Greijdanus, S.

De quaestie van het nieuwe kerkrecht (V)

Genre: Literatuur, Bladartikel

De quaestie van het nieuwe kerkrecht (V)

De voorstanders van het nieuwe kerkrecht beroepen zich, behalve op allerlei feiten uit vroeger en later tijd, waarbij zij echter nalaten behoorlijk met de omstandigheden en beschouwingen destijds te rekenen, ook op autoriteiten: Voetius, Hoornbeek, de Synopsis, de Confessie van Westminster, c.a., maar zonder ook daarbij genoegzaam te onderscheiden, of datgene in het licht te stellen, wat noodig is om recht te waardeeren, wat die autoriteiten leeren. Soms wordt maar alleen de naam genoemd, zonder eenige aanhaling, alsof men daarmede hier kon volstaan. Bij Voetius laat men na de onderscheiding te maken van Voetius I en Voetius II, die ik als noodzakelijk aanweees, zonder dat men aantoont, dat zoodanige onderscheiding ongegrond is, en onderwijl zichzelf veroorlooft van Voetius af te wijken, of hem als soms teveel aan het Independentisme toegevende voorstelt.

Waar we met Hoornbeeks redeneering terechtkomen, nl. bij rechtmatigverklaring van Koning Willem I in 1815/1816, heb ik reeds aangewezen in „De Reformatie” van 29 april j.l.

Men beroept zich ook op de Confessie van Westminster, hetzij slechts door deze te noemen (Ds. Joh. Jansen) hetzij door er iets van over te nemen („De Heraut” van 1 Mei j.l. Doch het verband, waardoor het aangehaalde in zijne beteekenis recht duidelijk kan worden, laat men weer onvermeld en onbesproken. Nu gaf ik reeds in „De Reformatie” van 20 Mei in mijn artikel „Niet geslaagd” de woorden van deze Confessie in het Latijn, met hare Engelsche en met eene Duitsche vertaling. Daarheen zij naar het oorspronkelijke verwezen. Hier volge eene vertaling door mij zelven: „Het is de taak van Synodes en Concilies over het geloof en consciëntiegevallen tot beslissing te brengen (determinare), hoewel als dienende (ministerialiter quidem); regelen en voorschriften, waardoor de openbare eeredienst van God en het bestuur Zijner kerk te beter geordend worden, vast te stellen (constituere); klachten over slecht beheer aangebracht, toe te laten, en daarover authoritatief te beslissen (decernere). Deze besluiten en beslissingen moeten, als zij met Gods Woord overeenstemmen, met eerbied en onderworpenheid aangenomen worden, en dat niet enkel omdat zij met Gods Woord overeenstemmen, maar ook, dank zij de macht, die ze vaststellen (verum etiam gratia potestatis en constituentis) daar deze eene ordening Gods is, daartoe in Zijn Woord aangewezen (ut quae sit ordinatio Dei ad id in verbo suo designata)”. Zooals ik toen reeds de opmerking maakte: „Van eigen optreden van meerdere vergaderingen om zich in de plaats van kerkeraden te stellen, wordt hier in het geheel niet gerept”. Het puntje, waarover het bij dit nieuwe kerkrecht gaat, wordt daarin dus niet eens aangeroerd, en daarom heeft het beroep voor dit kerkrecht op deze Confessie reeds deswege geene kracht. Voorts wordt hier voor Synodes en Concilies een gezag opgeëischt, dat Voetius uitdrukkelijk afwijst. Deze Confessie zegt nl., dat deze synodale besluiten niet alleen met eerbied en onderworpenheid moeten worden aangenomen, als zij en omdat zij met Gods Woord overeenstemmen, maar ook om de macht, die ze vaststelt, dus om die een Synode of Concilie is. Daarvan echter wil Voetius niet weten, zooals ik nog in het vorige nummer van „De Reformatie” aanwees. Die stelt, dat zelfs beslissingen over de leer der Waarheid niet daarom de consciëntie binden, ook wanneer zij naar den Woorde Gods zijn, dat zij door eene Synode zijn genomen, doch alleen omdat zij met Gods Woord overeenstemmen. (An illi saltem Canones conscientiam obligent, qui continent dogmata divina fide aut morum, aut substantiale quid disciplinae seu politae Ecclesiasticae ipso verbo Dei praescriptum. Resp. Materialiter, indirecte, et per accidens conceditur ; sed formaliter directe, et per se Neg.) Daarin komt wel eene zeer verschillende beschouwing over de meerdere vergaderingen uit. Deze Confessie kent aan de Synodes als zoodanig zekere autoriteit, eenig gezag toe, waarvan juist Voetius niets moet hebben. Het is daarom geen wonder, dat de voorstanders van het nieuwe kerkrecht gaarne zich op deze Confessie beroepen, hoewel zij over het betreffende punt zich juist niet uit.

