7-8

|7|

Ten geleide

 

De herdenking dat anderhalve eeuw geleden in 1834 de Afscheiding te Ulrum begon en zich snel ver het land uitbreidde èn de herdenking van het andere feit dat een eeuw geleden, in 1886, de Doleantie in Amsterdam en elders (vaak onder de aanduiding ‘vrijmaking’ of ‘reformatie’) plaats vond liggen vanzelfsprekend dicht bij elkaar.

Ter herdenking van de Afscheiding werd in 1984 onder de redactie van ondergetekenden de bundel opstellen Afscheiding — Wederkeer gepubliceerd. We kunnen dankbaar over een goede ontvangst spreken. In aansluiting aan en ten vervolge van die eerste bundel verschijnt nu een bundel opstellen onder de titel Doleantie — Wederkeer. De titel van de beide bundels geeft de éénheid in verscheidenheid aan tussen de twee reformatorische bewegingen, die in tijd een halve eeuw van elkaar waren gescheiden. Beide bewegingen zijn, omdat zij reformatorisch waren, als ‘wederkeer’ te typeren — terugkeer tot de Here en zijn Woord en dienst, terugkeer tot de belijdenis van de ‘aloude’ Gereformeerde Kerken in ons land, terugkeer ook tot de gereformeerde kerkregering en eredienst.

De Afscheiding heeft zich in haar eerste Acte ook nadrukkelijk gepresenteerd als ‘wederkeer’. Ze heeft als titel meegekregen Acta van Afscheiding of Wederkeering. Zó nadrukkelijk zien we dit woord in de dagen van de Doleantie niet naar voren komen. Maar de Doleantie wilde wel degelijk dezelfde terugkeer in Gods kracht voltrekken — en dat niet om de verleden tijd, de 16de en 17de eeuw, terug te roepen. Maar om in de eigen tijd weer kerk van Christus te zijn en zo voor en in de eigen tijd als “zout van de aarde” en als “licht van de wereld” te functioneren naar Christus’ eigen beloftewoord aan zijn discipelen (Matt. 5: 13 e.v.).

Zo horen we ds. Willem van den Bergh samen met zijn kerkeraad op 4 febr. 1886 in het beslissende document van de ‘reformatie’ te Voorthuizen uitspreken: “met afschaffing van de sedert 1816 bestaande Synodale Organisatie, krachtens nimmer ontnomen oorspronkelijke bevoegdheid weder terug te keeren tot de vroeger in de Kerk gegolden hebbende Dordtsche Kerkenorde, in 1620 ingevoerd ...”.1

Evenzo horen we de “Kerkeraad der Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Amsterdam, thans dolerende” op 16 december 1886 in zijn “Bericht van Reformatie aan de Leden van de Nederduitsche Gereformeerde


1 Zie: G. Kuypers, Iets goeds uit Voorthuizen? Amsterdam en de moederkerk der Doleantie, Kampen 1985, 96. We hebben hier met een officiële kerkeraadsverklaring te doen, maar noemen toch de naam van de predikant afzonderlijk, omdat deze verklaring is opgesteld “door de predikant in overleg met de broeders”, Kuypers, t.a.p..

|8|

Kerk te Amsterdam” verklaren: “... gelijk onze vaderen in de eeuw der Hervorming, na afschudding van het juk der Pauselijke Hiërarchie, met alle Kerken dezer landen, tot de goede zuivere Belijdenis des Evangelies en een op die Belijdenis gegronde Kerkenorde zijn teruggekeerd, zoo hebben ook wij thans op hun voetspoor en onder inroeping van den zegen des Heeren, ... ons weer om datzelfde aloude zuivere Evangelie geschaard, ten einde in ware eenigheid met diezelfde Kerken weder naar diezelfde daarop gefundeerde Kerkenorde te leven ...” Hij riep de leden van de hem toevertrouwde gemeente op, hem in die wederkeer te volgen en voegde daaraan toe: “Het moet een weerkeren in gebrokenheid des harten en met beschaamdheid der aangezicht tot den God onzer vaderen zijn.”2

Op grond van woorden als deze hebben we met vrijmoedigheid tot de titel kunnen besluiten die aan deze bundel wordt meegegeven. Zoals de schrijvers van de vorige bundel gemeenschappelijke hun dankbaarheid voor het kerkhistorische feit van de Afscheiding uitspraken, zo doen de schrijvers van deze bundel dat even hartelijk voor de Doleantie. Zij zijn er dankbaar voor dat beide stromingen elkaar in 1892 vonden in de Vereniging, ook al liet niet ieder zich daarin vinden. De schrijvers zien in deze Vereniging het reformatorische ‘samen-op-weg’ van de vorige eeuw, waaraan vastgehouden mocht worden in de Vrijmaking van 1944 e.v.j.

Deze bundel verschijnt onder het uitspreken van de hoop dat de gereformeerde belijders van de naam van Christus ook in onze eeuw zullen verstaan dat een ‘samen-op-weg’ zich tegenover Gods heilig Woord alleen laat legitimeren, wanneer er de wil is gemeenschappelijk de weg naar de toekomst te gaan in het vasthouden aan en in het voortdurend wederkeren tot de belijdenis van de vrije genade. De belijdenis van de Kerk der eeuwen. Maar waar déze éénheid gevonden wordt, dáár moge ook de heilige roeping worden verstaan èn gehoorzaamd samen te gaan op weg naar de toekomst van die Here, die ons zegt: “Zie, Ik kom spoedig”.

De redactie is ook dit keer veel dank verschuldigd aan ds. H. Bouma voor de illustratieve verzorging van dit boek en al zijn verdere medewerking. De samenstelling van de registers is van de hand van de heer A. de Graaf, theologisch student te Kampen. We weten ons voor zijn nauwkeurig werk ook veel dank aan hem verschuldigd.

Kampen, 15 maart 1986


2 Zie: A. Kuyper, Afwerping van het juk der synodale Hiërarchie, Amsterdam 1886, 6, 10.