belijdenis is van eigen onvolkomenheid, én de bede om met de overige broederen vereenigd te worden, insluit”.

Inzake het verschil tussen voorlopig en een duurzaam verband was de commissie van oordeel:

a. dat een voorloopig kerkverband niet aan de Belijdenis mag raken, en dat eene definitieve regeling, altoos in verband met de buitenlandsche Kerken, hiertoe wel gerechtigd zou zijn, hetzij om haar uit te breiden, hetzij om haar te verduidelijken; en b. dat een voorloopig kerkverband geen recht heeft om verandering in de Kerkenordening te maken, al spreekt het vanzelf, dat men, naar de gelegenheid der tijden en om het afstuiten op de onmogelijkheid, enkele bepalingen als onuitvoerbaar kan laten liggen”.167

Het Convent besloot conform het praeadvies van de commissie. Het stemde ook in met de naam: ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ met de toevoeging: (‘doleerende’). “Doleerende hierbij opgevat in den zin, dat alle onze Kerken, als klagende naar God over de verongelijking zijner Kerken, doleerende zijn bij de Overheid, in zooverre deze een valsch kerkbestuur tegenover ons handhaaft, en zij toch, bij de gratie Gods regeerende, gehouden is aan Gods Kerken recht te doen”.168

Ook over de samenvoeging van kerken in classicale vergaderingen en in provinciale synoden werd het een en ander uitgesproken. Het samenkomen in een generale synode in 1888 werd nodig geoordeeld.

|88|

6.3. De Voorlopige Synoden van Nederduitsche Gereformeerde Kerken (1888-1892).

Na het Gereformeerd Kerkelijk Congres en het Synodaal Convent van 1887 zijn er vier Voorlopige Synoden van Nederduitsche Gereformeerde Kerken gehouden, nl. te Utrecht (1888/89), Leeuwarden (1890), ’s-Gravenhage (1891) en Amsterdam (1892). Deze laatste synode werd gevolgd door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland op 17 juni 1892.169

In deze Voorlopige Synoden heeft vooral de nagestreefde vereniging met de Christelijke Gereformeerde Kerk een zeer belangrijke rol gespeeld. De gang van zaken dienaangaande hoeft hier niet beschreven te worden; wat betrekking heeft op het Reglement van 1869 e.a. bespreken we in ’t vervolg. Slechts enkele zaken brengen we onder de aandacht, om de kerkrechtelijke aspecten ervan. Laten we echter eerst nog vermelden dat in 1888 de Voorlopige Synode van Utrecht het besluit nam, dat als regel de toevoeging ‘doleerende’ viel weg te laten bij de officiële naam: ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’.170

Na de constituering van deze zelfde synode kwam vrijwel onmiddellijk aan de orde de kwestie van de toegankelijkheid. Als beginsel werd vastgesteld

“dat de kerkelijke Vergaderingen zooveel mogelijk publiek behooren gehouden te worden”.

Wat de toepassing van dit beginsel betreft, werd ten aanzien van de huidige synode echter deze grens getrokken, dat haar zittingen toegankelijk zouden zijn “voor de Kerkeraadsleden van Nederd. Geref. Kerken, die tot de Kerkenorde van 1619 terugkeerden” (art. 11).171

Belangrijk is de uitspraak inzake de instructies. Bij het onderzoek van de credentiebrieven was gebleken dat twee classicale vergaderingen hun afgevaardigden schriftelijke instructies hadden meegegeven, waarbij één van deze vergaderingen “het oordeel der afgevaardigden op eenig punt bepaald gebonden” hadden. De synodeleden hadden dus een zgn. imperatief mandaat. Dit vormde een reden tot bespreking van deze figuur. Men was van oordeel dat de bewoordingen, waarin de gegeven instructies vervat waren, geen overwegend bezwaar opleverden. Maar de synode wilde toch een waarschuwing doen horen:

“Echter wordt naar aanleiding van deze Instructiën ernstig gewaarschuwd tegen het door de Gereformeerde Kerken steeds verworpen stelsel der Independenten, die feitelijk aan de meerdere vergaderingen alle reden van bestaan ontnemen, door zelfs de beraadslagingen doelloos te maken. Waartoe dit stelsel leiden kan, bleek genoegzaam in de 17e eeuw, toen de Arminianen het aangrepen, om o.a. door dit middel het samenkomen van eene wezenlijke Algemeene Synode te verhinderen. In de meerdere vergaderingen komen meerdere Kerken juist samen, om te beraadslagen en te besluiten over wat deze vele Kerken samen aangaat, of wat in mindere vergaderingen niet kon worden afgedaan; en slechts dàn zouden zij hare bevoegdheid overschrijden, als zij òf iets besloten tegen Gods Woord, òf in zaken, die de particuliere Kerken in haar wezen en bestaan als zoodanig raakten, eene eindbeslissing namen, alsof zij over deze particuliere Kerken heerschappij bezaten”.

De synode besloot nu tot de volgende uitspraak:

“dat het den Classen zal worden op het hart gebonden, hare afgevaardigden,

|89|

ten aanzien van punten, tot wier bespreking de Synode juist samenkomt, nooit anders te binden dan aan Gods Woord en aan de vigeerende Kerkenordening, en voor de eindbeslissing zich slechts dàn het recht van instemming en medewerking voor te behouden, als het te nemen besluit het wezen of bestaan harer Kerken naar den maatstaf van Gods Woord krenken zou” (art. 34).172

Het is te begrijpen dat aan deze zaak scherpe aandacht gegeven werd: al direct bij het begin van de eerste synode stond men voor een cruciaal punt! Verstaanbaar is het ook dat de synode tot de juist geciteerde uitspraak kwam. Anderzijds valt er wel begrip op te brengen voor de handelwijze van de bedoelde classes. Reeds in zijn toespraak tot de Vrienden der Waarheid in 1882 had Rutgers verklaard:

“Overbekend is het ook, dat in Classes en Synoden door de gecommitteerden altijd naar lastbrieven en nooit hoofdelijk werd gestemd, terwijl op de zuivere handhaving van dat beginsel steeds nauwkeurig gelet werd; alles zeer natuurlijk, omdat men erkende, dat de macht bij de bijzondere kerken, die mandateerden, verbleef”.173

Ook daarna was deze zaak meer dan eens naar voren gebracht. Bij naar deze eerste synode afvaardigende classes die “het oordeel der afgevaardigden op eenig punt bepaald gebonden” hadden, kan deze handelwijze dus zeer wel gezien zijn als in overeenstemming met de oude praktijk zoals deze belicht was. Hierbij doet de vraag zich voor of de formulering, dat “altijd naar lastbrieven en nooit hoofdelijk werd gestemd” als geheel adequaat kan worden bestempeld.

Belangrijk is eveneens een beslissing die de synode nam terzake van een met aandrang tot haar gericht verzoek, een schrijven tot de kerken te doen uitgaan (in verband met bepaalde collecten); naar het oordeel van de synode was een dergelijke figuur ongepast. Zij sprak als haar oordeel uit, “dat het, aangezien de Synode is eene vergadering der Kerken, niet aangaat, om een zendschrijven van de Synode aan de Kerken te richten” (art. 68).174 Een korte en krachtige uitspraak.

Allerlei vragen deden zich voor inzake de verhouding van de vrijgemaakte kerken tot hen die aan de Synodale organisatie vasthielden. Moest jegens zulke ambtsdragers en gemeenteleden kerkelijke tuchtoefening plaatsvinden? De synode verenigde zich met een door Rutgers namens de commissie van praeadvies uitgebracht rapport, waarin beklemtoond werd de roeping om bedoelde ambtsdragers en gemeenteleden ambtelijk te bewerken (art. 73).175

Dat de eisen van het kerkverband allerminst opgeofferd werden aan de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken, blijkt op een opmerkelijke wijze uit een uitspraak inzake vacaturediensten. Naar het kerkverband zijn kerken verplicht hun predikanten af te staan voor vacaturediensten. De classis heeft deze diensten te regelen. “Weigering, om in dezen de aanwijzingen der Classe te volgen, is feitelijk verbreking van het kerkverband” (art. 83).176

Een verschil met de synoden die na de Afscheiding gehouden werden, vormt ook het aantal deputaatschappen. In één week tijd benoemde de eerste Voorlopige Synode er twaalf (art. 109).177

De volgende Voorlopige Synoden gingen voort in de lijn van de eerste. De tweede synode verruimde aanzienlijk de toelating van toehoorders

|90|

(art. 3).178 Maar afgevaardigden kregen géén zitting als hun credentiebrief nog niet aanwezig was. “Hier is geen vergadering van eenige ambtsdragers; maar van vertegenwoordigers der kerken, deze Credentiebrieven toonen dus, dat hier dienende vertegenwoordigers van — en niet willekeurig opgeworpen heerschers over — de Kerken tesamen zijn” (art. 4).179 Stipt werd de hand gehouden aan de D.K.O. (Uiteraard met uitzondering van de bepalingen die in 1886 en 1887 waren opgegeven als door de ontwikkelingen na 1619 achterhaald.)

 

6.4. Publikaties.

In deze jaren zagen belangrijke werken op kerkrechtelijk gebied het licht. In 1889 kwam het standaardwerk van Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der 16e eeuw van de pers.180 In 1890 deed hij in druk verschijnen zijn in 1889 gehouden rectorale rede over De geldigheid van de oude kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken met waardevolle bijlagen inzake de synode van Emden 1571 en over de politieke approbatie van de D.K.O. in de onderscheiden provincies.181

Eerder in 1888, kwam het eerste deel van de historisch-juridische studie van mr. D.P.D. Fabius, hoogleraar van de Vrije Universiteit, over Het Reglement van ’52 gereed.182 In hetzelfde jaar werd een andere historisch-juridische studie gepubliceerd waarnaar sterk was uitgezien, de dissertatie van jhr. mr. W.H. de Savornin Lohman, De kerkgebouwen van de Gereformeerde (Hervormde) Kerk in Nederland, verdedigd zowel voor de juridische faculteit van de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam als in het openbaar aan de Vrije Universiteit. Het werk, dat zich concentreerde op de vraag naar het eigendomssubject, verscheen juist even te laat met het oog op het arrest van de Hoge Raad. De auteur, zoon van jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman, werd in 1890 buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit. In dezelfde faculteit als zijn vader.183

Van geheel andere aard was de publikatie van dr. L.H. Wagenaar, Het ambt aller geloovigen. In 1888 had de classis Harderwijk aan de eerste Voorlopige Synode de wens te kennen gegeven dat een commissie zou worden benoemd “die het wezen en het doel van het ambt der geloovigen in een geschrift uiteenzette” — zulks “ met het oog op de noodzakelijkheid” dat dit ambt “zich niet bepale tot eene enkele handeling van ‘reformatie’, maar verder gezegend doorwerke”. Er werd geen commissie benoemd, maar Wagenaar werd uitgenodigd en bereid gevonden een geschrift te leveren, dat in 1890 van de pers kwam.184 Hierin werd betoogd dat de gelovigen een kerkelijk ambt hebben, dat zij in ’s Heren naam, met aan Hem ontleend gezag, tegenover anderen, zelfs tegenover ambtsdragers in de kerk hebben uit te oefenen. Dit ambt der gelovigen vormt de ambtelijke bodem, waaruit de drie speciale ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken, opkomen; de ambtelijke wortel, waarop ze stoelen.

Wagenaars ‘dogmatisch-practisch voorstel’ lag geheel in de lijn van Kuyper, die in De Heraut in 1888/89 een artikelenreeks over hetzelfde onderwerp schreef.185 Na Wagenaars publikatie uitte Bavinck kritiek in De Bazuin.186 Verschil was er niet over wat is uitgedrukt in vraag en

|91|

antwoord 32 van de Heidelbergse Catechismus; verschil was er ook niet over de mondigheid en de roeping van de gemeente. Maar hoe kan hieruit nu met recht geconcludeerd worden tot een kerkelijk ambt? De opsomming van wat Wagenaar tot het ambt der gelovigen rekent, toont ook dat het onderscheid tussen de algemene roeping der gelovigen en hun bijzonder kerkelijk ambt op moeilijkheden stuit. Bavinck is ook van mening dat door het sterk nadruk leggen op een bijzonder kerkelijk ambt der gelovigen, het onderscheid tussen dit ambt en de eigenlijke kerkelijke ambten der ambtsdragers gevaar loopt uit het oog verloren te worden. Bavinck heeft eveneens bezwaar tegen de gedachte dat uit het ambt der gelovigen de ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken zouden voortkomen. Het ambt komt niet uit de gemeente voort, wordt niet door de gemeente verleend; maar Christus alleen schenkt het ambt. Het ambt is geen bediening van Woord en sacrament en tucht in naam der Gemeente, maar in naam van Christus.

Op deze kritiek van Bavinck werd ingegaan door Kuyper in zijn Separatie en Doleantie,187 najaar 1890. Eerder gaf Kuyper in 1889 een artikelenreeks in De Heraut over “Theorieën van kerkzuivering” 188 (waarin hij o.m. herhaalde dat de afscheiding te Ulrum eigenlijk “zuivere Doleantie” was),189 en een nog langere serie over het “Collegiaal Stelsel” 190 (waarin hij o.m. van de “leiders van 1834” schreef: “Deze vrome, moedige mannen wisten niet alles even precies; … maar ze stonden goed … Ze stonden met beî hun voeten op het standpunt der Doleantie”).191 Kuyper moest echter in 1890 constateren:

“Nog niet aller inzicht in de kerkrechtelijke gevolgen der Doleantie is tot genoegzame helderheid gekomen. Dit geldt zelfs ten deele van hen, die zelven in Doleantie gingen; en, naar hieruit valt af te leiden, in nog sterker mate van diegenen, die de Doleantie òf tégen- òf er buitenstaan”.192

Daarom wilde hij “de kerkrechtelijke gevolgen van de Doleantie eens opzettelijk in het licht der Gereformeerde beginselen van kerkrecht” plaatsen. Dit “ook met het oog op de Separatie”. Vandaar nu dit nieuwe geschrift.

Achtereenvolgens behandelt Kuyper: 1. de geïnstitueerde kerk in haar ontstaan, voortbestaan en reformatie; 2. de reformatie met opzicht tot de geïnstitueerde kerken; 3. de kerkrechtelijke, burgerrechtelijke en staatsrechtelijke gevolgen der beide reformatiën; 4. de vereniging.

In het eerste hoofdstuk193 stelt Kuyper voorop, dat het kerkrecht altijd over de zichtbare kerk handelt, en dan nader: zoals die geïnstitueerd is. Bij het bespreken van de kerkrechtelijke gevolgen der Separatie en Doleantie dient daarom “aan al wat niet de geïnstitueerde kerk raakt het zwijgen opgelegd”. Hoe wordt een plaatselijke kerk geïnstitueerd? Het antwoord van “alle schrijvers over Gereformeerd kerkrecht” luidt steeds en eenparig: “Door een wilsdaad van de belijders…, krachtens door Christus hun verleende bevoegdheid, in gehoorzaamheid aan zijn Woord”. In een stad op dorp staan mannen op, die betuigen dat ze zich aan Jezus als hun Koning onderwerpen. Hieruit vloeit rechtstreeks voor hen de verplichting voort,

|92|

“om zulk een forme van kerk in het leven te roepen, dat de dienst des Woords en der Sacramenten kunne worden opgericht, de gemeenschap der heiligen geoefend en de onderlinge tucht in werking kunne treden”.194

Is de eerste stap in deze richting gedaan, dan zijn zij verplicht bij hun kerkstichting het advies en de hulp in te roepen van een naastbij gelegen reeds bestaande kerk. Is deze hulp niet te verkrijgen, dan handelen zij zonder deze hulp. Is nu de kerk gesticht, dan rust op haar de verplichting, om onverwijld in verbinding te treden met de genabuurde kerken. Wel bestond er organisch al een band doordat de kerken openbaringen zijn van het éne Lichaam van Christus. Maar in rechten, kerkrechtelijk ontstaat het verband toch pas door een wilsdaad èn van de nieuw geformeerde èn van de reeds bestaande kerken. Van de geïnstitueerde kerk wordt men lid in volle rechten door belijdenis en stipulaties. Een lid in volle rechten kan nooit gedwongen worden dat te blijven. Anderzijds kan de geïnstitueerde kerk evenmin gedwongen worden iemand als lid te behouden, die de stipulaties verbrak of door zijn schandelijke wandel een schandvlek der kerk werd.

In het tweede hoofdstuk195 zet Kuyper uiteen dat de geïnstitueerde kerk zo kan zijn afgeweken en zo onvatbaar kan blijken voor reformatie, dat de plicht kan ontstaan tot de formatie van een beter instituut. Hier kan het ambt der gelovigen in werking moeten treden. Op dit punt gekomen, vlecht Kuyper een antwoord aan Bavinck in. Hij wenst “ook aan Dr. Bavinck volkomen duidelijk te kunnen maken” wat de eigenaardige en bijzondere betekenis is, die aan deze uitdrukking ‘ambt der gelovigen’ moet worden gehecht. ‘Gelovigen’ moet hier worden opgevat in kerkrechtelijke zin. ‘Gelovige’ in deze zin is hij, die door de kerk tot het avondmaal is toegelaten. Worden deze gelovigen nu kerkrechtelijk tot ambtelijke handelingen geroepen? Zo niet, dan kan er wel sprake zijn van hun rechten en verplichtingen, maar niet van hun ambt. Inderdaad valt er wel te spreken van hun ambt. Dit ambt is en dienst waarvan Christus zich bedient om de kerk te regeren. Een ‘gelovige’ handelt niet ambtelijk als hij ter kerke komt of de sacramenten gebruikt, of zijn broeder vermaant of voor de kerk en armen geeft. Want dit alles raakt het regiment van de kerk niet. Maar wordt hij opgeroepen, om mee als rechter te oordelen in zaken van tucht, om inzake de aanstelling van dienaren mee zijn keuze uit te oefenen, om mee te beslissen over het verband waarin zijn kerk tot andere kerken staat, en bovenal om, bij wegvalling van het ambt door ziekte of anderszins, het ambt opnieuw in te richten, dan handelt de ‘gelovige’ in zaken het regiment der kerk rakende, en oefent hij in naam van Christus ambtelijke daden uit. Resumerend komt Kuyper tot de slotsom, dat onder ‘ambt der gelovigen’ verstaan moet worden:

al datgene wat de gequalificeerde geloovigen in een geïnstitueerde kerk te verrichten hebben als dragers van de potestas ecclesiastica”.196

Na dit antwoord aan Bavinck stelt Kuyper als mogelijkheid dat men in het ambt der gelovigen de band met een gedeformeerde kerk losmaakt, om als gekwalificeerde gelovige weer op te treden in een nieuw geïnstitueerde kerk. Maar een andere mogelijkheid is dat men in de kerk zelf nog de middelen bezit om het ontredderde instituut in betere staat te

|93|

herstellen. Wil men nu het eerste Separatie noemen, en het tweede Doleantie, dan heeft hij daar geen bezwaar tegen, mits Separatie niet in ongunstige betekenis wordt genomen. De reformatie van een geïnstitueerde kerk komt echter nooit voor rekening van het ambt der gelovigen, als de voorgangers hun plicht doen en deze ter hand nemen. Pas als de voorgangers nalatig blijven, komt in dezen het ambt der gelovigen aan de orde. In dit verband oefent Kuyper opnieuw enige kritiek op wat na Ulrum is voorgekomen bij kerken uit de Afscheiding. Maar Kuyper zegt daarbij:

“al is men overtuigd, dat er vaak te lichtvaardig over de ambtelijke verplichtingen der geloovigen is heengegleden, en dieper studie van de Gereformeerde beginselen licht een anderen loop aan de zaak zou hebben gegeven, toch mogen zij, die inmiddels zorgeloos in het bedorven instituut bleven voortleven, zonder aan de reformatie ervan de hand te slaan, hiervan nooit een verwijt maken aan hen, die althans gevoelden, dat men met zoo bedorven instituut geen vrede mocht nemen, en het daarom misschien al te spoedig verlieten. Iets wat te meer klemt, omdat de reglementen van het instituut van 1816, waaronder men leeft, niet met zoovele woorden deze bevoegdheden en verplichtingen van de ‘geloovigen’ tot reformatie van hun instituut erkenden”.197

Het derde hoofdstuk198 dat de kerkrechtelijke, staatsrechtelijke en burgerrechtelijke gevolgen van Afscheiding en Doleantie bespreekt, stelt o.m. ook het Reglement van 1869 aan de orde, dat de leden van de plaatselijke kerken tot leden van het éne grote landsgenootschap maakte — een collegialistische stap die indruiste tegen het beginsel der Scheiding. Wat de Doleantie-kerken betreft, acht Kuyper het juist, dat deze niet zijn overgegaan tot schorsing en afzetting van ambtsdragers die niet met de Doleantie meegingen. En het was ook gereformeerd gehandeld, dat ze zich onthielden van kerkelijk gezagsvertoon tegenover die leden van het instituut, die duidelijk te kennen gaven dat zij zich uit het instituut terugtrokken. En het was evenzo praktisch juist gehandeld, dat men de leden uitnodigde door persoonlijke verklaring zich uit te spreken. Kuyper wijst op de situatie in Amsterdam.

“Zij nu, die duidelijk getoond hebben, niet langer als leden van het gezuiverde instituut te willen gerekend worden, hebben zich toen van het oude Instituut afgescheiden, feitelijk een nieuw schismatiek instituut opgericht, en hebben dat nieuwe instituut in rechten aan de Synodale organisatie van 1816 verbonden. Met dit nieuwe schismatieke instituut nu, dat de kenmerken van de ware kerk mist, heeft het oude en tot zuiverder gestalte gebrachte instituut niets meer uitstaande”.199

In het slothoofdstuk200 dat over de Vereniging handelt, stelt Kuyper de roeping in het licht van de vereniging “dier beide reeksen van geïnstitueerde kerken, die thans door Separatie en Doleantie ontstaan zijn, tot één kerkelijk geheel in gemeeenschappelijke classicale en synodale vergaderingen”. Uitvoerig gaat Kuyper nu op de kwestie van het Reglement van 1869 in. Hij erkent: de Christelijke Gereformeerden “leefden er wel onder, maar ze kenden het vaak ganschelijk niet. En tot op voor korte jaren zouden m.i. stellig tweehonderd dorpskerkeraden in groote verlegenheid hebben verkeerd, zoo ge gevraagd hadt, dit reglement

|94|

eens te mogen zien. Men bezat er zelfs geen exemplaar van”. Kuyper beschouwt de strijd als nu uitgestreden. Hij durft nù te verklaren:

“Mij althans is niemand bekend, die ook nog maar een poging zou willen wagen, om het reglement van 1869 voor de vierschaar van de beginselen, de historie en het ius constitutum van 1619 te verdedigen”.201

Zo schrijft Kuyper in het najaar van 1890.202

Hoe lagen de zaken aan de andere kant?

 

(B) De Afgescheidenen (Christelijke Gereformeerden)

7. Bezwaren tegen Kuypers Tractaat en tegen Doleantieaspecten.

7.1. Bezwaren tegen Kuypers Tractaat.

Van de kerkrechtelijke publikaties van Kuyper en Rutgers heeft bij de toenmalige Christelijke Gereformeerden het meest de aandacht getrokken Kuypers Tractaat van de Reformatie der Kerken, wat gezien de opzet en de inhoud van het werk begrijpelijk is. Het kan geen verwondering wekken dat de passages die op de Afscheiding betrekking hadden gelezen werden met extra-belangstelling, en daarop werd ook vrijwel onmiddellijk gereageerd. Onder de titel “Is het niet om te wanhopen?” schreef Helenius de Cock in De Bazuin over Kuypers korte voorstelling van de geschiedenis (op blz. 195).

“Budding en Ledeboer, die nog niet eenmaal predikant waren toen de afscheiding plaats vond, worden hier de eerste afgescheidenen genoemd. Ook schijnt het den schrijver geheel onbekend dat later èn Budding èn Ledeboer leeraren geweest zijn in de kerk, die nog altoos door dr. K. bij voorkeur de afgescheidene genoemd wordt en dat zij van die kerk zich weer hebben afgezonderd. In één woord, het hier geciteerde getuigt òf van volslagen onbekendheid met onze geschiedenis, en zou dus den schrijver onbevoegd doen zijn om over het ontstaan en de wettigheid van ons bestaan ook maar één woord mee te spreken; òf het is een opzettelijk verdraaien van de historische feiten die alles behalve van goede trouw getuigt”.203

W.H. Gispen noemde het Tractaat “het machtigste pleidooi tegen de afscheiding die ik ooit gehoord of gelezen heb”.204 Hij betrok hierbij ook de stelling van Kuyper dat in de 16e eeuw te Wittenberg, Genève, Amsterdam bij de reformatie geen afscheiding had plaatsgevonden van de bestaande kerk. En wat 1834 betreft:

“De Cock zelf had een geheel ander kerkelijk ideaal, dan dat van een afgescheiden of vrije Gereformeerde Kerk. Hij wilde niets anders dan een Gereformeerde Staatskerk…
Wie de geschiedenis der Afscheiding ernstig en zooveel mogelijk onvooringenomen en voorwerpelijk leest, zal getroffen worden door het planlooze, dat in geheel de kerkelijke beweging dier dagen is waar te nemen.
Het was niet de aanleg van een spoorweg, waartoe eerst een harden baan wordt gemaakt, rails gelegd, wachterswoningen gebouwd, beambten met behoorlijke salarissen worden aangesteld, en alles geordend en klaar gemaakt eer de trein loopt. Veeleer moet gedacht worden aan een rank en gevaarlijk bootje, wel van een goed kompas en een getrouwen en bekwamen stuurman voorzien, maar niet voorzichtig geproviandeerd en zonder vast plan naar de

|95|

eene of andere haven koers zettend, waarin men, schier zonder van vrouw en kinderen afscheid te nemen, plaats nam”.205

Uitvoerige kritiek werd geleverd door H. Bavinck en later door F.M. ten Hoor. Bavinck publiceerde een uitgebreide, 34 pagina’s tellende bespreking, gedateerd 17 november 1883, in De Vrije Kerk.206 Hij geeft eerst de inhoud van de vier hoofdstukken weer, en verklaart dan dat hij enige ernstige bedenkingen heeft. Hij wil eerst aanwijzen wat er minder juist is in Kuypers beschouwing over reformatie van de kerken, vervolgens de vraag beantwoorden hoe naar zijn eigen mening de Nederlandse Hervormde Kerk beschouwd moet worden, en tenslotte de vraag beantwoorden hoe de Christelijke Gereformeerde Kerken beschouwd moeten worden.207

 

1. Een eerste bezwaar heeft Bavinck tegen de wijze waarop Kuyper zich het kerkverband voorstelt. Bavinck is het met Kuyper eens, dat elke plaatselijke kerk een openbaring is van het lichaam van Christus, haar wezen niet ontvangt van de algemene kerken of van het kerkverband, geen compartiment is van het kerkgenootschap, maar dat dit eerst ontstaat door de vrije confederatie van de locale kerken. Maar heel het Tractaat toont, dat Kuyper op die zelfstandigheid van de locale kerken, die Bavinck op zichzelf geheel toestemt, eenzijdig de nadruk legt, en daartegenover de kracht en de betekenis van het kerkverband niet tot hun recht laat komen.208

Wel verklaart Kuyper dat geen locale kerk op zichzelf mag blijven staan en dat het kerkverband noodzakelijk en vereist is, maar met dat al wordt dat verband niet in zijn volle kracht en betekenis opgevat. Ook in dit werk straalt overal het beeld door, dat Kuyper eerder gebruikt heeft, namelijk dat het kerkverband gelijk is aan een net, dat gespannen is over een kerseboom. Dit beeld is door Kuyper gebezigd voor het kerkverband in het Nederlandse Hervormde kerkgenootschap. Maar ook van dàt kerkverband is de vergelijking ongelukkig gekozen. Want de organisatie van 1816 is niet opgedrongen en had niet opgedrongen kunnen worden, wanneer de kerken geweest waren, wat zij hadden moeten zijn, d.i. gaaf en zuiver. Haar eigen ingezonken toestand maakte het invoeren van die organisatie mogelijk. Bavinck kan daarom ook met Kuyper niet instemmen, als deze zegt dat een lid volstrekt niet heeft te letten op wat elders gebeurt, maar alleen op zijn eigen plaatselijke kerk, en dat de solidaire verantwoordelijkheid voor wat elders gebeurt, voor rekening van de kerkeraad komt.209

Ook kan Bavinck er niet mee instemmen dat die solidaire verantwoordelijkheid nooit aan de eigen kerk het wezen van de kerk ontnemen kan. Zó machtig is in het Nederlandse Hervormde kerkgenootschap dat kerkverband,

“dat men nu tot in 1883 toe den moed en de zedelijke kracht heeft gemist, om ‘dat net van den kerseboom’ aftenemen; ja zoo machtig, dat rechtzinnige Kerkeraden moeten toestaan, dat de leugen in hun plaatselijke kerk gelijk recht heeft als de waarheid, de sacramenten worden ontheiligd, de tucht wordt verwaarloosd, en in één woord aan de reglementen feitelijk en objectief meer gezag moeten toekennen dan aan het Woord Gods, en alzoo het wezen hunner kerk als kerk zich laten ontnemen”.210

|96|

Het licht dat Kuyper op het kerkverband vallen laat, is veel zwakker dan met name bij Calvijn. Tegenover de nadruk, door Kuyper, en terecht, op de locale kerk gelegd, komt de eenheid en de solidariteit van alle kerken niet genoeg tot haar recht. Evenmin als een plaatselijke kerk ontstaat of bestaat door haar verband met andere kerken, evenmin is zij op zichzelf zonder die andere volkomen en goed: “zij is eene cel slechts in het organisme der gemeente van Christus”.211

We hebben Bavincks kritiek op dit punt breed weergegeven; hij werkt een en ander niet verder uit. Korter kunnen we zijn over het hierop volgende punt, dat Kuyper evenals Rutgers van oordeel schijnt te zijn, dat reformatie moet geschieden naar een te voren goed overlegd plan. Luther, Zwingli en Calvijn hebben hun gehoorzaamheid aan God “nooit opgeschort met de opmerking, dat zij eerst klaar moesten zijn met de kwesties van het kerkrecht”.212

Bavinck brengt vervolgens bezwaren in tegen het plan van reformatie dat Kuyper ontwerpt. Als alle middelen beproefd zijn en de reglementen gehandhaafd worden boven Gods Woord, is men niet verplicht eerst nog dolerende kerken te stichten om pas daarna tot oprichting van een eigen kerk te mogen overgaan.213

 

2. Hoe moet over het Nederlandse Hervormde kerkgenootschap gedacht worden? De vraag is: “Heeft zij als Kerk de zuivere bediening van Woord en Sacrament; van oefening der tucht, welke Dr. K. rekent tot het welwezen, niet eenmaal gesproken?”.214 Gelet op de kenmerken die in art. 29 NGB van de valse kerk worden vermeld, kan volgens Bavinck het oordeel niet twijfelachtig zijn.215 Maar Kuyper acht in het Nederlandse Hervormde genootschap nog zo’n vijf- à zeshonderd ware kerken aanwezig. Bavinck bestrijdt dit.