Dit alles is slechts bijkomstig. Hoofdzaak is iets anders.

Dat is de vraag, wat voor Synodes het eigenlijk zijn, die deze Confessie leert of aanneemt. Dat zegt zij in hetzelfde hoofdstuk 31, in de voorafgaande paragraaf. Daar luidt zij: „Quemamodum licitum est Magistratibus Synodum Ministrorum aliorumque qui sunt idonei convocare, quibuscum de religionis rebus deliberent ac consultent: Ita si Magistratus fuerint Ecclesiae hostes aperti, licebit Christi ministris a seipsis virtute officii, eisve cum aliis idoneis, accepta prius ab Ecclesiis suis delegatione, in istiusmodi conventibus congregari”, Chap. XXXI,2. De officieele Engelsche vertaling geeft dit aldus weer: „As Magistrates may lawfully call a Synod of Ministers and other fit Persons, to consult and advise with about Matters of Religion: So if Magistrates be open Enemies to the Church, the Ministers of Christ of themselves by Virtue of their Office, or they with other fit Persons, upon Delegation from their Churches, may meet together in such Assemblies”. In het Nederlands kunnen wij het aldus zeggen: „Evenals het aan de Overheden geoorloofd is, Synodes van dienaren en van anderen die geschikt zijn, samen te roepen om met hen over de zaken der religie te beraadslagen en te raadplegen; zoo zal het, als de Overheden openbare vijanden der kerk zijn, aan de Dienaren van Christus geoorloofd zijn, uit zichzelven, krachtens hun ambt, of aan hen met andere geschikten, als zij tevoren eene afvaardiging van hunne kerken ontvangen hebben, in dergelijke samenkomsten te vergaderen”.

Wat hierbij nu duidelijk treffen moet, is, dat de overheid voorop gaat. Wanneer de Overheid openlijk vijandig aan de kerk is, dan ja mogen ook de dienaren des Woords uit zichzelven in Synode samenkomen. Maar de Overheid wordt toch eerst genoemd. En blijkbaar moet deze dienaren en anderen ter Synode samenroepen. Slechts wanneer zij in gebreke blijft, of niet wil, hare vijandschap tegen de kerk toont, mogen de dienaren des Woords uit zichzelven samenkomen krachtens hun ambt. Voorts roept de Overheid niet kerken saam, maar dienaren des Woords en andere geschikte personen. Zij gaat hierbij dus naar eigene keus te werk. En zij laat niet deze personen beraadslagen, doch zelve doet zij het met hen. En dat blijkens § 3 niet maar om eens met hen te spreken, doch om met hen bepalingen te maken en het kerkelijk leven te regelen. (Zie wat over de taak dezer Synodes volgens deze Confessie in het begin van dit artikel in vertaling werd medegedeeld.) We hebben hier dus geheel het systeem van Koning Willem I in 1815/16. De Overheid kiest naar eigen inzicht predikanten en anderen om met hen te overwegen. En met hen beslist zij de geloofsgeschillen en consciëntiegevallen, stelt zij de regelen voor den eeredienst vast, beslist authoritatief over klachten, bij haar ingekomen. 

Deze Synodes zijn geheel Overheidsinstrument. Dat zij dan authoritatief besluiten en beslissen, is geen wonder. Dat zijn nu de Synodes, die door de voorstanders van het nieuwe kerkrecht aan onze Gereformeerde Kerken ten voorbeeld gesteld worden. Op eene Confessie, die dergelijke Synodes belijdt, beroepen zich deze voorstanders. Ds. Joh. Jansen enkel door haar te noemen, blz. 4. Prof. Dr H.H. Kuyper met aanhaling van enkele woorden uit Cap. XXXI, 3, zonder melding te maken van wat over deze Synodes vooraf gaat in 2. We kunnen zien, dat we bij dergelijke beroepen moeten controleeren, en zelfs de dingen nagaan en uit eigen oogen kijken, om niet op een dwaalspoor geleid te worden.

