|88|

Hoofdstuk V De Werkorde.

 

De Ontwerp-Regeling voor het bijeenkomen van de Nederlandse Hervormde Kerk in Generale Synode, die de naam Werkorde heeft gekregen, bestaat zoals eerder is gezegd uit twee delen. Het eerste deel bevat acht additionele artikelen bij het Algemeen Reglement en het tweede deel bevat de invoeringsbepalingen. De Werkorde is hieronder opgenomen in de bijlage. Het is Wagenaar, die tekst van de Werkorde heeft opgesteld. De commissieleden hebben tijdens de vergadering van 24 maart 1944 te Nunspeet de tekst vastgesteld. Door te kiezen voor een nieuwe regeling in de vorm van additionele artikelen met overgangs- en invoeringsbepalingen wordt mede het tijdelijke karakter van de nieuwe regeling geaccentueerd.

Additionele artikelen zijn, zoals de naam al zegt, artikelen die ergens aan toegevoegd worden. In dit geval worden de additionele artikelen aan het Algemeen Reglement toegevoegd. Dit betekent, dat niet het gehele Algemeen Reglement gewijzigd hoeft te worden, doch dat slechts enkele veranderingen worden toegevoegd. De commissie geeft met de Werkorde immers een regeling voor het bijeenroepen van een tijdelijke synode met een speciale taak. Deze speciale taak is het maken van een nieuwe kerkorde. Indien de nieuwe kerkorde door de Kerk wordt aangenomen, dan is de tijdelijke synode klaar met haar arbeid en kan zij ontbonden worden. Daarna wordt er een nieuwe synode bijeengeroepen op grond van de nieuwe bepalingen in de nieuwe kerkorde. De commissie heeft, zoals eerder is gezien153, voor deze weg gekozen en dit laat de commissie zelfs al in de vorm van de Werkorde tot uitdrukking komen.

 

§1 Additionele artikelen bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel I. Van de generale Synode.
De Nederlandse Hervormde Kerk komt in generale Synode bijeen.
Deze Synode heeft, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften, inzonderheid tot taak de Kerkorde voor te bereiden en vast te stellen; te getuigen, met de Kerk in al haar geledingen, van het Evangelie van Jezus Christus tegenover overheid en volk; leiding en vorm te geven aan de arbeid, waartoe de Kerk wordt geroepen op alle terreinen des levens; gehoor te geven aan de roeping der Kerk inzake de eenheid der Christenheid.
Voorts zijn haar opgedragen de werkzaamheden genoemd in invoeringsbepaling nummer 9
.


[114] 153. Het is het oorspronkelijke plan van Scholten, zoals te lezen is in de beschrijving hiervan in hoofdstuk IV §3, waarin Scholten spreekt over de zogenaamde derde mogelijkheid. Wagenaar heeft in zijn nota van 1 oktober 1943 ingestemd met deze oplossing, hetgeen de gang van zaken in de commissie zeer bespoedigde.

|89|

In dit eerste additionele artikel van de Werkorde krijgen belangrijke discussiepunten van de commissie hun neerslag. De commissie heeft zich in haar arbeid gericht op het bijeenroepen van een grote synode als uitweg uit de impasse, waarin de Kerk was geraakt. In dit eerste artikel krijgt deze grote synode een naam en wordt de taak van deze synode omschreven.

Allereerst de naam van deze grote synode. De nieuwe synode krijgt de naam Generale Synode. Wagenaar heeft deze naam bedacht en hij legt uit waarom hij hiervoor heeft gekozen154. Hij laat hiermee uitkomen, dat deze synode een geheel andere is, dan de Algemene Synode. De Generale Synode is anders van samenstelling en anders van taak. Over de nieuwe samenstelling wordt in artikel II gesproken. Nu is de nieuwe taak van de Generale Synode aan de orde. In de allereerste zin blijkt al het presbyteriale beginsel aan het licht te komen, namelijk dat de Kerk in de vergadering van de ambten bijeenkomt. Dit vormde één van de zwaarste kritiekpunten op het Algemeen Reglement, namelijk dat in de kleine Algemene Synode de Kerk niet bijeen was. In de vergadering van de Generale Synode komt de Kerk bijeen, en daardoor kan zij de taak krijgen de nieuwe kerkorde te maken.