“Handhaaft de Kerk te Amsterdam b.v. als Kerk de zuivere bediening van Woord en Sacrament? Heeft zij als Kerk eene belijdenis en wandel overeenkomstig de Schrift? Is zij, objectief en schriftuurlijk geoordeeld, eene ware Kerk? Op grond van welke openlijke akten, van welk openlijk optreden dit beweerd wordt, zie ik niet in”.216

Dat er potentieel nog veel ware kerken in het Nederlandse Hervormde kerkgenootschap zijn, wordt door Bavinck niet ontkend. Maar actueel en objectief zijn zij er niet.217

 

3. Hoe moet over de Christelijke Gereformeerde Kerk gedacht worden? Bavinck is dankbaar voor Kuypers waarderend oordeel over de eerste Afgescheidenen, en zo over het beginsel en het recht van de Christelijke Gereformeerde Kerk.218 Hij stemt echter niet toe dat de later uitgetredenen een zwak protest verdienen. Wat zij deden verdient goedkeuring en navolging. Plicht is altijd slechts dit ene, overal, ook kerkelijk Gode gehoorzaam te zijn.219 Bavinck heeft ook bezwaar tegen de voorstelling dat de kerken van de Afscheiding als ‘dolerende kerken’ worden beschouwd, maar Kuyper heeft zelf al niet verwacht dat dit zou worden toegegeven.220

Als Kuyper nu verder met betrekking tot de Christelijke Gereformeerde Kerken de wens uitspreekt, dat zij het valse collegiale denkbeeld zullen laten varen, dan is Bavinck met die wens van harte ingenomen.

|97|

“Wel meenen wij, dat de invloed van dat denkbeeld op onze kerken door hem te hoog wordt geschat, en de noodzakelijke eenheid der kerken niet genoeg geaccentueerd wordt, maar wij kunnen niet ontkennen, dat dat denkbeeld er nog niet geheel bij ons uit is, en wenschen daarom met hem, dat wat van deze zuurdeesem mocht overig zijn, geheel door ons worde uitgezuiverd”.221

De uitvoerige bespreking die Bavinck aan het Tractaat wijdt is hoffelijk van toon.222 Het valt op dat hij zich vooral richt op het vierde hoofdstuk en weinig ingaat op beschouwingen van Kuyper in de andere hoofdstukken. In zijn Gereformeerde Dogmatiek keert hij zich, zonder Kuyper te noemen, op verschillende plaatsen tegen dienst ecclesiologische opvattingen.223 De hier weergegeven kritiek werd door Kuyper in 1884 “het degelijkst” genoemd.224

 

Een nog uitvoeriger kritiek dan Bavinck leverde F.M. ten Hoor, in zijn Afscheiding en Doleantie in verband met het kerkbegrip. Dit geschrift dat in 1890 verscheen was een bundeling van opstellen, gepubliceerd in De Vrije Kerk.225 Zoals de titel doet weten, handelt de schrijver speciaal over het kerkbegrip. Voor het kerkbegrip van de Doleantie richt hij zich inzonderheid op het Tractaat van Kuyper.

Op Kuypers kerkbegrip oefent Ten Hoor fundamentele kritiek. Volgens het Tractaat is het wezen van een zichtbare kerk altijd de onzichtbare kerk. Die onzichtbare kerk wordt daarna aangeduid als ‘het lichaam Christi’, de organische verbinding van alle uitverkorenen door de Heilige Geest onder Christus als hun Hoofd. De onzichtbare kerk in haar geheel en in haar eenheid, als organische verbinding van alle uitverkorenen, wordt door Kuyper dus het wezen van een zichtbare kerk genoemd. Een zichtbare kerk is bij Kuyper een plaatselijke kerk. Het wezen van een plaatselijke kerk is en blijft volgens Kuyper echter de onzichtbare kerk, de organische verbinding van alle uitverkorenen op alle plaatsen. Maar Kuyper is hier niet consistent. Want in het vervolg verklaart hij, dat als in enige stad of in enig dorp een zeker aantal levende leden van het lichaam van Christus woonachtig is, er dan het wezen der kerk is. Eerst wordt gezegd: dat het wezen van een plaatselijke zichtbare kerk is de onzichtbare kerk in het algemeen, en daarna: dat het wezen van een plaatselijke zichtbare kerk is een zeker aantal levende leden, dus een deel van de onzichtbare kerk. Dat aantal levende leden op die plaats moet dan beschouwd worden als de plaatselijke onzichtbare kerk. Daarmee wordt de gedeeldheid van de zichtbare kerk ook op de onzichtbare kerk overgebracht.226

We geven hiermee slechts het begin van Ten Hoors betoog, dat blijk geeft van zijn sterk analytisch vermogen. Hij volgt Kuypers redeneringen op de voet, en wijst inconsequenties en consequenties aan. Na een breedvoerige bespreking komt Ten Hoor tot de conclusie dat de betekenis die door Kuyper aan de begrippen onzichtbare en zichtbare kerk gegeven is, “geheel onschriftmatig” is. De onderscheiding zelf komt in de Schrift niet voor, maar kan volgens Ten Hoor in goede zin er wel uit afgeleid worden.

“Volgens de Schrift is eene zichtbare plaatselijke Kerk het lichaam van Christus,

|98|

een geheel van heiligen en geloovigen. (Ten Hoor wijst hier in een voetnoot op o.a. 1 Kor. 12: 27; Ef. 1: 1, D.D.), terwijl in de theorie van de Doleantie eene vergadering van geloovigen en openbare ongeloovigen eene zichtbare Kerk wordt genoemd. Op de Doleerende Kerk van Amsterdam die 175.000 leden telt, kan Dr. Kuyper onmogelijk het woord van Paulus toepassen: ‘En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder’. Paulus past het toe op de zichtbare plaatselijke kerk van Corinthe, terwijl Dr. Kuyper het alleen toepast op een afzonderlijken kring van geloovigen in die zichtbare Kerk, welken kring hij de onzichtbare Kerk noemt”.227

Volgens de Schrift en de belijdenis is de kerk de ‘zichtbare’ kerk, een vergadering van gelovigen, een eenheid van gelovigen. Door ‘vergadering’ van gelovigen te zijn is zij een kerk; en door een vergadering ‘van gelovigen’ te zijn is zij ware kerk.

“Wanneer wij nu het kerkbegrip der Schrift en der Belijdenis vergelijken met de opvatting die wij in de Afscheiding gevonden hebben, is het duidelijk, dat de Afscheiding geen eigen kerkbegrip heeft uitgedacht. Men heeft letterlijk dat der Belijdenis aanvaard, en daardoor kwam men noodwendig tot Afscheiding van de ongeloovige Kerk en van de ongeloovige leden. In de Doleantie heeft men dit kerkbegrip niet aanvaard, zooals het in de Schrift en de Belijdenis gegeven is …”.228

Wij hebben hiermee Ten Hoor slechts kort gevolgd op een betrekkelijk klein deel van het traject dat hij aflegt. Het zou buiten ons bestek gaan, hem op heel de weg te volgen.229 Deze kreeg nog weer een vervolg in zijn Afscheiding of Doleantie. Een woord tot verdediging en nadere toelichting.230 Hierin beantwoordde hij bezwaren, ingebracht tegen zijn eerste geschrift, en ging hij in op Kuypers Separatie en Doleantie.231 Wat Kuyper hierin verdedigt: dat de kerk als instituut ontstaat door de wilsdaad der gelovigen, acht Ten Hoor onjuist.232 Eveneens acht hij onjuist Kuypers onderscheiding tussen leden van de kerk (door geboorte) en lidmaten van de kerk (door geloofsbelijdenis). Ten Hoor voelt zich in dezen meer thuis bij Rutgers dan bij Kuyper.233

 

7.2. Bezwaren tegen Doleantie-aspecten.

Ten Hoors bespreking van Kuypers Tractaat kwam, zoals vermeld, nà de Doleantie, en betrok ook het feit dat de dolerende kerkeraad van Amsterdam als ledental van de gemeente bleef opgeven: 175.000 zielen, in de kritiek.

Uiteraard hing de te Amsterdam en elders gevolgde handelwijze samen met de pretentie dat de Doleantie géén afscheiding betekende.234 De bezwaren van Christelijke Gereformeerde zijde tegen Doleantie-aspecten ingebracht waren van onderscheiden aard. Maar vooral de onduidelijkheid in de beschouwing van de Nederlandse Hervormde Kerk en in de positie ten opzichte van haar leverde vragen op.

Wie en wat staat eigenlijk de vereeniging der Chr. Gereformeerden en Doleerenden in den weg?”, vroeg H. Beuker. Hij gaf daar zelf het volgende antwoord op:

“Dr. Kuyper meent: het ‘Statuut’ van 1869. Wij menen: de onklare verhouding der doleerenden tot de Ned. Herv. Kerk.

|99|

Over beide een enkel woord.
Het schijnt dat we elkaar over die verhouding tot de Ned. Herv. Kerk, die als geheel in onze oogen een valsche kerk is, maar moeilijk kunnen verstaan.
Nu bekennen wij, dat dit ook aan ons kan liggen. Nochtans is het toch zeer opmerkelijk, dat niet alleen wij, maar dat eigenlijk niemand der onzen, ja ook menige doleerende Dr. K. op dit punt niet begrijpt. God heeft dien man bij de vele en onmiskenbare talenten, ook deze kostelijke gave gegeven, dat alles wat hij schrijft en zegt door iedereen, door den geleerde op zijn kantoor en door de arme vrouw achter haar spinnewiel dadelijk en gemakkelijk kan worden begrepen. Maar zoodra Dr. K. over de verhouding der doleerenden tot de Ned. Herv. Kerk begint, dan weet ten slotte niemand wat dan toch zijn eigenlijke bedoeling is”.235

Laten we hier alleen memoreren dat de voorlopige synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken ’s-Gravenhage 1891 aanvaardde het zgn. ‘tweede beding’ waarin, wat de verhouding tot de Nederlandse Hervormde Kerk betreft, werd uitgesproken:

“dat verbreking van de Kerkelijke gemeenschap met de besturen van de Ned. Herv. Kerk niet alleen, maar ook met de leden in corporatieven en plaatselijken zin, door Gods Woord en de Ger. Belijdenis geboden en dus noodzakelijk is”.236

Van Christelijke Gereformeerde zijde werd ook betoogd dat de kerken van de Doleantie kerkrechtelijk in een andere positie verkeerden dan de dolerende kerken in het begin van de 17e eeuw. Hieraan wijdde in Kampen D.K. Wielenga in 1886 zijn rectorale rede.237

Tegenover de bezwaren, ingebracht tegen het Reglement van 1869, werd meermalen gewezen op de kerkrechtelijk vreemde figuur van de ‘Kerkelijke Kas’, benaming van verenigingen die, volgens besluit van het Gereformeerd Kerkelijk Congres van januari 1887, in de dolerende kerken werden opgericht voor het voeren van beheer. Principieel kon men van dolerende zijde daar weinig tegenover stellen; de juistheid van de kritiek werd wel toegegeven. Hierbij werd er echter op gewezen dat de nu ingevoerde figuur geen definitief karakter had: het betrof hier een maatregel uit veiligheidsoverwegingen, in het belang van de rechtszekerheid der kerkelijke goederen.238

 

8. Het Reglement van 1869, en de bezwaren daartegen van de Dolerenden

8.1. Het ontstaan en de inhoud van het Reglement van 1869.

Zowel de kerken van de Afscheiding als die van de Doleantie onderhielden weer de D.K.O. Maar de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland had sinds 1869 bovendien een Reglement waarmee zij bekend was bij de regering.

Het ontstaan van dit Reglement is enigszins merkwaardig. Ter synode van Middelburg 1869 van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk werd overeenstemming bereikt over vereniging met de Gereformeerde Kerk (de kruisgemeenten).239 In de kort daarna gehouden algemene vergadering van laatstgenoemde Kerk werd de vereniging bekrachtigd (drie kruisgemeenten, Enkhuizen, Lisse en Tricht, hielden

|100|

zich afzijdig).240 Besloten werd dat de naam van de verenigde kerkgemeenschap zou zijn: de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Ook werd besloten, geen erkenning of toestemming meer te vragen aan de regering, maar haar eenvoudig mede te delen dat de vereniging had plaats gevonden, met opgave van naam en grondslag.241 De uitvoering van deze kennisgeving werd opgedragen aan de Synodale Commissie, versterkt met Kamper docenten en ds. D. Klinkert (van de Gereformeerde Kerk).242 De gemandateerden deden meer dan hun was opgedragen. Zij beperkten zich niet tot kennisgeving van het feit van de vereniging met opgave van de naam en de grondslag (de drie formulieren van eenheid en de D.K.O.). In hun adres aan de regering voegden zij een Reglement met zes artikelen bij.

Hoe kwam men hiertoe? Toen na de Doleantie het Reglement volop in discussie kwam, onthulde W.H. Gispen, die zelf bij de zaak betrokken was geweest, een paar interessante bijzonderheden.243 Na juridisch advies te hebben ingewonnen, had de commissie zich destijds tot de minister gewend, die verklaard had dat de naam ‘Gereformeerd’ wat hem betrof geen bezwaar opleverde en dat hij zijn beslissend antwoord nog schriftelijk zou mededelen.244 Enige tijd later was bericht ontvangen dat de regering, volgens de wet van 10 september 1853, Staatsblad no. 102, verwachtte een Reglement op de inrichting van het bestuur der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. “Hiertegen heeft toen niemand eenig bezwaar geopperd. De geheele Commissie was eenstemmig”. Hij wijst dan op een eerder Reglement, namelijk dat van 1854. “De Commissie van 1869 had volstrekt geen eerbiedwekkende of moeilijke taak. Zij heeft bijna alles overgenomen uit de Synode van 1854. Zij heeft haar arbeid aan alle kerkeraden ter beoordeeling gezonden, en van allen de bewijzen van hartelijke instemming ontvangen, uitgenomen van twee of drie gemeente in Gelderland, die meer naar een gematigd independentisme overhelden. Deze gemeenten hadden geen bezwaar in den inhoud maar vreesden door zulk een Reglement een strop om heur vrijen hals te zullen krijgen”.245

Wat is de inhoud van het in 1869 ingediende Reglement? De tekst luidt als volgt:246

 

REGLEMENT
OP DE INRICHTING EN HET BESTUUR
DER CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK
IN NEDERLAND

Art. 1.

De Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland erkent volledig en zonder eenige zinsbehouding, als uitdrukking van haar geloof: de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, vervat in de 37 artikelen, den Heidelbergschen Catechismus, en de Leerregels vastgesteld in de Synode van Dordrecht van 1618 & 1619.
In de openbare godsdienstoefening gebruikt zij de Formulieren van Doop, Avondmaal, Oefening der kerkelijke tucht, Bevestiging der Kerkedienaren en Inzegening des huwelijks, die in de Synode van Dordrecht van 1618 & 1619 zijn goedgekeurd.
In het bestuur der kerk wordt, zooveel de omstandigheden het niet verhinderen, de Kerkorde gevolgd van de Synode van Dordrecht 1618 & 1619.

|101|

Art. 2.

Allen, die vrijwillig tot deze Kerk toetreden en de kinderen, die door den doop hare gemeenschap zijn ingelijfd, of voor zoover zij met hunne ouders zijn overgekomen, worden als leden der Kerk erkend en beschouwd tot hare gemeenschap te behooren.
Deze allen blijven tot de Christelijke Gereformeerde Kerk behooren, zoolang zij niet duidelijk toonen zich van haar af te scheiden, of door het bevoegde Kerkbestuur van het lidmaatschap zijn vervallen verklaard.

Art. 3.

Ingevolgde de Kerkorde, vermeld in Art. 1, wordt het bestuur over de bijzondere gemeenten geoefend door de Kerkeraden; met betrekking tot eenige gemeenten gezamenlijk, in een gedeelte van eene Provincie, door de Classicale Vergaderingen; voor zooveel al de gemeenten in eene Provincie betreft, door de Provinciale Vergaderingen; en wat aangaat de geheele Christelijke Gereformeerde Kerk, door de Algemeene Synode.

Art. 4.

De Algemeene Synode wordt, in gewone omstandigheden, alle drie jaren gehouden.

Art. 5.

De Algemeene Synode benoemt eene Synodale Commissie, bestaande uit drie leden, waarvan om de drie jaren één lid, volgens rooster aftreedt, zonder dadelijk herkiesbaar te zijn.
Aan deze Commissie is de uitvoering opgedragen van alles wat de Synode haar in last geeft. Verder is haar opgedragen de behartiging van alles wat uit de betrekking van de Christelijke Gereformeerde Kerk tot de Regeering voortvloeit, en van hetgeen haar door eenige Provinciale Vergadering wordt opgedragen.
Door eenige Provinciale kerkvergadering tot eenige zaak, die de Kerk in het gemeen aangaat, aangezocht zijnde, handelt zij daarover gelijk zij nuttig en goed oordeelt, zonder evenwel eenige kerkelijke vergadering in hare handelingen te belemmeren.
Tevens ontvangt zij de stukken, die uit het buitenland aan de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland gericht worden, en brengt die ter kennis, waar het behoort.
In eenig weekblad geeft zij kennis van al hetgeen zij ter kennis van de gemeenten meent te moeten brengen, terwijl zij aan de Synodale vergadering verslag doet van alle hare werkzaamheden, gedurende den tijd van de eene Synode tot de andere;
in gewone omstandigheden houdt zij jaarlijks eene bijeenkomst op de plaats harer vestiging, en wel te Amsterdam.

Art. 6.

Elke afwijking tegen de bepalingen van het voorgaand artikel maakt de handeling der Synodale Commissie voor de Kerk krachteloos.

 

8.2. De bezwaren van de Dolerenden tegen het Reglement.

Het Reglement van 1869 kwam al dadelijk op het Gereformeerd Kerkelijk Congres van januari 1887 ter sprake.247 Een van de vragen, daar gesteld (nl. de zesde, in sectie VII) was: Kunnen onze kerken attestaties afgeven aan ‘de Christelijk Gereformeerden’? Antwoord: “Dat kan niet, zoolang zij hun genootschappelijk Statuut van 1869 handhaven”.

|102|

Volgende vraag: “Kunnen onze Kerken met de hunnen ineensmelten?” Antwoord: “Ja, en dit moet zelfs, zoodra zij doen als het antwoord op de zesde vraag is aangewezen. Maar eer kan dit niet; anders raakt men weêr onder een genootschap”.
Volgende vraag: “Kunnen verstrooide geloovigen den dienst des Woords en der Sacramenten bij hen gebruiken?” Antwoord: “Ja; alleen de aansluiting aan hun gemeente kan niet, om hun Statuut van 1869”.248 Het Reglement wordt hier — op voetspoor van Kuyper — telkens ‘Statuut’ genoemd; het standpunt is duidelijk: door dit ‘Statuut’ is de Christelijke Gereformeerde Kerk een genootschap geworden; vereniging kon alleen plaats vinden na verdwijning van dit ‘Statuut’.

Aan deze lijn is consequent vastgehouden door het Synodaal Convent 1887 en door de voorlopige synoden in de jaren 1888 tot 1892, al werd nu doorgaans de benaming ‘het Reglement van 1869’ gebruikt. Wanneer Kuyper op het Synodaal Convent rapport uitbrengt namens de commissie van praeadvies, verklaart hij onder meer:

“Onzerzijds staat alzoo reeds nu niets aan deze ineensmelting in den weg, mits het kerkbestuur hunnerzijds slechts aan geen andere banden gebonden zij dan de Formulieren van Eenigheid en de Kerkenordening.
Daarentegen mogen en kunnen wij ons niet voegen onder het hunnerzijds aanvaarde Reglement van 1869, naardien de beginselen van dit Reglement in meer dan één opzicht anders zijn dan die van onze Kerkenordening”.249

In welk opzicht is de inhoud van dit Reglement in strijd met de beginselen van de D.K.O.? Meer dan eens is dit uiteengezet.250 1. Het Reglement maakt onderscheid tussen Kerk (één landelijk geheel) en gemeenten; de D.K.O. spreekt van Kerk (de plaatselijke Kerk) en kerken (de kerken in het kerkverband). 2. Het Reglement gaat van het geheel, de Kerk uit, en daalt dan af tot de delen; de D.K.O. gaat uit van de delen, de plaatselijke kerken, en komt zo tot het geheel. 3. Volgens het Reglement is het geheel, de Kerk, een verzameling van persoonlijke leden; volgens de D.K.O. bestaat het geheel uit geconfedereerde kerken. 4. Het Reglement spreekt van besturen, laat het bestuur over een gemeente uitoefenen door een kerkeraad, over een groep van gemeenten door classicale en provinciale vergaderingen, en over heel de Kerk door de algemene synode; de D.K.O. kent slechts één bestuur, de kerkeraad, en verder meerdere vergaderingen, die wel bindende besluiten kunnen nemen, maar geen besturen zijn. 5. Het Reglement laat de bestuursmacht tenslotte uitlopen in een Synodale Commissie, die aanblijft, wier macht zeer vaag is omschreven en die alle voorkomende zaken met de overheid te regelen heeft. Dit Reglement is collegialistisch. De Christelijke Gereformeerde Kerk heeft dus tegelijkertijd de gereformeerde D.K.O. en een collegialistisch Reglement. Maar blijkens het opschrift bevat dit Reglement de bepalingen omtrent de inrichting en het bestuur van de Christelijke Gereformeerde Kerk. In de sfeer van de staat heeft dit Reglement de betekenis van een statuut. Het dringt de D.K.O. op de achtergrond. En het zal voor de rechter prevaleren bij een eventueel proces.

|103|

9. De achtergrond van en de bezinning over het Reglement van 1869

9.1. De achtergrond van het Reglement van 1869.

In het uitvoerig door H. Bavinck opgesteld rapport dat de ingebrachte bezwaren tegen het Reglement opsomt en bespreekt, wordt opgemerkt:

“Van 1870 tot 1886 heeft de Christ. Ger. Kerk onder dit reglement geleefd en er niet het minste nadeel van ondervonden. De meeste kerken wisten zelfs niet van het bestaan van dat reglement. Maar van 1886 af werd het in eens door de Kerken in doleantie uit zijn schuilhoek te voorschijn gebracht en aan eene strenge kritiek onderworpen”.251

Al eerder had D.K. Wielenga het Reglement “steeds slapend” genoemd.252 A. Brummelkamp jr. drukte zich wat uitbundiger uit; hij sprak van het “fameuze, het voor jaren opgemaakte, het sinds bijna vergetene, het zoo goed als slapende (wie sprak er ooit van?), het in de Archieven der kerk weggeborgene en verborgene, maar opeens van onder de paperassen te voorschijn gehaalde, akribisch bekekene, in de presbyteriale weegschaal opgewogen en te licht bevondene Reglement, kortom (…) het Reglement van onze kerk waaraan in onze kerk nog nooit zooveel aandacht en zoovele besprekingen gewijd zijn als in de jongstverloopen twee jaren”.253

Zo heel erg slapend was het Reglement trouwens niet geweest. Nog in 1885 besloot de algemene synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk, toen te Rotterdam gehouden, tot kennisgeving aan de regering van een toevoeging in het tweede artikel.254

Het Reglement van 1869 was, zoals Gispen memoreerde, niet nieuw.255 Het was gelijk aan een reglement, ontworpen door de synode van Zwolle 1854; alleen was die eerdere tekst op een paar punten enigszins verbeterd. Hoe kwam nu de synode van Zwolle ertoe, zo’n reglement te redigeren? Om dit te verstaan, moeten we nog even verder terug in de geschiedenis.

Om mogelijkheid van ongehinderde eredienst te verkrijgen had de gemeente te Utrecht in december 1838 het verzoek tot de koning gericht, haar te erkennen als ‘Christelijke Afgescheidene gemeente’. Dit verzoek ging vergezeld van de indiening van een reglement waarin de inrichting van het gemeentelijk leven uitvoerig beschreven werd.256 Op dit verzoek werd in positieve zin gereageerd. Het element dat bij de regering de doorslag gaf, was het zich aandienen als een nieuw genootschap. Voor erkenning moest men zich bij de regering vervoegen als personen die een afzonderlijk nieuw genootschap wensten te vormen. Ofschoon het independentistische optreden van de gemeente te Utrecht bij andere gemeenten bezwaren opriep, en men het in ’t algemeen een zwaar offer achtte van de naam ‘Gereformeerd’ af te zien (waarvan geen afstond kon worden gedaan volgens de synode van 1836), ging men, door de nood gedrongen, ook elders tot een verzoek om erkenning over, op soortgelijke wijze.257 Daarbij werd gebruik gemaakt van het reglement dat door de gemeente te Utrecht werd ingediend, òf, wat later, van een korter reglement opgesteld door de gemeente te ’s-Gravenhage. Steeds bleven er echter gemeenten die weigerden erkenning als Christelijke Afgescheidene gemeente aan te vragen.258
De Wet van 1853 deed de vraag rijzen of het nu niet zaak was, het geheel van de gemeenten gezamenlijk bij de regering bekend te maken als Kerk, met de naam die men zelf reeds was gaan gebruiken: ‘de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk’ om als zodanig door de regering erkend te worden.

|104|

Hierbij moest men rekening houden met speciaal de artikelen 1 en 5 van de Wet.
Artikel 1 bepaalde onder meer: “Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen. De bepalingen, betreffende de inrigting en het bestuur worden, voor zooveel zij niet reeds Ons berekend zijn gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld”.
Artikel 5 begon met deze bepaling: “Synodale vergaderingen en hoofden, die kerkgenootschappen vertegenwoordigen of besturen, behoeven Onze goedkeuring op de plaats van vestiging”.
Het is duidelijk dat de wet hier collegialistisch getint is.259 Om aan haar te voldoen, heeft men ter synode van Zwolle deze handelwijze gevolgd, dat men wel verklaard heeft de D.K.O. te onderhouden, maar daarmee, wat de inrichting en het bestuur betreft, niet volstaan heeft. Men heeft enkele zaken nog expliciet vermeld.260 Het verdient notitie dat hierbij ook het herziene Algemeen Reglement van de Nederlandse Hervormde Kerk 1852, voor de aandacht heeft gestaan. Met artikel 4 van dat Algemeen Reglement (“Het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk wordt uitgeoefend: 1. Over de gemeenten, door kerkeraden”, enz.) correspondeert artikel 4 van het Zwolse reglement: “Het Kerkbestuur der Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk wordt uitgeoefend door de Kerkeraden, de Classicale vergaderingen, de Provinciale Kerkbesturen, en de Algemeene Synode …”.261
Ook werd nu ingevoerd, gedachtig aan de Synodale Commissie in de Nederlandse Hervormde Kerk, een Algemene Commissie, die, overeenkomstig een vastgestelde lastbrief, zaken had te behartigen tussen twee synoden in. Daartoe behoorde onder meer dat zij “ontvangt alle aanschrijvingen van de Regering des lands, en geeft, van Haar gevraagd wordende, alle inlichtingen die zij betamelijk oordeelt” (art. 5 van de “Lastbrief voor de Synodale Commissie”, Handelingen 1854, blz. 46vv.).262
Ondertekend door de kerkeraden van 165 gemeenten werd het reglement van 1854 toegezonden aan de regering. Maar het beoogde doel werd niet bereikt. Er werd een dispositie ontvangen waarin verklaard werd, dat door de regering wel toelating was verleend tot het bestaan van een Christelijke Afgescheidene gemeente op deze en gene plaats, maar dat bij haar geen kerkgenootschap bekend was van een Christelijke Afgescheidene Gereformeerde gemeente. Dit antwoord was merkwaardig. Het was immers juist de bedoeling geweest, als kerkgemeenschap, conform de wet van 1853 bekend te zijn en erkend te worden. De reactie van Den Haag kwam neer op een weigering. Maar hoe verhield deze zich tot de Wet van 1853? Gispen tekent terecht aan, dat bij de regering de zaak vast zat op de naam ‘Gereformeerd’. Het was vooral dit element waartegen bezwaar werd gemaakt in de ministeriële missive, die in de synode van Leiden 1857 werd voorgelezen. De synode gaf aan de Synodale Commissie de opdracht, de regering in te lichten, waarom de gemeenten op de naam Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk aanspraak maakten.263
De Wet van 1853 werd in de jaren tot 1869 niet veranderd. Wat wel veranderde, is de houding van de overheid. De negatieve reactie op het adres van 1854 maakte in 1869 plaats voor een positieve. De Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland werd als zodanig erkend.

De voorgeschiedenis maakt het begrijpelijk, dat in 1869 dit concrete Reglement werd ingediend, toen van regeringswege bericht werd dat “een Reglement op de Inrichting en het Bestuur der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland” werd verwacht. En gelet op de voorgeschiedenis is het eveneens begrijpelijk, dat dit Reglement in de Christelijke Gereformeerde Kerk géén moeilijkheden heeft opgeleverd — tot de Doleantie zich inzette.

|105|

Géén moeilijkheden — men bleef in de lijn van het verleden. Maar nu dringt zich wel een vraag op. Heeft men niet beseft dat er zakelijk toch wel enig verschil was tussen ‘1854’ resp. ‘1869’ èn de D.K.O.? Of anders gezegd: dat ‘1854’ en ‘1869’ niet geheel vrij waren van collegialisme?

Wanneer we trachten op deze vraag een antwoord te vinden, dient voorop te worden gesteld dat men èn in 1854 èn in 1869 rekening moest houden met de Wet van 1853 die zelf collegialistisch gekleurd was. Deze factor heeft vanzelfsprekend invloed geoefend.

Maar dan moet vervolgens worden opgemerkt dat er in de kring van de kerken van 1834 opvattingen leefden, die het begrijpelijk maken dat men in ’t algemeen met ‘1854’ en ‘1869’ niet zo heel veel moeite had.

In de eerste plaats had men in ’t algemeen geen grote problemen met de kwestie van ‘Kerk’ en ‘gemeenten’. Reeds eerder hebben we de aanduidingen vermeld die ten aanzien van het geheel der samenlevende kerken gebruikt worden in de Handelingen van diverse synoden. In de naam van de in 1869 verenigde gemeenschappen werd ook weer ‘Kerk’ (enkelvoud) gebezigd. Herhaaldelijk zien we ook betoogd, vooral door Helenius de Cock, dat er sinds 1834 eerst ‘gemeenten’ waren, en dat er in 1836 een afgescheiden ‘Kerk’ ontstond, namelijk door het samenkomen in de toen gehouden eerste synode.264

In de tweede plaats ontmoeten we in verbinding met de opvatting van de Kerk als de gezamenlijke gemeenten, de visie dat iedere gemeente bestuurd wordt door de kerkeraad en dat de Kerk bestuurd wordt door de algemene synode. Tussen de kerkeraden en de algemene synode zijn er dan de classicale en de provinciale vergaderingen, die kerkbestuurlijke bevoegdheden hebben ten aanzien van de kerken in de classicale en provinciale ressorten, en die we ook wel als classicale en provinciale ‘besturen’ zien aangeduid. Inzake de bevoegdheden van de meerdere vergaderingen werd uiteraard gelet op art. 30 D.K.O. In verband met art. 36 D.K.O. (“’t zelfde zeggen heeft de Classe over den Kerkeraad, ’t welk de particuliere Synode heeft over de Classe, en de Generale Synode over de Particuliere”) komen we herhaaldelijk de uitdrukking ‘opklimming’ tegen, en ook wel de term ‘hogere vergaderingen’.