En wel zijn dit niet de eenige Synodes, die deze Confessie kent. Als de Overheid openlijk vijandig is aan de kerk, mogen de Dienaren des Woords ook uit zichzelven en krachtens hun ambt in Synode samenkomen, of zij met andere geschikten, die dan echter door hunne kerken gedelegeerd moeten worden. Maar deze Synodes komen slechts in de tweede plaats. En wat zijn het dan voor Synodes? Zijn het dan, evenals in het Gereformeerde kerkrecht, zooals onze kerkenordening het aangeeft, art. 41, samenkomsten van kerken? Neen, maar samenkomsten van dienaren des Woord. Anderen behoeven er niet bij te wezen, hoewel het mag, dat ook anderen er bij zijn. Dezen hebben dan echter deputeering door hunne kerken noodig. De dienaren des Woords komen virtute officii, krachtens hun ambt, de anderen door kerkelijke afvaardiging.Althans dat schijnt de bedoeling. De Confessie is op dit punt niet overduidelijk. Maar door bij de dienaren des Woords te spreken van virtute officii, schijnt de noodzakelijkheid der delegatie beperkt tot de „andere geschikten”.

In deze Confessie komt aldus eene geheel andere beschouwing der meerdere vergaderingen uit dan in het Gereformeerde kerkrecht van onze kerkenordening en van Voetius. Bij deze Confessie is het de Overheid, die samenroept, en met deze samengeroepenen beraadslaagt, en met hen beslist en regelt. En doet de Overheid het niet, dan doen de dienaren des Woords het, desverlangd of desnoods met eenige anderen. Dan ook zijn het eigenlijk niet de kerken, die in Synode samenkomen, maar dienaren des Woords, met afgevaardigden van Kerken. Een clericaal element komt hier uit.

En deze Synodes zouden nu het ideaal voor de Synodes onzer kerken moeten zijn? Eene Confessie, die zulke Synodes belijdt, zou voorgesteld mogen worden, als leerende, wat de macht van Synodes volgens het Gereformeerde kerkrecht is? Mag men zich daarvoor zonder nadere toelichting op haar beroepen?

Deze Westminstersche Confessie heeft veel uitmuntends, is een voortreffelijk Gereformeerd belijdenisgeschrift. Maar die voortreffelijkheid zit juist niet in Cap. XXXI De Synodis et Conciliis, Over Synodes en Concilies, al komen ook in dit hoofdstuk natuurlijk wel goede dingen voor. Hier wordt overheersching der kerk door de Overheid geleerd, en dominocratie, clericalisme, opperheerschappij van dienaren des Woords over de kerken, maar hier is niet een Gereformeerd kerkelijk samenleven, zooals onze kerkenordening dat regelt. Deze Confessie houdt niet goed uit elkander den toestand bij Oud-Israël, en dien in de nieuwe bedeeling, nu de kerk zelfstandig is en de Overheid geene macht of zeggenschap van Godswege over haar heeft.

Dat doet ook de Synopsis niet, blijkens haar beroep op David, Salomo, Asa, Hiskia, Josia e.a., betreffende het doen samenkomen van Synodes door Overheden, Disp. XLIX, c. 22. Vooral als Christelijke en rechtzinnige, mag of moet de Overheid heel wat doen inzake Synodes, c. 23, daar zij „eximium membrum” van de Kerk is, een uitnemend lid, voedster en verzorgster van haar, c.21. Doch de saamroeping en zending ter Synode berust bij de kerk: Ut porro convocatio, ita et missio ad Synodum penes Ecclesiam est, idque pro ordine, ab et in Ecclezia stabilito, c. 26, d.i.: „gelijk verder de samenroeping, zoo berust ook de macht van zending naar de Synode bij de kerk, en wel naar de orde door en in de kerk vastgesteld”. Dat is dus zuiverder dan in de Westminstersche Confessie. Zoo is het ook, wanneer de Synopsis zegt: „Want daar de kerk bestaat uit herders en het overige lichaam of de schapen, volgt, dat niet alleen de herders, maar ook de ouderlingen of gedeputeerden van het (kerk)volk daarin deelnemen, en in haar stemrecht hebben moeten, en dat niet in eigen naam, maar in naam van de kerk, door welke zij gezonden zijn”. (Cum enim Ecclesia constet Pastoribus et reliquo corpore seu ovibus, sequitur, non Pastores solos, sed et Presbyteros seu Deputatos populi, ei interesse et in ea suffragari debere ; idque non suo, sed Ecclesiae a qua missi nomine), c. 28. Diakenen zijn niet uitgesloten, noch laici, d.i. „gewone” leden, doch „ab illis in publica hac actione, consilium et arbitrium potius, quam suffragium requiritur”, c. 29, d.i. „van dezen wordt in deze openbare handeling veeleer raad en oordeel gevorderd, door hunne stem”.