In de tweede zin wordt dan haar nieuwe taak genoemd: de kerkorde voor te bereiden en vast te stellen. Dit is het doel van de commissie geweest en ook het doel van de vele reorganisatiebewegingen van de laatste honderd jaar in de Nederlandse Hervormde Kerk: een nieuwe kerkorde, waarin de Kerk reglementair de bevoegdheid krijgt om waarlijk Kerk te zijn. De commissie geeft als richtsnoer hierbij de veel besproken zin: in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften. Deze zin is de uitdrukking van de belijdende Kerk. Hoewel deze zin door de verschillende leden verschillend wordt uitgelegd en de commissie hierover niet tot echte eensgezindheid is gekomen, is in ieder geval wel duidelijk, dat de commissie aan de nieuwe synode een positief christelijke leidraad wil meegeven voor het uitoefenen van haar taak. Die leidraad is de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften.

Verder krijgt de Generale Synode als taak te getuigen. De noodzaak hiervan heeft de commissie met name in de Tweede Wereldoorlog ingezien en in dit artikel krijgt de Kerk hiertoe reglementair de bevoegdheid. Ook dit is een belangrijk uitgangspunt voor de commissie geweest, zoals ook in de algemene toelichting is geformuleerd. De Kerk moet kunnen getuigen van het Evangelie van Jezus Christus, omdat dit haar taak is.

In de volgende zinsnede krijgt de Generale Synode officieel de opdracht zorg te dragen voor de arbeid van de Kerk op alle terreinen van het leven. Hiermee krijgt de Kerk voor het eerst reglementair de bevoegdheid haar zendingstaak uit te oefenen. De commissie heeft geconstateerd, dat deze opdracht aan verenigingen werd overgelaten, maar al in dit eerste artikel wordt deze opdracht aan de Kerk gegeven. Dit artikel slaat echter niet alleen op de zendingstaak. Ook de zorg voor de


[114] 154. Toelichting van Wagenaar gedateerd op 27 januari 1944 te ’s-Gravenhage.

|90|

jeugd, de school en de samenleving wordt hier bedoeld. In artikel III wordt concreet hoe de synode hierbij geholpen wordt door de verschillende raden.

Vervolgens krijgt de synode de taak om gehoor te geven aan de roeping inzake de eenheid der Christenheid. De commissie heeft deze opdracht voor de Kerk verstaan, maar zij zag dat de Kerk hiertoe niet in staat was vanwege het feit dat de Kerk geen belijdende Kerk was. Nu de Kerk weer opgeroepen wordt te belijden, kan zij eerst een werkelijke gesprekspartner zijn voor de andere Kerken in Nederland. Zij mag zich niet bij de verdeeldheid neerleggen en vooral niet bij het feit, dat er delen van haar zijn afgescheurd en tot eigen Kerken zijn geworden. Zij heeft de eenheid te zoeken.

Tenslotte krijgt de synode nog enkele werkzaamheden opgedragen, die in de invoeringsbepalingen genoemd worden. Zij hebben te maken met de wijziging van de gebruikelijke werkzaamheden van de Algemene Synode en worden bij de invoeringsbepalingen besproken.

in dit eerste additionele artikel hebben dus meteen al enkele hoofdzaken van de werkzaamheden van de Commissie voor beginselen van Kerkorde hun neerslag gekregen.