Illustratief en representatief is hier het boekje van Helenius de Cock dat dienst deed aan de Theologische School te Kampen en benut werd in de kerkelijke praktijk: Gereformeerde Kerkregeering, of Handboek voor Leeraars en Kerkeraadsleden.265

Van de ‘Presbyteriale’ kerkregeringsvorm wordt daarin verklaard:

“De Presbyteriale regeeringsvorm erkent dat bijzondere gemeenten een deel zijn van de kerk, die uit vele gemeenten is zamengesteld; dat de macht om die kerk te besturen is toevertrouwd aan bepaalde dienaren, die door den Heere zelf zijn aangesteld; en dat er eene subordinatie is van kerkelijke vergaderingen, waarin de uitspraak van mindere vergaderingen herzien, bevestigd of veranderd kan worden. Deze laatste is de door de Gereformeerde Kerk aangenomene”.266

Even verder, na bespreking van de ambten, komen de kerkelijke vergaderingen en de ‘opklimming’ daarin aan de orde. “Eenige grond” voor het algemene begrip van opklimming van kerkelijke vergaderingen is “gegeven” in Hand. 15. Na een uiteenzetting over Hand. 15:

|106|

“Hoe men nu overigens ook de bijzonderheden door Lucas ons alhier vermeld verklare, man zal toch niet dan zeer bezwaarlijk kunnen ontkennen, dat de Gereformeerde kerk recht heeft zich hierop te beroepen, wanneer zij beweert, dat de zaken eener gemeente ter laatste instantie aan het oordeel eener hoogere vergadering dan die van een kerkeraad behooren onderworpen te worden”.267

Een “hoogere vergadering” — de term wordt hier gebezigd zònder verder kommentaar; over het ambtelijk of niet-ambtelijk karakter van de meerdere vergaderingen wordt niet gesproken. Over een eigen oorspronkelijk gezag van synoden, dan wel over een afgeleid gezag, evenmin. Wel wordt gezegd dat de meerdere vergadering is “zamengesteld uit afgevaardigden”. Wat die afvaardiging betreft is er een zeker verschil met Schotland, maar dat onderscheid wordt niet belangrijk geacht:

“Of deze vergadering zamengesteld is uit afgevaardigden van een provinciale vergadering, zooals dit bij ons plaats vindt, of dat elke gemeente haar afgevaardigden zendt, zooals dit b.v. in Schotland plaats heeft bij de Vereenigde Presbyteriaanse kerk en ook bij de Vrije Schotsche kerk, dit is niet de zaak, waaraan wij eenig gewicht hechten; de zaak die wij in Hand. 15 vinden aangetoond is, dat zaken van eene plaatselijke gemeente aan het oordeel der broederschap in het algemeen worden onderworpen. En alzoo meenen wij bewezen te hebben dat de vorm der Gereformeerde Kerkregeering overeenstemt met het woord des Heeren”.268

Tussen presbyteriaal en presbyteriaans wordt zakelijk geen onderscheid gemaakt. “Deze Kerk heeft een Presbyteriaans Synodaal bestuur”, zo lezen we in een kerkrechtelijk advies van de Kamper docenten Van Velzen, Brummelkamp en De Cock aan de synode van Middelburg 1869.269 Hier valt ook de herinneren aan diverse betuigingen inzake de eenheid in de kerkregering van de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk in Nederland met de Presbyteriaanse kerkgemeenschappen in Schotland waarmee banden waren ontstaan.270

 

9.2. De bezinning over het Reglement.

De kritiek van de Dolerenden op het Reglement van 1869 leidde tot bezinning bij de Christelijke Gereformeerde broeders. Er tekenden zich spoedig twee standpunten af. Kuyper hield de ontwikkeling goed bij. Al op 8 mei 1887, dus nog voor het Synodaal Convent, constateerde hij:

“Aan de eene zijde staan zij, die er hoegenaamd niets in vinden, om onbewimpeld te erkennen: dat men in 1869 met zijn reglement niet zeer gelukkig is geweest; op verre na niet op alle gevaren en bedenkingen gelet heeft; en dus hoogstens alleen aan zekere vleeschelijke geprikkeldheid zou toegeven, zoo men niet rondweg dat reglement terugnam. In dien geest uit zich nu reeds vrij rondborstig de Boodschapper.
Van den anderen kant daarentegen wil men van geen aanmerking hoegenaamd op het in 1869 gedane werk weten; schijnt men uit te gaan van de ondrestelling, dat men met dit reglement te laten varen aan eigen eer te na komt; is men zelfs tamelijk verstoord over onze opmerkingen; en betoogt men op allerlei wijze, dat er hoegenaamd niets aan dit onovertroffen reglement schort. Zoo vooral Prof. De Cock”.

Van de uitkomst was Kuyper zeker:

|107|

“Dit verschil van opinie is natuurlijk. Tegenover de mannen van energie en doortastendheid staan op elk terrein de Conservatieven. Toch behoeft men daarom geen de minste vreeze te koesteren of dit reglement van 1869 gaat weg”.271

Met name wordt dus De Cock genoemd. Hij staat tegenover “de mannen van energie en doortastendheid”. Was een tikje meer égard niet op z’n plaats geweest? Maar zelf uitte De Cock zich meer dan eens ook niet zo ‘suaviter in modo’. Hij nam al eerder geen blad voor de mond, toen hij van Kuypers uiteenzettingen in De Heraut schreef:

“Wij worden zoo dikwijls op dat gereformeerde kerkrecht en de beginselen er van gewezen, dat het bijna begint te walgen”.272

Kuyper had gelijk: de grote verdediger van het reglement was De Cock. De studenten in Kampen merkten hoe hij zich aan de kritiek daarop ergerde.273 In 1887 verklaart hij in een nieuw geschrift: “Onzerzijds zou niemand het (d.w.z. het Reglement van 1869 D.D.) willen verdedigen indien bewezen — en niet slechts beweerd — werd dat het in strijd is met de gereformeerde leer of kerkregeering”.274 Nog steeds acht hij de gegrondheid van de ingebrachte bezwaren daartegen niet bewezen. Speciaal acht hij niet bewezen dat het geheel van de gemeenten niet ‘de Kerk’ zou mogen heten.

“Niet na de synode van 1869 en evenmin door dit Reglement zijn wij begonnen te spreken van de kerk, maar wij deden dit reeds van den beginne af.
En juist dit is het bezwaar. Dr. Kuyper wil niet van de Christelijke Gereformeerde Kerk weten; hij wil alleen kerken kennen. En dit is zoo dikwijls en op zoo verschillende wijzen gezegd geworden, dat door velen geloofd werd, dat het niet gereformeerd is om de kerken in één land als ééne of als de kerk te beschouwen.
Het ongereformeerde van deze beschouwing is echter nog nooit aangetoond. En welke zelfstandigheid ook door de Gereformeerde Kerk, bij name in ons land, aan de plaatselijke gemeente en den kerkeraad is toegekend, de vereeniging der gemeenten, waardoor de kerken als een geheel werden beschouwd en daarom de Kerk heette, is oorzaak dat aan de meerdere vergadering gezag wordt toegekend over een mindere”.275

Met de inhoud van dit geschrift betuigt H. Beuker op enthousiaste wijze zijn instemming; het zou een dubbeltje moeten kosten en dan bij duizendtallen onder het volk verspreid moeten worden.276

De verdediging van het Reglement wordt door De Cock steeds volgehouden, en steeds staat Beuker aan zijn kant. Wanneer Kuyper in het najaar van 1890 heeft geschreven dat hem niemand bekend is, “die ook nog maar een poging zou willen wagen” om het voor het Reglement op te nemen, heeft hij zich vergist in De Cock. Even later, in december 1890, neemt hij net nog eens wéér daarvoor op, nl. in zijn rectorale rede — zijn Kamper collega’s Bavinck en Wielenga die het niet met hem eens zijn, moeten het óók maar horen! — en handhaaft hij nóg, dat er in het Reglement géén collegialistisch zuurdesem zit.277 En ook nu valt zijn vriend Beuker hem weer bij: “het komt ons voor dat de hooggeachte Schrijver daarin ten volle gelijk heeft”.278

Maar bij alle vasthoudendheid inzake 1869 zien we bij De Cock toch tegelijk een toenadering tot stellingen van Rutgers zich voltrekken. De

|108|

Cock treedt in deze jaren naar voren als de verdediger van de Afscheiding zoals die in 1834 te Ulrum haar begin heeft gekregen; allerlei beschouwingen van Kuyper, ook diens voorstelling dat de afscheidingsdaad te Ulrum eigenlijk zuiver ‘doleren’ was, bestrijdt hij voortdurend en krachtig. Maar juist daarom is de kerkrechtelijke toenadering bij déze figuur tot stellingen als door Rutgers al even krachtig gevindiceerd, van niet te miskennen belang. In dezelfde rede van 1890, waarin De Cock nóg ‘1869’ verdedigt (sober, en met voorzichtige formuleringen), is er géén doctrinair vasthouden aan: de Kerk is de vereniging of verzameling van de gemeenten. De namen kerk en gemeente zijn te gebruiken in eenzelfde zin, en De Cock ziet ook geen reden om de banvloek uit te spreken over de naam kerkgenootschap.

“Daarom veroorloof ik mij dan ook de vrijheid om de woorden Gemeente, Kerk en Kerkgenootschap bij afwisseling te gebruiken en er steeds hetzelfde door te verstaan”.279

Geheel consequent is hij in dit opzicht evenwel niet; wanneer hij is toegekomen aan de verdediging van ‘1869’, neemt hij het opnieuw op voor ‘Kerk’ en ‘gemeenten’ in de bekende zin, waarbij hij echter ‘gemeente’ afwisselt met ‘plaatselijke kerk’. Hij houdt daarbij ook vol: zolang men lid blijft van een plaatselijke kerk, blijft men lid van de kerk in haar (landelijk) geheel.

Wel spreekt hij nu over confederatie. Maar tegelijk wil hij verdedigen het enkelvoud ‘Kerk’ in de naam van de geconfedereerde plaatselijke kerken. Hij past de vergelijking toe met een staten-bond:

“Confoederatief en niet organisch zijn de gemeenten onderling verbonden tot ééne Kerk. En evenals in een Statenbond elke Staat een zelfstandige Staat blijft en de verbonden Staten gezamenlijk de Statenbond vormen, zoo ook de Kerk”.280

Hij beklemtoont nu ook de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. Er is ook geen hoger bestuur dan dat van de kerkeraad:

“M.H., ik weet dat de Gereformeerde Kerk geen andere gemeenten kent dan die zelfstandig zijn en een haar eigen bestuur hebben, en dat er in de Gereformeerde Kerk geen hooger bestuur wordt erkent dan dat van den Kerkeraad”.281

In dit verband valt ook de aandacht te vestigen op de kommentaar die De Cock in (en na) 1886 bij art. 30 D.K.O. publiceerde. Het gereformeerde kerkrecht kent geen hogere colleges:

“De Gereformeerde Kerk kent alleen Kerkelijke Samenkomsten. Kerkelijke Besturen zijn haar onbekend. Het besturen van de gemeente is uitsluitend aan den Kerkeraad opgedragen”.

‘Meerdere’ vergaderingen zijn vergaderingen van grotere omvang, maar niet met hogere macht:

“De classis, waarin de opzieners van eenige genabuurde kerken of gemeenten vergaderen, is dus eene meerdere vergadering dan die van den Kerkeraad. En dewijl in eene provinciale en synodale vergadering meerdere gemeenten

|109|

samenkomen dan in de vergadering van eene classis, zijn zij ook meerdere vergaderingen, zonder dat hierdoor aan dezelve een hoogere macht of gezag wordt toegekend dan aan den Kerkeraad”.282

Enerzijds is er bij De Cock een afzwakking van eerdere uitspraken en een toenadering tot belangrijke beginselen van het Doleantiekerkrecht, anderzijds een voortgezette defensie van het Reglement. Al herhaalt De Cock in 1890 niet meer wat hij eerder aan het adres van Ploos van Amstel opmerkte: een lid van de gemeente te Reitsum is óók lid van die te Amsterdam, toch handhaaft hij dat het lidmaatschap van de plaatselijke kerk involveert het lidmaatschap van de Kerk als het geheel van de geconfedereerde plaatselijke kerken. “Waarlijk, zoo hopeloos staat het met dit Reglement”, zo luidt zijn conclusie. Maar “terwille van hen, die er bezwaren tegen maken” zou hij het wel willen inruilen “voor een even goed of zoo mogelijk nog beter …, indien de mogelijkheid hiervan wordt aangewezen”.

 

Aanmerkelijk kritischer tegenover het Reglement stelde De Cocks jongere collega D.K. Wielenga zich op. Van belang is hier vooral zijn in 1888 over het Reglement en zijn voorgeschiedenis in het licht gegeven geschrift, waar artikelen in De Bazuin aan vooraf gingen. Kerkrechtelijk heeft Wielenga tegen het Reglement bezwaar zowel in formeel als in materieel opzicht. Formeel:

“Is er in een Presbyteriale kerkregeering wel plaats naast Confessie en Kerkenorde voor een derde stuk, hetzij klein of groot, hetzij Reglement of Statuut? Niemand die het beweert. Maar dan is het ook daardoor geoordeeld”.283

Maar ook materieel heeft Wielenga sterke bezwaren. Hij zegt ronduit zijn mening, en gaat daarmee rechtstreeks in tegen De Cock.

“Ook met den besten wil kan ik den inhoud van het Reglement niet in overeenstemming brengen met de beginselen en den aard der Geref. Kerkregeering”.284

Scherp bestrijdt hij artikel 2. De daarin gegeven voorstelling is genootschappelijk — collegialistisch.285 Niet gereformeerd, want basis of uitgangspunt van het kerkverband is naar gereformeerd kerkrecht de plaatselijke kerk. Sterk bezwaar heeft hij met name ook tegen artikel 5.286 De slotconclusie van Wielenga inzake het Reglement is:

“Noch Schrift, noch Confessie, noch Kerkenorde pleiten voor het behoud. Het is ook niet in de historie der Kerk geworteld, geen vrucht van gezonde ontwikkeling van het zaad van 1834.
Noch voor het wezen, evenmin als voor het welwezen der Kerk is het een vereischte.
Naar eisch van Gereformeerde beginselen wenschen ook wij, dat ‘het kerkbestuur aan geen andere banden gebonden zij dan de Formulieren van Eenigheid en de kerkenordening’”.287

Op de brochure van Wielenga volgde een uitvoerige reactie van W.H. Gispen, die, zoals we al eerder memoreerden, aan het Reglement had meegewerkt. Hij wijst er vooral op, dat 1869 in de lijn van 1854 lag, en

|110|

vermeldt enige interessante bijzonderheden over de gang van zaken. Gispen is minder star dan zijn vriend Helenius de Cock. Hij schrijft in het slot:

“De twistappel over het Reglement is in onze Kerk geworpen en we moeten zien eene zoo goed mogelijke oplossing te krijgen. Geeft het Reglement van ’69 geene nadeelen, voordeelen geeft het ook niet. Wij hebben met de Regeering niets af te rekenen of te behandelen. Voor de kerkelijke goederen, bij scheuring of afscheiding, geeft het niets. Het Reglement op de kerkelijke goederen, waaraan jaren gearbeid is, komt in de snippermand terecht. Voor schismatici breken gulden dagen aan. De theoriën, ontleend aan den rechtstoestand der oude Geref. Kerk, werken door. En daar nu de doleerende broeders de vereeniging afhankelijk stellen van het verdwijnen van dit Reglement en de, op hun standpunt, groote concessie doen om aan gemeenten die dit begeeren een plaatselijk Reglement toe te staan, eischt het groote belang der zaak, ja de Christelijke liefde, dat wij, indien het mogelijk is, dezen steen des aanstoots uit den weg ruimen”.288

In een ingezonden stuk betuigt Wielenga hem hartelijke dank. Hij betoogt dat hij zelf “slechts feiten, historische feiten” had gememoreerd. Hij besluit met de opmerking, dat hij liever níet van Gispen gehoord had de verzuchting “voor schismatici breken gulden dagen aan”. Wielenga:

“Zij getuigt, dunkt me, van weinig vertrouwen in de werking der Presb. kerkregeering, zonder reglementairen band, waarvan de Regeering het eene eind in de hand houdt … Tegenover uwe verzuchting zou ik met het oog op elke band buiten confessie en kerkenorde naar de Schrift, de zucht kunnen slaken: welk een welkom instrument voor Hierarchen”.289

Wij hebben een en ander doorgegeven uit publikaties van Helenius de Cock en H. Beuker, van D.K. Wielenga en W.H. Gispen, maar wat was het standpunt van de kerken? Hoe werd geoordeeld door synoden?290

Laten we ons eerst richten op de synode die in augustus 1888 bijeenkwam in Assen, en die in januari 1889 werd voortgezet in Kampen. Ook de vier genoemde voormannen waren daar aanwezig. Gispen werd praeses, Beuker vice-praeses, de docenten van de Theologische School waren praeadviserende leden. Present waren Van Velzen, De Cock, Noordtzij, Wielenga, Bavinck en Lindeboom.

Van alle provinciale synoden waren voorstellen ter tafel inzake de vereniging. Daarbij was ook het Reglement van 1869 betrokken. In artikel 30 van de Handelingen wordt hiervan deze samenvatting gegeven:

“Bij al de Provinciën wordt nochtans dezelfde eenstemmigheid met betrekking tot het Reglement van 1869 waargenomen. Neen, dat Reglement is geen statuut, het is niets dan een kennisgeving aan de Regeering. Is het voor de doleerende broeders een bezwaar, wij kunnen het laten wegvallen, mits de goederen gewaarborgd blijven. Alleen merkt Friesland op, dat de Synode geene rechtsmacht heeft, het Reglement op te heffen, alleen de Gemeenten hebben daartoe het recht. De Synode kan deze adviseeren, maar behoort dan ook te wijzen op de bezwaren, welke uit die opheffing kunnen voortvloeien. Zeeland wenscht, dat, ook afgezien van de Vereeniging, het Reglement gewijzigd worde”.291

Op 17 augustus kwam de zaak aan de orde. Eerst kregen de praeadviseurs het woord. Wat ieder van hen zei, wordt in de Handelingen

|111|

vermeld, zonder dat de namen genoemd worden. De meningen waren niet gelijk, maar bij de discussie bleek men algemeen van oordeel te zijn, dat de vereniging niet mocht afspringen op het punt van het Reglement. Met algemene stemmen werd, op advies van Bavinck, het volgende voorstel aangenomen:

“De Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk,
Ofschoon niet willende verdedigen het Reglement van 1869, tegen welks inhoud ook binnen onzen kring ernstige bedenkingen bestaan;
Overwegende, dat er verschillende bezwaren zijn, waarom zij niet voetstoots de erkenning der Christ. Geref. Kerk als één geheel van Kerken door de Regeering kan prijsgeven;
Draagt aan de eventueel te benoemen Deputaten onzerzijds op, om die bezwaren met de Deputaten der Voorloopige Synode te Utrecht te bespreken en te pogen om tot overeenstemming te komen, ten einde eene volgende Synode daarover dan nader oordeele”.292

Na Assen vonden op 22 november en 14 december samensprekingen plaats tussen de door deze synode benoemde deputaten en deputaten benoemd door de eerste voorlopige synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, gehouden te Utrecht. De Asser deputaten werden verrast door een door Kuyper geproduceerde, reeds gedrukte concept-acte van ineensmelting, waarop de aandacht zich nu concentreerde. De in januari 1889 voortgezette voorlopige synode van Utrecht aanvaardde de concept-acte onveranderd en unaniem. De in diezelfde dagen te Kampen voortgezette synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk aanvaardde verschillende punten van de concept-acte met meerderheid van stemmen, maar had met name bezwaar tegen wat werd voorgesteld inzake de positie van de theologische School. Besloten werd de zaak van de vereniging aanhangig te houden. Een commissie werd aangewezen om de concept-acte met de aangenomen amendementen en de bijlagen aan de kerkeraden te zenden, en daarbij te voegen een duidelijke memorie van toelichting op drie punten. Het eerste punt betrof het Reglement van 1869. Het adres was bij Bavinck, terwijl van de commissie verder deel uitmaakten J. van Andel, J.H. Donner, A. Littooy en

|112|

M. Noordtzij.293 Met de memorie van toelichting kwam deze commissie in hetzelfde jaar gereed; het geschrift telt 75 pagina’s, waarvan het grootste deel is gewijd aan de zaak van het Reglement. Achtereenvolgens komen aan de orde: a. Geschiedenis van het Reglement; b. Het Reglement; c. Bezwaren tegen het Reglement; d. Beoordeling dier bezwaren; e. Intrekking van het algemeen Reglement; f. Vervanging van het algemeen door een plaatselijk Reglement; g. Het plaatselijk Reglement; h. Gang van zaken; i. Algemene Kerkelijke goederen; j. Wijziging van het Reglement.

In het kader van ons onderwerp is van ’t meeste belang het onderdeel d. Onder c. worden de bezwaren opgesomd die van dolerende zijde werden ingebracht. Hoe worden die bezwaren nu beoordeeld? Is er homogeniteit met het Doleantiekerkrecht?

Het is opvallend dat de inhoud van dit onderdeel anders uitvalt dan het opschrift doet verwachten. Bij c wordt weergegeven het bezwaar dat het Reglement een tweede kerkorde is naast en boven de D.K.O., en worden vervolgens de punten vermeld waarop het Reglement met de D.K.O. in strijd is, naar de opvatting van de Dolerenden. Maar op deze principiële kerkrechtelijke bezwaren wordt nauwelijks ingegaan. De evaluatie luidt als volgt:

“De aanmerkingen op het reglement als statuut, en op zijn inhoud zijn niet van gewicht ontbloot. De verkeerde werking van het reglement is in de Christ. Ger. Kerk wel niet gevoeld, omdat men feitelijk toch naar de Dordsche Kerkenorde leefde. Maar er komen in het reglement toch uitdrukkingen voor, die niet in elk opzicht te verdedigen zijn en in geval van verschil tot moeilijkheden aanleiding zouden kunnen geven. Ook al wilde de Christ. Ger. Kerk van haar rechtspersoonlijkheid naar de wet van 1853 geen afstand doen, dit reglement van 1869 zou toch in ieder geval algeheele wijziging behoeven”.294

Uitvoerig wordt daarna over de macht en bevoegdheid van de Synodale Commissie gesproken, die in ieder geval anders geformuleerd moesten worden. Maar het zijn vooral de juridische aspekten die hier en in het vervolg van dit onderdeel onder de aandacht worden gebracht. Verschillende rechtsgeleerden hebben hun oordeel gegeven, en hun meningen worden weergegeven.

Toch komt de commissie tegen het einde van het geschrift tot een uitspraak over de kerkrechtelijke bezwaren die duidelijker is.

“Zooveel is aan elk wel duidelijk geworden, dat de bezwaren tegen het reglement ingebracht niet zoo maar uit de lucht gegrepen zijn. Integendeel hebben de voorafgaande beschouwingen over het reglement duidelijk aangetoond dat het Kerkrecht, in dat reglement neergelegd, een ander is dan het Gereformeerde”.295

We cursiveren deze laatste woorden, omdat hier, zij het in algemene zin, de juistheid van de Doleantiekritiek wordt toegegeven, en positie gekozen wordt tégen figuren als Helenius de Cock en Beuker met hun verdediging van het Reglement als goed-gereformeerd. Wat nu de beste oplossing is?

“Verreweg het verkieselijkste ware dan ook, om, indien het reglement van 1869 niet geheel ingetrokken wordt, het zoo te wijzigen, dat alleen de

|113|

(gewijzigde en verbeterde) Dordsche Kerkenorde aan de Regeering werd overlegd als bevattende de bepalingen betreffende de inrichting en de regeering der Christ. Geref. Kerken. Dan waren wij voor ons zelven geheel uit de moeielijkheid. De tegenstelling tusschen Kerkenorde en reglement was verdwenen. De beschuldiging van Collegiaal kerkrecht was ongerijmd”.296

Wanneer in augustus 1891 te Leeuwarden de volgende synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk gehouden wordt, zijn er met betrekking tot de vereniging weer voorstellen van alle provinciale vergaderingen ter tafel. Na bespreking besluit de synode, in overeenstemming met het door alle provinciale synoden uitgesproken oordeel, dat de concept-acte door haar terzijde wordt gesteld. Zij verklaart nu,

“dat zij op den grondslag van eenheid in Gereformeerde Belijdenis en in Gereformeerde Kerkregeering tot Kerkelijke Vereeniging met de Ned. Geref. Kerken wil zoeken te komen”.297

Aparte aandacht vereist een voorstel van Zeeland, dat “ook afgedacht van de Vereeniging … wijziging van het Algemeen Reglement noodzakelijk” oordeelt. De volgende ingebrachte bezwaren tegen het Reglement acht Zeeland niet zonder gewicht:

“1. Het Reglement zou beschouwd kunnen worden als boven de Dordtsche Kerkenorde te staan.
2. Het Reglement gaat uit van het geheel, en komt zoo tot de deelen; Dordt gaat uit van de Gemeenten, en komt zoo tot het geheel.
3. De samenstellende deelen van het geheel zijn bij Dordt de plaatselijke kerkn, bij het Reglement de leden.
4. Dordt spreekt van Gemeenten, die in meerdere Vergaderingen samenkomen, welke als zoodanig zeggenschap hebben over de plaatselijke Kerken; het Reglement spreekt van Besturen, laat het Bestuur over eene Gemeente uitoefenen door een Kerkeraad, over eene Groep Gemeenten door eene Classis en Provinciale Vergadering, en over heel de Kerk door eene Algemeene Synode.
5. En eindelijk laat het Reglement de Bestuursmacht uitloopen in eene Synodale Commissie, die aanblijft, en wier macht te vaag omschreven is”.298

Het komt Zeeland voor, dat de beste weg is het Reglement te doen vervallen bij de redering de D.K.O. in te dienen, met opgave van de buiten gebruik gestelde bepalingen, wier uitvoerbaarheid door de sinds ingevoerde staatsregeling kwam te vervallen.

De kerkrechtelijke kritiek van de Dolerenden wordt hier dus bijgevallen. De praeses geeft dit voorstel in bespreking, en al spoedig krijgen de praeadviserende leden, de Kamper docenten het woord. Opnieuw blijken de meningen verdeeld te zijn. De praeadviseur, die het eerst spreekt, adviseert niet tot wijziging over te gaan. “De bezwaren zijn meest ingebeelde, alleen van waarde indien wij aan de terminologie der 17e eeuw gebonden zijn”. Geheel anders oordeelt de volgende praeadviseur. Zeelands bezwaren worden volkomen door hem erkend, en hij adviseert in de door Zeeland voorgestelde weg te gaan. Een andere praeadviseur verklaart “dat we al veel van de Doleerenden hebben geleerd, wat zegt spreker in dit geval zeer goed is”.299 Wanneer iedere aanwezige docent zijn praeadvies heeft uitgebracht, en de zaak in verdere discussie komt, neemt Zeeland een voorstel over, geconcipieerd door

|114|

Bavinck. Ook andere voorstellen worden ingediend. Tenslotte wordt inzake het Reglement van 1869 het volgende van Bavinck afkomstige voorstel met grote meerderheid van stemmen (29-11) aangenomen:

“De Algemeene Synode der Christ. Ger. Kerk
a. gelet hebbende op de bezwaren, die binnen onzen eigen kring tegen het Reglement van 1869 worden ingebracht;
b. over het al dan niet gegronde dier bezwaren zich niet uitsprekende, maar overwegende dat geen enkele Provinciale Synode op behoud van dit Reglement gesteld is, indien maar de eenheid der Christ. Geref. Kerk bewaard blijft en hare goederen rechtszekerheid behouden,
besluit ook afgezien van de Vereeniging:
1. pogingen in ’t werk te stellen om het Reglement alzoo te wijzigen, dat de Dordtsche Kerkenorde de plaats daarvan inneme en den dienst daarvan vervulle;
2. eene Commissie te benoemen, die de toestemming der gemeenten verzoekt;
3. en die Commissie te machtigen om na verkregene toestemming bij de Regeering de daarvoor noodige stappen te doen”.300

Aan Bavinck komt de eer toe, een voorstel geformuleerd te hebben waarmee de zaak tot een gelukkige oplossing kon worden gebracht.301 Vooral de elementen “over het al dan niet gegronde dier bezwaren zich niet uitsprekende” en “ook afgezien van de Vereeniging” (overgenomen van Zeeland) zijn belangrijk.

Toch bevatte dit besluit nog iets dat niet geheel duidelijk was. Het Reglement betrof de Christelijke Gereformeerde Kerk als zodanig, de Kerk gedacht als een eenheid. Als nu de D.K.O. de plaats zou gaan innemen van het Reglement, werd dan deze kerkorde gezien als een kerkorde voor zekere landseenheid, ‘de Kerk’? Op het standpunt van het Doleantiekerkrecht lag hier een principieel bezwaar. En praktisch zou de Vereniging dan worden geblokkeerd: hoe zouden twee ongelijke partijen kunnen verenigd worden? Kerken enerzijds, die een zekere ‘landseenheid’ vormden, en kerken anderzijds die zulk een ‘landseenheid’ níet vormden en ook beslist niet wílden vormen?

Het laat zich verstaan, dat hierover vragen werden gesteld. Dat gebeurde toen een afvaardiging van de synode van Leeuwarden, bestaande uit de broeders Van Andel, Bavinck, Lindeboom, Littooy en Noordtzij, ter synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken gekomen was, die in september 1891 bijeen was te ’s-Gravenhage. De door deze synode ingestelde commissie legde de zaak voor aan de genoemde broeders;

“Onze Kerkenordening toch gaat uit van een beginsel (en past dit beginsel ook toe) waarbij institutair nooit van ééne Landskerk sprake kan zijn, en men nooit tot iets anders kan geraken, dan tot plaatselijke Kerken, die Classicaal en Synodaal samenwerken en daartoe in onderling verband treden. Eene Landskerk als eenheid, als genootschap, kent de Kerkenordening niet alleen niet, maar weerspreekt ook haar uitgangspunt en hare strekking ten eenenmale. Zoo dikwijls er geene Classe of Synode vergaderd is, bestaan er niet dan plaatselijke Kerken. Desniettegenstaande ontving de Commissie den indruk, als lag het in de bedoeling der Synode van Leeuwarden, om de Dordtsche Kerkenordening dienst te laten doen als instituut, niet alleen voor plaatselijke Kerken, maar voor zekere landseenheid, ‘de Kerk’ genaamd, en voor deze landskerk als eenheid de erkenning van de Hooge Overheid te vragen”.

|115|

Wat antwoordden de afgevaardigde broeders?

“Gaarne erkennen wij, dat de Dordtsche Kerkenordening niet van één landskerk spreekt noch daarvoor dienen kan. Zij kent slechts plaatselijke Kerken, die klassikaal en synodaal vereenigd zijn. Iets anders wil onze synode ook niet met de vervangingvan het Reglement van ’69 door de Dordtsche K.O. Maar deze D.K.O. erkent toch ook de eenheid van het innig, confessioneel en kerkrechtelijk verband der plaatselijke Kerken. Die eenheid en dat verband bestaan, ook al zijnde plaatselijke Kerken niet in classes of synoden vergaderd. Zij zijn door één geheel, één bond van Kerken, door belijdenis en Kerkenorde ten nauwste saamgebonden en verbond…
Van een landskerk, instituut of genootschap kan daarbij geen sprake zijn. De Geref. Kerken worden dan wel een bond van Kerken in het land, overeenkomstig de D.K.O., maar geen landskerk, instituut of genootschap”.

Géén landskerk, maar een bond van kerken. En even later nog:

“De door onze synode voorgenomen wijziging van het reglement van 1869 gaat uit van de overtuiging, dat de Kerk niet is een universitas ecclesiarum, dat ze eene eenheid vormt, wier samenstellende deelen, niet individueele leden, maar Kerken zijn”.

Na deze duidelijke opheldering kon er geen misverstand meer zijn.

