Waar staat dat? Nergens!
Genre: Bladartikel
|73|
Een nieuwe koning! Daar moet het Wilhelmus bij gezongen worden. Weliswaar niet in de kerkdienst; het komt direct erna, ‘na de handdruk’. Br. van Dijk vindt dat een merkwaardige vertoning. Hij stelt er vragen over aan de kerkenraad: “Waar staat dat het Wilhelmus alleen na de handdruk gezongen kan worden? Waar staat dat die handdruk zo belangrijk is?” De kerkenraad zoekt het na, maar kan het niet vinden: niets over het Wilhelmus, niets over de handdruk. Blijkbaar zijn er geen kerkelijke afspraken over. Vreemd?
Kerkelijk recht is niet altijd beschreven recht. Dat is trouwens ook buiten de kerk het geval: de werkelijkheid is complexer dan wat je in rechtsregels kunt beschrijven. Gelukkig maar. Er is meer te beleven dan wat je in woorden vatten kunt!
Dat hoeft dus ook niet meteen tot problemen te leiden. Wanneer je
in een bijzondere situatie het kerkelijk recht zo goed mogelijk
wilt toepassen, kun je beginnen met na te gaan wat er voor
normale situaties is beschreven. Probeer daarbij te achterhalen
wat de reden is dat het zo geregeld werd. Pas die principes
vervolgens toe op de eigen bijzondere situatie en meestal vind je
wel een begaanbare weg.
Als voorbeeld noem ik de attestatie die wordt meegegeven bij
vertrek naar een andere woonplaats. Dat is helder beschreven in
art. 60 en 63 KO (en in de nieuwe kerkorde in art. C43 en C44).
Zo’n attestatie maakt het voor iemand gemakkelijk om zich te
presenteren bij de kerk in zijn nieuwe woonplaats. En het maakt
het voor die kerk gemakkelijk om deze onbekende persoon te
ontvangen.
Maar wat te doen als iemand slechts tijdelijk elders verblijft en
daar kerkelijk wil meeleven? De kerkorde geeft daar geen regels
voor. Evengoed hebben we vanuit de genoemde principes wel wegen
gevonden. De ‘reisattestatie’ is hieruit ontstaan, evenals het
‘avondaalsbriefje’. Die zijn zelfs zo ingeburgerd, dat menigeen
denkt dat ze wel door een generale synode voorgeschreven zullen
zijn. Maar dat is niet het geval. Het zijn vormen van
‘ongeschreven recht’, ook al is de relatie met het ‘beschreven’
recht gemakkelijk aan te wijzen.
Bij ongeschreven recht gaat het vaak over gebruiken die gemeengoed zijn. Er is weinig behoefte om ze formeel vast te leggen in regelingen; ze zijn onomstreden en leveren weinig praktische problemen op. De ‘handdruk’ voor en na de kerkdienst is er een goed voorbeeld van. De ouderling van dienst geeft de voorganger beide keren een
|74|
hand, om daarmee aan te geven dat deze niet handelt op eigen gezag, maar met mandaat van de kerkenraad. Een nuttig gebaar, maar niet vastgelegd in een kerkordelijke regeling. Het is ‘gewoonterecht’. Dat geldt overigens ook voor het fenomeen ‘ouderling van dienst’: zijn functie wordt hooguit beschreven in de plaatselijke kerkelijke regeling. Maar zelfs als dat niet het geval zou zijn, is zijn optreden rechtmatig en is zijn handdruk een rechtsgeldige handeling.
Die geldigheid blijft staan wanneer gebruiken uit het
ongeschreven recht in de loop van de tijd toch ter discussie
worden gesteld. Denk aan de gewoonte om alleen mannen te roepen
tot het ambt van predikant, ouderling of diaken. Velen vinden dat
deze regel niet langer houdbaar is. Wanneer zij horen dat de
kerken zich tot op heden nooit officieel hebben uitgesproken
tegen ‘de vrouw in het ambt’, brengt die ontdekking hen soms tot
euforie: “Dan zetten we er nu toch snel een vrouw in!”