 

Artikel II. Van de afgevaardigden ter Synode.
De classes der Kerk en de Waalsche reünie vaardigen ter synode ieder een dienaar des Woords of een ouderling af, doch zo, dat bij beurte twee derden der classes gehouden zijn een dienaar des Woords aan te wijzen en een derde deel een ouderling.
De aanwijzing van de afgevaardigde vindt plaatst door de classicale vergadering uit de ambtsdragers binnen de classis en geldt voor een tijdvak van drie kalenderjaren.
Nevens elke afgevaardigde worden een secundus en een tertius aangewezen, om hem bij verhindering te vervangen, terwijl opengevallen plaatsen op de eerstvolgende classicale vergadering worden vervuld.
De classicale vergadering stelt de afgevaardigde en zijn plaatsvervanger in het bezit van een geloofsbrief en doet van hun namen opgave aan de algemene synodale commissie.
Het mandaat van een afgevaardigde eindigt, wanneer hij de classis metterwoon verlaat, of ophoudt bekleed te zijn met het ambt, waarop zijn aanwijzing rust
.

In dit tweede artikel staat het voorstel van de commissie uitgewerkt, namelijk het bijeenroepen van een grote synode, die door de classes wordt samengesteld. Zoals al eerder is gezegd, zal de Generale Synode uit 45 mannen bestaan. In het Algemeen Reglement bestond de synode uit 19 leden, 13 predikanten en 6 ouderlingen, nu wordt dus een grote synode voorgesteld. Behalve het

|91|

feit, dat de nieuwe synode groter is, wordt zij in dit voorstel uit de classes samengesteld. Dit in tegenstelling tot de regeling in het Algemeen Reglement, waar de synode door de provinciale kerkbesturen werd samengesteld. Hier komt het beginsel tot uitdrukking, dat het de Kerk is, die de nieuwe synode samenstelt. De provinciale kerkbesturen zijn geen kerkelijke vergaderingen, maar de gemeenten in de classes te zamen zijn wel kerkelijke vergaderingen.

De commissie is uitgegaan van het standpunt om zo min mogelijk zaken op voorhand te regelen en zoveel mogelijk uit te gaan van de bestaande situatie om hierdoor aan de nieuwe synode en dus aan de Kerk het eigenlijke werk over te laten. Dit vormde één van de beginselen van de commissie. Dit komt in dit artikel tot uiting in het feit, dat de verhouding van het aantal af te vaardigen predikanten en ouderlingen is overgenomen uit het Algemeen Reglement en niet is veranderd. In dit artikel wordt echter één belangrijke wijziging ingevoerd. Er wordt in dit artikel met een belangrijk instituut gebroken. In dit artikel is namelijk geen plaats meer voor de oud-ouderling. Hiermee kiest de commissie nu al voor het presbyteriale principe, dat in kerkelijke vergaderingen de ambten bijeen zijn. Er is daarom voor niet-ambtsdragers geen plaats meer. Zoals al eerder is besproken155, bestond dit wel in het Algemeen Reglement en heeft het door de jaren heen voor veel protest gezorgd. Het demonstreert de armoede van de Kerk, zo drukte Wagenaar het uit156. De commissie beseft, dat het afvaardigen van 15 geschikte ouderlingen naar de synode moeilijk kan zijn, maar zij gaat toch uit van het standpunt, dat de Kerk hiertoe in staat moet zijn. Alleen ambtsdragers mogen afgevaardigd worden naar kerkelijke vergaderingen.

 

Artikel III. Van de adviseurs der Synode.
Als adviseurs worden ter synode geroepen:
de secretaris van de algemene synodale commissie;
bij beurte twee der hoogleraren in de godgeleerdheid vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk;
twee vertegenwoordigers van de algemene diakonale raad;
twee vertegenwoordigers van de algemene kerkvoogdijraad;
een vertegenwoordiger van de raad voor de uitwendige zending;
een vertegenwoordiger van de raad van de inwendige zending;
een vertegenwoordiger van de raad voor Kerk en Kerken;
een vertegenwoordiger van de jeugdraad.
De vertegenwoordigers van de raden- met voor ieder hunner een secundus- worden benoemd door de algemene synodale commissie uit een door ieder van deze raden bij haar ingediende voordracht
.


