Rondom overlijden

 

1. Casus

Cremeren ligt in gezin X gevoelig. Toch wilde de vader niet anders dan dat. Moeder die vijf jaar eerder overleden was, lag begraven op de algemene begraafplaats. De dochter vraagt zich nu af of zij de asbus van haar vader kan bijzetten op of in het graf van haar moeder. Dit is van belang voor haar rouwverwerking. Op de begraafplaats kan ze dan op dezelfde plek zowel bij haar vader als moeder stil staan. De pastor die deze vraag voorgelegd krijgt, weet van deze mogelijkheid niet af. Hij adviseert de vrouw hierover de begrafenisondernemer te raadplegen.

 

2. Achtergronden

In Nederland overlijden 130.000 tot 140.000 mensen per jaar. In 5000 tot 6000 van deze gevallen wordt het overlijden als niet-natuurlijk geregistreerd. Er is dan sprake van een niet-natuurlijke dood door bijvoorbeeld ongeval of misdrijf.

In 1869 is de eerste Wet op de lijkbezorging van kracht geworden. Bij Wet van 7 maart 1991, wordt de wet van 1869 ingetrokken en ziet een nieuwe Wet op de Lijkbezorging (WLb) het levenslicht. De hoofddoelstellingen van de wet zijn dezelfde gebleven, namelijk:
- het voorkomen dat de ene mens de andere onopgemerkt kan doden;
- voorkoming van onhygiënische bezorging van lijken.

Een deel van de wet is gericht op het ontdekken van schuldig of opzettelijk doden. Het andere deel op hygiënische bezorging. De voorschriften met betrekking tot hygiënische bezorging zijn gericht op vervoer, bewaring, wijze van feitelijke bezorging, begraafplaatsen, crematoria. Voor het ontdekken van dood door schuld of misdrijf wordt aan de arts een rol toebedeeld.

 

3. Definiëring

Bij de dood houdt de menselijke lichamelijkheid op te bestaan. Dit is omdat het leven er uit verdwijnt. Het lichaam wordt een lijk. De wet zegt dat er sprake is van een lijk als het gaat om een stoffelijk overschot van een overledene of doodgeborene. De wet definieert een doodgeborene als een menselijke vrucht die na een zwangerschapsduur van tenminste vier en twintig weken ter wereld gekomen is, welke na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting heeft vertoond.

Een menselijke vrucht die binnen de eerste 24 weken ter wereld gekomen is valt niet onder de bepalingen van de wetgeving van dit hoofdstuk.

 

4. Verklaringen

4.1. Verklaring van overlijden (doodsbriefje A of het zogenoemde A-formulier)

Een verklaring van overlijden kan alleen worden afgegeven na een persoonlijke schouw. De arts moet met eigen ogen zien zijn dat de persoon in kwestie overleden is. De verklaring van overlijden (het doodsbriefje A) wordt door de behandelend arts afgegeven. In 95% van de sterfgevallen per jaar wordt een verklaring van natuurlijk overlijden afgegeven.

Met de verklaring maakt de behandelend arts duidelijk dat hij het lijk persoonlijk heeft gezien en verklaart hij/zij er van overtuigd te zijn dat de dood tengevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Met natuurlijke oorzaak wordt bedoeld: een overlijden dat het gevolg is van een spontane ziekte en/of ouderdom.

Als de overledene een echtgenoot is of een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad mag de behandelend arts niet optreden als degene die een verklaring van overlijden afgeeft. Dit geldt ook voor het geval dat het gaat om een levenloze vrucht van de echtgenoot of een bloed- of aanverwant in de derde graad. In plaats van de behandelend arts treedt dan de gemeentelijke lijkschouwer op. Dit is een arts die als gemeentelijke lijkschouwer is aangesteld.

 

4.2. Doodsbriefje B

Tegelijk met de afgifte van de 'echte' verklaring van overlijden moet de arts ook een opgave doen van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek. Deze laatste opgave wordt in een gesloten enveloppe aan de ambtenaar van de burgerlijke stand gezonden. Gegevens betreffende de overleden persoon zelf zijn daarin niet opgenomen.De ambtenaar van de burgerlijke stand stuurt de enveloppe ongeopend door aan de geneeskundige hoofdinspectie van de volksgezondheid dan wel aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Zo kan in Nederland bijgehouden worden hoeveel mensen dood gaan en waaraan.