Evenmin kon er misverstand zijn omtrent het standpunt van de Nederduitsche Gereformeerden. Radicaal moest worden afgesneden de gedachte van een landelijk kerkgenootschap, een landelijk kerkinstituut, een landskerk. Wanneer het Reglement van 1869 kwam te vervallen en alleen de D.K.O. overbleef, diende ook voor de regering vast te staan dat de D.K.O. niet functioneerde in een landelijk instituut, maar in een verband van confederatief samenlevende kerken. Een bond van kerken die confederatief een eenheid vormden.302

We zullen verder kort zijn. Nadat alle Christelijke Gereformeerde gemeenten op één na303 hun instemming hadden betuigd met het vervallen van het Reglement van 1869, en de nodige stappen bij de regering ondernomen waren, kon op 14 januari 1892 door Bavinck dankbaar in zijn dagboek worden genoteerd: “De zaak was in orde. Het Reglement van ’69 is vervallen”.304

 

10. Slot

De Vereniging van 1892 kwam tot stand “op den grondslag van de gemeenschappelijke belijdenis der Drie Formulieren van Eenigheid, van de Gereformeerde Kerkenordening (laatstelijk in 1619 bevestigd)”, en wat voorts was overeengekomen tussen de synoden van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken.305 Zij werd werkelijkheid toen in Amsterdam de beide daar vergaderende synoden gemeenschappelijk samenkwamen op 17 juni 1892.

En zij zou — zoals werd uitgesproken — “ten volle beslag hebben erlangd”,306 wanneer ook de ineensmelting van de plaatselijke kerken zich zou hebben voltrokken. In verreweg de meeste plaatsen — een kleine vijfhonderd — was er één kerk (voorheen òf Christelijk Gereformeerd òf Nederduitsch Gereformeerd). Slechts in 112 plaatsen was er meer dan één.307 Alleen daar was samensmelting dus nodig.

De Gereformeerde Kerken in Nederland — de naam werd met bijzonder

|116|

overleg gekozen. Zij vormden een bond van plaatselijke kerken, die één waren in confederatieve zin. Iedere gedachte aan een landskerk, een landelijk kerkgenootschap, een landelijk kerkinstituut, was afgesneden. In deze naam is de invloed en de doorwerking van het Doleantiekerkrecht duidelijk bespeurbaar.

In het voorstel inzake die naam werd van Nederduitsch Gereformeerde zijde er nóg eens op gewezen, dat “onze vaderen” zeer dikwijls ook wel over de kerk van Nederland of de Gereformeerde kerk, in het enkelvoud spraken, maar dit dan deden “uitsluitend in dogmatischen, oratorischen, of geographischen zin, en nooit kerkrechtelijk, d.w.z. nimmer als het er op aan kwam, om de eenheid van de ecclesiae formatae als zoodanig uit te drukken”. Naar goede gereformeerde beginselen is iedere plaatselijke kerk een complete kerk en niet een pars ecclesiae. “Dit grondbeginsel nu van ons Gereformeerd Kerkrecht zou te loor gaan, indien wij, gelijk thans, voor vrije keuze gesteld, den alouden naam van Gereformeerde Kerken opzettelijk in dien van Gereformeerde Kerk gingen omzetten”.

Deze verklaring ligt in het verlengde van het reeds in 1882 door Rutgers gehouden betoog voor de Vrienden der Waarheid.308 In de lijn van hetzelfde betoog liggen ook de volgende woorden in het voorstel van Nederduitsch Gereformeerde zijde over de naam van de Kerken: “Denkbaar blijft … alleen, dat men het woord Vereenigde vóór Gereformeerde Kerken plaatst. Nu waren de Gereformeerde Kerken ten onzent steeds vereenigde Kerken. Nooit namen zij het independentistische standpunt in, dat eene Kerk ook wel op zich zelve mocht blijven staan. Als zijnde allen samen openbaringen van het ééne lichaam van Christus, waren zij één, hoorden zij bijeen, en was het plichtmatig deze eenheid ook formeel te laten uitkomen”. Een bezwaar tegen de naam De Verenigde Gereformeerde Kerken in Nederland was, dat men bij de term Verenigde licht zou kunnen denken aan de vereniging van de twee nu toe elkander komende kerkengroepen. En in die zin moest de eventuele bijvoeging juist niet worden verstaan. Daarom was het beter “eenvoudig evenals onze vaderen ons weer te noemen: De Gereformeerde Kerken in Nederland”.309

 

Ons overzicht inzake het Doleantiekerkrecht begon in 1882, met de zojuist weer genoemde rede van Rutgers. Wat het kerkverband betreft zal het onze lezers wellicht in de eerste plaats zijn opgevallen dat in héél de periode van 1882-1892 voortdurend betoogd is, dat het aangaan en in stand houden van een goed ingericht kerkverband schriftuurlijke roeping is. De eenheid in Christus moet zich openbaren in het oefenen van gemeenschap, en die gemeenschap dient geoefend te worden naar goede orde. De goddelijke eis, de schriftuurlijke verplichting wordt steeds voorgehouden. We hebben tal van uitspraken hierover geciteerd; gemakkelijk zouden ze kunnen worden vermeerderd. Hierbij is ons óók gebleken, dat juist terzake van het kerkverband niets nieuws werd beoogd. Er was één streven, en dat éne streven zien we uitgedrukt in het éne woord terugkeer. Terugkeer naar de beginselen die erkend en aanvaard werden toen in de 16e eeuw de Nederlandse Gereformeerde Kerken — kerken onder het kruis, vluchtelingenkerken — elkaar zochten en

|117|

vonden. Terugkeer tot die beginselen, allerminst uit repristinatiedrang, maar om het schriftuurlijk-reformatorisch karakter ervan. Terugkeer dús ook tot de oude kerkorde, laatstelijk bevestigd in 1619 en nooit wettig afgeschaft.

Maar dan valt in de tweede plaats te constateren, dat in diezelfde periode, 1882-1892, geen ander geluid geklonken heeft dan dit: de onderlinge verbondenheid ligt in het Woord van God en in de belijdenis van dat Woord. Onlosmakelijk is de belijdenis met het kerkverband verbonden. De eenheid in de belijdenis is de onopgeefbare grondslag van het kerkverband; het kerkverband staat òf valt daarmee. Zij is daarom ook voorwaarde voor het kerkverband. Hoe weloverwogen formuleert hier Rutgers in zijn vaker genoemde rede van ’82: “De grondslag er van was, in volstrekten zin, de gemeenschappelijke erkenning van het onvoorwaardelijk gezag van Gods Woord, d.i. van de Heilige Schrift, en de gemeenschappelijke belijdenis van de daarop gegronde artikelen en stukken der leer. Voor de kerkgemeenschap kwam het daarbij natuurlijk vooral aan op de belijdenisschriften”.

Hoe zorgvuldig en helder drukt hij zich eveneens uit in zijn rectorale rede van hetzelfde jaar: “Indertijd was dat kerkverband gelegd en bevestigd, omdat en doordat de samenkomende kerken in geloofsovertuiging overeenstemden. Zij hadden reeds aanvaard, of zij aanvaardden, dezelfde geloofsbelijdenis; en die eenparigheid in de leer was de voorwaarde en de grond waarop zij, ook uitwendig zich met elkaar vereenigden. Maar juist daarom bleef die gemeenschappelijke belijdenis de onmisbare grondslag van het kerkverband, en was er voor zijn duurzaamheid wel geen groter gevaar, dan dat die belijdenis werd bestreden of terzijde gesteld”. En wanneer even later Kuyper schrijft: “Niet de eenheid van de Kerkorde, maar de eenheid van belijdenis beslist voor de eenheid der Kerken”, hebben deze woorden dan niet dezelfde tendenz? En geldt niet hetzelfde van bv. Kuypers uitspraak in zijn Tractaat: “Formulieren van eenigheid vast te stellen en te waken voor heur handhaving is alzoo de eerste plicht aller kerken die in kerkverband treden”? Ook hier zijn de citaten gemakkelijk uit te breiden.310 In deze grote zaak, de belijdenis de grondslag van het kerkverband, het waken voor de handhaving van de drie formulieren van eenheid de eerste plicht in het kerkverband, stemden ‘Afgescheidenen’ en ‘Dolerenden’ geheel overeen. De eenheid in de waarheid verbond hen. Bij de herdenking van de Doleantie past ons grote dankbaarheid voor de strijd, door de mannen van ’86 voor de belijdenis gevoerd, en voor hun vasthouden aan de formulieren van eenheid als de eenheidsband van de kerken. Wat onopgeefbaar was, blijft onopgeefbaar. De handhaving van de formulieren van eenheid blijft de eerste plicht van alle kerken in het kerkverband.

In de derde plaats treffen ons in het Doleantiekerkrecht de betogen inzake de confederatieve aard van het kerkverband en de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. Deze twee onderscheiden zaken zien we telkens in onderlinge samenhang naar voren gebracht. Dat is reeds begrijpelijk zonder méér. Maar hier valt ook te rekenen met de gevoerde strijd. Evenals bij de Afscheiding van 1834 ging, bij alle verschil tussen beide reformatorische bewegingen, de strijd van de Doleantie in de eerste plaats om de handhaving van de belijdenis der kerk. In die strijd kreeg

|118|

men met de onverzettelijkheid van de synodale hiërarchie te doen, die de belijdenis had prijsgegeven, bleef prijsgeven, en het steeds erger maakte (de nieuwe proponentsformule). Eén zaak gaf deze hiërarchie niet prijs: zichzelf. De strijd vóór de handhaving van de belijdenis èn de strijd tegen de zelfhandhaving van de hiërarchie werd hierdoor één strijd. Een strijd voor het absolute gezag van het Woord van God èn voor het absolute gezag van het enige Hoofd van de kerk, de Here Jezus Christus. Tégen de hiërarchie van de synode en de haar gehoorzamende lagere hiërarchische besturen werd gevindiceerd de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. Die plaatselijke kerk, zo werd gesteld, had het recht èn de plicht, zelf de belijdenis te handhaven. Werd deze handhaving door de synodale hiërarchie onmogelijk gemaakt, dan moest de plaatselijke kerk het synodale juk resoluut afwerpen, met de hiërarchische bestuurscolleges met beslistheid breken. Maar werd hiermee nu gestreden voor de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, zonder méér, als een zaak-op-zich? Inderdaad, die vrijheid en zelfstandigheid zijn beklemtoond. Maar zeker niet minder is herhaaldelijk tegelijk benadrukt de roeping tot het kerkverband. Steeds is óók benadrukt dat zelfstandigheid allerminst inhoudt: op zichzelf staan. De bewijzen liggen hier voor het grijpen. Zonder iets af te doen aan wat verklaard werd over de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, kan worden geconstateerd: de strijd van de Doleantie is een strijd voor het gereformeerde kerkverband geweest. Nauwelijks hadden de eerste kerken het juk afgeworpen, of ze zochten elkaar, en kwamen door hun afgevaardigden samen, naar de D.K.O.

Zéker, de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk blijft uitgangspunt. Geen kerk kan door andere kerken gedwongen worden in het kerkverband te participeren. Geen kerk kan door andere kerken gedwongen worden dit te blijven doen. Maar — de Doleantie is niet moe geworden het te herhalen — God roept. Hij roept tot een hecht kerkverband, op het fundament van zijn Woord. Een kerkverband waarvan de belijdenis de grondslag is. Met vaste en goede afspraken die de kerken confederatief met elkaar hebben gemaakt, afspraken als vastgelegd in de Kerkorde van weleer. Met meerdere vergaderingen, wier besluiten voor de plaatselijke kerken rechtskracht hebben, bindend zijn — tenzij bewezen wordt dat zij in strijd zijn met het Woord van God, of met de kerkorde zelf (art. 31 D.K.O.). Een kerkverband waarin de meerdere vergaderingen geen ‘hogere’ vergaderingen zijn. Waarin de kerkeraden de enige ambtelijke colleges blijven. Een kerkverband zónder independentisme. Een kerkverband zónder hiërarchie, in welke vorm dan ook (vgl. art. 84 D.K.O.). Een kerkverband van hecht verenigde kerken, in en door Jezus Christus, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de kerk (art. 31 NGB). We zijn dankbaar voor dít Doleantiekerkrecht.

 

Tegen het Reglement van 1869 zijn van de zijde van de Doleantie steekhoudende bezwaren ingebracht. Ook daarvoor zijn we dankbaar. Niet dankbaar zijn we voor de wijze, waarop dit soms gebeurd is. Evenmin voor de consequenties die bv. op het Gereformeerd Kerkelijk Congres getrokken zijn. Te weinig ook kenden de Dolerenden vóór 1888 de achtergronden van het Reglement.

|119|

De ingebrachte bezwaren tegen het Reglement hadden de broeders van de Afscheiding tot kerkrechtelijke bezinning gebracht. Zij werden genoodzaakt zich te beraden over de kritiek dat de inhoud van het Reglement op belangrijke punten onverenigbaar was met beginselen die aan de D.K.O. ten grondslag liggen en daarin tot uitdrukking zijn gebracht. Maar de inhoud van het Reglement was, zoals we gezien hebben, niet vreemd aan opvattingen die in de kring van de kerken van ’34 voorkwamen. Men was geen spreken van: de Kerk (als het geheel) en de gemeenten (een spreekwijze waaraan men gewend was geraakt vóór de Afscheiding), en verbond daaraan: wie lid is van een gemeente, is lid van de Kerk, alsook: de gemeenten worden bestuurd door de kerkeraden, de Kerk wordt bestuurd door de synode. Er werd in deze opzichten veelal vrij simpel gedacht. Maar er zat wél veel aan vast! We zouden hier een reeks van zaken kunnen noemen, maar moeten daarvan afzien. Een en ander maakt echter wèl begrijpelijk dat een figuur als Helenius de Cock, die steeds vasthield dat het Reglement goed gereformeerd was, de stelling verdedigde dat een lid van de gemeente te Reitsum óók lid was van de gemeente te Amsterdam. Zoals het op zijn standpunt ook verstaanbaar is, dat hij in zijn kerkrechtelijk handboekje verklaarde: predikanten ontvangen hun aanstelling “van de geheele Kerk”, ouderlingen en diakenen ontvangen hun aanstelling “van de gemeente”.311

 

De kritiek van de Doleantie op het Reglement heeft de ogen doen opengaan voor foutieve kerkrechtelijke denkwijzen en voorstelling ook buiten het Reglement! Waarbij genoteerd moet worden dat al vóór de Doleantie een verfrissende bijdrage werd geleverd door Bavinck. Hij zag de centraliserende tendenzen, en waarschuwde: “Wij zijn een bond van vrije gereformeerde Kerken — dat vergete men nooit! de autonomie der particuliere gemeenten moet dus zooveel mogelijk gehandhaafd worden”.312

 

Vaak hebben we de namen van Rutgers en Helenius de Cock genoemd.

Bij de Vereniging bestonden er tal van synodale bepalingen van de beide kerkengroepen. De synode waarop de Vereniging tot stand kwam, benoemde De Cock in het deputaatschap dat tot taak had de vele bepalingen door te nemen en daarover te adviseren.

De drie deputaten werkten hard en hadden hun rapport tijdig gereed.313 Er waaide een frisse wind. Voorgesteld werd, allerlei bepalingen niet over te nemen. Ook werd in meer dan één geval geadviseerd tot wijziging van wèl over te nemen bepalingen. Het rapport telde 60 foliovellen. Rutgers schreef er in zijn exemplaar kanttekeningen bij.314 Heel vaak: “al te summierlijk”, soms ook “onnodig”. Bij artikel 36 D.K.O. verklaarden de drie deputaten dat de macht van de meerdere vergaderingen wèl onderling gelijksoortig is, maar niet gelijksoortig met de macht van de kerkeraden over de kerken.

Dáár plaatste Rutgers géén kritische notitie bij. Heel begrijpelijk.

Er was in deze jaren kerkrechtelijk veel vooruitgang geboekt.

|120|

Aantekeningen bij: Het Doleantiekerkrecht en de Afgescheidenen

1 H. Bouwman, De crisis der jeugd. Eenige bladzijden uit de geschiedenis van de kerken der Afscheiding, Kampen 1914; opnieuw uitgegeven met een woord ter inleiding van C. Smits, Kampen 1976. De inhoud van dit geschrift werd door Bouwman omgewerkt en belangrijk uitgebreid in een aantal reeksen vervolgartikelen in De Bazuin, onder de gemeenschappelijke titel “Uit onze geschiedenis”, in de jaren 1923-1925. Over de typering van de moeilijkheden na de Afscheiding als “de crisis der jeugd”: K. Schilder in De Reformatie, 24 (1948/49), 16 (beter: “beproeving van onze kerkelijke ouderdom”; vgl. ook dezelfde, De dogmatische beteekenis der “Afscheiding” ook voor onzen tijd, Kampen 1934, 22v.).

2 Voor de betekenis van zulke studie en bezinning vóór een breuk wees A. Kuyper op Luther. Volgens hem was ook aan Luthers optreden “een langdurige en ernstige bestudeering van het kerkrecht” vooraf gegaan. “Zonder zulk een voorbereiding zou door Luthers optreden slechts een chaos zijn ontstaan … Nu schikt zich na de breuke, die hij in het leven riep, schier alles vanzelf”, Tractaat, XXI. Eerder F.L. Rutgers: “Bij afbraak van ’t geen niet kan blijven staan, moet reeds van te voren de opbouw zijn voorbereid; en ook de afbraak zelve vereischt overleg, opdat men niet soms onder het puin bedolven worde”, in: F.L. Rutgers en A.F. de Savornin Lohman, In hoeverre heeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Nederl. Gereformeerde Kerken is opgelegd, voor de bijzondere kerken die daarin geplaatst zijn, eene bindende kracht?, Amsterdam 1882, 4. In dezelfde geest Rutgers later in hetzelfde jaar: “… het zou dan wel nooit gekomen zijn tot de kerkhervorming van de 16e eeuw. O!, ik weet wel: die is niet geboren uit de studie van het kerkrecht. Maar toch ook niet zonder die studie”, Het Kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen Kerkeraad in den aanvang der 17e eeuw, Amsterdam 1882, 6.

3 Dit impliceert niet, dat de Afscheiding te Ulrum niet doordacht is geschied, met te weinig kerkrechtelijk inzicht. Zie: G. Keizer, De Afscheiding van 1834, Kampen 1934, 564-570.

4 Zo kan bv. J.J. Buskes kortweg, zonder meer verklaren: “Alle ouderlingen en diakenen, die zich achter Dr. Geelkerken schaarden, werden afgezet door de Synode, die daarmee het kerkrecht der Doleantie de nek omdraaide”, Hoera voor het leven, Amsterdam 1963, 110.

5 Vóór 1886 bv. in Kuypers Tractaat, na 1886 bv. ook in afzonderlijke congressen. Een kort overzicht in: H. Kaajan, De Doleantie en haar kerkrechtelijke beginselen, Utrecht 1936, 32-42; breder, wat de ambten betreft: G.M. den Hartogh, “De Doleantie en de ambten van ouderling en diaken”, in: GTT, 37 (1936), 24-57. Er zou inzake de Doleantie en onderwerpen als de ambten en de zending een uitvoerige literatuurlijst te geven zijn. Het onderwerp “Doleantie en Diakonaat” wordt in deze bundel belicht door C. Trimp. Betreffende het zo juist genoemde geschrift van Kaajan zij opgemerkt, dat de tekst van het laatste hoofdstuk (“Wat de Doleantie als het rechte kerkrecht beleed”), gelijk is aan die van Kaajans bijdrage in: Ref. ’86, 195-228, maar dan getiteld: “De Doleantie en het kerkverband”.

6 Een uitzondering zou te maken zijn ten aanzien van bepaalde uiteenzettingen met name van Kuyper en L.H. Wagenaar over het ambt der gelovigen, en de relatie tussen dit ambt en de zgn. bijzondere ambten.

7 GTT, 37 (1936), 76-92; het citaat op 79.

8 Vgl. Kaajan, a.w., 43: “Heel het kerkelijk leven werd opnieuw naar de aloude Gereformeerde lijnen zoo zuiver mogelijk ingericht. Met bewonderenswaardige kennis van zaken en miraculeuse preciesheid werd de in Gods kracht aangevangen reformatie der kerken voortgezet. Niet het minst door de zuivere toepassing der Gereformeerde kerkrechtelijke beginselen is de Doleantie voor ons vaderland en ook voor de Gereformeerde kerken in het buitenland tot enormen zegen gesteld”. Kaajan tekent hierbij nog aan: “In dit alles zien we inzonderheid den fijnen geest van Prof. Dr. F.L. Rutgers”, 64.

9 M. Bouwman, Voetius over het gezag der synoden, Amsterdam 1937. Met het oog op dit werk: “De erfenis van de Doleantie werd het eerst op het

|121|

belangrijke punt van het kerkrecht ten dele losgelaten”, C.H.W. van den Berg, “De Doleantie in bezinning, waardering en onderzoek. Een bibliografische studie”, in: DNK, 22/23 (jan. 1986), 76. (Het “ten dele” ziet hier juist op de beginselen inzake plaatselijke kerk — verband). Zoals begrijpelijk is, trok de dissertatie onmiddellijk ook in Hervormde kring sterk de aandacht. In De Waarheidsvriend, 4 nov. 1937, wijdde de hoofdredacteur ds. M. van Grieken er een belangrijk artikel aan, dat aldus eindigde: “Wie had dat kunnen denken, dat de Vrije Universiteit de doleantiebeweging van 1886 zoo in de moeite zou brengen! De autonomie der plaatselijke kerk is met Voetius in de hand veroordeeld. De quaestie van plaatselijke gemeente en algemeene kerk is weer aan de orde. Met veroordeeling van 1886, … van Kuyper en Rutgers”. Dr. L.D. Terlaak Poot schreef: “In de kringen der Gereformeerde Kerken in Nederland wordt met belangstellende verbazing kennis genomen van het proefschrift van dr. M. Bouwman, Geref. pred. te Nieuwendam. Onder Prof. H.H. Kuyper als promotor komt deze nieuwe doctor in zijn dissertatie “Voetius over het gezag der Synoden” aantoonen de onwettigheid en onhoudbaarheid op gereformeerd standpunt van de kerkrechtelijke basis en constructie der Doleantie-beweging van 1886”. Terlaak Poot zag perspectieven: “De komende jaren zullen alle reformatorische christenen in Nederland dwingen om zich te bezinnen op de positie van het Protestantisme in ons vaderland. Hiermede nu hangt onlosmakelijk samen de positie van onze vaderlandsche, hervormde Volkskerk. Het is verblijdend, dat het inzicht in de totaliteit, de eenheid der nationale Kerk weer opwaakt; ook daar waar men het niet verwachten zou”, ’s-Gravenhaagsche Kerkbode, 28 aug. 1937.

10 De Reformatie, 17 (1936/37), 341. Op enkele punten in het artikel van Greijdanus reageerde M. Bouwman met een ingezonden stuk, ibid., 406v., waarop Greijdanus antwoordde, 407. Op een tweetal artt. van M. Bouwman in De Bazuin, 85, nos. 42 en 43 (15 en 22 okt. 1937) volgde een “wederwoord” van Greijdanus, nos. 43-45 (22 en 29 okt., 5 nov. 1937). In het volgende jaar publiceerde Greijdanus o.m. acht hoofdartikelen over “Het wezen der meerdere vergaderingen volgens Voetius”, in: De Reformatie, 18 (1937/38), 281, 289v., 297v., 305v., 313v., 322v., 333v., 341v. In de volgende jaargang van ditzelfde blad volgden nog drie reeksen artikelen van Greijdanus over “De quaestie van het nieuwe kerkrecht” (6 artt.); “De Kerken in Synode samengekomen” (7 artt.); “Dr. F.L. Rutgers en Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman over het oude, Gereformeerde Kerkrecht” (8 artt.; ook in overdruk verschenen). Behalve deze artikelen sinds de verschijning van Bouwmans proefschrift, zijn er van Greijdanus’ hand ook nog andere artikelen betreffende het “nieuwe kerkrecht”. Zie: C. Trimp, “Bibliographie Prof. Dr. S. Greijdanus”, in: Almanak van het Corpus Studiosorum in Academia Campensi “ Fides Quaerit Intellectum”, 1948, Kampen 1948, 244-257. In hetzelfde werk: D. Deddens, “Prof. Dr. S. Greijdanus en het Gereformeerde Kerkrecht”, 185-223.

11 Bij de promotie van M. Bouwman voerde dr. J. van Lonkhuyzen oppositie; de door hem gesproken woorden publiceerde hij in De Reformatie, 17 (1936/37), 344v. Betreffende de stelling van M. Bouwman: “Er bestaat geen principieel verschil tusschen de meerdere vergadering (classis en synode) en den kerkeraad der plaatselijke kerk”, verklaarde Van Lonkhuyzen o.m.: “Uw stelling zet heel ons kerkrecht om. En Prof. Rutgers heeft ons zoo herhaaldelijk en zoo pertinent dat verschil tusschen het oorspronkelijk gezag van de kerkeraden en het afgeleide gezag der meerdere vergaderingen ingeprent, dat, indien hij kon hooren wat hier dezen namiddag aan de Vrije Universiteit verdedigd werd, hij — zooals men dat wel zegt — zich zou omkeeren in zijn graf. Hij zou, als hij nog leefde, zich over deze en andere stellingen zeer bedroefd hebben”. Aan de weergave van zijn oppositie voegde Van Lonkhuyzen toe, dat de promovendus bij zijn standpunt gebleven was, maar een “eeresaluut voor Prof. Rutgers” gebracht had. Van Lonkhuyzen: “Ik had schik in zijn woorden. Maar, helaas, ik had toch het gevoel als men heeft bij het saluut, dat de militairen brengen met knallende geweren als zij een hunner dapperen begraven. Hoe knallend de geweren ook zijn — ze begraven

|122|

hem! En dat schijnt mij in deze dissertatie te geschieden met het kerkrecht van Prof. Rutgers, met ons Geref. Kerkrecht, als tot nog toe door ons gekend en beoefend”.
Een uitvoerige en grondige kritiek leverde Van Lonkhuyzen vervolgens onder de titel: “Dr. M. Bouwman’s dissertatie nader getoetst”, in: GTT, 38 (1937), 513-531; 569-620. Hierop volgde van zijn hand o.m.: Is het nieuwe kerkrecht niet een ernstige dwaling?, Franeker 1939. Zie voor een biografische schets: BLGNP, II, 309v. Wat hierin gesteld wordt over de fundering van Van Lonkhuyzens bestrijding van het nieuwe kerkrecht (“op grond van uitspraken van geref. kerkjuristen uit de 17e eeuw, maar ook van iemand als F.L. Rutgers”), is niet correct. Terwijl hij het Doleantiekerkrecht handhaafde en verdedigde, en daarbij telkens Rutgers citeerde, en ook uitspraken van Voetius, Hoornbeek en anderen aanhaalde en besprak, heeft hij in zijn polemiek juist met klem betoogd dat ‘autoriteiten’ hier niet de doorslag konden geven. Van de ‘autoriteiten’ terúg naar de autoriteit van Gods Woord. Zijn argumenten ontleende Van Lonkhuyzen in de eerste plaats aan de Schrift, in de tweede plaats aan de belijdenis en de kerkorde. In zijn polemiek met H.H. Kuyper: “We kunnen elkander trachten dood te slaan met Voetius en Rutgers — de hoofdstrijd moet toch elders gestreden, “Geen ‘Napleiten’, maar een tijdig waarschuwen”, in: GTT, 32 (1932/33), 205. De genoemde opzet vindt men reeds in zijn geschrift Een ernstige fout. Het besluit der generale synode te Assen inzake de afzetting van een of meer kerkeraden gewogen en te licht bevonden, Chicago 1926.

12 Onafhankelijk van Greijdanus schreef Van Lonkhuyzen in augustus 1937 over de dissertatie van M. Bouwman in dezelfde geest: “Het kerkrecht toch in dit boek voorgesteld werpt heel ons tegenwoordig Geref. Kerkrecht omver; het leidt tot de heerschappij der Synodale besturen terug. En, als ik reeds vroeger gezegd heb, wijzende op hetzelfde spoor dat in Assen ingeslagen werd en hier zijn eindpunt vindt — het haalt een streep door het kerkrecht waarop de Doleantie steunde. Als dit het ware Geref. Kerkrecht is, zooals het in dit boek verdedigd wordt, dan hadden de Classicale en Synodale besturen welke de Doleantie te voorschijn riepen door zich te bemoeien met de particuliere zaken van de kerk van Amsterdam, en die de kerkeraadsleden der Doleantie als rebellen afzetten en deden wat des kerkeraads was — formeel volkomen gelijk”, “Dr. M. Bouwman’s dissertatie nader getoetst”, in: GTT, 38 (1937), 516v. (In een voetnoot deelt J.v.L. mede, dat hij dit schreef in augustus, en na het debat tussen Greijdanus en Bouwman het letterlijk laat staan.)

13 W. Bakker, “Struktuur, karakter en functioneren van de Kerkorde als probleem in het proces van Samen op Weg”, in: GTT, 85 (1985), 65-83.

14 In de genoemde Kerkorde is op dit punt het nieuwe kerkrecht gecodificeerd. Alle “vergaderingen van de kerk” (enkelvoud; hoofdst. 2; zowel de kerkeraad als de meerdere vergaderingen) zijn hierin aan elkaar gelijk dat zij uit ambtsdragers bestaan en ambtelijke vergaderingen zijn. Art. 44 luidt: “Elke meerdere vergadering bestaat uit ambtsdragers, die afgevaardigd zijn door de in haar bijeenkomende mindere vergaderingen”. In zijn gezaghebbende Verklaring van de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen 1971, die zich ten doel stelt “een beschrijving en toelichting van het positieve recht, gelijk dit momenteel in de Gereformeerde Kerken geldt en van kracht is”,  te geven, 38, verklaart D. Nauta: “De kerkeraad is samengesteld uit ambtsdragers, die hun opdracht hebben van Christus en die in Zijn naam gezag oefenen. Ook de overige kerkelijke vergaderingen, classes en synoden, worden gevormd door ambtsdragers … En ook hier hebben zij dan als ambtsdragers hun opdracht van Christus na te komen en in Zijn naam gezag te oefenen”, 120. En: “De leden mogen dan afgevaardigden zijn — en dit is een voorwaarde die blijft gelden —, het karakter der vergadering wordt eerder hierdoor bepaald dat er ambtsdragers in bijeenkomen. Het is een vergadering van ambtsdragers, een vergadering met ambtelijk karakter”, 177. Het beginsel van het Doleantiekerkrecht: in de meerdere vergadering is men aanwezig in het ambt, echter niet áls ambtsdrager, is dus prijsgegeven. Principieel is hier geen verschil met de Kerkorde der

|123|

Nederlandse Hervormde Kerk, waarin art. V handelt over “de ambtelijke vergaderingen”, en lid 2 in art. 5 luidt: “Deze vergaderingen zijn voor de plaatselijke gemeente de kerkeraad; voor de in een classis verenigde gemeenten de classicale vergadering; voor de in een kerkprovincie verenigde gemeenten en classes de provinciale kerkvergadering; en voor de gemeenten, classes en kerkprovincies tezamen en mitsdien voor de gehele Kerk de generale synode”.

15 Zie: J.C.A. van Loon, Het Algemeen Reglement van 1816, Wageningen 1942, waar de tekst van het Reglement is opgenomen als Bijlage I, 223-225.

16 Er ontstond ook ongelijkheid tussen de predikanten onderling; in de “hoogste” colleges hadden zitting ‘hoogeerwaarde heeren’, vgl. A.J. Bronkhorst, Op weg naar een nieuwe kerkorde, Amsterdam 1945, 23.

17 Voor het leerbegrip in art. 9 van het Algemeen Reglement, zie: W. Volger, De leer der Nederlandsche Hervormde Kerk. Eerste deel (1816-1852), Franeker 1946, 21-49. Een “historische interpretatie” van dit leerbegrip (de gedachte van J.D. Janssen) geeft G.M. den Hartogh, “Het getemperde ‘nieuwe licht’ bij de aanvang van de Synodale werkzaamheden (1816)”, in: GTT, 56 (1956), 33-51.

18 Voor het ontstaan van deze proponentsformule en van de genoemde kwestie, zie: Volger, a.w., 149-170; D. Nauta, De verbindende kracht van de belijdenisgeschriften. Verhandeling over de formulierkwestie in de negentiende eeuw in Nederland, Kampen 1969, 9-18.