[114] 155. Zie hoofdstuk III §2 onder bezwaar uit de classes.
156. Technische Toelichting van Wagenaar, gedateerd op 27 januari 1944.

|92|

Uit dit artikel blijkt, dat de Generale Synode zich door adviseurs kan laten bijstaan. De eerste drie genoemde adviseurs kende het Algemeen Reglement ook al. Toch is er nu een verschil. De twee kerkelijke hoogleraren kunnen in dit voorstel een gewoon advies uitbrengen, terwijl zij in het Algemeen Reglement157 als prae-adviseurs in de Algemene Synode zitting hebben. Dit prae-adviseurschap houdt in, dat zij de synode bij ieder te nemen besluit moer adviseren. Van dit prae-adviseurschap worden de kerkelijk hoogleraren in dit voorstel ontlast.

Een veel grotere en belangrijkere verandering vormen de overige adviseurs, die ter synode kunnen worden geroepen. Zij vormen een hele nieuwe groep. Hiermee concretiseert de commissie de in haar levende behoefte, om het werk van de raden en commissies, die vanuit Kerkelijk Overleg en Gemeenteopbouw in het leven zijn geroepen, nader aan de Kerk te hechten. Dit was in artikel één als taak aan de Generale Synode gegeven.

Uit het feit, dat deze vertegenwoordigers als adviseurs ter synode worden geroepen en geen vaste leden zijn van de Generale Synode, blijkt tenslotte nogmaals het beginsel, dat de synode een kerkelijke vergadering is, waar de ambten bijeen zijn. Het is namelijk zeer goed mogelijk, dat de adviseurs, geen ambtsdragers zijn. Het is hierom, dat zij wel mogen adviseren, maar geen stem mogen uitbrengen.

 

Artikel IV. Van de bijeenkomsten der Synode.
Tenminste eenmaal per jaar wordt een synode gehouden, ten tijde en ter plaatse door haar of — zo zij daarover geen besluit genomen heeft — door het moderamen vastgesteld.
De synode kiest zich in haar eerste bijeenkomst van het kalenderjaar, onder leiding van de scriba, voor dat jaar een praeses en een assessor, die de praeses bijstaat en vervangt, alsmede voor de assessor een secundus en een tertius.
Als scriba van de synode fungeert de secretaris van de algemene synodale commissie, bijgestaan door de tweede secretaris van die commissie.
Praeses, assessor en scriba vormen tezamen het moderamen.
De werkwijze van de synode wordt, onder haar goedkeuring, door het moderamen geregeld.
De synode neemt besluiten bij volstrekte meerderheid van stemmen.
Zij kan niet vergaderen, zo geen dertig afgevaardigden tegenwoordig zijn.
Van hare acta wordt aantekening gehouden
.

In dit artikel wordt de gang van zaken voor het bijeenkomen der synode geregeld. Er zijn enkele wijzigingen ten opzichte van dit samenkomen zoals dit geregeld is in het Algemeen Reglement. In dit artikel stelt de commissie voor, dat de synode minstens eenmaal per jaar samenkomt, terwijl de


[114] 157. Artikel 56 van het Algemeen Reglement.

|93|

synode in het Algemeen Reglement maximaal eenmaal per jaar samenkomt. De synode mag in dit voorstel zelf bepalen hoevaak zij samenkomt, terwijl het in het Algemeen Reglement de Algemene Synodale Commissie is, die een eventuele extra vergadering bepaalt. Verder zijn nu plaats en tijd van samenkomst vrij gegeven aan de beslissing van de synode, terwijl dit in het Algemeen Reglement is voorgeschreven, namelijk jaarlijks in juli te ’s-Gravenhage158. Hierin krijgt de gedachte van de commissie gestalte, dat de Generale Synode zoveel mogelijk vrij moet zijn in haar werkwijze en dat aan de vergadering en het moderamen zelf moet worden overgelaten hoe zij dit regelt.