 

4.3. Verklaring van geen bezwaar

In 5% van de sterfgevallen wordt de gemeentelijke lijkschouwer ingeschakeld vanwege het feit dat de behandelend arts geen verklaring van overlijden kan afgeven.

Een gemeentelijke lijkschouwer wordt in ieder geval ingeschakeld als er sprake is van een niet-natuurlijke doodsoorzaak en sinds kort (2001) ook als er sprake is van het overlijden van een kind. In geval van een niet-natuurlijke oorzaak is het overlijden altijd ontstaan vanwege een oorzaak van buitenaf. Hierbij is te denken aan: moord, ongeval, euthanasie en overlijden als gevolg van onjuist medisch, paramedisch of verpleegkundig handelen. In dit geval zal de gemeentelijke lijkschouwer verslag uitbrengen aan de officier van justitie en waarschuwt hij de ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet ingeschakeld worden ter voorkoming van het onterecht afgeven van een verlof tot begraven of cremeren op basis van een valse verklaring van overlijden. Voor het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer zijn twee soorten model-formulieren beschikbaar. Afhankelijk van het feit of er wel dan geen sprake is van euthanasie of hulp bij zelfdoding wordt een bepaald formulier gebruikt. De officier van justitie zal uiteindelijk degene zijn die in deze gevallen een verklaring dient af te geven waaruit blijkt dat er geen bezwaar is tegen begraving of verbranding. Voordat hij daartoe in staat is kan het zijn dat er een gerechtelijke obductie dient plaats te vinden. In dat geval zal de gerechtelijk patholoog zijn bevindingen doorgeven aan de officier van justitie.

Pas na het afgeven van de verklaring van geen bezwaar kan een rouwbezoek plaatsvinden en de rest van de formaliteiten worden afgehandeld.

4.3.1. Overlijden minderjarige

Jaarlijks overlijden in Nederland 4100 minderjarigen. Meestal kan de directe doodsoorzaak worden vastgesteld, maar niet altijd de omstandigheden die tot het overlijden hebben geleid. Per jaar sterven naar schatting ongeveer veertig tot vijftig kinderen als gevolg van fatale kindermishandeling. Om te voorkomen dat er bij het overlijden van een minderjarige een conflict van plichten ontstaat bij de behandelend arts zal standaard een lijkschouwer worden ingeschakeld.

De lijkschouwer dient bij twijfel over de doodsoorzaak een regionaal evaluatieteam in te lichten. Dit team moet niet alleen naar de doodsoorzaak kijken, maar ook naar de omstandigheden van het overlijden. Dit team zal, als daar voldoende aanleiding voor is, aangifte doen. Het Openbaar Ministerie kan daarop verder strafrechtelijk onderzoek doen.

Pas na het afgeven van de verklaring van geen bezwaar kan een rouwbezoek plaatsvinden en de rest van de formaliteiten worden afgehandeld.

 

4.4. Overlijdensakte (art. 19f-h BW)

Iedereen die uit eigen wetenschap kennis draagt van een overlijden is bevoegd aangifte te doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Meestal wordt de aangifte gedaan door een begrafenisondernemer in opdracht van de nabestaanden.

Na de aangifte maakt de ambtenaar een overlijdensakte op. Bij deze akte worden de eerder genoemde stukken gevoegd, namelijk de verklaring van overlijden of een verklaring waaruit blijkt van geen bezwaar van de officier van justitie tegen begraven of verbranding.

4.4.1. Verplichting tot aangifte?

De wet legt aan niemand een verplichting tot aangifte op.

Als niemand initiatieven neemt moet degene die een overledene onder zijn berusting heeft, uiterlijk de derde dag na het overlijden de burgemeester waarschuwen. Deze kan dan de nodige maatregelen treffen. De kosten komen dan ten laste van de gemeente. Ze zijn wel verhaalbaar op de nalatenschap van de overledene. Als de nalatenschap onvoldoende is ter dekking kunnen de onkosten in principe verhaald worden op bloed-en aanverwanten in rechte lijn.