19 Van de nieuwere literatuur: J.A. Bornewasser, “Koning Willem I”, in: C.A. Tamse (red.), Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis, Alphen aan den Rijn 1979, 229-272, 411v.; dezelfde: “Het Credo … geen rede van twist”, in: Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland, XIX (1977), 234-287; dezelfde: “De zelfstandige eenheidsstaat in de Noordelijke Nederlanden gegrondvest 1813-1814”, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 11, Bussum 1983, 208-222; M. Chappin S.J. en J.P. de Valk, “Koning Willem I: een verlicht despoot?”, in: Documentatieblad werkgroep 18e eeuw, 49/50 (febr. 1981), 84-109. Zie ook: J.A. Bornewasser, “Koning Willem I en koning Willem II in de Nederlandse historiografie”, in: Postacademica, ’s-Gravenhage 1968, 265-272.

20 J.A. Bornewasser, Kirche und Staat in Fulda unter Wilhelm Friedrich von Oranien, 1802-1806 (Quellen und Abhandlungen zur Geschichte der Abtei und der Diözese Fulda, XIX), Fulda/Utrecht/Nimwegen 1956.

21 G. van der Tuuk, Handboek voor Hervormde Predikanten en Kerkenraadsleden; of volledige verzameling van de verordeningen op de inrigting en het bestuur van de Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, Leeuwarden 1820; daarna het tweede stuk 1823, het derde stuk 1827, de algemene registers 1830, het eerste vervolg 1834, het tweede vervolg 1843, alle te Leeuwarden. In 1836 van dezelfde: Compendium of Kort Begrip van het Handboek voor Hervormde Predikanten en Kerkenraadsleden (daar “thans dat Handboek tot vijf aanmerkelijke boekdeelen is aangegroeid”). Omdat dit Compendium niet voldeed en slechts tot 1834 ging: C. Hooijer, Kerkelijke wetten voor de Hervormden in het Koningrijk der Nederlanden, Zaltbommel 1846.

22 Van de nieuwere literatuur: het in aant. 19 genoemde art. van J.A. Bornewasser: “Koning Willem I”, 273-305, 412v.; L.J. Rogier, “De eerste twee koningen uit het huis Oranje”, in: Terugblik en uitzicht, 2, Hilversum/Antwerpen 1965, 133-163; J.C. Boogman, Rondom 1848, Bussum 1978.

23 J.Th. de Visser, Kerk en Staat, 3, Leiden 1927, 334-365; I.A. Diepenhorst, De verhouding tusschen Kerk en Staat in Nederland, Utrecht z.j., 83vv., 143. A. Kuyper, Ons Program (met bijlagen), Amsterdam 1879, 275: “De leuze van ’48 was: 1. Scheiding tusschen Kerk en Staat; 2. Verdraagzaamheid jegens allen, vooral tegenover de Roomschen; 3. Elke bemoeiing van den Staat met de Kerk verkrachting van het Liberaal beginsel”.

24 D.P.D. Fabius, Het Reglement van ’52. Historisch-juridische studie over het Hervormd kerkbestuur, Amsterdam 1888 en volgende jaren. Het werk verscheen in “stukken”. Kuyper schreef na verschijning van het tweede stuk (dat “loopt van p. 113 tot p. 224”; het derde stuk verscheen in 1893):

|124|

“Mocht bij een herdruk, dien deze studie zeker alleszins verdient, de rijke stof eenigszins snijdender in hoofdstukken worden ingedeeld, dan zou het overzicht en het gemak bij het gebruik ongetwijfeld winnen”, De Heraut, no. 576 (6 jan. 1889). Fabius geeft niet de complete tekst van het gereviseerde Reglement. De tekst, zoals deze is vastgesteld, in: Handelingen van de Algemeene Synode der Christelijke Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden in den jare 1851, ’s-Gravenhage 1851, 534-558. Zie voor de organisatie van 1816 en 1852 ook: H.H. Kuyper, “De Doleantie en de organisatie”, in: Ref. ’86, 145-159.

25 Over de reserves en hun intrekking: Fabius, a.w., 326-341; De Visser, a.w., Bijlage VIII, 791-799.

26 Kuyper, Ons Program, 1133: “Vergelijk slechts 1852 en 1853. 1853 het jaar der wezenlijke vrijmaking van Rome’s Kerk. 1852 het jaar der schijn-vrijmaking van de Kerken der Hervormden”. C. Gerretson, in zijn Inleiding van W.A. Zeydner, De Hervormde Kerk op den tweesprong. Kerk of genootschap, Rotterdam 1938, 11: “Deze organisatie is, na de “losmaking van den Staat” in 1852 vrijwel ongewijzigd blijven bestaan. Door deze organisatie kwamen de besturen, in stede van als tot dusver met het gelaat, met den rug naar de Kerk te staan”. Th.L. Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht, Nijkerk 1951, 54: in 1852 zijn “hier en daar ongetwijfeld verbeteringen aangebracht”, niettemin bleven “de hoofdlijnen der kerkinrichting even verburgerlijkt “bestuurlijk” … als in 1816”.

27 C.J.H. de Wet, Die kollegiale kerkreg (diss. V.U.), Amsterdam 1921; Klaus Schlaich, Kollegialtheorie. Kirche, Recht und Staat in der Aufklärung (Jus Ecclesiasticum, 8), München 1969.

28 Zie het geschrift en de artt. van H. Bouwman, genoemd in aant. 1; C. Veenhof, Kerkgemeenschap en Kerkorde. Kort overzicht van de strijd, gevoerd in de Afgescheiden Kerken tussen 1836 en 1840 over de Kerkgemeenschap en Kerkorde, Amsterdam 1974; van dezelfde: Prediking en uitverkiezing. Kort overzicht van de strijd, gevoerd in de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk tussen 1850 en 1870, over de plaats van de leer der uitverkiezing in de prediking, Kampen 1959 (dogmatische spits, maar veel kerkhistorisch materiaal in de aantekeningen). Een beknopt instructief overzicht in Nauta, Verklaring van de kerkorde, 23-33. Zie voorts: Handelingen en Verslagen van de Algemene Synoden van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk (1836-1969), Houten/Utrecht 1984.

29 Voor de opvattingen van De Cock verwijzen we naar zijn Wederleggende beschouwing en ontwikkeling van het leerstuk des H. Doops, Veendam 1837; voorzien van inleiding en aantekeningen door W. van ’t Spijker, werd dit opnieuw uitgegeven in Hendrik de Cock, Verzamelde geschriften, 2, Houten 1986, 521-556. Voor de opvattingen van Scholte: Bijdragen ter bevordering der regte kennis aangaande de leer en praktijk des Heiligen Doops, Amsterdam 1837. Het genoemde geschrift van De Cock ging ter perse tijdens de synode van Utrecht 1837; voor de disputen op deze synode en de gang van zaken, zie: de inleiding van W. van ’t Spijker, in a.w., 523-533. Zie eveneens: W. van ’t Spijker, “De Afscheiding”, in: dezelfde e.a. (red.), Rondom de Doopvont, Goudriaan 1983, 409-426; dezelfde, “De dogmatische aspecten van de Afscheiding”, in: A. de Groot en P.L. Schram (red.), Aspecten van de Afscheiding, Franeker 1984, 105-129; dezelfde: “Theologie en spiritualiteit van de afgescheidenen”, in: W. Bakker e.a. (red.), De Afscheiding van 1834 en haar geschiedenis, Kampen 1984, 147-179; dezelfde, De kerk bij Hendrik de Cock (Apeldoornse Studies, 21), Kampen 1985. Zie ook de in aant. 28 vermelde werken, alsmede C. Smits, De Afscheiding van 1834. I. Gorinchem en ‘Beneden-Gelderland’, Oudkarspel 1971, 139 (in het meerdelige werk van Smits komt men overigens allerlei materiaal tegen dat met de opvattingen van Scholte over de doop in nauw verband staat). We noemen eveneens E. Smilde, Een eeuw van strijd over verbond en doop, Kampen 1946, dat echter niet betrouwbaar is. “Smilde’s boek is èn als weergave van wat in de Afgescheiden Kerken leefde èn als tekening van de positie van hen met wie hij het niet eens is, waardeloos”, Veenhof, Prediking en uitverkiezing, 178. Voor de kruisgemeenten wijzen we kortheidshalve op de door

|125|

H. Bouma opgestelde “Bibliografische gegevens Gereformeerde Kerk onder het kruis”, in: Notulen van de Algemene Kerkelijke Vergaderingen van de Gereformeerde Kerk onder het kruis (1844-1869), Utrecht 1982, 635-649. De in deze lijst onder de nummers 4, 6 en 11 vermelde “gedrukte bronnen” zijn, voorzien van inleidingen en aantekeningen, inmiddels opnieuw uitgegeven in: Hendrik de Cock, Verzamelde geschriften, 2.
Voor het gewicht dat Scholte aan het verschil met De Cock e.a. toekende, is veelzeggend zijn latere verklaring: “Wanneer ik in den aanvang op dit verschil gedrukt had, was er waarschijnlijk niet uit voortgevloeid zulk eene kerkelijke vereeniging als er tot stand is gebragt, ten minste wat mijn persoon betreft”, Complete uitgave van de Officiëele Stukken betreffende den uitgang uit het Ned. Herv. Kerkgenootschap 2, Kampen 1884, 240. Reeds in 1841 schreef Scholte, in verband met de Afscheiding: “Ik had een dadelijk aandeel in die gebeurtenissen, en de zucht tot herstel van de vereeniging der geloovigen deed mij vele zaken, vooral in de noordelijke provinciën van ons tegenwoordig vaderland over het hoofd zien, en uit de vooringenomenheid met alles, wat zich tegen de leugen en voor de waarheid verklaarde, kwam er van weêrszijden, zonder grondig onderzoek van hetgeen zich openbaarde, eene kerkelijke gemeenschap tot stand. … Het openbaarde zich echter al spoedig, dat de gescheidenen uit zeer ongelijksoortige bestanddeelen waren tezamengevoegd, en daaruit vloeide voort, dat de Reformatie, waarin de geestelijke oorsprong van de schrijvers duidelijk genoeg doorstraalde, de meeste tegenspraak te verduren had van de Afgescheidenen zelven”, “Inleiding” in: De Reformatie. Tijdschrift ter bevordering van Gods Koninkrijk in Nederland, I, (1841), IV, V.

30 Ontwerp van Kerkeördening der Gemeente Jesu Christi (1837), bestaande uit 33 artikelen, waarin bij vrijwel al deze artikelen verwijzingen naar Schriftplaatsen voorkomen, en hier en daar ook verwijzingen naar de belijdenis en formulieren. Zich richtende tot “de opzieners der gemeente onzes Heeren Jesu Christi”, verklaart hij in zijn woord vooraf: “Wij hebben zoo kort en duidelijk mogelijk trachten te spreken, en geduriglijk het ternedergestelde met Gods Woord en de belijdenis onzer Kerk bevestigd”. Dit woord vooraf heeft het volgende postscriptum: “De Broeders worden ernstig vermaand, nevensgaand ontwerp onder zich te houden, en te zorgen, dat het niet in handen kome dergenen die buiten zijn, dewijl dit stuk alleen bestemd is, om onderzocht en beproefd te worden”. Dit Ontwerp is niet vermeld in de lijst van “Bibliografische gegevens Gereformeerde Kerk onder het kruis”, voorkomende in Notulen van de Algemene Kerkelijke Vergaderingen van de Gereformeerde Kerk onder het kruis (1844-1869), 639v.

31 Deze kerkorde zag het licht onder de titel Kerkeördening van de Gemeente Jesu Christi, welke zich heeft afgescheiden van het in 1816 opgerigte Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap in de provincien Zuid-Holland, Utrecht, een gedeelte van Noord-Brabant en Gelderland, na voorafgaand onderzoek door de Opzieners dier gemeente vastgesteld op de Provinciale Synoden, welke gehouden zijn in Julij en Augustus 1837, Amsterdam 1837. Behalve de ondertekening namens de classes, was zij gesigneerd door o.a. H.P. Scholte als president en A.M.C. van Hall als secretaris. De uitgave werd aangeboden aan de Koning per Adres ingediend aan Z.M. den Koning, ter begeleiding der Provinciale Kerkeördening, door inwonders van de provinciën Zuid-Holland, Utrecht, Noord-Brabant en Gelderland, Amsterdam 1837. Zie: Smits, a.w., I, 141v.; IV, Provincie Utrecht, Dordrecht 1980, 17v., 241vv.; Notulen Algem. Kerkel. Vergl Geref. Kerk onder het kruis, 639v. De kerkorde is gebaseerd op het Ontwerp van Scholte, genoemd in aant. 30, maar telt 41 artikelen. De indeling is gelijk aan die van het Ontwerp: 1. “Algemeene bepalingen” (artt. 1-10); 2. “Van de Diensten” (artt. 11-23); 3. “Van de vergaderingen der Opzieners” (artt. 24-27); 4. “Van de Sacramenten” (artt. 28-30); 5. “Van de regering der Kerk” (artt. 31-41). Betreffende Scholte en de zaak van de kerkorde in de algemene synoden van de kerken der Afscheiding verwijzen we kortheidshalve naar de in aant. 28 vermelde literatuur. Vóór en na de synode van Utrecht werd ook in de vergaderingen van de opzieners der Gemeenten Jesu Christi in Noord-Holland, o.l.v.

|126|

Scholte, over een concept-kerkorde en over veranderingen in de “Utrechtse” kerkorde gesproken, en een en ander besloten, zie: Smits, a.w., III, Documenten uit het archief ds. H.P. Scholte, bewaard te Pella, Iowa, U.S.A., Dordrecht 1977, 340-345.

32 Voor de standpunten van Brummelkamp, Van Raalte en De Moen zie men hun verklaringen die zijn afgedrukt in Verslag van de synode der Afgescheidene Gereformeerde Gemeente in Nederland gehouden van den 17 November tot den 3 December 1840 te Amsterdam, ’s-Gravenhage z.j., 14-22; Handelingen en Verslagen (genoemd in aant.  28), 212-220; vgl. A. Brummelkamp jr., Levensbeschrijvingvan wijlen Prof. A. Brummelkamp, Kampen 1910, 149-152. Het beeld dat Veenhof van Brummelkamp geeft is o.i. te geflatteerd. Veenhof schrijft: “dat hij independentistische neigingen zou vertonen is met de feiten voor ogen niet vol te houden”, Prediking en uitverkiezing, 17. Zie echter J. van der Sluis, “Het Independentisme in de Graafschap van Gelderland gedurende de eerste jaren der Afscheiding”, in: Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie, 12 (1905), 165-197; 217-246; deze artikelen werden daarna met enige aanvulling als brochure uitgegeven onder dezelfde titel, Arnhem 1905. A. Brummelkamp jr., de biograaf van zijn vader, bood de redactie van genoemd tijdschrift een artikel aan, waarin op bepaalde uitspraken van Van der Sluis kritiek geleverd werd. Daar toen de uitgave van dit tijdschrift echter juist werd gestaakt, werd dit artikel geplaatst in: Wat zegt de Schrift?, 8 (1907), 72-80. Van der Sluis repliceerde met een interessant artikel: “Het Independentisme in de Graafschap van Gelderland en ds. A. Brummelkamp Sr.”, ibid., 167-180, waarin hij de kritiek afwees, enkele nieuwe voorbeelden van Brummelkamps independentisme gaf, en aantoonde dat deze zich herhaaldelijk niet hield aan art. 31 D.K.O. Voor Van Raalte: H. Reenders, “Albertus C. van Raalte als leider van Overijsselse Afgescheidenen”, in: F. Pereboom, H. Hille en H. Reenders (red.), “Van scheurmakers, onruststokers en geheime opruijers…”. De Afscheiding in Overijssel, Kampen 1984, 98-197, met nadere gegevens ook over De Moen. Kortheidshalve vewijzen we voor Scholte, Brummelkamp, Van Raalte en De Moen naar De Haas, Voorgangers, I, resp. 230-239; 51-58; 213-219; 51v., waar opgave van verdere literatuur is te vinden.

33 G.F. Gezelle Meerburg, van wie ter synode van Utrecht 1837 het voorstel afkomstig was om de D.K.O. “van artikel tot artikel na te zien, te veranderen, bij te voegen of af te laten, waar het noodig geoordeeld wordt”, had vlak vóór deze synode ondertekend de Kerkeördening, bedoeld in aant. 31, waarvoor Scholte het concept geleverd had. In tegenstelling tot Scholte was Gezelle Meerburg een zeer vredelievend man; op 17 dec. 1838 schreef hij aan Budding dat de twisten hem zo bang hadden gemaakt, dat hij zich lange tijd onttrokken had aan alle werkzaamheden buiten de provincie Noord-Brabant. In de jaren daarna distancieerde hij zich van Scholte, maar volgde hij met de kerken in Noord-Brabant toch een eigen weg, met een in deze provincie zelfstandig veranderde tekst van de D.K.O. Deze werd in 1843 gepubliceerd, met een voorrede van Gezelle Meerburg. Zij is, met de voorrede, afgedrukt als bijlage E in Handelingen en Verslagen (genoemd in aant. 28), 1167-1197. Na de moeilijke synode van Amsterdam 1843 waren er in de volgende synode van Groningen 1846 geen afgevaardigden van Noord-Brabant aanwezig. In de synode van Amsterdam 1849 was er uit deze provincie wel weer een afvaardiging. Voor Gezelle Meerburg volstaan we met verwijzing naar: J.C. Rullmann, Ernst en Vrede. Het leven van George Frans Gezelle Meerburg (Een schat in aarden vaten, V), Baarn 1919, en De Haas, Voorgangers, I, 120-124, waar verdere opgave van literatuur.

34 Scholte, in zijn bespreking van de kerkorde die in 1837 werd aangenomen in de provincies Zuid-Holland, Utrecht en een gedeelte van Noord-Brabant en Gelderland (zie aant. 31): “Er kunnen bij minkundigen ook bezwaren bestaan, dat deze Kerkeördening provinciaal en niet algemeen is vastgesteld: eene onbevooroordeelde opmerking zal echter die bezwaren spoedig kunnen wegnemen. Vooreerst moet men altijd in acht nemen, dat niet Kerkeördeningen, maar de gemeenschappelijke belijdenisgeschriften Formulieren

|127|

van eenigheid zijn. Kerkeördening is de leer, in praktijk gebragt. Wanneer er dus slechts niet verordend wordt strijdig met de gemeenschappelijke belijdenis, dan doet het er weinig toe, of eene Kerkeördening gemeentelijk, classicaal, provinciaal, nationaal of algemeen is. Even min als de Gereformeerde Kerk in Frankrijk, Engeland of Zwitserland, het die Kerk in Nederland mag kwalijk nemen, dat zij eene nationale Kerkeördening vervaardigt tot eenen regel van hare praktijk, even min mag de eene provincie, classis of kerkeraad het eene andere provincie, classis of kerkeraad kwalijk nemen, dat die eene provinciale, classicale of gemeentelijke Kerkeördening zamenstellen, indien het gemeenschappelijk geloof maar ongeschonden bewaard wordt, en men niet aan een’ ander iets wil opdringen”, De Reformatie. Tijdschrift der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, II (1837), 184. De gemeente te Pella werd een independente, congregationalistische gemeente, zie: L. Oostendorp, H.P. Scholte. Leader of the Secession of 1834 and Founder of Pella, Franeker 1964, 138, 164-167; F.L. Bos, art. “H.P. Scholte”, in: BLGNP, II, 390-393.

35 Handelingen van de Opzieners der Gemeente Jesu Christi vergaderd te Amsterdam … 1836, artt. 8, 13, 14, bijlage; Handelingen en Verslagen, 26vv.; 69v.

36 Zie de titels in: Handelingen en Verslagen. Men vindt ook wel de bredere omschrijving: “Opzieners en Afgevaardigden uit de onderscheidne Provinciën” — zo in de Handelingen van de synode van Amsterdam 1836 als opschrift, a.w., 23, terwijl de titel spreek van “de opzieners der Gemeente Jesu Christi”.

37 A.w., 40, 69.

38 In de vloed van literatuur over Kuyper ontbreekt niet alleen de grote, wetenschappelijk verantwoorde biografie (zal die over deze figuur met dit uitzonderlijk formaat nog geschreven worden?), maar wordt ook gemist een wetenschappelijke monografie over Kuyper en het kerkrecht. Wel komen kerkrechtelijke opvattingen van hem ter sprake in twee dissertaties over zijn ecclesiologie: Van Leeuwen, Kerkbegrip en H.J. Langman, Kuyper en de volkskerk, Kampen 1950. Voor bepaalde aspecten van Kuypers kerkrechtelijke inzichten is de dissertatie van W.H. Velema, De leer van de Heilige Geest bij Abraham Kuyper, ’s-Gravenhage 1957, van waarde. Eveneens valt te vermelden de dissertatie van Lothar Coenen, Gemeinde und Synode. Eine kritische Untersuchung ihrer Beziehungen in den reformierten Kirchen der Niederlande seit 1816, Göttingen 1952, waarin het tweede hoofdstuk handelt over Kuyper en de Doleantie (een samenvatting van zijn studie publiceerde de auteur in: Zeitschrift für evangelisches Kirchenrecht, 3 (1954), 74-86). Naast de gedenkbundels en allerlei speciale persnummers die van gereformeerde zijde verschenen in 1936 over de Doleantie en in 1937 over Kuyper, zag van Hervormde auteurs in 1936 het licht: De Doleantie herdacht (8 verhandelingen uit het driemaandelijks tijdschrift Onder Eigen Vaandel), met bespreking van grondgedachten van Kuyper m.n. door H.C.J. van Deelen, “De theologische achtergrond van de Doleantie” en Th.L. Haitjema, “De Doleantie en ons kerkelijk vraagstuk”. Handelingen en geschriften van Kuyper, inzonderheid verband houdend met Amsterdam, worden behandeld in het brede werk van Volger, Vrijheid. Biografisch is van veel belang het uitvoerige en nauwkeurige artikel over Kuyper (van de hand van D. Nauta) in: BWPGN, V, 348-406. Bibliografisch blijft onmisbaar Rullmann, Bibliografie.

39 De biografie van Rutgers is nog niet geschreven. Zie voor hem m.n.: J.C. Rullmann, Dr. F.L. Rutgers in zijn leven en werken geschetst, Rotterdam 1918. Daarnaast de artikelen waarin G.H.J.W.J. Geesink dit boek introduceerde in De Heraut, nos. 2128-2133 (23 nov. — 8 dec. 1918); R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen 1966, 202vv. (e.a. pl., zie reg.); J. Kamphuis, in zijn bespreking van dit werk van Bremmer, in: Onderweg aangesproken. Beschouwingen over kerk, confessie en cultuur, Groningen 1968, 209-223; dezelfde, in zijn inleiding bij de heruitgave van F.L. Rutgers, De geldigheid van de oude kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, Amsterdam 1971; J. Veenhof, “Honderd jaar theologie

|128|

aan de Vrije Universiteit”, in: M. van Os en W.J. Wieringa (eindred.), Wetenschap en Rekenschap 1880-1980. Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit, Kampen 1980, 56v.; CE1, IV, 793v. (J.C. Rullmann); CE2, 5, 696v. (D. Nauta); BLGNP, 1, 303v. (D. Nauta). Zie verder de dissertatie van Coenen, vermeld in aant. 38 en Volger, Vrijheid; diverse werken over de Doleantie, alsmede Kamphuis, Belijdende volkskerk. Tegenover de Kuyper-herdenking in 1937 heeft op een opmerkelijke wijze afgestoken het zwijgen over Rutgers bij de eeuwdag van zíjn geboorte. “Deze was in het jaar 1836 geboren, den 26sten November, dus bijna één jaar vóór Dr. A. Kuyper. Het moet een droef verzuim heeten, en een smartelijk blijk van weinige erkentelijkheid en trouw, dat in November van het vorige jaar de eeuwdag van Dr. F.L. Rutgers’ geboorte op geenerlei wijze in onze bladen is vermeld, althans niet met eenige uitvoerigheid is besproken, zelfs niet in het weekblad van wijlen zijnen vroegeren strijdmakker”, S. Greijdanus in: De Reformatie, 18 (1937/38), 34.

40 Zie voor jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman m.n.: H. van Malsen, Alexander Frederik de Savornin Lohman. Ontwikkelingsgang van zijn denken en handelen, Haarlem 1931; L.C. Suttorp, Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman 1837-1924. Zijn leven en werken, ’s-Gravenhage 1948, alsmede het artikel van A.Th. van Deursen, in: Biografisch Woordenboek van Nederland, I, 522-525. In deze publikaties verdere literatuur, aan te vullen met (o.m.) I.A. Diepenhorst, “De juridische faculteit (1880-1980)”, in: Wetenschap en Rekenschap, vermeld in aant. 39, 108-112. De verdiensten van Lohman voor de zaak van de Doleantie zijn groot geweest. De publikaties die hij samen met F.L. Rutgers verzorgde vragen onze aandacht, maar vermeld zij ook het volgende. Lohman koos aanstonds openlijk partij voor de geschorsten in Amsterdam; schreef nog vóór de Rechtsbevoegdheid: Kort verhaal van den kerkelijken strijd te Amsterdam in de eerste dagen van Januari 1886, Amsterdam 1886 en: Waar is het misdrijf der geschorsten?, Utrecht 1886; trad op als rechtskundig adviseur van de kerkvoogden van de Nieuwe Kerk op de Dam; behoorde tot hen die in vijandige taal voor “paneelzagers” werden uitgemaakt; had een eigen aandeel in het Gereformeerd Kerkelijk Congres van januari 1887, waar hij ook het tweede referaat hield; diende de uitgetreden en uittredende kerken met zijn juridische bijstand; bewees als lid der juridische commissie geheel belangeloos onschatbare diensten aan de kerken van de Doleantie; voerde in de Tweede Kamer het pleit tegen de maatregelen van de regering en de beslissingen van de rechtbanken tegen de Dolerenden (de Nederduitsche Gereformeerde Kerken).

41 Zie voor mr. dr. W. van den Bergh: het artikel van M.J. Arntzen in deze bundel, met vermelding van verdere literatuur.

42 Zie voor D.P.D. Fabius m.n.: het levensbericht door B. de Gaay Fortman, in: Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1931/32, 146-149; B. Jongeling, Tussen twee reformaties, Goes 1952; het artikel van W.F. de Gaay Fortman in: Bibliografisch Woordenboek van Nederland, II, 152v. In deze publikaties opgave van verdere literatuur, aan te vullen met (o.m.) I.A. Diepenhorst, a.art. in: Wetenschap en Rekenschap (vermeld in aant. 39 en 40), 106vv. Fabius behoorde als ouderling tot de grote meerderheid van de kerkeraad van Amsterdam die in 1886 werd geschorst en afgezet.

43 Zie voor J.C. Sikkel: het artikel van C. Smits in deze bundel, met vermelding van verdere literatuur.

44 A. Kuyper, “Bij het afsterven van mijn trouwen vriend Rutgers”, in: De Heraut, no. 244 (25 maart 1917).

45 Typerend: tegen de basisformule van de Ned. Herv. Predikantenvereniging (waarin van de leden “onbekrompen en ondubbelzinnige instemming met de belijdenis” werd verlangd), maakte nooit iemand bezwaar, met uitzondering van Rutgers, zie: W.F. Dankbaar, Onbekrompen en ondubbelzinnig, ’s-Gravenhage 1962, 10. A.W. Bronsveld schreef in 1879 in Stemmen voor Waarheid en Vrede, in een antwoord aan Rutgers: “In u, meer nog dan in Dr. Kuyper, zie ik op dit oogenblik den man, die de breuke tusschen broeders onheelbaar tracht te maken”. Rullmann, Rutgers, 76v: “… we bewonderen

|129|

hier den scherpzienden blik van Dr. Bronsveld. Want volkomen terecht zag hij in Dr. Rutgers, meer nog dan in Dr. Kuyper, den man, die bij de toepassing der beginselen, voor geen offer terugdeinsde. Dr. Kuyper zelf immers bekende bij zijn 25-jarig jubileum als Hoofdredacteur van De Standaard, van nature zóó sympathetisch te zijn aangelegd, dat hij, aan zichzelf overgelaten, licht geneigd was om op het stuk der beginselen iets toe te geven, wanneer hij daardoor de gemeenschap met al zijn broederen behouden kon. Maar dan was het voornamelijk zijn “niet genoeg te waardeeren vriend” Dr. Rutgers, die hem in zoo hachelijk oogenblik ontnuchterde. Meer nog dan Dr. Kuyper was Dr. Rutgers dan ook onverzettelijk op het stuk van beginselen”. Vgl. ook de uitspraak van Hoedemaker uit 1889: mijn invloed op Kuyper nam af “naarmate die van Prof. Rutgers … toenam”, zie: Kamphuis, Belijdende volkskerk, 6.

46 Het in aant. 44 genoemde artikel.

47 Tal van citaten uit Kuypers Heraut-artikelen in de artikelen-serie van C. Veenhof, “Dr. A. Kuyper Sr. over de bevoegdheid der meerdere vergaderingen”, in: De Reformatie, 18 (1937/38), 329v.; 337v.; 346v.; 353v.; 377v.; 386v.

48 De Heraut, no. 285 (10 juni 1883).

49 Het in aant. 44 genoemde artikel.

50 Voor de Ned. Herv. Predikantenvereniging refereerde Rutgers in 1872 over: “Hoe hebben wij te oordeelen over den stap, omtrent het beheer van de Kerkelijke goederen door de Synode in 1871 gedaan?”; in 1877 over “De aanneming tot lidmaten in de Ned. Herv. Kerk in hare geschiedenis en beteekenis”; in 1880 over: “Het Kerkelijk gezag van de Formulieren van eenigheid volgens de Synode van Dordrecht en in onze tijd”, zie: Dankbaar, a.w., 24v. Rutgers verbond zich, om over kerkrechtelijke onderwerpen te schrijven in De Heraut, toen deze op 7 december 1877 opnieuw ging verschijnen. In het eerste nummer begon hij aanstonds een artikelenserie over: “De aanneming tot lidmaat in Gereformeerden zin”. Hierin merkt hij op, dat er nog heel wat veranderen moet, voordat men kan zeggen dat er in de Ned. Herv. Kerk bij de aanneming tot lidmaat weer gehandeld wordt volgens de gereformeerde beginselen. Naar die beginselen stelt hij nu een historisch onderzoek in. Uitvoerige citaten uit deze artikelenserie in: Rullmann, Rutgers, 52-60. Een in 1879 aangekondigd geschrift van Rutgers over het kerkelijk gezag van de formulieren van eenheid is niet gepubliceerd; Rullmann, a.w., 88, veronderstelt dat de door Rutgers verzamelde stof verwerkt is in Kuypers Revisie der Revisie-legende; zie ook Rullmann, Bibliografie, II, 4. Vóór zijn hoogleraarschap bleek ook, “hoe Rutgers reeds toen volkomen thuis was in de oude kerkhistorische literatuur”, Rullmann, Rutgers, 62.

