72
nr. 13,281-283
28-12-1996

Geen rouwdiensten, wel hoop voor de levenden 2

Vorige week hebben we gezien welke verschillen er zijn in de volkerenwereld op het gebied van de begrafenisgebruiken. Er zijn constanten en er zijn variabelen. Dat blijkt óók in de Bijbel al zo te zijn. De begrafenisgebruiken in het Christelijke westen zijn sterk veranderd. In dit artikel wil ik de achtergronden van het 71e artikel van de KO nagaan. Tevens wordt de begrafenissamenkomst, zoals die in onze kerken gehouden wordt, onder de loep genomen.

 

5. Artikel 71 KO

Artikel 71 van de huidige gereformeerde Kerkorde luidt: Rouwdiensten zullen niet worden belegd. In de oude redactie, sinds 1905 (art. 65), stond de bepaling: ‘Lijkpredi­katiën of lijk­diensten zullen niet worden ingesteld’. Het blijkt dat de synode van 1905 omwille van de duidelijkheid èn om in stijl en woordkeus zo veel mogelijk aan te sluiten bij de oude kerkelijke taal, de woorden ‘of lijk­diensten’ als verklaring heeft toegevoegd aan de term lijkpredicatie. De ‘lijkpredikatiën of lijkdiensten’ zijn opgevat als Woordverkondiging in een aparte kerkdienst ter gelegenheid van een begrafenis van een lid van de gemeente.

Er heeft in 1978 in onze geldende Kerkorde weliswaar een talige modernisatie plaatsgevonden, maar het artikel is sinds 1618 inhoudelijk niet gewijzigd. De zaak van de ‘rouwdiensten’ is trouwens al op de synode van Dordrecht 1574 aan de orde gesteld.

Het is om méér dan één reden belangrijk het huidige KO-artikel met z’n negatieve formulering te veranderen in een positieve. Zodat op legale wijze ruimte wordt verkregen om het verkondigingskarakter van de christelijke samenkomst bij een begrafenis te versterken. Om de inhoudelijke aspecten van die samenkomst op verantwoorde wijze vorm te geven, is het nodig deze huidige kerkordelijke bepaling te veranderen.

 

6. De achtergrond van het huidige artikel

Tegen de achtergrond van de oude Roomse gedachte dat de kerk als moeder op sacramentele wijze de christen tijdens zijn aardse pelgrimstocht moet begeleiden tot het einde van zijn tocht, om hem ‘in de handen van de Vader’ toe te vertrouwen, worden de speciale ‘uitvaartliturgieën’ gehouden.1

In de Rooms-Katholieke Kerk heeft de begrafenis nog steeds een kerkelijk en gewijd karakter. In elk geval wordt er een dienst gehouden waarbij het lichaam van de overledene aanwezig is. Er wordt een gebed voor de dode opgezonden en een lied ten afscheid gezongen. De liturgieën kunnen aangepast worden aan het belang van de familie, de plaatselijke gewoonten, de cultuur of de volks­vroomheid, maar essentieel is nog steeds het gebed voor de dode. En daarin zit het element dat onze voorouders het ‘bijgeloof’ noemden: men dacht nog iets voor de overledene te kunnen doen, om zijn lot te beïnvloeden. Op één of andere wijze werd en wordt ook het lichaam van de overledene gezegend, opdat het eerst na een wijding aan de (gewijde) aarde kan worden toevertrouwd (de dodenliturgie wordt geweigerd aan hen die niet in de communio zijn gestorven, de geëxcommuniceerden). Alles ademt de sfeer dat de kerk de beschikking heeft over de genade. De liturgie van de uitvaart versterkt de indruk dat er op positieve wijze nog iets voor de dode gedaan kan worden. (‘Van de dode niets dan goeds!’ — de mortuis nil nisi bene).

In de tijd van de Reformatie is ‘het gebed voor de dode’ (voorbede) controversieel geworden. Calvijn wees de voorbede voor de dode onvoorwaardelijk af. Luther meende dat men op het postmortale lot geen invloed kon uitoefenen, maar wilde de voorbede zien als een bidden voor állen. Zij, die leven uit de kracht van Christus’ opstanding, zullen geen behoefte hebben aan een voorbede voor de dode. Aan het lot van de gestorvene is niets te veranderen door de levenden! Het is wel begrijpelijk dat de Gereformeerde kerken ook op dit terrein |282| de inzet van de Reformatie wilden doortrekken.