 

5. Vragen ter donatie en/of obductie

Vragen ter donatie en/of obductie worden gesteld in een situatie die meestal erg emotioneel is. Dat kan ook niet anders daar deze handelingen alleen kort na het overlijden mogelijk en zinvol zijn. Als de overledene bij leven zich al uitdrukkelijk heeft uitgesproken zullen deze vragen natuurlijk niet meer op dit moment gesteld hoeven te worden.

 

5.1. Donatie (art. 20-23 Wet op de orgaandonatie)

Bij donatie gaat het om het ter beschikking stellen van organen (hart, longen, nieren, lever of alvleesklier) en/of weefsel (hoornvlies, huid, hartkleppen en botweefsel). Als iemand bij leven geen gebruik gemaakt heeft van de registratiemogelijkheid wordt nabestaanden om toestemming gevraagd. Als nabestaanden gelden:
- de samenlevende echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel;
- bij afwezigheid of onbereikbaarheid de onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloedverwanten tot en met de tweede graad;
- bij afwezigheid of onbereikbaarheid de onmiddellijk bereikbare meerderjarige aanverwanten tot en met de tweede graad;
In geval van minderjarigen jonger dan 12 jaar kan de gezagsdrager toestemming geven.

5.1.1. Consequenties

Allereerst zal er een operatie dienen plaats te vinden. Dit kan voor nabestaanden betekenen dat ze eerder dan hun lief is de net overledene (ter voorbereiding) voor de operatie moeten afstaan. Wel is het zo dat na elke vorm van donatie de overledene uitwendig weer geschikt gemaakt zal worden voor opbaring. Het zelf als familieleden mee afleggen zal hoogstwaarschijnlijk niet aan de orde zijn. Na een donatie zal er normaal een opbaring kunnen plaatsvinden in een rouwkamer of het huis van de overledene.

 

5.2. Obductie-sectie

Dit betekent dat er een onderzoek gedaan zal worden naar de doodsoorzaak. Dit onderzoek kan in verband staan met een onderzoek naar de oorzaak van het overlijden, naar de resultaten van een medische behandeling of naar een kwaliteitstoetsing van het medisch handelen van het ziekenhuis.

De arts zal de reden en de uitgebreidheid van de obductie aan de nabestaanden voorleggen, de toestemmingsprocedure uitleggen en toestemming vragen. De nabestaande moet weten waar hij zijn toestemming aan geeft of aan onthoudt.

Het is van belang dat er in de geest van de overledene wordt gehandeld. Als de overledene, van 16 jaar of ouder zelf bij leven al toestemming heeft gegeven is dat voldoende. Dezelfde personen die toestemming kunnen geven tot ontleding (zie later) kunnen ook toestemming geven voor obductie.

5.2.1. Consequenties

Consequenties van obductie-sectie zijn eigenlijk dezelfde als bij donatie. De snelheid van handelen staat daarentegen minder centraal.

De patholoog zal zijn bevindingen meedelen aan de arts die de overledene behandeld heeft. De huisarts krijgt bericht van de obductiebevindingen. De eerste resultaten zijn direct bekend. Na 4 tot 6 weken de totale bevindingen. Degene die toestemming heeft gegeven heeft indien gewenst recht op het bespreken van de bevindingen. In het algemeen kan na de obductie de verdere procedure in geval van overlijden gevolgd worden.