51 Kamphuis, in zijn inleiding bij de heruitgave van Rutgers’ De geldigheid van de oude kerkenordening, XVI.

52 Utrecht 1889. Deze uitgave vormde het laatste deel (serie 2, deel 3) in de “Werken van de Marnix-Vereeniging”, waarover: Rullmann, “De Marnix-Vereeniging en haar werken”, in: A.R. Staatkunde. Driemaand. orgaan, 6 (1932), 73-110. Het fonds van deze vereniging werd verkocht aan Martinus Nijhoff te ’s-Gravenhage, die onmiddellijk besloot dit deel van Rutgers ook afzonderlijk, los van de Marnix-reeks, op de markt te brengen. In de uitgave ’s-Gravenhage 1889 is weggelaten het “voorbericht” van J.J. van Toorenenbergen dat voorkomt in de editie van Utrecht. Van Toorenenbergen had zelf een bewerking van de oude kerkenordeningen willen leveren (een nieuwe bewerking van C. Hooijer, Oude kerkenordeningen der Nederlandsche Hervormde Gemeenten (1563-1638) en het Concept-reglement op de organisatie van het Hervormd Kerkgenootschap in het Koningrijk Holland (1809), Zaltbommel 1865), maar erkent dat hij deze taak “niet zoo goed als Dr. Rutgers dit vermocht” zou hebben vervuld. “Deze verzameling van allerbelangrijkste archiefstukken, voor de kennis van de oudste Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk onschatbaar en onontbeerlijk, is een werk, dat van stalen vlijt, uitgebreide belezenheid en groote, hier vooral onmisbare nauwkeurigheid getuigt”. Bij de herdenkingen in de laatste decenniën

|130|

van het convent van Wezel 1568, en van de synoden van Emden 1571, Dordrecht 1574, Dordrecht 1578 en Middelburg 1581, is bij nieuw onderzoek de zorgvuldigheid van Rutgers’ werk telkens opnieuw gebleken. Een onveranderde herdruk verscheen te Dordrecht in 1980 (waarin foutief als jaar van de oorspronkelijke uitgave wordt vermeld: 1899).

53 Het Kerkverband der Nederl. Geref. Kerken, 5v. In hetzelfde jaar schreef eerder Kuyper over de “irenischen”: “Ze verliezen het op wetenschappelijk terrein zoo bijster, dat zelfs hun leidslieden openlijk komen verklaren van óns historisch kerkrecht nog nooit eenige studie te hebben gemaakt. Al hun kerkrecht is het boekje van Bruna. Wat men onder juristen zou noemen beunhazen- of deurwaarderkennis. Van wetenschappelijke studie op dit punt mijden ze zelfs den schijn”, De Heraut, no. 247 (17 sept. 1882). In dezelfde tijd werd “ons historisch kerkrecht” de Heraut-lezers onder de aandacht gebracht o.m. door een serie artikelen: “Beginselen van Gereformeerd Kerkrecht”, naar Voetius’ Catechismus, door G.H.J.W.J. Geesink, De Heraut, nos. 240-247 (30 juli — 17 sept. 1882). Hiervan verscheen ook een afzonderlijke overdruk. Voor een korte kenschetsing van het kerkrecht in het academisch onderwijs: D. Nauta, in: CE2, IV, 233.

54 Kuyper in zijn referaat over “Wat ons tegenover de tweede Hiërarchie te doen staat”, in: Gereformeerd Kerkelijk Congres. Het juk der tweede Hiërarchie. Drie referaten, op den 11den Januari 1887 in “Frascati” voorgedragen door Dr. F.L. Rutgers, Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. A. Kuyper, Amsterdam 1887, 34; Acta van het Synodaal Convent (1887) en van de voorlopige synoden van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (1888-1892), Kampen 1985, 782.

55 Een opgave van Rutgers’ geschriften in: Rullmann, Rutgers, 219-222.

56 Postuum uitgegeven door H.C. Rutgers: Kerkelijke adviezen door Prof. Dr. F.L. Rutgers, 2 dln, Kampen 1921/22. Jammer genoeg vormen deze uitgegeven adviezen, ofschoon 234 in getal, slechts een klein gedeelte van de adviezen, door Rutgers schriftelijk gegeven. Ten gevolge van zijn drukke werkkring had hij nooit van gegeven adviezen kopie kunnen houden. Wel had hij telkens brieven, waarin om advies gevraagd werd, in chronologische orde bewaard. Aan allen, die een advies ontvangen hadden over een zaak die voor publikatie geschikt scheen, werd verzocht dat advies voor publikatie af te staan. “Tot mijn leedwezen moet ik zeggen, dat de resultaten mij niet veel eerbied hebben gegeven voor den toestand onzer kerkelijke archieven, want het grootste deel der adviezen bleek verdwenen te zijn, kon in ieder geval niet door ons ontdekt worden”, H.C. Rutgers in zijn voorrede in dl. 1, 5v.

57 Tot uitgave van de kommentaar die hij in verschillende jaren op college leverde, is Rutgers zelf niet gekomen. Postuum verscheen: Verklaring van de Kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-1619. College voordrachten van Prof. Dr. F.L. Rutgers over Gereformeerd Kerkrecht, bewerkt en uitgegeven door Dr. J. de Jong, IV, Art. 71-86. Van de Censuur en Kerkelijke Vermaning, Rotterdam 1918. De reden voor de voorrang, verleend aan het vierde onderdeel van de D.K.O., wordt door De Jong vermeld in zijn “Woord vooraf”: “Reden hiervoor is, dat m.i. in onze Gereformeerde Kerken naar eene behandeling van de kerkelijke tucht wel het meest wordt uitgezien door hen, die ambtshalve geroepen zijn haar in het kerkelijk leven toe te passen”, 5. De uitgave kreeg een uitstekende pers. H.H. Kuyper, die het boek met zijn aanbeveling reeds aankondigde in: De Heraut, no. 2099 (14 april 1918), versterkte zijn aanbeveling in: De Heraut, no. 2123 (29 sept. 1918): “Met groote ingenomenheid is door ons de uitgave van de Dictaten van Prof. Rutgers over de Kerkenorde begroet. De wijze, waarop Dr. De Jong deze dictaten had bewerkt verdient allen lof. … Indien elke Kerkeraad een exemplaar bestelt, dan bezit men een uitnemende handleiding bij de toepassing der Kerkenorde”. J.E. Vonkenberg schreef: “… wat hier gegeven wordt behoort tot het beste van het beste door den hooggeleerden Prof. geleverd”, en beval het werk warm aan voor gebruik op de Jongelingsverenigingen, Gereformeerd Jongelingsblad, 14 juni 1918. De Jong, die als student op Kuypers verzoek dienst collegestof over de

|131|

“Locus de Magistratu” bewerkt had (zie: Kuyper, Dictaten Dogmatiek, V, Kampen z.j., 1-445, met voorafgaande zeer gedetailleerde inhoudsopgave), had bij het opnemen van Rutgers’ collegevoordrachten reeds rekening gehouden met een eventuele publikatie in de toekomst. Tot verdere publikatie is hij echter niet gekomen. De familie Rutgers was er niet gelukkig mee, vanwege het standpunt van Rutgers zelf: “Nu was het mij bekend, dat mijn vader altijd bezwaar gehad had tegen het drukken van zijn dictaten over kerkrecht, omdat hij niet wenschte, dat deze door studenten gemaakte dictaten met al de gebreken aan dictaten eigen hem eenigszins verantwoordelijk zouden stellen voor uitingen, die hij zelf niet gezien en gecorrigeerd had”, H.C. Rutgers in zijn voorrede in Rutgers, Kerkelijke adviezen, I, 5.
In het leven van De Jong zelf, die Rutgers’ laatste leerling was geweest die bij hem promoveerde, voltrok zich trouwens na de genoemde uitgave een ingrijpende levensverandering, zie mijn: “De laatste van de kring van Rutgers. Dr. Mr. J. de Jong (1872-1928)”, in: Lustrumbundel H.E.R.O.S. 1925-1980, Kampen 1980, 117-141. In verband met de opmerkingen van Kamphuis in zijn inleiding bij de heruitgave van Rutgers’ De geldigheid van de oude kerkenordening, VIII noot 13: “Het afbreken van deze onderneming kan niet genoeg worden betreurd”, en: “… nog steeds zou komplete uitgave van deze dictaten van grote betekenis geacht moeten worden”, zij nog het volgende opgemerkt. In 1952 deelde mr. K. Groen in een persbericht mede, dat hem gebleken was dat de uitgewerkte collegedictaten van De Jong, waarin de artikelen 1-70 van de D.K.O. worden behandeld, nog bestonden. Hij stelde de vraag wie zich voor een uitgave wilde opgeven. In Het Ouderlingenblad van juni 1952 wees D. Nauta toen op de hierboven geciteerde zin in de voorrede van Kerkelijke adviezen, I. Daarna berichtte Groen, dat hij, naar aanleiding van deze herinnering door Nauta zich met de erven Rutgers in verbinding had gesteld. “Mij bleek toen, dat de familie Rutgers, welke m.i. auteursrechtelijk het volste recht heeft, in 1918, na de verschijning van het enige door Dr. De Jong uitgegeven deel, daartegen bezwaar heeft ingebracht op grond van het standpunt van wijlen Prof. Rutgers, en ook positief bezwaar zou hebben tegen de thans in overweging genomen uitgave”. Hier zij nog aan toegevoegd dat deze collegedictaten van De Jong nu, evenals tal van andere collegedictaten van Rutgers van verschillende leerlingen van Rutgers, in het bezit zijn van schrijver dezes. Intussen zijn diens dictaten over de D.K.O. voor méér dan één publikatie gebruikt, zoals ook door Kamphuis is opgemerkt, die op Joh. Jansen, Korte verklaring van de kerkenordening, Kampen 1923, en op I. van Dellen en M. Monsma, The Church Order Commentary,3 Grand Rapids 1954 wijst. Hier zouden ook nog genoemd kunnen worden: Joh. Jansen, De Kerkelijke Tucht. Handleiding ten dienste der Gereformeerde Kerken, Arnhem 1913, waarin de schrijver verklaart, “dat hij mede van het dictaat over de Kerkelijke Tucht, door Prof. Dr. F.L. Rutgers op zijne colleges gegeven, een dankbaar gebruik heeft gemaakt”, VI; en dezelfde, De kerkenordening van De Gereformeerde Kerken in Nederland verklaard en toegelicht, I. Van de diensten, Nijverdal z.j., waarin hij vermeldt dat hij “met groote erkentelijkheid gebruik heeft gemaakt van de kerkrechtelijke studiën en colleges, die wijlen Prof. Dr. F.L. Rutgers, te Amsterdam, gegeven heeft”, VI.

58 Almanak van het Studentencorps aan de Vrije Universiteit N.D.D.D. 1906, 58v.

59  We vermelden hier nog enkele stemmen.
G.Ch. Aalders schreef in zijn herdenkingsartikel over Rutgers in GTT, 18 (1917/18), 7-12: “Wat het kerkelijk leven betreft is het vooral de Doleantie, waarin en waardoor de beteekenis van Prof. Rutgers’ levensarbeid naar voren komt. Wel is het de figuur van Dr. A. Kuyper geweest, welke in de actie der Doleantie voor het groote publiek het meest op den voorgrond trad, maar naar het getuigenis van dezen zelven is het zijn evenknie Rutgers geweest, die zoowel in de voorbereiding als de doorzetting van deze actie een overwegende plaats heeft ingenomen. Was Dr. A. Kuyper de uitvoerende hand, Prof. Rutgers was het denkende en beraadslagende hoofd der beweging. Van hoe groote betekenis Prof. Rutgers daarna voor de vrijgekomen

|132|

kerken is geweest, zoowel voor als na de vereeniging van 1892, weet ieder”. Over de adviezen van Rutgers: “Op de onderscheidene Generale Synoden was steeds het advies van Prof. Rutgers van overwegenden invloed. Hij, die in het Gereformeerde Kerkrecht doorkneed was als geen ander, wist steeds de lijnen zoo zuiver te trekken en zijne inzichten zoo logisch en klaar te ontwikkelen, dat men hem wel volgen moest. Wie tegenover hem in kerkrechtelijke aangelegenheden eene afwijkende meening voorstond zag onverbiddelijk zijn pleit verloren. Daarbij ging het fortiter in re met het suaviter in modo steeds op zulk eene gelukkige wijze gepaard, dat zelfs degenen die met hem van gevoelen verschilden nimmer zich over zijne wijze van discuteeren konden beklagen. Veel verder dan zijne Synodale adviezen strekten echter de ontallijke particuliere raadgevingen die hij in de meest verscheidene kerkelijke kwestie van personen, kerken of classikale vergaderingen steeds met de grootste bereidwilligheid en belangeloosheid heeft verstrekt”.
De schrijver spreekt van een “op den gang van ons Gereformeerd kerkelijk leven … niet licht te hoog te schatten invloed”. Over Rutgers als leermeester: “en hoeveel de theologen der Vrije Universiteit ook mogen te danken hebben aan Dr. A. Kuyper, wiens invloed op hen door ieder vanzelfsprekend wordt geacht, ik overdrijf niet wanneer ik zeg dat de kracht die van Prof. Rutgers uitging minstens even groot, zoo niet grooter was”.
P.J.W. Klaarhamer, geen leerling van Rutgers in eigenlijke zin, maar een figuur die Rutgers had meegemaakt op synoden, schreef in de Utrechtsche Kerkbode (geciteerd in De Heraut, no. 2045, 1 april 1917): “Hij, de man van groote geleerdheid, vaste overtuiging, aantrekkelijk door zijn eenvoud en bescheidenheid. Een gansch getrouw en oprecht man. Calvinist in merg en been. Kenner der kerkhistorie en van het kerkrecht en kenner van Calvijn als geen ander … Hij was altijd zichzelf en steeds dezelfde man van ware beschaving. Een deftige verschijning. Maar hij was niet de man van het groote publiek, niet de man om de massa door machtige redenen te boeien.
Daarvoor was ook zijn taal te fijn, te wel doordacht, te veel gewikt en gewogen. Het eischte een geoefend oor hem te verstaan … De adviseur bij uitnemendheid op onze Synodes. Wij zien hem daar nog zitten, altijd op denzelfden plaats, in dezelfde houding, steeds vaardig en gereed tot het geven van zijn hoog gewaardeerde adviezen. De ziel der vergadering”.

60 Rutgers typeerde op zijn 70ste verjaardag deze vereniging als een nachtschool, waaruit de mannen kwamen die gevoel hadden voor de nood van de kerk en mee wilden werken om haar uit haar banden te verlossen, De Standaard, 27 nov. 1906, aangehaald in: Rullmann, Rutgers, 157. In 1886 koos deze vereniging in haar algemene vergadering vrijwel unaniem (één stem tegen) vóór de vrijgemaakten en geschorsten. Uitgesproken werd, dat medewerking aan maatregelen tegen de geschorsten niet viel te rijmen met het lidmaatschap der vereniging. Rutgers zelf kwam in 1878 voor het eerst in het hoofdbestuur; hij werd toen aanstonds vice-president. Van 1882 tot 1887 was hij president. Over deze vereniging leverde C. Korenhof in 1978 een doctoraal scriptie aan de V.U., getiteld: De Vrienden der Waarheid, van 1854 tot 1890.

61 Beide referaten werden gepubliceerd in: Verslag van de Twintigste Algemeene Vergadering der Vereeniging Vrienden der Waarheid in Nederland, 1882, maar verscheen ook in overdruk, Amsterdam 1882. We citeren deze uitgave. Zie ook: Rullmann, Rutgers, 158v.

62 A.w., 12-28.

63 A.w., 4.

64 A.w., 7-11; 4-7.

65 A.w., 7, 7-1.

66 A.w., 7.

67 A.w., 10.

68 Aanstonds na publikatie besteedde Kuyper aan beide referaten veel aandacht en plaatsruimte in De Heraut, nos. 233 en 235 (11 en 25 juni 1882). Hij besloot zijn weergave van Rutgers’ referaat met een vraag: “Mogen we, met dank aan den geachten referent, vragen, of dan nu metterdaad onze irenische

|133|

broederen nog niet in hun brein en aan hun conscientie voelen, hoe door en door onhoudbaar hun beweren en hoe sterk onze positie is?”

69 Amsterdam 1882. Uitvoerige citaten in Rullmann, Rutgers, 127-131, 159.

70 A.w., 19.

71 A.w., 19-31.

72 A.w., 30.

73 A.w., 38-44

74 A.w., 44-50.

75 A.w., 50-52.

76 A.w., 54.

77 De Heraut, no. 253 (29 okt. 1882). Evenhuis, Amsterdam, I, 226v., 232v., is van mening dat de te Amsterdam opgemaakte “acte van separatie van de Remonstranten”, waar Rutgers, 48vv., over handelt, een fout was (“men had juist met elkaar door moeten praten, vooral in de officiële kerkelijke vergaderingen”), en dat met Rutgers niet mag gesproken worden van een “verbreking van het kerkverband”. We menen dat wat Evenhuis aanvoert, niet kan worden beschouwd als een weerlegging van Rutgers.

78 Formulieren van Eenigheid, met de kerkorde.

79 A.w., VI.

80 A.w., VII.

81 A.w., IX.

82 J.C. Rullmann, Doleantie-stemmen, Kampen 1936, 9.

83 De Acta van deze Conferentie werden uitgegeven in 1883 te Amsterdam. Zij zijn opgenomen als eerste bijlage in de in aant. 54 genoemde heruitgave van Acta 1887-1892, 689-723. In dit werk treft men vervolgens een advertentie aan, die wordt aangediend als betrekking hebbende op het Gereformeerd Kerkelijk Congres en ontleend heet aan De Heraut van 2 januari 1887. Hier is een fout ingeslopen. De afgedrukte advertentie heeft betrekking op de Conferentie van Gecommitteerde Kerkeraadsleden uit 1883 en is ontleend aan De Heraut, no. 275 (1 april 1883). In de Acta van de Conferentie van 1883, opnieuw afgedrukt als bijlage in de heruitgaven van de Acta 1887-1892, is de complete tekst van de Resoluties niet afzonderlijk gedrukt. Deze is wel te vinden in: Rullmann, Doleantie-stemmen, 11-18. Raadpleegt men De Heraut, dan blijkt dat het kort verslag en de tekst die Rullmann hier geeft, geheel zijn overgenomen uit De Heraut, no. 277 (15 april 1883). We citeren hier naar Rullmann, Doleantie-stemmen.

84 A.w., 11-14.

85 A.w., 15-17.

86 Van belang is hier wat werd opgemerkt in de discussie. “Ds. Baart de la Faille vraagt welke reden het moderamen heeft om te spreken van eene nieuwe kerkorde welke moet aangenomen worden, waarom leest men niet de kerkorde van 1618.
De Voorzitter antwoordt dat het moderamen dit deed, omdat de kerkorde van 1618, gelijk zij daar ligt, denk aan de toenmalige verhouding tot de overheid, voor den tegenwoordigen tijd niet meer dienen kan.
Ds. Baart de la Faille ziet niet in, waarom dit niet kan. … Hij gelooft dat velen de wederinvoering der kerkorde van 1618 zouden wenschen …”, Acta Conferentie, 25v., heruitgave Acta 1887-1892, 713v.
Er is in deze jaren ten aanzien van de D.K.O. een zekere groei constateerbaar. De voorzitter, Kuyper die juist óók de D.K.O. weer heeft uitgegeven (maar daarbij de mogelijkheid heeft opengelaten van een enigszins gewijzigde D.K.O.), en die nú verklaart dat de D.K.O. “gelijk ze daar ligt … voor den tegenwoordigen tijd niet meer dienen kan”, verdedigt in het vervolg dat bij het breken met de bestaande organisatie als vanzelf de D.K.O. weer van kracht wordt — waarbij dan óók als vanzelf niet meer geldt “hetgeen door de staatkundige gebeurtenissen sints 1619 ophield te werken”.

87 De Heraut, no. 330 (20 april 1884).

88 Th.L. Haitjema vergist zich wanneer hij in De nieuwere geschiedenis van Neerlands Kerk der Hervorming. Van Gereformeerde Kerkstaat tot Christus-belijdende Volkskerk, ’s-Gravenhage 1964, 246, schrijft dat Kuyper deze lezingen hield op vergaderingen van de vereniging “Beraad”. De

|134|

vereniging “Beraad”, ontstaan na Kuypers komst te Amsterdam als predikant, bestond niet meer. Zie voor de “Broederkring”, die in de jaren 1882 tot 1885 negentien maal vergaderde: A. Kuyper, Het conflict gekomen. I. Complot en revolutie, Amsterdam 1886, 11.

89 Tractaat, XVIII.

90 A.w., 5v.

91 A.w., 32-36.

92 A.w., 47-49.

93 A.w., 52-55; 67vv.

94 A.w., 77-80.

95 A.w., 78.

96 A.w., 88v.

97 A.w., 88.

98 A.w., 89.

99 A.w., 116-204.

100 A.w., 195, vgl. 199.

101 A.w., 196.

102 A.w., 197.

103 A.w., 201.

104 A.w., 197v.

105 A.w., 201.

106 A.w., 198.

107 A.w., 200v.

108 A.w., 199v.

109 A.w., 203.

110 De Vrije Kerk, 9 (1883), 542-575. Na de volksuitgave (eveneens verschenen te Amsterdam) schreef Kuyper: “Het degelijkst was de critiek die Dr. Bavinck gaf. Maar bij hem natuurlijk over het leidend beginsel geen verschil. De Irenischen moeten nog aan het woord komen. Blijkbaar zit deze studie hun wat in den weg. Ze dienen toch óf een andere leer omtrent de Kerk van Christus op te stellen, óf wel toe te geven dat hun eigen standpunt faalt”, De Heraut, no. 330 (20 april 1884), zie ook Rullmann, Bibliografie, II, 97v.

111 Vos, Tegenw. inrichting.

112 Vos wil, zoals hij in zijn voorrede verklaart, “de beginselen, den geest en den zamenhang” van de bestaande wetgeving in de Ned. Herv. Kerk overzien, en wijst bij allerlei geldende bepalingen op vroegere besluiten. In: L.G. Zwanenburg, Gerrit Jan Vos Az., Het recht van de Kerk, Kampen 1978, 125-128, enige opmerkingen over dit werk, die echter niet een scherp beeld geven.

113 De Heraut, no. 340 (29 juni 1884). Kuyper is van oordeel dat dit boek “te veel overhaasting, gemis van historischen zin en gebrek aan oordeelkundig gebruik der verzamelde stof verraadt”. Hij wil Vos echter danken voor twee dingen. “En wel ten 1º. dat hij het kerkrecht als zoodanig weer in zijn beteekenis liet uitkomen; en ten 2º. dat hij, door veelzijdige kennis van onze historie gedrongen, dan toch stellig dertig percent opzij zet van de ongerijmde opiniën die over kerkrecht in tal van irenische kringen bestaan”.

114 Van Leeuwen, Kerkbegrip, 81.

115 Bij deze concentratie op Kuyper wordt zijn Tractaat vaak gezien als de kennisbron voor het kerkrecht van de Doleantie; het werk wordt zo ook bestempeld. Het zou zijn: “het handboek van het kerkrecht der Doleantie”; zo bijv. J.J. van der Schuit, Afscheiding — Doleantie getoetst aan het Handboek van het Kerkrecht der Doleantie, Apeldoorn z.j. (ca. 1936: het geschrift verscheen na de herdenkingsdagen van Afscheiding en Doleantie). Zo bv. ook Langman, Kuyper en de Volkskerk, 78: “Dit boek is het handboek voor kerkrecht in de tijd der doleantie geweest”. Nu doet men het boek reeds te veel eer aan, door het als “handboek voor kerkrecht” te karakteriseren. Kuyper zelf noemt zijn werk slechts “een flauw schaduwbeeld” van wat een handboek voor gereformeerd kerkrecht behoort te zijn. Dit is ongetwijfeld juist; aan allerlei eisen die aan een kerkrechtelijk handboek te stellen zijn, wordt niet voldaan. Zou het werk een kerkrechtelijk handboek zijn, dan zou de titel van het boek en zouden ook de titels van de hoofdstukken wel

|135|

merkwaardig moeten heten. Wanneer Rutgers het Tractaat in De Heraut, no. 306 (4 nov. 1883) introduceert, komt in zijn artikel een uitdrukking als “handboek voor kerkrecht”, of iets in die geest, ook niet voor. Maar is de aanduiding “handboek voor kerkrecht” al niet correct, onjuist is het, Kuypers Tractaat te beschouwen als “het handboek van het kerkrecht der Doleantie”. Het werk biedt Kuypers inzichten, op een systematische wijze. Wanneer Langman op de zo juist geciteerde woorden volgen laat: “We vinden er een bijna zuivere uitstalling in van wat Kuyper in deze tijd heeft geleerd”, a.w., 78, valt dit laatste o.i. geheel toe te stemmen. En om alle misverstand te voorkomen: diverse kritische opmerkingen die Van der Schuit maakt in zijn genoemd geschrift, die in de lijn liggen van eerdere kritiek, geuit in de jaren 1880, zijn o.i. eveneens toe te stemmen. De zaak waar het ons om gaat is deze: er komen in dit werk van Kuyper belangrijke principiële uiteenzettingen voor, ook met schriftuurlijke fundering, waarvan men zeggen kan: deze beginselen zijn ook door Rutgers naar voren gebracht, er is daaromtrent een consensus geweest die ook zichtbaar is geworden in de praktijk van de kerken der Doleantie in de periode 1886 tot 1892; deze beginselen behoren — om de titel van het derde hoofdstuk van het geschrift van Kaajan (genoemd in aant. 5) te gebruiken — tot “wat de Doleantie als het rechte kerkrecht beleed”. Maar daarnaast en daaromheen komen in het Tractaat allerlei speculatieve beschouwingen en onderscheidingen voor, die typisch Kuyperiaans zijn, diens wijde gezichtsveld en grote denkkracht ook hier weer doen blijken, maar voor zijn rekening kunnen worden gelaten. Dat begint al, wanneer hij Luther tot een ijverige student van het kerkrecht maakt met het oog op de reformatie van de kerk (een staaltje óók van Kuypers organiserend en annexerend vermogen, W. van ’t Spijker, in: Theologia Reformata, 26 (1983), 136), maar op dit begin volgt zoveel méér. Zélfs wanneer hij over de plaatselijke kerk spreekt, waarover hij opmerkingen maakt die o.i. fundamenteel juist zijn, kan men voor zijn rekening laten de beschouwing dat de plaatselijke formatie van de kerk één moet blijven, met één kerkeraad, ook al omvat ze een getal van 100.000 of meer zielen. Zie ook: Kamphuis, in zijn inleiding bij de heruitgave van Rutgers, De geldigheid van de oude kerkenordening, XV, noot 37.

116 Haitjema, in zijn in aant. 88 genoemde geschrift, 246.

117 A.w., 244.

118 De Heraut, no. 236 (2 juli 1882). Vgl. Kuypers bespreking van J.H. Gunning, De zelfstandigheid der Gemeente, Amsterdam 1884: “Strikt genomen is Autonomie der gemeente eigenlijk geen gereformeerd denkbeeld. … Neen, wat onze vaderen beleden is, als men het precies wil nemen, Christonomie der kerken, en krachtens deze Christonomie tevens de synodale band die alle kerken samenbindt. Niet dus alleen een Presbyterie, maar ook een Classis, en even onverbiddelijk een Synode. De eenheid onzer Nederlandsche gereformeerde kerken mag niet prijsgegeven”, De Heraut, no. 356 (14 okt. 1884). Wat Kuyper (ook) hier schrijft, staat in tegenstelling met Haitjema’s woorden over “de autonomie van de plaatselijke kerken“bij Kuyper, maar bewijst óók de onjuistheid van wat Haitjema twee bladzijden verder zegt: “Het kerkverband is voor Kuyper altoos iets van lagere orde, althans van secundaire betekenis”, a.w., 248.

119 Kuyper in zijn “Toelichting”, in: Laatste woord, 26. Ook in Rullmann, Doleantie-stemmen, 142.

120 Zie de opmerkingen van Rullmann in: Ref. ’86, 111v.

121 Zie het “Bericht van Reformatie aan de leden van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Amsterdam“van de kerkeraad van deze kerk, “ thans doleerende”, in: De Heraut, no. 469 (19 dec. 1886); dit “Bericht” is ook afzonderlijk verschenen in: Afwerping van het juk der synodale hiërarchie. I. Bekendmaking van den Amsterdamschen kerkeraad. II. Bericht van Reformatie. III. Verklaring der ontzette kerkeraadsleden. Ten dienste van den kerkeraad gesteld door Dr. A. Kuyper, Amsterdam 1886. In dit “Bericht” wordt aan de gemeente ook verklaard waarom zij thans “doleerende” is. “Want ‘Doleerende’ beteekent juist, dat ze wel de aanspraak op al haar goederen en rechten niet prijs geeft, maar dat ze om de overmacht van de tegenstand

|136|

voorshands afziet van de pogingen om die rechten te doen gelden”. In vergelijking met de verklaringen van “doleerende” in 1883, is er wel een nieuw element.

122 Rullmann, Ref. ’86, t.a.p.

123 In De Heraut, no. 464 (14 nov. 1886) stemde Kuyper Hel. de Cock toe, dat zolang Reitsum de kerkelijke goederen en rechten behield, de naam “doleerende” in deze vrijgemaakte kerk niet van toepassing was. Want, aldus Kuyper, een dolerende kerk is een kerk “die aanspraak maakt op de rechten en goederen en vrijheden die haar door de Overheid en andere machthebbenden onthouden worden, en deswege “doleert” bij de Overheid en “doleert” bij den Heere haren God”. Daarna maakt een predikant Kuyper opmerkzaam op tegenstrijdigheden in de uitlegging van “doleerende”. In zijn Tractaat had Kuyper geschreven, dat “dolerende” niet zag op wat de overheid doet, maar op de tegenwerking van een vals en ingedrongen kerkbestuur. Maar Kuyper had onlangs geschreven: “Doleerende is een kerk uitsluitend ten opzichte van de burgerlijke overheid”. Kuyper antwoordde hierop in De Heraut, no. 469 (19 dec. 1886). Zijn uitleg is als volgt. De overheid treedt op twee manieren op: òf als regering òf als rechter. Treedt zij als regering tegen u op, dan wordt uw kerk niet een “dolerende” kerk, maar een kruiskerk. Treedt de overheid tegen u op als handhaafster van de vermeende rechten van een vals kerkbestuur, dan wordt het een zaak in rechten, en staat ge als dolerende partij voor de rechter.
Kuyper wijst op een fout in zijn Tractaat. “Dolerende” waar dáár genomen als: dolerende voor de goddelijke vierschaar. Dat is niet juist; het moet zijn, zo verklaart hij nú: dolerende “voor de vierschaar op aarde”. In 1887 schrijft Kuyper dat het volk, de taalmakende gemeente, de naam “doleerende” is gaan gebruiken “in anderen zin, dan waarin dit onzerzijds aanvankelijke bedoeld was”. “Kort en goed heeft ons volk, al wat het juk der Synodale Hiërarchie afwierp, “doleerend” gaan noemen. En doe daar nu eens iets aan! Daar helpt geen protest tegen”, De Heraut, no. 484 (3 april 1887).

124 N.A. de Gaay Fortman, De wettige kerkorde van 1618-1619. Rapport uitgebracht aan de Classikale Vergadering van Middelburg, gehouden den 25 Juni 1884, Middelburg 1885.

125 De Heraut, no. 415 (6 dec. 1885).

126 De Heraut, nos 384-386 (3, 10, 17 mei 1885).

127 De Heraut, no. 386 (17 mei 1885).

128 De Heraut, nos 415, 416 (6, 13 dec. 1885). In De Heraut, no. 491 (22 mei 1887) een andere tekening van de synodale hiërarchie. Ook in: Rullmann, Doleantie-stemmen, 169.

129 Tekst volledig in: De Heraut, no. 427 (28 febr. 1886). Ook in Van Zeggelaar, Voorthuizen, 132-135; Rullmann, Doleantie-stemmen, 98vv.

130 Rullmann, Doleantie,3 42-45; dezelfde, “Losgemaakte kerken”, in: Ref. ’86, 112-116.

131 “Bericht van Reformatie”, genoemd in aant. 121.