Een andere, wellicht belangrijker wijziging betreft de wijze waarop de nieuwe tijdelijke synode haar besluiten neemt. Over het kennisnemen van de consideratiën van de provinciale kerkbesturen en de classicale vergaderingen wordt in dit voorstel met geen woord gerept. Ook het veto-recht van de provinciale kerkbesturen vindt geen plaats meer in dit artikel159. Hierover is tijdens de vergaderingen veel gesproken en men is het eens geworden, dat met name voor dit laatste instituut in een presbyteriale kerkstructuur geen plaats is.

In dit artikel wordt voorts bepaald, dat de synode haar besluiten bij volstrekte meerderheid van stemmen neemt. Deze bepaling staat ook in het Algemeen Reglement160, op de plaats waar de stemmingen in kerkelijke vergaderingen wordt geregeld. De commissieleden hebben over het stemmen in kerkelijke vergaderingen gesproken. Zij zijn het erover eens161, dat het in kerkelijke vergaderingen zo min mogelijk tot stemmen moet komen, maar juist zoveel mogelijk tot overeenstemmen. Komt het tot stemmen, dan is dat een uiterste noodzaak. Ook hebben zij gesproken over de vraag of het in dat geval wenselijk is om voor belangrijke besluiten de eis van een gequalificeerde meerderheid te laten gelden, bijvoorbeeld een 2/3 meerderheid. Hiervoor heeft de commissie echter niet gekozen. Enerzijds niet, omdat zij de Geest op zulke wijze niet wil binden. Anderzijds niet, omdat de eis van 2/3 meerderheid aan de minderheid een grote macht geeft. Tenslotte laat de commissie een verdere regeling van deze zaak over aan de nieuwe synode.

De eis, dat er dertig afgevaardigden tegenwoordig moeten zijn, is nieuw. In het Algemeen Reglement wordt wel van een 2/3 aanwezigheidsplicht gesproken, doch echter alleen als het de besluitvorming van kerkelijke vergaderingen betreft. In eerste instantie formuleerde Wagenaar dit ook zo. Doch in één van Wagenaars voorstellen wordt op een bepaald moment de tussenzin doorgestreept, waarin stond dat dit bij de besluitvorming geldt. Dan slaat de eis van 2/3 aanwezigen op de vraag of de vergadering doorgang zal hebben. Hiermee schept de commissie een nieuwe eis. Een reden wordt hiervoor niet gegeven. Er zijn mijns inziens wel argumenten hiervoor te bedenken. De commissie kan deze eis aan de nieuwe synode opleggen, vanwege de bijzondere taak van de nieuwe synode. Deze taak zal immers voornamelijk bestaan uit het maken van een nieuwe kerkorde. Hierbij zal de synode voortdurend besluiten moeten nemen, waarbij het van


[114] 158. Artikel 59 van het Algemeen Reglement.
159. Artikel 62 van het Algemeen Reglement.
160. Artikel 8 van het Algemeen Reglement.
161. Vergadering van 9 en 10 maart 1944 te Nunspeet.

|94|

belang is, dat er zoveel mogelijk afgevaardigden, dat wil zeggen de Kerk zelf, aanwezig zullen zijn.

 

Artikel V. Van de orde der Kerk.
De synode benoemt een commissie tot voorbereiding van een nieuwe kerkorde, welke haar ontwerpen bij de synode ter behandeling indient.