5.2.2. Uit een voorlichtingsfolder over obductie

‘Er zijn omstandigheden waarin, naast de kleine stukjes weefsel voor het microscopisch onderzoek, één of meer organen - of delen daarvan - langer worden bewaard, bijvoorbeeld het hart of de hersenen. Een eerste reden kan zijn dat het orgaan heel klein is zodat het in zijn geheel voor het aanvullend microscopisch onderzoek moet worden meegenomen. Een tweede reden kan zijn dat het een ingewikkelde afwijking van het orgaan betreft die uitgebreider onderzoek, al dan niet in samenwerking met een expert, noodzakelijk maakt. Een derde reden kan zijn dat het weefsel of orgaan eerst bewerkt moet worden om tot onderzoek over te kunnen gaan. De bewerking kan enkele dagen en soms weken in beslag nemen. Voor hersenonderzoek bijvoorbeeld is een periode van zes tot twaalf weken nodig voor bewerking en beoordeling. Deze redenen maken het langer bewaren van de (delen van) organen noodzakelijk om tot een diagnose te kunnen komen. Een vierde reden om een (deel van een) orgaan te bewaren, is voor onderwijsdoeleinden. Als het orgaan op een treffende wijze een bepaalde ziekte illustreert, kan het een grote dienst bewijzen bij het onderwijs aan medische studenten, artsen en verpleegkundigen. Dit zal overigens zelden voorkomen.
Er zijn dus verschillende redenen om bepaalde (delen van) organen langer te bewaren. Deze weefsels of organen kunnen dan niet met de overledene mee begraven of gecremeerd worden, maar worden later alsnog gecremeerd door het ziekenhuis, behalve als ze bewaard blijven voor onderwijsdoeleinden. Het is belangrijk dat u zich dit realiseert. Als u hiertegen bezwaar heeft, kunt u dit kenbaar maken aan de arts. Als uw bezwaar ertoe leidt dat tijdens de obductie onvoldoende gegevens kunnen worden verkregen, dan zal de arts dit met u bespreken. U kunt dan in samenspraak tot een voor u aanvaardbare beslissing komen.’

 

6. Lijkbezorging

Lijkbezorging geschiedt in het algemeen door begraving of verbranding.

Begraving of verbranding geschiedt niet eerder dan 36 uren na het overlijden en uiterlijk op de vijfde dag na die van het overlijden. De burgemeester van de gemeente waar de overledene zich bevindt kan na een arts te hebben gehoord een andere termijn afspreken. Van het besluit van de burgemeester staat binnen 24 uur beroep open op de Commissaris in de provincie, die onmiddellijk beslist. Binnen 36 uur is begraven of cremeren alleen mogelijk met toestemming van de officier van justitie.

Als bijzondere vorm van lijkbezorging wordt in de wet de ontleding ten behoeve van de wetenschap genoemd.

 

6.1. Begraven (art. 3-7 Besluit op de Lijkbezorging)

6.1.1. Begraafplaats

Begraving gebeurt op een begraafplaats. Er zijn twee soorten begraafplaatsen, namelijk algemene en bijzondere.

De algemene betreft een gemeentelijke begraafplaats, de bijzondere kan aangelegd en in stand gehouden worden door een kerkgenootschap, een vereniging/stichting of een natuurlijk persoon. Een kerkgenootschap kan aan de gemeenteraad vragen om een deel van de gemeentelijke begraafplaats tot zijn beschikking te krijgen.

Op een algemene begraafplaats wordt ten minste elke dag welke geen zondag of algemeen erkende feestdag is, de gelegenheid gegeven tot begraven. Gemeentelijke wetgeving regelt dit verder.

6.1.2. Met of zonder kist

Een overledene kan zowel in een kist als zonder kist begraven worden. Als er geen gebruik gemaakt wordt van een kist, moet er wel sprake zijn van een ander omhulsel. Dit omhulsel moet op het doel van de begraving zijn afgestemd. In dit verband kan gedacht worden aan een lijkwade. Een kist of omhulsel mag (uitgezonderd handvatten, nieten etc) niet gemaakt zijn van kunststoffen (tenzij door de minister uitgezonderd) of metalen.

6.1.3. Graf

De overledene wordt begraven in een graf. Er zijn algemene en ‘gekochte’ graven.

De Wet op de lijkbezorging kent de term ‘gekochte’ graven niet. Er wordt gesproken over ‘het uitsluitend recht op een graf’. Dit betekent dat de rechthebbende het recht heeft om te beslissen welke overledene in het graf wordt gelegd. Dit gegeven is anders dan meestal gedacht wordt. In het algemeen wordt gesproken over ‘de eigenaar van het graf’. Eigenaar van de grond is echter (bij een gemeentelijke begraafplaats) de gemeente. De gemeente geeft een graf uit als iemand daar om verzoekt.

Het uitsluitend recht op een graf op een gemeentelijke begraafplaats wordt gevraagd bij de gemeente. Burgemeester en wethouders geven een beslissing op deze vraag. Als de beschikking positief is wordt er een akte van grafuitgifte opgemaakt. Vanaf dat moment moet de rechthebbende kosten gaan betalen. Het gebeurt dat de gemeente ‘het uitsluitend recht op een graf’ pas mogelijk maakt als er concreet sprake is van een overlijden. Meestal is het dan wel mogelijk een graf vooraf te reserveren. Hiervoor moeten meestal per jaar kosten betaald worden. Vaak vindt de grafuitgifte voor een termijn van 20 jaar plaats. In weinig gemeenten is een grafuitgifte voor onbepaalde tijd mogelijk.