Aan het eind van de zestiende eeuw komen er naast het gebruikelijke woord lijcpredicatie, ook de synoniemen vermae­nin­ge en sermoen voor. Tj. van Dijk2 stelt dat hiermee steeds dezelfde zaak werd aangeduid: een lijkpredicatie is een vermaning of een preek. Bij een begrafenis werd er werkelijk een preek gehouden. Van Dijk meent dat er in de kerkelijke bepalingen van die tijd geen sprake is van een ‘extreme reactie tegen het rooms-katholieke begrafenisritueel’ (p.4). De kerken hebben toen vóór alles de oorzaken van bijgeloof willen wegnemen. Wat men in de zestiende eeuw precies bedoelde met dat ‘bijgeloof’, is niet exact te bepalen. Het belangrijkste is dat de gelovigen nooit moeten denken dat zij nog iets kunnen doen voor de overledene.

Om dergelijk bijgeloof (of: ongeloof) te vermijden verzocht de classis Voorne aan het eind van de zestiende eeuw de synode van Dordrecht de zogenaamde lijkpredicaties af te schaffen. Bovendien wilde men méér eenheid in de kerkelijke gebruiken rond de begrafenissen hebben. Omdat in de praktijk de ‘lijkpredicaties’ nog niet overal waren afgeschaft, voegde de synode van Dor­drecht 1578 aan het verbod nog iets toe: de ‘lijcpredi­catie’ moest in elk geval in de vorm van een onvoorbereide vermaning gehouden worden. Wel een ‘preek’ dus bij een begrafenis, maar alleen een preek ‘voor de vuist weg’. Als het maar niet een voorbereide predicatie was, met gebed en dankzegging. Men was er beducht voor dat men ‘der affghestorue­ner loff niet en vercondighe’. Angst dus om door een lofrede op de overledene hem op de voorgrond te stellen.3 De indruk moest zelfs weggenomen worden dat er op officiële kerkelijke wijze een dienst werd belegd. Het preken ‘over een dode’ leidde te gemakkelijk tot bijgelovige gedachten. Het volk mocht bovendien in de voorbede geen enkele ‘hulp en bijstand’ voor de dode zien. Op de synode van Middelburg 1581 werd de ‘Dankzegging bij de begrafenis der doden’, die achter de catechismus stond afgedrukt, geschrapt. Tevens moest het zingen ‘over’ een dode afgewezen worden. Men beschouwde deze zaak als een kwestie die te maken had met de leer, de sacramenten en de ceremonieën (Tj. van Dijk, p.21).

Op verzoek van de kerken is aan het eind van de zestiende eeuw (Dordrecht 1578) een nadrukkelijk verbod gegeven tot het houden van lijk­predicaties, maar daarbij werd bepaald dat bij het afschaffen ervan geen ergernis mocht worden gewekt. Vandaar het geleidelijke proces van afschaffen van de lijcpredi­catie. De lijkpredicatie was kennelijk een gevoelig punt in het leven van de gemeenten. Waar de lijkpredicaties gehandhaafd bleven, werden ze verbonden aan nadrukkelijke voorwaarden. Ze stonden nooit op zichzelf, maar bleken altijd in een kerkdienst omlijst te zijn geweest met gebeden en zang. Eén van de voorwaarden om de lijkpredicaties te mogen handhaven, is geweest dat er voldoende predikanten moesten zijn (Tj. van Dijk, p.14). Het bleek dan óók de gewoonte te zijn dat predikanten voor de lijkpredicaties betaald werden (wat de reden zal zijn dat het ‘lijkpre­ken’ in Drenthe pas in de negentiende eeuw definitief is afgeschaft!).

Het is duidelijk waar de Reformatie mee gebroken heeft. Men wilde bij het opstellen van het betreffende KO artikel zelfs de sfeer van het bijgeloof vermijden. En men kwam dan haast vanzelf op een kerkelijke regelgeving die zeer sobere begrafenisdiensten voorstond. Geen rituelen, maar slechts een enkel gesproken woord en een lied.

Samenvattend kan gesteld worden dat men aan de lijkpredicatie het officiële kerkelijke karakter wilde ontnemen. Het liefst schafte men ze geheel af, maar om bepaalde gevoeligheden te ontzien, bleven ze nog lange tijd gehandhaafd. Artikel 71 van de KO moest zorgen voor een sobere begrafenis en tegelijk iedere aanleiding tot ‘bijgeloof’ voorkomen.