De Overheid, als zij Christelijk en rechtzinnig is komt hier in eene bizondere verhouding. Zij mag er niet alleen bij zijn als elke geloovige, maar ook als Christelijke Overheid, als beschermster en verdedigster van het Concilie, die door hare autoriteit de orde handhaaft, verwarring en rustverstoorders onderdrukt, en zorgt, dat alles eerzaam en wettig geschiedt. Die zelfs geraadpleegd moet worden, en gevraagd hare meening te zeggen, ja, als het noodig is, ook moet stemmen. (Quin qui consulatur, sententiam dicere rogetur, imo si opus fuerit suffragetur). Daar het haar taak is, als handhaafster van de eerste en van de tweede tafel der wet, Godslastering te verhinderen, en kalmte en ongedeerdheid aan de kerk te verschaffen, en wat op de Synode besloten wordt, van kracht te doen zijn, en met wetten te sanctionneeren, en als het noodig is, ook met toevoeging van zekere burgerlijke straffen tegen de weerbarstigen tot bekrachtiging van de openbare onderhouding en inachtneming.

Met het oog daarop moet zij ook kennis van de zaken nemen, en op hare wijze rechter wezen, en kan zij ook stemmen. Of althans moet zij uit Gods Woord overtuigd worden, dat hetgeen besloten is, naar waarheid recht en goed is, opdat zij toch niet maar blind aanneme en uitvoere de meening en willekeur van een ander. (eaque quae in Synodo decernunter, rata facere et sancire legibus, et si opus sit poenis quoque quibusdam politicis advervus refractarios additis, ad vigorem publicae observantiae; hoc respectu quoque rerum cognitor et judex suo modo esse debet, et suffragator esse potest), c. 30.

Hiermede worden dus heel wat macht en invloed op eene Synode aan de Overheid toegekend. Dat dergelijke beschouwing over de roeping der Overheid, en over de verbinding van overheidsmacht met de meerdere vergadering, beteekenis moest hebben voor de opvatting der kerkelijke macht en ten aanzien van de uitvoering harer besluiten, spreekt vanzelf. Overheidsmacht en kerkelijke macht en meerdere vergaderingen worden aldus niet voldoende onderscheiden en uit elkander gehouden.

Tot hetgeen de Synode te doen heeft, kan ook behooren de veroordeeling van personen waarbij men niet overhaast te werk gaan moet (quae cunctanter paragenda), en die in schorsing en afscheiding, ban en anathema bestaat, c. 58. Bij ambtsdragers komt eene bizondere censuur, de schorsing in en de verwijdering uit het ambt, ook zonder hoop van dat ooit te herkrijgen. In Ecclesiasticis personis peculiaris est censura, a munere suspensio et remotio etiam sine spe unquam id recuperandi), c. 59. Maar hier moeten we blijkbaar goed onderscheiden tusschen het uitspreken van een oordeel of vonnis, en de uitvoering daarvan. Want nu volgt in c. 60: „Op de behandeling van, en de eindbeslissing over, de voorgestelde zaken op de Synode volgt de uitvoering, die bestaat in het zorgen voor de inachtneming der besloten zaken.. (Tractationem et conclusionem rerum propositarum in Synodo, Executio sequitur quae est in procuratione observantiae rerum decretarum). c 60. Wat dus in cc. 58 en 59 behandeld is, evenals hetgeen daaraan voorafgaat, betreft nog slechts het uitspreken van een oordeel, het vellen van een vonnis, doch nog niet de vraag der uitvoering. Deze wordt eerst nu, in c. 61 vv. besproken. En daarom had het beroep in „De Heraut” van 1 Mei jl. op cc. 58 en 59 van Disp. XLIX dezer Synopsis geene kracht.