Steeds tegen het einde van de termijn kan (weer) een verlenging plaatsvinden. Dit hangt (vaak) af van wat de nabestaanden willen. De houder van de begraafplaats maakt desbetreffenden er attent op dat de termijn gaat verstrijken. Als het adres van de rechthebbende niet bekend is, wordt de mededeling aangeplakt bij het graf en de ingang van de begraafplaats. Dit blijft hangen tot het moment dat de termijn verstreken is. In een aantal gemeenten worden ook overeenkomsten gesloten betreffende het onderhoud van het graf. Deze kosten zullen ook steeds weer voldaan moeten worden.

Bij bijzondere begraafplaatsen vervult het bestuur van de bijzondere begraafplaats de rol van B&W bij de gemeentelijke begraafplaats. Ook hier gaat het bij de uitgifte van een graf meestal om een soort huurcontract. Dit contract geeft de rechthebbende het recht het stoffelijk overschot op die bepaalde plaats te laten begraven. De kosten van een ‘eigen graf’ variëren enorm. Dit is plaatselijk zeer verschillend. De kosten kunnen liggen tussen de €114,- en €3200,- (zonder afkoop van het onderhoud).

Een algemeen graf komt zowel op een algemene als bijzondere begraafplaats voor. Het gaat dan om een graf waarin meerdere willekeurige stoffelijke overschotten worden begraven. Het reserveren van deze plaats is in principe niet mogelijk. Wettelijk wordt tien jaar grafrust gegarandeerd. De gemeente kan een langere termijn vaststellen. Verlenging van de termijn is niet altijd mogelijk. De kosten van een algemeen graf beginnen rond de €205,- voor tien jaar. Dit is exclusief steen, beplanting en onderhoud. Voor onderhoudsrechten kan de gemeente een apart bedrag heffen.

6.1.4. Register

Bij de begraafplaats behoort een register, waarin nauwkeurig omschreven staat wie waar begraven ligt. Dit register is openbaar. Als een bijzondere begraafplaats wordt opgeheven, wordt het register overgebracht naar het archief van de gemeente waarin die begraafplaats was gelegen.

6.1.5. Overige kosten

Boven op de eerder genoemde kosten komen de kosten van het openen en sluiten van een graf. Dit varieert van €227,- tot €725,-. In diverse gemeenten moet voor het onderhoud van de begraafplaats betaald worden. Deze kosten kunnen variëren van €23,- tot €114,- per jaar. Voor het onderhoud van de grafbeplanting kan men ongeveer €23,- rekenen.

6.1.6. Ruimen

De eigenaar van de begraafplaats kan als er geen verlenging van het ‘uitsluitend recht op een graf’ heeft plaatsgevonden of als de termijn van grafrust voor een algemeen graf is verstreken opdracht geven om een graf te ruimen.

Ruiming kan so wie so alleen gebeuren als de stoffelijke resten van de overledene 10 jaar in het graf gerust hebben. In verschillende gemeenten kunnen langere termijnen gelden. Bij ruiming worden de stoffelijke resten opgegraven en bij elkaar herbegraven of als de rechthebbende dat wenst verbrand.

Een rechthebbende kan altijd om verlenging vragen. Als de gemeente een algemeen graf gaat ruimen kunnen familieleden als nog besluiten om een graf te gaan huren. Daarbij ontstaat dan het ‘uitsluitend recht op een graf’. Het stoffelijk overschot wordt dan herbegraven.

Ook aan het ruimen van graven zijn kosten verbonden. Dit is weer afhankelijk van de plaatselijke regelgeving. Er kan gedacht worden aan een bedrag rond de €1000,-

6.1.7. Schudden

Bij eigen graven kan het voorkomen dat na ommekomst van de daarvoor geldende plaatselijke termijn (minimaal 10 jaar) de graven geschud worden. Dit gebeurt alleen op aanvraag van de ‘grafeigenaar’.

De stoffelijke overschotten van een aantal familieleden worden bij elkaar op de onderste plaats begraven. Zodoende komt er ruimte vrij om andere familieleden in het graf te begraven.