De inhoud van dit artikel heeft reeds vanaf Scholtens eerste nota van 1942 bestaan162. Het is namelijk noodzakelijk, dat een speciale commissie de nieuwe kerkorde voorbereid. Eventueel kunnen in deze commissie de leden van de Commissie voor beginselen van Kerkorde zitting krijgen. Het eigene van deze gedachte is echter, dat deze commissie vanuit de nieuwe synode en dus vanuit de Kerk haar opdracht zal ontvangen. Deze gedachte heeft steeds tot de uitgangspunten van de commissie behoord en wordt in dit artikel geconcretiseerd. Het tweede deel van dit artikel getuigt ook hiervan, namelijk dat de synode de ontwerpen van de speciale commissie zal behandelen. Dit wil zeggen, dat de Kerk uiteindelijk zelf beslist over haar nieuwe kerkorde.

 

Artikel VI. Van de algemene synodale commissie.
De synode benoemt een algemene synodale commissie, die tot taak heeft hetgeen haar in de reglementen der Kerk of door de synode wordt opgedragen en deswege aan de synode verantwoording schuldig is.

In het Algemeen Reglement163 worden, na de bevoegdheden van de Algemene Synode, de bevoegdheden van de Algemene Synodale Commissie besproken. Dit laatst genoemde orgaan komt tussen de jaarlijkse vergaderingen van de Algemene Synode bijeen, om in haar naam de belangen van de Nederlandse Hervormde Kerk te behartigen en waar te nemen. In dit artikel van de Werkorde neemt de commissie dit orgaan over en breidt haar bevoegdheden zelfs uit. Behalve hetgeen haar in de Reglementen der Kerk wordt opgedragen, krijgt zij nu ook als taak hetgeen de synode haar opdraagt. In de invoeringsbepalingen wordt deze taak nader uitgewerkt, hetgeen inhoudt dat in grote lijnen haar nieuwe tijdelijke taak neerkomt op het overnemen van de grote administratieve taak van de synode. De gedachte hierachter is, dat de nieuwe synode zich voornamelijk met het ontwerpen van de nieuwe kerkorde moet bezighouden en zo min mogelijk moet worden lastig gevallen met allerlei administratieve beslommeringen erom heen. Hieruit blijkt wel heel duidelijk het tijdelijke karakter van de Werkorde. Het is immers de bedoeling, dat zodra de nieuwe kerkorde is ingevoerd, de Kerk naar deze nieuwe orde wordt ingericht en dat dan ieder orgaan zijn eigen taak weer gaat uitoefenen. Slechts voor deze interimperiode wordt de tijdelijke


[114] 162. Zie hoofdstuk IV §3.
163. Artikel 66 v.v. van het Algemeen Reglement.

|95|

synode van enkele taken ontheven en worden deze taken overgeheveld naar een nieuwe Algemene Synodale Commissie. Deze Algemene Synodale Commissie treedt namens de synode op en is aan de synode verantwoording schuldig. Zij is dus geen zelfstandig optredend orgaan, maar zij handelt vanuit de Kerk.

De commissie heeft over dit alles een korte discussie gevoerd. Zij ziet namelijk, dat de Algemene Synodale Commissie een permanent orgaan is. De vraag is of het bestaan van een permanent orgaan wel overeenstemt met het presbyteriale beginsel, dat de Kerk daar is waar de ambten in vergadering bijeen zijn. Zodra de vergadering uitelkaar gaat, houdt deze situatie op. Met het bestaan van het permanente orgaan van de Algemene Synodale Commissie dreigt een semi-episcopale kerkstructuur te ontstaan. Dit wil de commissie niet, hoewel de commissieleden de behoefte aan een centraal gezag voelen en de spanning tussen een presbyteriale kerkorde en de behoefte aan een centraal gezag onderkennen. Door nu in dit artikel de Algemene Synodale Commissie verantwoording aan de synode te laten afleggen, wil de commissie deze spanning ondervangen. Het is dan ook om deze reden, dat de laatste zinsnede in het artikel is opgenomen.

 

Artikel VII. Van de organen van bijstand.
De synode doet zich bijstaan door raden, werkgroepen, commissies, deputaten en gedelegeerden, wier taak zij vaststelt en wier leden zij benoemt.