 

7. Welke kwade invloeden moesten geweerd worden?

Naast de vrees om de loftrompet op de dode te steken, zijn er nog andere reden te noemen waarom men ‘bijgeloof’ vreesde.

Dat er aanleiding is bang te zijn voor bijgeloof, blijkt wel uit de gewoonte om de klokken te luiden. Vanouds wilde men daarin bekendmaken dat er iemand overleden was, een man of een vrouw. Tijdens de begrafenis luidden de klokken ook. Tegelijk betekende het klokkenluiden een oproep: men riep de mensen op om voor de overledene te bidden. In hoeverre de klokken geluid werden om de boze geesten te verdrijven, is moeilijk vast te stellen. De levenden werden ter begrafenis geroepen en zó herinnerd aan de vergankelijkheid van het leven. Bij de protestanten is, vooral in de stedelijke gebieden, het luiden van de klokken in sommige regio’s nagenoeg verdwenen.

In Friesland kent men nog de gewoonte (op de rand van het bijgeloof?) om de lijkkist driemaal om de kerk te dragen. Het wordt plaatselijk uitgelegd als een bewijs van eer aan de overledene. Het is niet duidelijk in hoeverre hier een oude heidense gewoonte (geestenverdrijving?) nog een rol speelt.

Het zal duidelijk zijn dat het ‘praten tegen de kist’ door de voorganger van de (rouw)dienst terecht geweerd is. Dat is ook in de toekomst niet toelaatbaar, omdat het strijdig is met het karakter van het Evangelie. Voor de overledene is niets meer te doen, maar de levenden kúnnen ook niets meer goedmaken ten opzichte van de gestorvene!

En daarmee werd helaas óók het ambtelijke karakter aan de verkondiging |283| van het Woord van God tijdens een begrafenis verboden. De reden was dat men het bijgeloof wilde voorkomen dat de kerk nog iets voor de overledene kon doen. En dat is terecht. Maar met het bijgeloof viel ook het middel tot geloof overboord.

 

8. De redactie van het huidige KO-artikel

Het is opvallend dat de redactie van deze kerkorde-bepaling over de lijkpredicatie, die sinds de synode van Middelburg-1581 niet meer gewijzigd is, zo negatief geformuleerd is. Het karakter ervan is louter afwijzend: géén lijkpreken! In de commentaren op de KO wordt er op gewezen dat de gewoonte om bij een begrafenis de aanwezigen (familie, vrienden en gemeenteleden) vertroostend en vermanend toe te spreken, niet met deze bepaling in strijd is. Dat zal waar zijn! Maar er is geen kerkelijke richtlijn gegeven hoe in de kerken dan gehandeld moet worden! En wát de taak van de kerk is bij de christelijke begrafenis.

Dat brengt ons op het spoor van de kwalijke praktijken die geweerd moesten worden. Het ging in elk geval om méér dan het verbieden van een lofrede op een dode. Trouwens, hoe moet je bij de huidige redactie van het KO-artikel tegenover gemeenteleden verduidelijken dat er tijdens de samenkomst of ‘dienst bij een begrafenis’ niets voor de overledene gedaan kan en mag worden? Op geen enkele wijze is in de huidige formulering van het KO-artikel aangeven wat het karakter van een rouwdienst is. Wat moet trouwens het karakter van een begrafenissamenkomst zijn? En wat is de taak van de kerkenraad en de gemeente bij een begrafenis van een gemeentelid?

 

9. De huidige toestand

In de Acta van de synode van Kampen-1975 (p. 290) staat dat de Commissie voor de Herziening van de KO, als toelichting op de voorgestelde redactiewijziging van het artikel over de lijkpredicaties, het volgende aan de kerken ter overweging meegeeft:

‘Gezien de toenemende praktijk van het houden van rouwdiensten, al worden deze doorgaans niet door een kerkenraad belegd, is het artikel in gewijzigde vorm gehandhaafd’.

Er blijken in toenemende mate rouwdiensten te worden belegd, stelt men, maar nergens vernemen we om wat voor soort diensten het gaat. Bedoelt men klaagdiensten, kerk- of erediensten? Of hier gedacht wordt aan rouwdiensten zoals ze binnen andere kerkgenootschappen voorkomen, is niet duidelijk. Hoe die begrafenis- (of rouw-)­diensten die dan binnen onze kerken gehouden worden er uit zien, is eveneens onduidelijk. Dat ze ‘niet door een kerkenraad worden belegd’, geeft aan dat er geen officiële kerkdiensten mee bedoeld zijn. Kennelijk wilde men ter synode voorkomen dat de niet-officiële samenkomsten uit­ zouden groeien tot officiële rouwdiensten.