 

6.2. Cremeren (art. 8-10 Besluit op de lijkbezorging)

6.2.1. Crematorium

Verbranding gebeurt in een crematorium. Er zijn evenals bij de begraafplaatsen twee soorten crematoria, de gemeentelijke en bijzondere.

Is het in de wet geregeld dat een gemeente alleen of samen met andere gemeenten tenminste een gemeentelijke begraafplaats moet hebben, zo niet voor het crematorium. Er wordt slechts bepaald dat het vestigen van een gemeentelijk crematorium of het besluit tot het verlenen van een vergunning voor het vestigen van een bijzonder crematorium alleen kan worden genomen als burgemeester en wethouders van de gemeente het voornemen van vestigen dertig dagen voor het te nemen besluit in de openbaarheid gebracht hebben.

6.2.2. Met of zonder kist

Een overledene wordt in principe in een kist verbrand. De verbranding mag gebeuren zonder kist, als het lijk zich dan maar bevindt in een ander omhulsel (zie bij begraven). Voor de verbranding is het wel van belang dat de pacemaker uit het stoffelijk overschot de overledene wordt verwijderd. De verbranding moet zodanig gebeuren dat vermenging of verwisseling van as met die van andere lijken niet mogelijk is.

6.2.3. Asbus

Na de verbranding zorgt de houder van het crematorium er voor dat de as wordt geborgen in één of meer asbussen. Een deel van de as kan op verzoek van de nabestaande op een andere wijze worden geborgen en aan de nabestaande ter beschikking worden gesteld. Het crematorium moet de asbus vervolgens minimaal een maand na het bergen van de as in de bus bewaren. Daarna kan aan de as een bestemming worden gegeven. Hierbij valt te denken aan verstrooiing, wat tegenwoordig ook op een ‘eigen, dierbaar strooiplekje’ kan , bij het crematorium ineen urnenmuur, op de begraafplaats bijzetten of meenemen naar huis. De wettekst betreffende het bijzetten van een asbus luidt:

‘Een asbus kan worden bijgezet op:
- in een in het bijzonder daarvoor bestemd gedeelte van het crematorium,
- in of op een graf of op een afzonderlijke plaats op een begraafplaats, of
- in een buiten een crematorium of begraafplaats gelegen bewaarplaats.
De kosten voor het bijzetten in een urnenmuur op een begraafplaats kan zo rond de €230,- liggen per vijf jaar. Voor de verlenging moet dan opnieuw betaald worden. De gemeente kan ook onderhoudsrechten voor een urnennis op de begraafplaats heffen.
Het bijzetten geschiedt in opdracht van de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft. De bijzetting van een asbus in of op een graf waarop een uitsluitend recht berust, kan slechts geschieden met toestemming van de rechthebbende op het graf.’ De bijzetting in een graf moet ook betaald worden en kan rond de €140,- liggen.

6.2.4. Register

Evenals bij de begraafplaats behoort ook bij het crematorium een register, waarin o.a. nauwkeurig omschreven staat welke bestemming aan de as gegeven is en de plaats van bestemming. Dit register is eveneens openbaar.

Als een bijzonder crematorium wordt opgeheven, wordt het register overgebracht naar het archief van de gemeente waarin het crematorium was gelegen.

Het ruimen van as kan na verloop van twintig jaren nadat de as in de bus geborgen is gebeuren door de houder van de plaats waar de asbus is bijgezet. Dit kan dus bijvoorbeeld de begraafplaats zijn waar de asbus in een urnenmuur is bijgezet. De houder van de begraafplaats houdt ook hier een openbaar register van bij. De houder moet voor verstrooiing wel toestemming hebben van de rechthebbende op de ruimte waar de as is bijgezet.