Nu doet zich ten aanzien dezer uitvoering eene niet lichte vraag voor, zegt de Synopsis, nl. bij wien deze uitvoering berust. Dus moet men de machten onderscheiden, de kerkelijke en de burgerlijke. De kerk of de Synode handelt of dwingt niet met lichamelijke kracht, doch slechts met geestelijke, door de kerken te vermanen, aangaande haar ambt, de ketters en schandelijk levenden te verwijderen van de gemeenschap der kerk, maar niet te doen als de paus en de pausgezinden, door den huisvader uit zijn huisgezin, den burger uit de stad, den koning uit zijn rijk uit te werpen. (Atque hic non levis quaestio movetur, penes quos illa sit. Ubi discernendae sunt potestates, Ecclesiastica et Civilis. Ecclesia aut Synodus, non agit aut coercet vi corporali sed tantum spirituali ; Ecclesias monendo sui officii haereticos et flagitiosos submovendo ab Ecclesiae communione, non autem ut antichristiane facit Papa et Papani, ejiciendo patremfamilias domo, civem urbe, regem regno), c. 61. De kerk en dus de Synode, heeft tot zoover deze macht, dat zij door brieven aan de kerken of door gedelegeerden hare besluiten uitvoert. (Ergo ea res eatenus est Ecclesiae ac proinde et Synodi: quae decreta, Synodalibus Epistolis ad Ecclesias datis, aut per delegatos excequitur). En dan wordt naar Hand, 15:20, 30; 16:4; 21:25 verwezen, c. 62. Van een ingrijpen der meerdere vergaderingen, om zich in de plaats van kerkeraden te dringen en „te doen wat des kerkeraads is”, wordt hier dus in het geheel niet gesproken.

Daarna echter wordt weer over de macht der Overheid gehandeld. En dan wordt in c. 63, gelijk in c. 30 grootendeels met dezelfde woorden, gezegd, wat zij in dezen moet als wachteres van beide tafelen der wet en als lid der kerk, met beroep op de Keizers Aurelianus, hoewel een heiden (quamvis Gentilis), Constantijn den Groote, Theodosius II, die de Synodaal veroordeelden lieten verdrijven en hen verbanden, c. 63. Dan volgen waarschuwingen aan de Overheid om voorzichtig niet te vroeg, zonder dat de zaak wettig en goed beoordeeld is, en ook niet door verkeerde middenen, of te streng, hare macht te oefenen, c. 64 en 65. En daarna komt in c.66 eene rechtvaardiging van dit optreden der Overheid in kerkelijke zaken. „Want de orde eischt wel, dat de functies onderscheiden zijn, maar onderscheiding strijdt niet tegen verbinding of samenwerking (conjunctio), en er is niets op tegen, dat, wie in verschillende ambten voorgaan toch vele dingen met gemeenschappelijke toeleg tegelijk bezorgen, en éénen steen (voort)wentelen, ja, naar de behoefte van het oogenblik en als het dringt, somstijds in de plaats van den ander treden of diens taak op zich nemen. (Etenim requirit quidem ordo ut sint distinctae funtiones, sed conjunctioni distinctio non repugnat, neque quirquam obest quo minus qui diversis officiis praesunt, communibus tamen studiis multa simul procurent, unumque lapidem volvant, imo pro necessitate praesenti et urgente in alterius vicem quondoque subeant), c. 66.

Dit is de leer der Synopsis over de meerdere vergaderingen, in zooverre wij er nu mee te doen hebben, en dus de macht der Overheid over de kerken en op de Synodes. Gaat het nu aan om wanneer men deze leer der Synopsis aangaande de macht der Overheid in het kerkelijk leven verwerpt, zich maar zonder eenige nadere toelichting voor het nieuwe kerkrecht te beroepen op de Synopsis, hetzij door enkel haar te noemen, hetzij door een enkel zinnetje uit haar aan te halen, en dan ook nog niet eens te rekenen met het verband? Wanneer het niet te doen is om maar indruk te maken en hun, die het toch niet nagaan kunnen, eene suggestie bij te brengen, moet het beroep op autoriteiten ernstiger geschieden, op eene wetenschappelijk te verantwoorden wijze. Dan moet ook blijken, dat men ze zelf ingezien heeft niet alleen, maar ook nauwkeurig op het betreffende punt nagegaan, opdat men hunne voorstellingen desaangaande zuiver geve. Het beroep op autoriteiten mag geen valsch vlagvertoon zijn 

S. GREIJDANUS.