Zoals al bij de totstandkoming van de algemene toelichting tot uitdrukking is gekomen, wil de commissie, dat de synode leiding zal geven aan de arbeid van de Kerk op alle terreinen van het leven. Door de werkzaamheden van Kerkelijk Overleg en Gemeenteopbouw zijn er al veel raden en werkgroepen met dit doel opgericht. De leiding over deze reeds bestaande raden heeft de synode als taak in artikel I gekregen, terwijl in artikel lil de binding met het werk van de synode gestalte kreeg. In dit artikel krijgt de synode er een andere opdracht bij, die in het verlengde van de zojuist genoemde taak ligt, namelijk om weer nieuwe raden en werkgroepen en dergelijke in het leven te roepen. Dit artikel is dus anders dan de vorige artikelen. De synode moet nieuwe taken voor de Kerk onderbrengen bij nieuwe raden. Vervolgens moet zij zich door deze raden laten bijstaan. Hiermee worden taken van de Kerk op alle terreinen van het leven binnen de muren van de Kerk gehaald en hierdoor krijgen zij ook reglementair hun bestaansrecht.

 

Artikel VIII. Van het overleg met andere Kerken.
De synode benoemt — op voordracht van de Raad voor Kerk en Kerken — deputaten voor het overleg en de samenspreking met de Kerken in Oost- en West-lndië, met de Kerken in Nederland en met die in het buitenland.

|96|

Met dit artikel geeft de commissie aan de nieuwe synode de opdracht om de oecumene met andere Kerken te zoeken. Dit ziet zij als een belangrijke opdracht en zij beschouwt dit als een reële mogelijkheid nu de Kerk voor het eerst sinds lange tijd weer een belijdende Kerk genoemd kan worden.

 

§2 De Werkorde wordt aangenomen.

Hierboven is de tekst van de additionele artikelen van de Werkorde besproken. Voordat de bespreking van de invoeringsbepalingen plaats vindt, wordt nu voor een duidelijk begrip van de gang van zaken in het kort de aannemingsprocedure van de Werkorde door de Kerk besproken.

Zoals al is gezegd regelen de invoeringsbepalingen de wijze waarop de additionele artikelen van de Werkorde in het Algemeen Reglement ingevoerd zullen gaan worden. Dit betreft dus iets anders, dan het proces, waarin de Werkorde — zelf een voorstel tot reglementswijziging — door de Kerk wordt aangenomen. Aangezien deze beide processen op elkaar lijken, kan de bespreking van de invoeringsbepalingen verward worden met de aanneming en invoering van de Werkorde zelf. Daarom wordt nu eerst in het kort de aannemingsprocedure van de Werkorde zelf besproken en komen daarna de invoeringsbepalingen en de invoering van de Werkorde aan de orde.

De Werkorde, zoals die hier besproken wordt, betreft de eindtekst, die de Commissie voor beginselen van Kerkorde op 24 maart 1944 te Nunspeet vaststelt. Het is deze tekst, die de commissie aan de Algemene Synode aanbiedt. Zoals bekend is, betreft de Werkorde een voorstel tot wijziging van het Algemeen Reglement. Om deze reden zal dit voorstel de in het Algemeen Reglement gegeven procedure voor reglementswijzigingen moeten doorlopen.

In artikel 62 van het Algemeen Reglement staat deze procedure voorgeschreven. Als eerste neemt de synode voorlopig het voorstel aan. Vervolgens zendt zij het voorstel naar de provinciale kerkbesturen en de classicale vergaderingen om hun consideratiën in te winnen. Vervolgens kan de synode de consideratiën verwerken en het voorstel in tweede aanleg aannemen. Hierna onderwerpt de synode het voorstel aan de hoofdelijke stemming van de leden der provinciale kerkbesturen. Dit betreft het zogenaamde veto-recht waarover veel gesproken is. Spreken de leden der provinciale kerkbesturen geen veto uit, dan wordt het voorstel tot reglementswijziging finaal aangenomen en kan het vervolgens uitgevaardigd worden.