 

6.3. Ontleding ten behoeve van de wetenschap (art. 67-70 Wet op de lijkbezorging)

De wet noemt als bijzondere vorm van lijkbezorging de ontleding: het lichaam wordt dan ter beschikking van de wetenschap of het wetenschappelijk onderwijs gesteld zonder verder begraven of gecremeerd te worden. Nog sterker dan bij bijvoorbeeld sectie mag hier alleen voor gekozen worden als het echt duidelijk in de lijn van de overledene is. Uitgangspunt in de wet is namelijk dat ontleding slechts gebeurt als de overledene zijn lijk daartoe heeft bestemd. Als de overledene helemaal geen bestemming inzake lijkbezorging heeft achter gelaten kan ontleding ook gebeuren bij toestemming van
- de samenlevende echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel. Bij afwezigheid of onbereikbaarheid de onmiddellijk bereikbare
- meerderjarige bloedverwanten tot en met de derde graad. Bij afwezigheid of onbereikbaarheid de onmiddellijk bereikbare
- meerderjarige aanverwanten tot en met de derde graad. Bij afwezigheid of onbereikbaarheid de
- aanwezige meerderjarige erfgenamen of
- anders degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen.

Ontleding kan niet gebeuren zonder schriftelijk verlof van de burgemeester. Dit verlof moet uiterlijk op de derde dag na die van het overlijden worden afgegeven. De ontleding mag niet eerder aanvangen dan 36 uren na het overlijden.

In de praktijk is het zo dat een overledene alleen ter beschikking van de wetenschap wordt gesteld, wanneer er een bevestiging van de universiteiten kan worden overlegd. Tijdens het leven moet een persoon zich hebben aangemeld bij een universiteit. Bij de ter beschikkingstelling vindt er geen obductie of donatie plaats met uitzondering van de hoornvliezen.

 

6.4. Te vroeg geboren baby

Van een kindje dat bij een zwangerschapsduur van tenminste 24 weken levenloos ter wereld is gekomen moet op het gemeentehuis aangifte van het ‘doodgeboren zijn’ gedaan worden. De ouders van een levenloos geboren kindje kunnen naamskeuze doen voor hun kind en de gekozen geslachtsnaam doen opnemen in de akte die van het levenloos geboren kindje wordt opgemaakt. Sinds 1999 heeft de minister een mededeling laten uitgaan dat dit niet alleen mogelijk is bij kinderen die tijdens een huwelijk worden geboren (de wet beperkt het daartoe), maar dat dit ook mogelijk moet zijn voor kinderen die buiten een huwelijk geboren worden. De vermelding van de gegevens van de vader in de akte brengt geen rechtsgevolgen met zich mee. Tussen het kindje dat buiten het huwelijk geboren is en de vader ontstaan geen juridische rechtsgevolgen.

Het levenloos geboren kindje moet evenals een overleden persoon begraven of gecremeerd worden. De begrafenisondernemer regelt meestal de aangifte bij de burgerlijke stand. Als het kindje geleefd heeft wordt ook een geboorteakte opgemaakt. Bij de geboorteakte wordt ook voornaam en achternaam opgegeven. Bij een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken bestaat er geen aangifteplicht en geen plicht tot begraven en cremeren. Als die wens er wel is dan wordt op dezelfde wijze gehandeld alsof de zwangerschap tenminste 24 weken heeft geduurd. Als er geen wens tot begraven of cremeren is kan het kindje in het ziekenhuis gecremeerd worden.

Door de arts die bij de bevalling aanwezig was wordt een verklaring van overlijden ingevuld en het eerder genoemde B-formulier ten behoeve van het centraal Bureau voor Statistiek, inhoudende de verklaring omtrent de doodsoorzaak.

 

7. Wetenswaardigheden

Gids na een overlijden
Er is een uitgave van het Landelijke Steunpunt Rouwbegeleiding (LSR), getiteld ‘Gids na een overlijden’, waarin nabestaanden veel informatie kunnen vinden over wat er allemaal geregeld dient te worden na een overlijden.
Handleiding voor nabestaanden voor zakelijke beslissingen en voor de verwerking van het verlies Deel I geeft een overzicht van de te regelen zaken, voornamelijk op het administratieve en financiële vlak; deel II gaat over de beleving en de verwerking van het verlies in de maanden of jaren na het overlijden. Een overzicht van boeken over rouw, nuttige adressen etc. is toegevoegd.

Rouwgroepen
LSR heeft ook informatie betreffende het opzetten van rouwgroepen
'Rouwgroepen: organisatie en voorbereiding'
Een handleiding voor zowel vrijwillige rouwbegeleiders als beroepskrachten en andere geïnteresseerden over het opzetten van rouwgroepen.