132 Ter aanvulling van wat Rullmann, Bibliografie, II, 148v., over deze uitgave opmerkt: in De Heraut, no. 471 (2 jan. 1887) komt in een advertentie voor, dat deze uitgave bij J.H. Kruyt is verschenen. Er is evenwel ook een editie verschenen bij J.A. Wormser (z.j.). Die bij Kruyt verscheen in 1886 voor de prijs van 25 cent. Zie hierbij: Rullmann, Bibliografie, II, 149.

133 Tot deze uitgave werd besloten op de Kerkelijke Vergadering te Leiderdorp, 16 nov. 1886. Ze verscheen te Nijkerk 1887, met een inleidend woord, en met verklaring van vreemde woorden en enkele bepalingen uit de Post-acta van de Dordtse synode van 1618/19. De zinssneden of artikelen, die wegens de veranderde staatkundige toestand niet meer toepasselijk waren, zijn tussen haakjes geplaatst.

134 Kuyper, in: De Heraut, no. 476 (6 febr. 1887): “Bij Callenbach te Nijkerk zag een goede uitgave van de Dordtse Kerkenorde het licht, bezorgd door Dr. W. van den Bergh en Ds. G.H. van Kasteel; bij Zalsman te Kampen verscheen een nog vollediger uitgave van onze oude kerkrechtelijke bepalingen, geredigeerd door den heer Prof. De Cock; en bij Wormser te Amsterdam verliet een tweede druk de pers van Kuypers uitgave.

|137|

Wel een teeken, dat de belangstelling in dat oude kerkrecht toeneemt.
En dit is uitstekend.
Uit de reglementen en den paperasenboedel van de Synodale Hierarchie kon een gewoon mensch niet wijs worden. Dat was een naäperij van het Roomsche canonieke recht, zonder iets van de bondigheid en consequentie die er bij Rome inzat. Maar dit Gereformeerde Kerkrecht van onze Dordse Kerkenorde is klaar en helder als glas; zuiver naar de Schrift; en voor een ieder doorzichtig.
Vandaar dat van de 6000 ouderlingen en 6000 diakenen stellig geen 10 pCt. ooit een Synodaal reglementenboekje anders dan in handen van dominee gezien had.
Dat was een soort verborgen wijsheid van de dominees alleen.
Of liever, ook dat is nog te veel gezegd.
Ook van onze 1300 predikanten wist geen 10 pCt. den weg in dezen doolhof te vinden.
En feitelijk kwam het er op neer, dat er in elke classis zoo hoogstens drie of vier “wetgeleerden” waren; meest dorre en droge kamerwijzen, die er deze kerkelijke bataillonschool inhadden.
Maar nu wordt dit anders.
Thans maakt elk ouderling en elk diaken, dat hij op de hoogte komt.
En zoo verklaart het zich, dat er plotseling zulk een vraag is naar de Dordse Kerkenorde!”

135 De Heraut, no. 430 (21 maart 1886); no. 437 (9 mei 1886).

136 Rechtsbevoegdheid, Utrecht 1886, 7; in 1887 verscheen te Amsterdam een “Tweede, veel vermeerderde, Uitgave. Met volledige repliek aan Dr. César Segers, Dr. Kleyn, Prof. Gooszen, enz.”

137 De Heraut, no. 437 (9 mei 1886).

138 In de laatste decenniën is de kwestie van het daadwerkelijk (“rebus ipsis et factis”) aanvaard zijn van de organisatie van 1816 opnieuw besproken door m.n. A.M. Lindeboom in diverse publikaties, die daarbij t.a.v. De Savornin Lohman, Rutgers en anderen de vraag stelde: “hoe komt het toch dat deze even geleerde als principiële mannen er niet aan wilden dat de organisatie van 1816 daadwerkelijk is aangenomen?”, zie bv. zijn: Hervormd en Gereformeerd, Aalten 1957, 23. Op hetgeen Lindeboom zelf betoogd heeft, kunnen we op deze plaats niet ingaan. Wél willen we erop wijzen dat de redenering die hier in de Rechtsbevoegdheid gevolgd wordt (krachtens hetzelfde recht, waarmee de kerkeraden in 1816 geacht werden de synodale organisatie te aanvaarden, mogen zij tháns die organisatie verwerpen), is toegepast ook in de concept-teksten van het Gereformeerd Kerkelijk Congres. We stemmen volledig in met de woorden van I.A. Diepenhorst: “Deze aanvaarding “rebus ipsis et factis” heeft overigens in kerkrechtelijk opzicht naar gereformeerde opvatting niet de geringste waarde, omdat ook de kerkinrichting appellabel is aan het Woord Gods en te allen tijde daarmede in overeenstemming gebracht mag worden, waarbij men geenszins gebonden is aan den vormelijken weg door een onschriftuurlijke organisatie uitgezet”, De verhouding tusschen kerk en staat in Nederland, Utrecht z.j., 80.

139 De Bazuin, 20 maart 1886

140 E. César Segers, De rechtsbevoegdheid der bijzondere gemeenten van de Nederlandsche Hervormde Kerk of der plaatselijke kerken, Leiden 1886.

141 E. César Segers, De verhouding van de locale gemeenten tot de Ned. Herv. Kerk in haar geheel, met het oog op de geschiedenis en het begrip Kerk, Leiden 1885.

142 De Heraut, no. 436 (2 mei 1886).

143 H.G. Kleyn, Feiten of verzinsels? Beschouwing der rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken contra Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers, Dordrecht 1886.

144 De Heraut, no. 436 (2 mei 1886).

145 De Heraut, nos 436-444 (2 mei — 27 juni 1886).

146 H.G. Kleyn, Algemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente. Proeve van historisch onderzoek, naar de verhouding van beiden ten opzichte van de inwendige en van de stoffelijke belangen, naar aanleiding van de Rechtsbevoegdheid

|138|

onzer Plaatselijke Kerken van Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers (Tweede Uitgave), Dordrecht 1888.

147 De Heraut, nos 533-541 (11 maart — 20 mei 1888). Kleyns voorstelling van zaken betreffende de kerkelijke goederen werd bekritiseerd door W.H. de Savornin Lohman in een “naschrift” in zijn in aant. 183 genoemde dissertatie, en vond ook in latere jaren ernstige bestrijding, inzonderheid bij prof. mr. D.G. Rengers Hora Siccama te Utrecht en diens rechtshistorische school (o.m. prof. mr. L.J. van Apeldoorn).

148 Voor de teksten van het programma, de oproep van de kerkeraad, enz., zie: de heruitgave van de Acta 1887-1892, 725-744.

149 Dit aantal wordt genoemd in het verslag van het Congres, gepubliceerd in De Heraut, no. 474 (24 jan. 1887), en overgenomen in de heruitgave van de Acta 1887-1892, 745vv. (Er wordt ook wel een groter aantal opgegeven: meer dan 2000, Dijk, ’s-Gravenhage, 56). Kuyper in De Heraut, no. 473 (16 jan. 1887): “Veel, veel beter dan men had durven hopen, is het Gereformeerd Kerkelijk Congres geslaagd. Dat midden in den winter een 1200 personen, tot uit Groningen, Friesland en Zeeland toe, zich naar de hoofdstad zouden spoeden, om met een 300 broeders uit Amsterdam zelf, alle beschikbare ruimte in Frascati te vullen, kon kwalijk worden vermoed. Dat men er thans zoo vele voorgangers miste, die, toen alle ding nog gewoon liep, altoos vooraan zaten bij elke Gereformeerde beweging, wierp wel een droeve schaduw over vroeger bedoelen, maar zuiverde thans den toestand slechts. De voorgangers die er waren, werden er te hartelijker om door het volk gewaardeerd”.

150 Onder de titel: Het juk der tweede Hiërarchie, Amsterdam 1887. Gedeelten daarvan in: Rullmann, Doleantie-stemmen, 166-174; de complete tekst in: heruitgave Acta 1887-1892, 749-794. Zie ook: H.H. Kuyper, “De Doleantie en de organisatie”, in: Ref. ’86, 145-159 (grotendeels een weergave, met kommentaar).

151 Gedrukt in twee gedeelten, Amsterdam 1887 (J.A. Wormser), verkrijgbaar bij het Bureau van het Kerkelijk Congres (zie ook aant. 153).

152 Eveneens gedrukt Amsterdam 1887 (J.A. Wormser), en verkrijgbaar bij het Bureau van het Kerkelijk Congres.

153 Hoeveel modellen er precies gereed waren tijdens het Congres, heb ik niet kunnen nagaan. Er verschenen twee reeksen. De eerste reeks bevat de concept-formulieren A tot J, de tweede reeks de formulieren G tot N. van het gereedkomen van model L wordt melding gemaakt in: De Heraut, no. 483 (27 maart 1887), waar de complete tekst wordt gepubliceerd, met de mededeling: “De verdere stukken die hierbij hooren zullen eerlang door het Congres worden rondgezonden”. Model K, eveneens nieuw, wordt vermeld en gepubliceerd in: De Heraut, no. 484 (3 april 1887). Het heeft in ieder geval enige maanden geduurd voor álle modellen gereed waren.

154 In zijn schrijven aan de Algemene Synode van de Nederl. Herv. Kerk verklaarde de kerkeraad van Voorthuizen: “De kerkeraad van Voorthuizen verklaart hiermede u niet langer als Bestuur over de kerk van Voorthuizen te erkennen, daar hij in uw college belichaamd vindt de “Valsche Kerk”, waarvan de kenmerken in het slot van Art. 29 der Ned. Geref. Geloofsbelijdenis worden genoemd, van welke valsche Kerk het ambt der geloovigen is zich af te scheiden”, Van Zeggelaar, Voorthuizen, 119.

155 Het Adres aan Z.M. de Koning van de kerkeraad van Voorthuizen werd gepubliceerd in: De Heraut, no. 425 (14 febr. 1886); ook in Van Zeggelaar, a.w., 129v. Het Adres aan Z.M. de Koning van de kerkeraad van Amsterdam in: De Heraut, no. 472 (9 jan. 1887). De tekst van Amsterdam is grotendeels gelijk aan die van Voorthuizen, maar uitvoeriger. De concept-tekst van het Congres komt neer op die van Voorthuizen, plus bepaalde inlassingen die aan Amsterdam zijn ontleend.

156 Adviezen, 3v.

157 A.w., 6.

158 A.w., 6.

159 A.w., 9

160 A.w., 10.

|139|

161 A.w., 15.

162 In beschrijvingen geven de auteurs er soms blijk van niet te weten dat de door hen afgedrukte tekst een “model-tekst” is; zie bv. C. Veltenaar, De Doleantie te Maassluis en elders een tijdelijke breuk, Maassluis 1918, 25: “Het stuk, dat ik in extenso heb afgedrukt, waarin de Kerk van Maassluis de gehoorzaamheid opzeide aan de Besturen der Ned. Herv. Kerk, om terug te keeren tot de Kerkorde van 1618 en ’19 is waardig gesteld. Ik gaf het zonder commentaar”, enz.

163 H. Hoekstra, Arnhems Gereformeerde Kerk in 1887. Gedachtenisrede, uitgesproken in de Oosterkerk aldaar, op 30 Juni 1912 (met aanteekeningen en bijlagen), Arnhem 1912, 29.

164 De Acta van het Synodaal Convent verschenen te Amsterdam 1887; heruitgegeven in Acta 1887-1892, 45-97.

165 Zie: de presentielijst in de Acta, 13-16; in de heruitgave, 55-58. Rechtstreeks vertegenwoordigd waren 71 kerken, door 134 afgevaardigden; 30 classicale conventen waren vertegenwoordigd door 59 afgevaardigden. Ook waren nog ongeveer 100 kerkeraadsleden tegenwoordig die de vergadering bijwoonden zonder keurstem, als “adviserende leden”. Een kaart van Nederland waarop de Doleantie-kerken van 1886 en 1887 in alle provincies aangegeven zijn (geen in Limburg), in: Algra, Wonder,6 327. Men zie bij deze kaart evenwel aant. 64 bij het opstel “Wederkeer in Doleantie” in deze bundel.

166 Mede omdat het rapport van de commissie begint met afwijzing van een independentistisch op zichzelf blijven staan (wat de indruk zou kunnen wekken dat de gedachte aan zulk een attitude hier en daar leefde), heeft het z’n belang erop te wijzen dat van dit laatste geen spoor te vinden is. In de vraagstelling wordt de schriftuurlijke roeping tot samenwerking in kerkverband vooropgesteld. De zaken lagen hier anders dan bij de kerken van de Afscheiding in “de crisis der jeugd”! Het agenda-punt 9, waarin het éérste vraagstuk geformuleerd wordt, luidt als volgt: “Aangezien de Kerken Christi naar eisch van Gods Woord gehouden en verbonden zijn, niet elk op zich zelve, maar in onderling verband met elkander te leven (curs. D.D.), zoo wordt gevraagd, op welken voet de nu ontkomene Kerken zulk een verband nu reeds regelen kunnen? Of zulk een verband der Kerken, met het oog op de vele Gereformeerde Belijders en Kerkelijke groepen, die thans nog onder de Synodale Hiërarchie bleven of eigene formatie zochten, al dan niet slechts een voorloopig karakter zal dragen? Welke de kenteekenen zijn, waardoor zulk een voorloopig kerkverband van een duurzaam te onderscheiden is? En eindelijk, door welke termen en door welken naam men dit karakter van het kerkverband, ter afsnijding van alle misverstand, duidelijk kan aangeven?”, Acta 1887, 23; heruitgave Acta 1887-1892, 62.

167 Acta 1887, 24v.; heruitgave Acta 1887-1892, 66v.

168 Acta 1887, 25; heruitgave Acta 1887-1892, 67.

169 De acta van deze voorlopige synoden en van de verenigde synode van 1892 verschenen resp. te Amsterdam 1888/89; Amsterdam 1890; Amsterdam 1891; Amsterdam 1892; en z.pl. en j.; in de heruitgave Acta 1887-1892, 99-685.

170 Acta Synode Utrecht 1888 (1e ged.), 30; heruitgave Acta 1887-1892, 126.

171 Acta Synode Utrecht 1888 (1e ged.), 11; heruitgave Acta 1887-1892, 107.

172 Acta Synode Utrecht 1888 (1e ged.), 18, 20; heruitgave Acta 1887-1892, 114, 116.

173 “Hoedanig was het kerkverband…” (zie: aan. 63), 5.

174 Acta Synode Utrecht 1888 (1e ged.), 45; heruitgave Acta 1887-1892, 141.

175 Acta Synode Utrecht 1888 (1e ged.), 47-51; heruitgave Acta 1887-1892, 144-147.

176 Acta Synode Utrecht 1888 (1e ged.), 53; heruitgave Acta 1887-1892, 149.

177 Acta Synode Utrecht 1888 (1e ged.), 73v.; heruitgave Acta 1887-1892, 169v.

178 Acta Synode Leeuwarden 1890, 8; heruitgave Acta 1887-1892, 230.

179 Acta Synode Leeuwarden 1890, 8v.; heruitgave Acta 1887-1892, 230v.

180 Zie: aant. 54.

181 Eerder reeds door ons vermeld, evenals de heruitgave door J. Kamphuis,

|140|

Amsterdam 1971 (aant. 39, 51). De oorspronkelijke titelpagina vermeldt iets meer dan die van de heruitgave, nl.: “Rede, gehouden bij de overdracht van het Rectoraat der Vrije Universiteit den 21 October 1889”. Kuyper over deze uitgave in: De Heraut, no. 645 (4 mei 1890): “De oratie zou geen 40 pagina’s hebben beslagen, en nu krijgen we een klein boekdeel van 110 bladzijden.
Door deze oratie met haar bijlagen en aanteekeningen zijn we nu in vierderlei opzicht weer een belangrijken stap verder gebracht.
Vooreerst toch prent deze oratie aan ons kerkelijk publiek eens en voor altoos de overtuiging in, dat er eigenlijk nooit meer dan één Gereformeerde kerkenordening bestaan heeft, en dat deze kerkenordening wel nu en dan gewijzigd is, maar toch als stam, altoos door, de ééne zelfde kerkenordening is gebleven. Zoodat al het gehaspel, of de kerkenordening van 1586 of wel die van 1619 gold, nu van achteren blijkt doelloos gekeuvel te zijn geweest.
In de tweede plaats licht deze oratie den sluier op, waarachter de boosaardige toeleg, om ons kerkrecht opzettelijk te vervalschen, langen tijd verborgen bleef.
In de derde plaats wordt de principieele quaestie rakende den grond van geldigheid onzer kerkenordening eens voorgoed uitgemaakt, en aangewezen in de vrijwillige aanneming der kerken.
En in de vierde plaats levert de 2de bijlage ons het volledig dossier van alle stukken over de agreatie der kerkenordening, in haar vorm van 1619; ten gevolge waarvan aan al het gekibbel over de geldigheid dezer kerkenordening in de onderscheidene provinciën nu eens voorgoed een eind is gemaakt.
Minder principieel, maar daarom niet minder belangrijk is de eerste bijlage, die ons een rijke bijdrage voor het dossier der Emdensche Synode voorlegt.
Dit dossier sterkt minder om geschilpunten uit te maken, dan veelmeer, om ons een historisch genot te geven.
Want ja, een historisch genot is het, zoo met de brieven en instructiën voor u, van stukje tot beetje, te kunnen nagaan, wat er destijds geworsteld en gewoeld is, om uit zoo kleine beginselen op weg te gaan naar zoo groote toekomst.
Dat dit kon, lag alleen daaraan, dat de mannen van die dagen muurvast in de beginselen stonden.
Van schipperen of loven en bieden wisten ze niet.
Ze hadden de ster van de toekomst der kerk in het Oosten gezien, en het schijnsel van die ster volgden ze.”

182 Zie: aant. 24, 42.

183 De dissertatie verscheen te Amsterdam 1888. Over de auteur zie: Biografisch Woordenboek van Nederland, I, 525.

184 Acta synode Utrecht 1888 (1e ged.), 68v.; heruitgave Acta 1887-1892, 164v.; het geschrift verscheen te Leeuwarden (z.j.).

185 De Heraut, nos 574-585 (23 dec. 1888 — 10 maart 1889).

186 De Bazuin, 38 (1890), no. 35.

187 Amsterdam 1890; zie: Rullmann, Bibliografie, II, 322-343.

188 De Heraut, nos 586-602 (17 maart — 7 juli 1889).

189 De Heraut, no. 601 (30 juni 1889).

190 De Heraut, nos 611-615; 619-641 (8 sept. — 3 nov. 1889; 1 dec. 1889 — 6 april 1890).

191 De Heraut, no. 632 (2 febr. 1890).

192 Separatie en Doleantie, 5.

193 A.w., 5-21.

194 A.w., 11.

195 A.w., 21-42.

196 Het antwoord aan Bavinck: a.w., 25-29; het citaat: 29.

197 A.w., 35.

198 A.w., 42-60.

199 A.w., 57.

200 A.w., 60-71.

201 A.w., 66.

202 Kuypers uiteenzetting over het ambt der gelovigen in de specifieke

|141|

kerkrechtelijke zin heeft Bavinck niet kunnen overtuigen. In zijn Geref. Dogmatiek,4 IV, Kampen 1930, 360 spreekt hij wel van een drieërlei taak, die de gelovigen in en ten opzichte van de kerk hebben. In Magnalia Dei,2 Kampen 1931 (waarin de ambten uitvoeriger besproken worden dan in de 1e druk), in Hoofdst. XXIV evenmin over het ambt der gelovigen in Kuyperiaanse zin. Soortgelijke kritiek was er bv. ook bij Beuker, De Vrije Kerk, 16 (1890), 405vv. Meer dan eens heeft C. Trimp kritische beschouwingen aan Kuypers constructie gewijd, zie o.m. zijn: “De ambten bij A. Kuyper”, in: Radix. Gereformeerd interfacultair tijdschrift, 1 (1975), 37-44; dezelfde, “Het ambt van de gelovigen”, in: De Reformatie, 55 (1979/80), 564-567; ook dezelfde, Zorgen voor de gemeente, Kampen 1982, 11-21; vgl. dezelfde, Inleiding in de ambtelijke vakken, Kampen 1978, 46-61.

203 De Bazuin, 31 (1883), no. 46 (16 nov. 1883).

204 Gispen verzorgde in De Bazuin van 1878 tot 1900 een rubriek “Brieven aan een vriend te Jeruzalem”. Brieven, in deze rubriek door hem gepubliceerd in de jaren 1878-1887 werden onder de titel: Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem in boekvorm uitgegeven, Kampen 1903 (een “goedkoope volksuitgave” verscheen te Kampen 1905). Het citaat aldaar, 181, brief d.d. 2 mei 1884.

205 A.w., 207, brief d.d. 28 nov. 1884. In verband met de woorden: “Hij (Hendrik de Cock, D.D.) wilde niets anders dan een Gereformeerde Staatskerk”, zij opgemerkt, dat Hel. de Cock zich in hetzelfde jaar iets meer genuanceerd uitdrukt: “Eene Gereformeerde landskerk, eene kerk vereenigd met den Staat, scheen wel, dit moet worden erkend, tijdens de Afscheiding, het ideaal van den leeraar dezer gemeente”, Hel. de Cock, Na vijftig jaren. Feestrede bij de herdenking der Afscheiding te Ulrum, 13/14 October 1834, Groningen 1884, 27.

206 De Vrije Kerk, 9 (1883), 542-575. Het is begrijpelijk, maar toch jammer, dat deze belangrijke bespreking niet is opgenomen in: H. Bavinck, Kennis en leven. Opstellen en artikelen uit vroegere jaren, Kampen 1922, waarin postuum door C.B. Bavinck allerlei bijdragen in De Vrije Kerk, o.m. “Synodale Kerkinrichting” (1882), zijn bijeengebracht.

207 A.art., 550.

208 A.art., 551.

209 A.art., 552.

210 A.art., 553.

211 A.art., 553vv.

212 A.art., 556.

213 A.art., 557-563.

214 A.art., 563.

215 A.art., 564.

216 A.art., 566.

217 A.art., 566.

218 A.art., 569.

219 A.art., 571.

220 A.art., 573.

221 A.art., 573.

222 Zelf verklaart Bavinck over Kuypers toon: “Waardeerend is daarbij altijd de toon, waarop van de gescheidene kerken gesproken wordt; ook waar de Schrijver tegen het beginsel en standpunt der gescheidene broeders bezwaar heeft, brengt hij die bedenkingen op eer te zachte dan te harde wijze in; ik hoop, dat ook van onze zijde dat gegeven voorbeeld steeds nagevolgd zal worden, en zal trachten, in dit opstel daarin voor Dr. Kuyper niet onder te doen”, a.art., 544.

223 R.H. Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, Kampen 1961, 281v.; Van Leeuwen, Kerkbegrip, 229. Dat er overigens op kardinale punten in hun ecclesiologische opvattingen overeenstemming was, valt niet te ontkennen; ook hier geldt: Bavinck “streefde ook in zijn Dogmatiek een synthese met Kuyper na, maar vulde tegelijk aan en corrigeerde soms”, J. Kamphuis, Eb en vloed. Overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse gereformeerde theologie in de 19e en 20e eeuw, Kampen 1985, 34; vgl. J. Veenhof, Revelatie

|142|

en Inspiratie. De Openbarings- en Schriftbeschouwing van Herman Bavinck in vergelijking met die der ethische theologie, Amsterdam 1968, 132.

224 De Heraut, no. 330 (20 april 1884), zie: aant. 110.

225 De Vrije Kerk, 15 (1889), 545-561; 16 (1890) 1-17; 41-64; 89-111; 185-209; 235-260; 275-299; de opstellen verschenen gebundeld te Leiden in 1890, ongeveer gelijktijdig met Kuypers Separatie en Doleantie. De schrijver handelt achtereenvolgens over: 1. De stand der kwestie; 2 en 3. Het wezen der Kerk in de Doleantie; 4. Vergelijking van de Afscheiding met de Doleantie inzake het wezen der Kerk; 5. Het begrip “valsche Kerk” in de Doleantie; 6. De Hervormde Kerk in het licht van Artt. 27-29 van de Belijdenis; 7. Theorieën van reformatie.

226 A.w., 1-21.

227 A.w., 67.

228 A.w., 69.

229 De conclusie van Ten Hoors scherpzinnige kritiek is, dat Kuypers theorie in essentiële onderdelen niet meer gereformeerd of calvinistisch kan worden genoemd, en afhankelijk is van de theologie van de 19e eeuw, waarbij Ten Hoor vooral denkt aan Schleiermacher, vgl. Van Leeuwen, Kerkbegrip, 225. Met de kritiek van Ten Hoor betuigde Beuker zijn instemming, De Vrije Kerk, 16 (1890), 87v.; 511v. Bavinck besprak zowel de brochure van Ten Hoor als Kuypers Separatie en Doleantie in: De Bazuin, 38 (1890), nos 46, 48-52. Volgens Bavinck kenmerkt Ten Hoors brochure zich door degelijke studie, scherpe begripsontleding en strenge redenering. Maar hij vindt Ten Hoors kritiek op Kuypers kerkbegrip onbillijk. Ten Hoor bekritiseerde het zo, dat er eigenlijk niets van over bleef. Hij wilde dat Ten Hoor meer op Kuypres bedoeling had gelet, dan op de telkens wisselende uitdrukkingen die Kuyper gebruikt. Voor Bavinck is Kuypers bedoeling duidelijk. Volgens hem zit het verschil tussen Kuyper en Ten Hoor hierin, dat Kuyper gewoonlijk de kerk omschrijft vanuit de verkiezing en de doop, waardoor zij wordt de vergadering van uitverkorenen en gedoopten, terwijl Ten Hoor voor de kerk gebruikt de omschrijving: vergadering der gelovigen. Maar volgens Bavinck hebben alle drie omschrijvingen recht van bestaan. Ze gaan terug op de belijdenis. De eerste omschrijving is te vinden in zondag 21 HC, de tweede in art. 34 NGB, de derde in art. 27 NGB. Zoals Kuyper er verkeerd aan zou doen, als hij de derde omschrijving van de kerk verwierp — wat Kuyper naar Bavincks mening niet doet —, zou Ten Hoor eenzijdig zijn, als hij de twee eerste omschrijvingen niet overnam. Het valt op, dat Bavinck overigens op allerlei argumenten van Ten Hoor inhoudelijk niet of nauwelijks ingaat. Zo gedegen en hoffelijk als Bavinck Kuypers Tractaat besprak, zo inadequaat en scherp is zijn bespreking van Ten Hoor.
Daartegenover is Bavincks kritiek op Kuypers Separatie en Doleantie mild, en zijn oordeel daarover vrij gunstig. Bij de Christelijke Gereformeerden waren er steeds bezwaren geweest tegen het feit dat de Nederduitsche Gereformeerde broeders de leden van de Hervormde Kerk als leden van hun kerken bleven zien. Volgens Bavinck kan dat bezwaar vervallen, nu Kuyper het aantal leden beperkt tot hen die met de reformatie willen meegaan. Vgl. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, 67, die hier op Bavinck geen kritiek oefent en gelijk zal hebben wanneer hij als Bavincks motief aangeeft dat hij wilde pacificeren met het oog op de vereniging der beide kerkengroepen. Enkele jaren later trachtte Bavinck Ten Hoor te overtuigen van de ontoereikendheid van dienst kritiek op Kuyper inzake grondvragen en structuren van de theologie, waarover een uitgebreide en interessante briefwisseling door hen werd gevoerd, zie: Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 46-54; 393-424.

230 Leiden 1891. Tussen beide brochures in schreef Ten Hoor een artikelenserie over “Afscheiding en Doleantie in zake de verhouding van de kerk tot de overheid”, in: De Vrije Kerk, 16 (1890), 467-486; 515-536; 17 (1891), 1-22; 49-70; 97-122. Deze serie is niet afzonderlijk uitgegeven. De opgave in: Peter DeKlerk, A Bibliography of the Writings of the Professors of Calvin Theological Seminary, Grand Rapids 1980, bij F.M. ten Hoor 37.1, dat deze serie als afzonderlijke uitgave het licht heeft gezien onder de titel: Afscheiding

|143|

of Doleantie. Een woord tot verdediging en nadere toelichting, Leiden 1891, berust op een vergissing.

231 Vooral in Bavinck is Ten Hoor teleurgesteld. “Wij toch dachten: indien hij het met ons eens is, dan zal hij met zijne bekende nauwkeurigheid van redeneering en helderheid van blik, de door ons aangeroerde vraagstukken verder ontwikkelen en in nog veel helderder licht plaatsen, dan wij konden doen”. Maar dit gebeurde niet. In plaats van Ten Hoors betoog inhoudelijk te bespreken en de vraagstukken, die deze aan de orde stelde, te behandelen, “heeft hij hier en daar een uitdrukking uit ons geschrift genomen, en op zich zelf beschouwd, soms geheel los van het geheel der redeneering, om alzo den indruk van ons schrijven bij velen te verzwakken. Wat de zaak zelf betreft, schijnt het hoofddoel van zijn schrijven te zijn om onze beschouwing met die van Dr. Kuyper samen te smelten. Het komt ons voor, dat hij zoo nu en dan zelf wel gevoeld zal hebben, dat dit toch eigenlijk onmogelijk is”, a.w., 2.

232 A.w., 86-92.

233 A.w., 94v. Beuker hierover met veel instemming en enige kritiek in: De Vrije Kerk, 17 (1891), 177-182. Het moet betreurd worden dat noch Kuyper, noch Bavinck zich in een serieuze gedachtenwisseling over de zaken in geding, met deze scherpzinnige en bekwame kritikus heeft begeven; vgl. Kamphuis in zijn inleiding bij de heruitgave van: F.L. Rutgers, De geldigheid van de oude kerkenordening, XV. Ten Hoor heeft zijn kritiek op Kuypers voorstelling van zaken gehandhaafd, getuige ook zijn: Compendium der Gereformeerde Dogmatiek. Een leiddraad voor studenten in de Theologie. Niet in den handel. Holland, Michigan z.j., 244v. Vernieuwde aandacht aan Ten Hoor besteedde K. Schilder, m.n. in zijn college-dictaat De Kerk,4 Kampen z.j. (verslag en uitgave geheel buiten verantwoordelijkheid van prof. Schilder).

234 Typerend voor de kerken van de Doleantie is wat de notulen van de kerkeraad van ’s-Gravenhage vermelden: “De praeses heeft ook een schrijven ontvangen van den heer Alphen, schrijver van het Nieuwe Ned. Handboek der Ned. Herv. Kerk, om opgave van het zielental der Haagsche Ned. Ger. Kerk. Geheel in den geest van al de broeders zal hem geantwoord worden 62.000 als het geheele gebied der plaatselijke kerk, 62.000”, Dijk, ’s-Gravenhage, 88 (praeses van de kerkeraad was mr. L.W.C. Keuchenius).

235 De Vrije Kerk, 14 (1888), 287.

236 Acta synode ‘’s-Gravenhage 1891, 78, 81; heruitgave Acta 1887-1892, 404, 407. Zie ook: Bouma, De vereeniging van 1892, 131v.