Men stelt vast dat er in toenemende mate in kerken wel ‘rouwdiensten’ worden gehouden, compleet met speciale liturgieën. Als die tendens toen werkelijk aanwezig was in onze kerken, waarom is dan niet gekozen voor een positieve benadering?

De synode van Groningen-zuid 1978 heeft bij de vaststelling van het huidige artikel 71 KO over de rouwdiensten zichzelf de kans ontnomen om duidelijkheid te verschaffen in de zaak én de formulering. Helaas is de stand van zaken zoals die drie jaar eerder gesignaleerd is op dat moment ook niet duidelijk in kaart gebracht. Verkeerde ontwikkelingen kunnen zo niet adequaat bestreden of gereguleerd worden. Want is een samenkomst bij een begrafenis nu een dienst van het Woord of een rouwdienst? De suggestie wordt gewekt dat wat nu een rouwdienst wordt genoemd, identiek is met wat vroeger lijkpredicatie werd genoemd. En dat dezelfde zaak dáárom nog steeds moet worden afgewezen. Het houden van speciale diensten (van het Woord) bij begrafenissen is kennelijk nog steeds verwerpelijk en moet verboden worden! Helaas wordt hiermee aan de kerkenraden de mogelijkheid ontnomen om op positieve wijze leiding te kunnen geven aan de samenkomsten die ter gelegenheid van begrafenissen worden gehouden.

De synode wilde kennelijk benadrukken dat de samenkomsten, eventueel de rouwdiensten, beslist geen echte erediensten zijn en ook niet zo genoemd mogen worden. Het bestaan en de instelling ervan is en blijft bij de KO verboden. Is met het badwater van de rouwdienst nu ook niet het kind van de evangelieverkondiging aan de levenden, namens de kerkenraad, weggegooid?


1 De begrafenisritus is in de loop van de tijden sterk veranderd. Sinds lange tijd geldt de ordo exsequiarum (uitvaartliturgie) van het rituale romanum (Romeinse liturgie). De ritus kent drie vieringstypen van uitvaarten, overeenkomend met de plaatsen waar ze gehouden worden: in het huis van de overledene, in de kerk en op het kerkhof. Vanuit het sterfhuis wordt het lichaam van de dode naar het godshuis, het aardse beeld van de hemel, gedragen. Er wordt een liturgie van de uitvaart voor deze ‘overgang’ gebruikt. De preek ‘mag geen lijkrede zijn’. In de inleidende antifoon wordt Ps 130:3 gezongen (profundis — uit de diepte) om het vertrouwen in de absolute genade van God te erkennen. De gedachte nog iets te kunnen betekenen voor de overledene komt tot uiting in de voorbede: ‘Wij bidden U met hartelijke smeekbeden voor de ziel van uw dienaar, die U heden uit dit tijdelijke hebt weggenomen. Laat haar niet over aan de handen van de vijand en vergeet haar niet in eeuwigheid. Beveel de heilige engelen haar op te nemen en ze naar het paradijslijk tehuis te begeleiden, opdat ze, die aan U geloofd en op U gehoopt heeft, de straffen van de hel niet hoeft te ondergaan, maar tot de vreugde van de eeuwige heerlijkheid mag komen. Door Christus, onze Heer.’ Walter Dürig, ‘Liturgie van de uitvaart’, in: Sacra­mentum mundi, Theologisch Lexicon voor de Praktijk, Bussum: Paul Brand, 1961, deel XII, p. 109-115. Vgl. óók: Katechismus van de Katholieke Kerk, Brussel/Utrecht, 1995, 1680-1690, p. 368-370.
2 Tj van Dijk, Artikel 71 K.O., Rouwdiensten zullen niet worden gehouden, bijvakscriptie Kerkrecht, TH-Kampen, z.j. p. 5. Met hartelijke dank aan Tj. van Dijk te Middelstum die zijn scriptie welwillend ter inzage gaf.
3 F.L.Rutgers, Acta van de Nederland­sche Synoden der zestiende eeuw, 1980, p. 249.