Dat is echter een misvatting. De praktijk om alleen mannen aan te
stellen, is zo diepgeworteld in de kerkelijke traditie dat je hem
niet zomaar kunt negeren. Het is al vele eeuwen ongeschreven
recht. Dat blijft zo wanneer er kritische vragen bij worden
gesteld. Wel kan het de kerken aanleiding geven om deze oude
gewoonte nog eens tegen het licht te houden, zoals momenteel
inderdaad gebeurt. Wanneer dat leidt tot een besluit, van welke
inhoud ook, betekent dat een vervanging van het ongeschreven
recht door geschreven recht. Maar zolang er geen besluit is
|75|
genomen, geldt het bestaande, ongeschreven recht.
Het zingen van het Wilhelmus is nog weer een ander verhaal. In
beginsel is hier geschreven recht van toepassing, namelijk art.
67 KO (vergelijk in de nieuwe kerkorde art. C37), waar staat dat
we in de kerkdienst alleen liederen zingen die door de generale
synode zijn vrijgegeven. Het principe achter deze regel is dat we
in de liturgie een kerkelijke stijl willen bewaren. De liederen
moeten echt kerk-liederen zijn. En omdat dit principe uitstijgt
boven het niveau van de persoonlijke smaak, menen we daar
gezamenlijke afspraken over te kunnen maken. Daarbij is het
Wilhelmus, ook al staat dat als gezang 411 in het Liedboek voor
de Kerken, tot op heden gepasseerd. Het is wel een mooi en
christelijk lied, maar te veel gericht op de Nederlandse
geschiedenis om kerklied te kunnen zijn.
Kan het dan nooit worden gezongen? In bijzondere situaties moet
dat zeker mogelijk zijn. De ontwikkelingen in de Nederlandse
politiek kunnen op een gegeven moment reden zijn om ze ook binnen
de kerkdienst te bespreken en ze in gebed aan de HERE voort te
leggen. Dat kan in zo’n bijzonder geval gesteund worden met een
passend lied, bijvoorbeeld één of meer coupletten uit het
Wilhelmus. De kerkelijke regelgeving op landelijk niveau kent
deze uitzondering weliswaar niet, maar de gewoonte om bij
speciale gelegenheden het Wilhelmus te zingen, is al zo oud en
wijd verbreid, dat je het weer kunt zien als een vorm van
ongeschreven gewoonterecht.
Dat geldt ook voor de merkwaardige gewoonte om dat zingen van het
Wilhelmus te doen aan het eind van de dienst, na de handdruk van
de dienstdoende ouderling. Merkwaardig, inderdaad, want die
handdruk bezegelt wel het mandaat van de voorganger, maar wijzigt
niet het karakter van de samenkomst. Het is nog steeds de
christelijke gemeente die hier bijeen is en het is nog steeds de
kerkenraad die hier verantwoordelijk is. Het besluit om het
Wilhelmus te zingen, is meestal een uitdrukkelijk besluit van de
kerkenraad!
Toch heb ik nog niet anders meegemaakt of het gebeurde direct na
de handdruk. Misschien niet eens omdat de kerkenraad dat ooit zo
besloten had. En zeker niet omdat het zo zou moeten vanwege art.
67 KO. Maar wel omdat het zo als gewoonte is gegroeid. En daarmee
heeft het een zeker recht verworven.
Ook dat is een eigenschap van ongeschreven recht: het wordt niet altijd verantwoord en het is dus ook niet altijd verantwoord. Je mag er, zoals bovengenoemde br. Van Dijk, daarom best kritisch naar kijken. Maar de weg waarlangs hij het wil aanvechten, is niet zo gelukkig: “Waar staat in de kerkelijke regelingen dat dit zo kan of moet?” Dat staat nergens, nee. Het is ongeschreven recht. Maar hoe krom dat misschien ook kan uitpakken, het heeft wel recht van bestaan. Wil je het veranderen, kom dan met goede, inhoudelijke argumenten.