237 D.K. Wielenga, Doleerende Kerken. Rede bij de overdracht van het Rectoraat, 21 December 1886, Heusden 1887. Wielenga beperkt zich niet tot het “groot verschil” tussen de dolerende kerken van de 17e en die van de 19e eeuw, maar bespreekt in verband daarmee ook andere zaken. Wat de kerken van de Afscheiding betreft: “Van een collegiaal systeem hebben zij nooit willen weten. De basis van kerkgenootschappelijke confaederatie, Class. Prov. en Synod., is van stonde aan gesteld in de plaatselijke gemeente met de Formulieren van Eenheid als accoord van kerkelijke gemeenschap. … Het wezen van het kerkverband der Chr. Ger. gemeente staat dus confessioneel en kerkrechtelijk zuiver”, 42. Evenwel “mag niet worden ontkend, dat menig een ligt gevaar loopt om, warsch van alle schismatisme, te veel nadruk te leggen op de rechten en belangen van het kerkelijk corporatief geheel, …”, terwijl het Reglement van 1869 “niet vrij van Collegialen zuurdeesem” is, 43. Al ligt “het fondament van de ordening onzer kerk naar eisch, daarmeê beweren we volstrekt niet, dat er in het optrekken van het kerkelijk gebouw nooit een afwijking of ombuiging heeft plaats gehad. Integendeel. Inzonderheid toen er in benauwdheid der tijden gebouwd werd, bleek het vaak moeilijk de lijn der beginselen naar eisch door te trekken en vast te houden”, 44. Beuker, in: De Vrije Kerk, 13 (1887), 107: “Met groot genoegen en instemming, wat althans de hoofdzaak betreft, heb ik die rede gelezen”. Minder gelukkig is hij met de kritiek op het Reglement van 1869,

|144|

hij beschouwt de zaken van het verleden, waarover Wielenga zich kritisch uitsprak als “van zeer ondergeschikt belang”, 108.

238 Zie: Gereformeerd Kerkelijk Congres, Adviezen der zakelijke sectiën, Amsterdam 1887, 32-35. Voor de kritiek van Christelijke Gereformeerde zijde zie bv.: Hel. de Cock, de verhouding van de Christelijke Gereformeerde Kerk tot den Staat, 43-45 (“Dit alles saamgenomen M.H. doet de kerkelijke kas iets zijn, waarom zij niet slechts genoemd worden moet, ‘een gebrekkig hulpmiddel dat aan rechtmatige critiek is onderworpen’, maar zij is een hulpmiddel dat uit een kerkrechtelijk oogpunt zich in ’t geheel niet laat verdedigen. Nooit toch mag verschil van gedachte over het bouwen of repareeren van eene pastorie of het verven van eene kerk oorzaak kunnen zijn van de toepassing der kerkelijke tucht, zooals de kerkelijke kas de aanleiding hiertoe openlaat”, 44v.). Na de vereniging van 1892 was de figuur van de kerkelijke kas niet meer nodig; in De Heraut, no. 1045 (2 jan. 1898), geeft Rutgers uitvoerig en nauwkeurig aan, hoe men in dit opzicht dient te handelen. Vgl. Rutgers, Kerkelijke adviezen, II, 354v.

239 Zie: Handelingen synode Chr. Afg. Geref. Kerk Middelburg 1869, artt. 17-19; 25; 28. Handelingen en Verslagen, 988-997. De “kruisgemeenten” hadden in 1863 besloten, “dat alleen de naam Gereformeerde Kerk voortaan door alle onze Gemeenten zal worden gedragen”, met weglating van de toenaam “onder het kruis”. Zie: Notulen Algem. Verg. 1863 te Amsterdam, 10, Notulen Algem. Kerkel. Vergaderingen 1844-1869, 386.

240 Ter synode van Middelburg was een afvaardiging van de Gereformeerde Kerk aanwezig, bestaande uit vijf predikanten en twee ouderlingen. In de voortgezette vergadering van de synode van de Gereformeerde Kerk brachten zij verslag uit van hun werkzaamheden en van de bereikte resultaten. De synode keurde hun handelingen goed. “Al de afgevaardigden betuigen over de handelingen der commissie alleszins tevreden te zijn, wenschende verwaardigd te worden zich in den Heere te verblijden over Zijne daden en met een biddend hart de toekomst tegen te gaan”. Zie: Notulen Algem. Verg. Rotterdam 1869, 29; Notulen Algem. Kerkel. Vergaderingen 1844-1869, 547.

241 Men was van oordeel dat men “in de tegenwoordige omstandigheden” niets anders behoefde te doen “dan aan de Hooge Regering kennis te geven, dat de Gemeenten, bekend onder den naam van Christelijk Afgescheidene Gemeenten en de Gemeenten onder den naam Gereformeerde Kerk in Nederland, te zamen tot ééne Kerk zich hebben vereenigd onder den naam van Christelijke Gereformeerde Kerk, zich houdende, wat de leer en de bediening der sacramenten betreft aan de Formulieren van Eenheid, nl. de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Dordsche leerregels, benevens de Liturgische Schriften; en voor de kerkregeering aan de Dordsche kerkorde van 1618 en 1619, zooveel de omstandigheden dit niet verhinderen”. Zie: Handelingen synode Chr. Afg. Geref. Kerk Middelburg 1869, art. 28; Handelingen en Verslagen, 993.

242 Ds. D. Klinkert heeft zich, wegens persoonlijke omstandigheden, laten vervangen door ds. W.G. Smitt. Zie: Verslag van de Synodale Commissie, Bijlage I, in: Handelingen synode Chr. Geref. Kerk Groningen 1872, 89.

243 W.H. Gispen, “Theoriën of feiten? Naar aanleiding van Docent D.K. Wielenga’s “Stemmen der Historie en het Reglement van 1869”, in: De Vrije Kerk, 14 (1888), 319-339.

244 Juridisch advies was ingewonnen van mr. dr. J. van Gigh (over hem: NNBW, IX, 285v.); de minister was mr. P.P. van Bosse, destijds minister van financiën, ook belast met de zaken van de Hervormde en andere erediensten, uitgenomen de R.K. (over hem: NNBW, IV, 258v.).

245 Gispen, a.art. (aant. 243), 334. Zie ook: Verslag van de Synodale Commissie 1872, genoemd in aant. 242.

246 Met de tekst van dit Reglement is het enigszins eigenaardig gesteld. Hij is niet te vinden in: Handelingen Synode Groningen 1872, evenmin in Handelingen van volgende synoden. In 1885 werd besloten tot een wijziging in art. 2 (zie aant. 254). In de daarop volgende jaren zien we meermalen teksten afgedrukt die de pretentie voeren (althans de schijn wekken), de oorspronkelijke versie van 1869 te zijn, maar de wijziging bevatten die pas in 1885 werd

|145|

ingevoerd, en ook overigens niet punctueel zijn. Zo bv. enerzijds Kuyper in: De Heraut, no. 546 (10 juni 1888); anderzijds Memorie van toelichting bij de Concept-acte van ineensmelting van de Christ. Geref. Kerk en de Ned. Geref. Kerken, Leiden 1889, 41v. Daarentegen publiceert Hel. de Cock in 1887 een tekst, waarvan hij verklaart: “Ons Reglement luidt in zijn geheel aldus:”, en dan volgt een tekst waarin de wijziging van 1885 juist níet is verwerkt, in: De Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerenden) in hunne overeenstemming en in hun verschil, Groningen 1887, 21v.
De tekst die hier wordt afgedrukt is ontleend aan een ongedateerde brochure van 6 pagina’s, uitgegeven in opdracht van de Synodale Commissie van 1869. Zij vermeldt eerst de brief van de overheid naar aanleiding van de kennisgeving van het bestaan en de inrichting van de Christelijke Gereformeerde Kerk (Dispositie d.d. 24 maart 1870, no. 19). Daarna volgt een korte toelichting door de Synodale Commissie met betrekking tot de “plaats van vestiging” (vgl. art. 5, laatste alinea, van het Reglement). Tenslotte bevat zij de tekst van het Reglement. Met deze tekst stemt, afgedacht van kleinigheden, overeen de tekst afgedrukt door Kuyper in: De Heraut, no. 484 (3 april 1887), en door D.K. Wielenga in zijn “Stemmen der historie” en het Reglement van 1869, Kampen 1888, 34vv. (Met dank aan H. Pathuis, mijn voorm. stud. ass., die dit uitzocht.)

247 Ook reeds vóór de Doleantie heeft Kuyper op het Reglement kritiek geoefend. In De Heraut, no. 469 (19 dec. 1886) brengt hij ook zijn bekende “oude” uitspraak van 7 april 1878 in hetzelfde blad, met het Reglement van 1869 in verband. Deze uitspraak had betrekking op gebreken “in den levenswortel” van de Afscheiding. Over deze uitspraak van 1878: E.D. Kraan in: De Reformatie, 13 (1932/33), 303; dezelfde in zijn artikel “De Doleantie en de Afscheiding”, in: Ref. ’86, 231vv.

248 Gereformeerd Kerkelijke Congres. Adviezen der zakelijke sectiën, Amsterdam 1887, 28v.

249 Acta Synodaal Convent 1887, art. 31; heruitgave Acta 1887-1892, 73.

250 Alle bezwaren werden nog eens opgesomd en toegelicht door Kuyper in zijn artikelen over “Het Statuut van 1869” in: De Heraut, nos 546-548 (10, 17 en 24 juni 1888). Een opsomming werd eveneens gegeven in de in aant. 246 genoemde Memorie van toelichting, 43-45. We volgen hier beide opsommingen.

251 De reeds genoemde Memorie (aant. 246, 250).

252 D.K. Wielenga, “Stemmen der historie”, 53.

253 A. Brummelkamp, “Vereeniging tusschen de Doleerenden en ons”, in: De Vrije Kerk, 14 (1888), 170.

254 Het begin van art. 2 kwam nu te luiden: “Stemgerechtigd zijn alle manslidmaten der gemeente, die belijdenis afgelegd hebben en niet onder censure staan, en, wat de stoffelijke belangen betreft, ook zij, aan wie door sommige gemeenten stembevoegdheid is toegekend”. Zie: Handelingen Synode Chr. Geref. Kerk 1885, 143. Deze nieuwe clausule had een lange aanloop, nl. van de Synode van Groningen 1872 af, en hield verband met een ontworpen Reglement op het beheer van de kerkelijke goederen. In de zojuist genoemde Handelingen wordt het Reglement van 1869 “het grondreglement” genoemd.

255 Gispen, a.art. (aant. 243), 334.

256 Belangrijk, ook voor de voorgeschiedenis in de stad Utrecht zelf: Smits, Afscheiding van 1834, IV, 194-253. “Het werd door Scholte en zijn medestanders niet onder stoelen en banken gestoken, dat dit reglement de kerkrechtelijke regels bevatte van de Utrechtse gemeente, en dat dit geschrift derhalve in de plaats was gekomen van de Dordtse Kerkenorde”, a.w., 251.

257 Ook Hendrik de Cock te Groningen deed dit: “Zoodra vader vernomen had dat de kerkeraad van Utrecht met de regeering in onderhandeling was, verzocht hij van Ds. Scholte nadere inlichtingen, terwijl hij dadelijk zijn leedwezen te kennen gaf dat de gemeente Utrecht, zonder overleg met andere gemeenten, had gehandeld. Na de bekomene inlichtingen speet het hem zeer dat de erkenning der gemeente was gevraagd, onder den naam van

|146|

Christelijk Afgescheidene. Ook had hij, toen hij later met het Huishoudelijk Reglement bekend werd, bezwaar tegen eenige artikelen van hetzelve. Voor hem was de gegevene vrijheid daarom niet de meest gewenschte. Nu evenwel deze vrijheid was verleend, werd het voor hem de vraag, hoe hij zich daaromtrent had te gedragen; wat zijne roeping was voor zich zelven en voor de gemeenten”, Hel. de Cock, Hendrik de Cock, Eerste Afgescheiden Predikant in Nederland, beschouwd in leven en werkzaamheid. Eene bijdrage tot Recht verstand van de Kerkelijke Afscheiding,2 Delfzijl 1886, 603.

258 S. van Velzen, Huishoudelijke reglementen der Christelijke-Afgescheidene Gemeenten, Met andere stukken die daarop betrekking hebben, bijeenverzameld, Kampen 1864. In 1839 werden twee gemeenten “erkend”, in 1840 drie. Daarna een snelle toename: in 1841: 46; in 1942: 51 gemeenten. Zie: J.Th. de Visser, Kerk en Staat, III, Leiden (1927), 337.

259 J. Schokking, Historisch-Juridische schets van de Wet van den 10den September 1853, tot regeling van het toezicht op de onderscheidene Kerkgenootschappen, Leiden 1894, 300-325.

260 Ter synode van Zwolle werd vastgesteld: 1. een Adres aan de Koning, met het verzoek tot erkenning; 2. een Reglement, bestaande uit zes artikelen, toe te voegen aan het Adres aan de Koning; 3. de lastbrief voor de Synodale Commissie, in het Adres en het Reglement vermeld. De tekst van het Reglement is afgedrukt in: Handelingen Synode Zwolle 1854, 40-48; Handelingen en Verslagen, 596-604. Gispen publiceerde in zijn a.art. (aant. 243) het Reglement van 1854 opnieuw. Voor Kuyper vormde dit Reglement iets nieuws. Hij nam de complete tekst daarvan over in De Heraut, no. 550 (8 juli 1888), en knoopte daar belangwekkende beschouwingen en opmerkingen aan vast: “Vergelijkt men nu dit concept met het later gearresteerde, dan blijkt inderdaad, dat het Reglement van 1869, wel verre van ons verder van den goeden weg af te brengen, integendeel mag geacht worden bij dat van 1854 gezien, reeds een neiging naar beter spoor te verraden.
De binding aan de Kerkenordening van 1619 is in het concept van 1854 nóg zwakker. De doop is in 1869 beter dan in 1854 in Gereformeerden zin tot zijn recht gekomen. De perken van het lidmaatschap zijn in 1869 minder bureaucratisch en minder kras collegiaal opgevat dan in 1854. Het begrip van kerkbestuur is in 1869 veel minder hiërarchisch uitgedrukt dan in de termen van 1854. De poging in 1854 aangewend om uitvoering van de beslissingen van het Kerkbestuur met den sterken arm der Overheid te erlangen, is in 1869 onderdrukt. En met de uitdrukking “voorrechten door den Staat aan de kerk toegekend”, sloop in 1854 een beginsel in, dat men in 1869 er weer uitbande. Slechts in zooverre is het Concept-Reglement van 1854 gezonder, dat het de Kerkeraden zelf zich tot de Regeering lied wenden en aan de Synodale Commissie iets minder macht schonk.
Ds. Gispen heeft door deze gewichtige mededeeling ons tweeërlei uitstekenden dienst bewezen.
Hij heeft namelijk elk denkbeeld, alsof de mannen van 1869 min of meer buiten de Synode om, iets collegiaals invoerden, voorgoed weggenomen, en door het stellen van 1854 in steê van 1869 o, zooveel opgehelderd.
Immers in 1854 was niemand in ons land normaal. Het was het jaar na de Aprilbeweging, toen plotseling de oude denkbeelden van de Gereformeerde Staatskerk weer opdoken, en tegenover de poging van Rome om zich hiërarchisch in ons land te vestigen, de oude traditie zonder zweem van critiek, weer opleefde.
Is het nu niet volkomen begrijpelijk, dat door de koorts, die destijds heel onze Protestantsche bevolking aangreep, ook de Christelijke Gereformeerden de vraag lieten opkomen, of thans het oogenblik niet gekomen was, om de Overheid des lands te bewegen tot het treden in openlijke aanraking met de verworpenen en vervolgden van 1834?
Ons althans ging hierdoor psychologisch een ongemeen helder licht over de historie van dit Reglement op, waardoor o, zooveel bezwarends voor ons wegviel.
Dat in een tijd, toen een ieder abnormaal handelde, er ook abnormale gedachten in de harten en hoofden der Christelijke Gereformeerden slopen, is

|147|

hun waarlijk niet toerekenbaar.
Onze tweede opmerking is deze.
Het feit dat men in 1869 reeds een ernstige poging aanwendde, om veel van het kwaad van 1854 te temperen, toont aan, dat men in de periode van 1854 tot 1869 niet achter-, maar vooruit was gegaan, en dat derhalve een laten varen van het Reglement thans niet een terugkomen op zijn schreden, maar slechts een geregeld voortgaan op den goeden weg zal zijn.
We wenschten wel tijd en gelegenheid te hebben, om geheel de Synodale historie dezer broederen na te gaan. Reeds nu toch blijkt, hoe nauwkeuriger kennis van hun verleden, o, zooveel verklaart, waarvoor men eerst met zekere verbijstering staat”.

261 Kennelijk heeft men bij het Reglement van 1854 ook het oorspronkelijk Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk van 1816 gebruikt. Het Reglement van 1816 bepaalt: “Art. 1. Tot het hervormd kerkgenootschap behooren allen, die, op belijdenis des geloofs, tot ledematen zijn aangenomen, dezulken, die in de hervormde kerken gedoopt zijn…”. “Art. 2. Deze allen blijven tot het hervormd kerkgenootschap behooren, zoo lang zij niet vrijwillig en duidelijk verklaard hebben, zich daarvan af te scheiden, of om wettige redenen daarvan afgescheiden zijn”.
Het Reglement van 1854 heeft: “2. Allen, die vrijwillig tot deze Kerk toetreden, en door hare Opzieners worden aangenomen, worden als leden der Kerk erkend. Het lidmaatschap vervalt, wanneer iemand door het wettig kerkbestuur daarvan vervallen is verklaard…”
Het Reglement van 1869 heeft hierin enige wijziging aangebracht, maar de tekst van 1816 blijft herkenbaar. Kuyper: “Een min gunstig resultaat, dat tot ontwijfelbare zekerheid wordt verheven door vergelijking van wat de regeling van 1869 in art. 2 zegt, met de gelijksoortige bepaling van het Synodaal Genootschap.
Dat dit laatste op en top collegiaal is, ontkent niemand; noch ook dat juist in het desbetreffende artikel dit collegiaal karakter ligt uitgesproken.
Welnu, als men nu weet dat de regeling van 1869 op dit punt bijna letterlijk de woorden van het Synodaal reglement gekopieerd heeft, dan zal men toch toestemmen, dat alle twijfel onmogelijk wordt”, De Heraut, no. 547 (17 juni 1888).

262 Ook Kuyper wijst op het verband met de figuur van de Synodale Commissie. Men herinnerde zich “dat het Synodale Genootschap een Synodale Commissie had, en door deze Synodale Commissie met de Regeering in verband stond.
Welnu, als zij het ook zoo eens beproefden!
En zoo is toen die fameuze Synodale Commissie in het leven getreden, die dusver niets beteekende, omdat de kerk feitelijk presbyteriaal bleef leven, en zich aan haar eigen reglement niet stoorde, maar die niettemin in dit Collegiale reglement de kroonlijst van het gebouw is”, De Heraut, no. 548 (24 juni 1888).

263 Gispen, a.art. (aant. 243), 333.

264 Na de Afscheiding vanaf Ulrum tot de synode van Amsterdam: “Van afgescheidene gemeenten kon er toen sprake zijn, doch van eene afgescheidene Kerk eerst in 1836”, Hel. de Cock, Kort overzicht van de geschiedenis der Chr. Afg. Geref. Kerk tot op den tegenwoordigen tijd, Kampen 1866, 13; (weer over dezelfde periode): “25. Hoe kwam er dan toch een afgescheiden Kerk? Al deze Leeraars hadden geene andere belijdenis dan die der Gereformeerde Kerk. Zij wisten dus ook, dat het hun niet geoorloofd was op zichzelven te blijven staan. Hierom, en ook wegens de vervolging, die de gemeente en hare leden ondervonden, zochten zij elkanders gemeenschap. De kerk, dat is, de vereeniging der gemeenten, werd hieruit als van zelve geboren”, dezelfde, Iets over de geschiedenis onzer Kerk in vragen en antwoorden, Groningen 1874, 23v. (Dit laatste geschrift komt niet voor in de bibiografische opgave bij de onbevredigend korte biografische schets over Hel. de Cock, in: BWPGN, II, 156vv.; ook van Hel. de Cock moet de biografie nog geschreven worden.)

265 Gereformeerde Kerkregeering, of Handboek voor Leeraars en Kerkeraadsleden,

|148|

benevens de Synodale besluiten der Chr. Afg. Gereformeerde Kerk, die thans nog van kracht zijn, Kampen 1868, 11.

266 A.w., 11. Over de kerk als de gezamenlijke gemeenten ook de volgende uitspraken van Hel. de Cock: “Ene Kerk, d.i. eene vereeniging van gemeenten”, De kerkorde van Dordrecht aº. 1618-19, en de synodale Bepalingen der Christelijke Gereformeerde Kerk, met eenige aantekeningen,3 Groningen 1887, “voorwoord”; “Daarom is dan ook de kerk de verzameling der gemeenten, zooals de gemeente de verzameling is der geloovigen… Deze zuiver presbyteriale of gereformeerde beschouwing, beheerscht het geheele gereformeerde kerkrecht. Zie Art. 30-32 der Belijdenis en art. 36 der Dordsche kerkorde”, dezelfde, De Chr. Geref. Kerk en de Nederd. Geref. Kerken (aant. 246), 8; “De kerk in haar geheel” nam haar kerkorde aan, “d.i. de orde voor de geheele kerk en die voor de plaatselijke gemeenten”; de leden van de gemeente te Reitsum zijn leden ook van de gemeente te Amsterdam, dezelfde, Open brief aan den Weleerw. Zeergel. Heer J.J.A. Ploos van Amstel, Groningen 1887, 10-14; “Onze Kerk, d.i. de vereeniging der gemeenten, en ik leg op dit woord allen nadruk, omdat velen dit, naar het schijnt, gaarne willen voorbijzien…”, dezelfde, De verhouding van de Christelijke Gereformeerde Kerk tot den Staat (aant. 238), 36.
Intussen komt men bij Hel. de Cock ook wel eens tegen, dat hij de Christelijke Gereformeerde Kerk niet omschrijft als een vereniging van gemeenten, maar als een vereniging van gelovigen (vgl. het Reglement van 1869, art. 2). Bv. in zijn: Wat is Gereformeerd?, Groningen 1885, 4: “Er is eene kerk, eene zichtbare vereeniging van belijdende geloovigen die den naam draagt van Gereformeerde of Christelijke Gereformeerde Kerk”.

267 Gereformeerde Kerkregeering, 18v.

268 A.w., 19.

269 Handelingen synode Middelburg 1869, 76; Handelingen en Verslagen, 1050.

270 O.m. Hel. de Cock en A. Brummelkamp in hun “Verslag van de Kommissie der Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk, van haar bezoek in Schotland, ten jare 1865”, in: Handelingen synode Amsterdam 1866, 69-80; Handelingen en Verslagen, 963-974. Zie ook: Hel. de Cock, De Vereenigde Presbyteriaansche Kerk van Schotland; en hare betrekking tot de Chr. Afg. Geref. Kerk van Nederland, Kampen 1860, waarin o.m. de toespraken gehouden ter synode van Hoogeveen 1860. L. Lindeboom, De Gereformeerde Kerkregeering. Een weinig toegelicht uit de histore, vooral met het oog op het stelsel van vertegenwoordiging, Amsterdam 1877, bepleitte voor Nederland jaarlijkse synoden (zonder tussenschakel van de prov. synoden), naar het voorbeeld van Schotland. In verband met de overeenstemming die in kerkrechtelijke beginselen met Presbyteriaanse kerkgemeenschappen in Schotland volgens Hel. de Cock en andere afgescheiden voormannen te bespeuren viel, maken we in ’t kort melding van de kritiek van Kuyper op “collegialisme” in presbyteriaans Schotland. Het systeem en de praktijk van de Free Church of Scotland, met haar “courts” (hógere vergaderingen) noemde hij “niet presbyteriaal maar collegiaal”; “Het presbyteriaal beginsel” achtte hij “feitelijk op zij gezet”; hij constateerde een “hiërarchische vorm”, De Heraut, no. 688 (1 maart 1891).

271 De Heraut, no. 489 (van genoemde datum).

272 De Bazuin, 31, no. 51 (21 dec. 1883).

273 Art. “Doleantie en Kamper studentenwereld”, in: Almanak van het Studentencorps “Fides Quaerit Intellectum”, 44, Kampen 1936, 166.

274 De Chr. Geref. Kerk en de Nederd. Geref. Kerken (aant. 246), 20v.

275 A.w., 24.

276 De Vrije Kerk, 13 (1887), 267.

277 De verhouding van de Christelijke Gereformeerde Kerk tot den Staat (aant. 266), 38-46.

278 De Vrije Kerk, 17 (1891), 41-48.

279 De verhouding van de Christelijke Gereformeerde Kerk tot den Staat, 9.

280 A.w., 42.

281 Ibid.

282 De kerkorde van Dordrecht3 (aant. 266), 45. In de eerste uitgave van dit

|149|

geschrift (Groningen 1886) ontbreekt de aangehaalde passage.

283 D.K. Wielenga, “Stemmen der historie” (aant. 246), 49.

284 A.w., 50.

285 A.w., 50-53.

286 A.w., 53v.

287 A.w., 64.

288 W.H. Gispen, “Theoriën of feiten”, De Vrije Kerk, 14 (1888), 338v. (aant. 243).

289 De Vrije Kerk, 14 (1888), 366.

290 Ook in conferenties kwam het Reglement van 1869 aan de orde. Zie hiervoor: Bouma, De vereniging van 1892 (aant. 236), 30v., 51v., 53, 56v. Zie voorts: 75v., 116, 126-132, 141vv.

291 Handelingen synode Assen 1888, 21v.

292 A.w., 48.

293 Handelingen synode Assen/Kampen 1889, 58.

294 Memorie van Toelichting (aant. 246), 45v.

295 A.w., 67v.

296 A.w., 69v.

297 Handelingen synode Leeuwarden 1891, 75.

298 A.w., 81.

299 A.w., 82v.

300 A.w., 93.

301 Voor de belangrijke rol van Bavinck in het geheel van de inspanningen om tot vereniging te komen, zie: Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, 53-62, 67vv., 70-74.

302 Acta voorl. synode ’s-Gravenhage 1891, 84-93; heruitgave Acta 1887-1892, 410-419. Zie ook: Handelingen synode Chr. Geref. Kerk Amsterdam 1892, 6-10, en: Bijlagen A en B (1-30).

303 De gemeente te Waddinxveen; de kerkeraad wilde voor zijn weigering geen gronden opgeven. Over de ‘kerkelijke troebelen’ aldaar: H. Beuker, De Vrije Kerk, 18 (1892), 234-244.

304 Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, 73. Hier valt op te merken dat, terwijl aller Christelijke Gereformeerde gemeenten — op Waddinxveen na — instemming hadden betuigd met de opheffing van het Reglement van 1869, díe Christelijke gereformeerden die niet met de Vereniging van 1892 waren meegegaan, nadien weer tot dit Reglement terugkeerden (“Synodale vergadering der Christelijke Gereformeerde Kerk, gehouden op 3 en 4 Januari 1893, in eene der zalen van Diligentia te ’s-Gravenhage”, in: Notulen van de Synodale Vergaderingen der Christelijke Gereformeerde Kerk, gehouden in 1893 en 1894, en verslag der vergadering van 20 Juli 1892, Utrecht 1895, 16). In 1919 benoemde de Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk een commissie om inzake het Reglement van 1869 te rapporteren. Omtrent de terugkeer in 1893 tot dit Reglement verklaarde deze commissie in haar rapport: “Nu zou men verwacht hebben, dat ook zij bij de regeering de D.K.O. inzonden om daardoor bij de regeering bekend te zijn. Dit deden zij niet, maar zij keerden terug tot het reglement van 1869. Hoe goed en ernstig bedoeld, toch spreekt uw commissie zich hier uit, dat zooiets werkelijk is te betreuren. Waarom zij het deden? Daarop meent uw commissie te moeten antwoorden, dat de broeders in 1892 meenden, dat de kerkelijke goederen bij de D.K.O. niet genoegzaam gewaarborgd waren. Misschien was ook de eenheid der Kerk hier een zaak van overdenking”. De commissie was het er over eens, “dat het Reglement een eenigszins hybridisch karakter draagt en dat het noodig is, het alzoo te wijziging, dat de D.K.O. er de plaats van inneemt”. Zij adviseerde, indien besloten zou worden tot wijziging, dezelfde procedure toe te passen als in 1891 gevolgd was, Rapport in zake het Reglement van 1869, 5vv. Tot 1925 bleef het Reglement gelden. Daar de terugkeer tot het Reglement plaats vond zonder officieel vermelde argumentatie, blijkt het moeilijk te zijn de motieven voor deze beslissing nauwkeurig aan te geven. In zijn artikel over “De Afscheiding en ‘1892’” acht M. Drayer het “mogelijk” dat de stap werd gedaan “met het oog op de rechtspositie van de kerk”. Hij voegt hieraan toe: “maar psychologisch is deze

|150|

aanvaarding m.i. een gevolg van de dolerende hetze, wel te verklaren zonder goed te keuren”, M. Drayer en W. van ’t Spijker (red.), In trouw gescheiden, Kampen 1984, 145.

305 Handelingen synode Chr. Geref. Kerk Amsterdam 1892, 107; Acta voorl. synode Amsterdam 1892, 169, 177; heruitgave Acta 1887-1892, 637, 645.

306 Handelingen synode Chr. Geref. Kerk Amsterdam 1892, 85; Acta voorl. synode Amsterdam 1892, 169, 171; heruitgave Acta 1887-1892, 639.

307 Opgaven van de kerken in de provinciën, in: Handelingen synode Chr. Geref. Kerk Amsterdam 1892, 87-101; Acta voorl. synode Amsterdam 1892, 116-131; heruitgave Acta 1887-1892, 584-599. Een statistisch overzicht gaf Kuyper in: De Heraut, no. 758 (3 juli 1892); enige rectificaties en aanvullingen publiceerde Rutgers in het volgende Heraut-nummer. Zie verder: Acta gen. synode Amsterdam 1892, 25-32; heruitgave Acta 1887-1892, 679-685.

308 De te absolute formuleringen van Rutgers in dit betoog, “dat men hier van den aanvang af altijd (curs. D.D.) sprak en bleef spreken“van Kerken in het meervoud, werd door hem reeds gemitigeerd en aangevuld in zijn rectorale rede van hetzelfde jaar over Het Kerkverband, 55.

309 Voor de hier weergegeven uiteenzettingen en adviezen inzake de naam, zie: Acta voorl. synode Amsterdam 1892, 133-137; heruitgave Acta 1887-1892, 601-605. Voor de discussies in de andere synode, zie: Handelingen synode Chr. Geref. Kerk Amsterdam 1892, 42-51, 73vv.

310 Bv.: “Eenheid van belijdenis is de onmisbare grondslag, waarop alle kerkelijke correspondentie, en dus ook alle kerkverband moet staan”, Kuyper, Tractaat, 77; “De eenheid nu van die Kerken bestond allereerst, ja eigenlijk alleenlijk, in de gemeenschappelijke belijdenis. Op die belijdenis berustte het kerkverband… Instemming met haar was de voorwaarde, waaraan, zou het in stand blijven, voortdurend moest worden voldaan”, Rechtsbevoegdheid,2 25.

311 Gereformeerde Kerkregeering (aant. 265), 90.

312 Bavincks artikel over “Synodale Kerkinrichting” in: De Vrije Kerk, 8 (1882), 321-335 (juli-aflevering; citaat op 335), en, zoals reeds vermeld, opgenomen in: Kennis en leven (aant. 206), 68-77; citaat op 77.

313 Mededeputaten van De Cock waren J.H. Feringa (v.h. Nederd. Geref.) en J. Hessels (v.h. Christ. Geref.). Rapporteur werd Feringa. Het rapport, afgesloten in april 1893, werd toegezonden aan de kerkeraden, classes en particuliere synoden. Het is niet opgenomen in: Acta gen. synode Dordrecht 1893. Wel werd het gepubliceerd in: de Vrije Kerk, 19 (1893), 249-270; 302-333; 348-368. In De Heraut, no. 804 (21 mei 1893) sprak Kuyper zijn waardering uit. Terecht oefende hij enige kritiek op de structuur.

314 Het archief van dr. F.L. Rutgers berust in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden), V.U. Amsterdam. Een deel van dit Rutgers-archief bevindt zich thans in het Archief van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Leusden. Het rapport behoort tot de daar aanwezige stukken.