Hoe te handelen in geval van mijn overlijden
Van internet, http://www.uitvaart.nl/avvl/wensen.html is een formulier te downloaden waarin persoonlijke gegevens betreffende ‘Hoe te handelen in geval van mijn overlijden’ ingevuld kunnen worden. Veelal kunnen uitvaartondernemingen ook zo’n type formulier ter beschikking stellen.

Grafzorg Nederland
Er zijn organisaties die in Nederland de graven beheren. Zo is Grafzorg Nederland, een stichting die graven beheert. Aldus haar eigen informatie bestaat het bestuur van deze stichting zonder winstoogmerk uit nabestaanden of graf-eigenaren. De stichting koopt en beheert graven voor instellingen, notariaat en particulieren. Via Grafzorg Nederland kan bij leven een familiegraf gekocht worden. Ook als er geen nabestaanden zijn kan Grafzorg Nederland voor graf en monument zorgen. Het gaat dus om de aankoop en het behoud van graven.
Ook de grafrust kan op deze wijze bewaakt worden.

Grafrechtenverordening
Elke burgerlijke gemeente heeft een soort grafrechtenverordening. Deze gemeentelijke wetgeving bevat rechtsregels betreffende:
- de belastingplicht;
- huur-en kooprechten van graven
- prijzen voor begraafrechten
- onkosten voor op- en herbegraven
- onkosten voor schoonhouden graven en urnennissen
Zo zijn er ook verordeningen die het beheer en gebruik van begraafplaatsen regelen. In deze plaatselijke regelgeving zal duidelijk worden wat de mogelijkheden zijn om bijvoorbeeld een graf te kunnen ‘kopen’. Tevens zullen daar de bedragen genoemd worden die daarmee gemoeid zijn.

Folder voor nabestaanden betreffende de obductie
De Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVVP) heeft een folder over obductie ten behoeve van nabestaanden ontworpen. De folder is tot stand gekomen in samenwerking met de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF). De folder betreft een folder van juli 2001. Deze folder is in te zien op http://www.nvz-ziekenhuizen.nl/pub/public/obductie-nabestaanden.pdf of
http://www.npcf.nl/actueel/onderdelen/Nieuwepubl/obductiefolder.htm
Bij vragen kan contact opgenomen worden met het patiëntenservicebureau in het ziekenhuis.

Tip

Organiseer in de christelijke gemeente eens een avond rondom het thema ‘voorbereidingen op de dood’. Vaak hebben mensen wensen betreffende de uitvaart en beslissingen die rondom het overlijden gemaakt moeten worden niet geregeld. Als daar wat licht op geworpen wordt zal het ook makkelijker zijn om daarover een aantal zaken te gaan vastleggen, zodat anderen later geen beslissingen moeten nemen die eigenlijk tegen je eigen ‘principes’ ingaan.

 

8. Wetgeving

Wet op de lijkbezorging, Wet van 7 maart 1991, Stb. 1993, 655, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1998, 466.

Besluit op de lijkbezorging, Besluit van 4 december 1997, Stb. 1997, 647, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1998, 340

 

9. Adressen

Grafzorg Nederland
Wilhelminaplein 2
2243 HE Wassenaar
070 5112808

Landelijke Stichting Rouwbegeleiding
De activiteiten van de LSR zijn in beginsel bedoeld voor iedereen die te maken heeft met rouw. Bij de LSR is uitgebreide informatie over rouw beschikbaar. De LSR kan de weg wijzen naar de mogelijkheden voor rouwbegeleiding
Postbus 13189,
3507 LD Utrecht
tel. 030 2761500

 

10. Internet

http://www.notaris.nl

http://www.ziekenhuis.nl
op deze site is onder mortuarium veel informatie te vinden betreffende donatie en obductie, ter beschikking stellen aan de wetenschap, niet-natuurlijke dood, waarschuwen uitvaartverzorger, persoonlijke bezittingen, mortuarium, rouwbegeleiding en uitvaart verenigingen.

http://www.uitvaart.nl
deze site bevat zeer veel informatie over het hele gebied rondom het overlijden. Ook aandachtspunten betreffende de laatste levensfase komen aan bod. De site is onderverdeeld in: voor de uitvaart, de uitvaart en na de uitvaart.

http://www.verliesverwerken.nl/
site van het eerder genoemde LSR.