|97|

De Werkorde doorloopt deze hele procedure. De Commissie voor beginselen van Kerkorde biedt de synode de Werkorde van 24 maart 1944 aan. Tijdens de speciale synodevergadering van 26 april 1944 neemt de synode de Werkorde met algemene stemmen aan164. Dit feit getuigt van de nieuwe geest, die inmiddels ook door de Algemene Synode waait. Voor meer dan honderd jaren heeft de synode met de frustrerende stemmenverhouding 9-10 geregeerd. Er worden tijdens deze synodevergadering enkele wijzigingen aangebracht in de Werkorde, die hier niet besproken worden. Vervolgens biedt de synode de Werkorde aan de classicale vergaderingen en de provinciale kerkbesturen aan om hun consideratiën in te winnen. Er vindt in deze tijd veel overleg plaats tussen de bovengenoemde vergaderingen en de leden van de commissie165. Er worden amendementen ingediend en de tekst van de Werkorde wordt op sommige punten veranderd. Dan vindt op 26 juli 1944 in de synode de eindstemming plaats over het gehele geamendeerde ontwerp. Het ontwerp wordt met algemene stemmen aanvaard166. Dit geeft reden tot grote blijdschap en dankbaarheid. Er worden gelukstelegrammen verstuurd naar Scholten, die nog steeds verbannen is in Hulshorst167. De Commissie voor beginselen van Kerkorde krijgt de opdracht om de wijzigingen te verwerken in de Werkorde. Tenslotte zal de Werkorde aan de hoofdelijke stemming van de leden der provinciale kerkbesturen onderworpen worden. Hiervoor is het noodzakelijk, dat deze leden bijeenkomen. Door de oorlogsomstandigheden kan deze samenkomst niet in november 1944 plaatsvinden, maar wordt zij uitgesteld tot na de bevrijding. Op 25 juli 1945 vindt de eindstemming plaats. Met de ongekende meerderheid van 62 tegen 2 stemmen is de Werkorde aanvaard168.

Op het historische ogenblik, waarop deze uitslag in de synode wordt bekendgemaakt, staat secretaris Gravemeyer op om een symbolische daad te verrichten. Hij bedekt namelijk de Reglementenbundel met de Bijbel. Hij spreekt hierbij de bede uit, dat de Vader van onze Here Jezus Christus door Zijn Heilige Geest zo sterke, dat de Nederlandse Hervormde Kerk als Christus belijdende volkskerk de grote opdracht in samenwerking met de andere Kerken kan vervullen en de herkerstening van het Nederlandse volk ter hand kan nemen.

Het is op deze indrukwekkende wijze, dat de Werkorde wordt aangenomen. Hiermee komt het begin van het einde van de knellende banden van het Algemeen Reglement van 1816 in zicht, waartegen al zovele jaren in de Kerk is gestreden. Besloten wordt, dat de Werkorde in werking zal treden op 20 september 1945. Tegen deze achtergrond zullen nu de invoeringsbepalingen van de Werkorde besproken worden.


[114] 164. Handelingen der Synode, ’s-Gravenhage, 1944, 53.
165. Notulen van de vergadering van de Commissie voor beginselen van Kerkorde van 8 mei 1944.
166. Handelingen der Synode, ’s-Gravenhage, 1944, 212.
[115] 167. Zie bijlage B.
168. Handelingen der Synode, ’s-Gravenhage, 1945, 19.

|98|

§3 De invoeringsbepalingen voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additionele artikelen I-VIII en de wijze waarop de invoering in 1945 heeft plaatsgevonden.

De invoeringsbepalingen van de Werkorde regelen de wijze waarop de bovengenoemde additionele artikelen aan het Algemeen Reglement worden toegevoegd. Het zijn vijfentwintig artikelen, die in zes afdelingen zijn ondergebracht. De tekst van deze bepalingen is in de bijlage opgenomen, hieronder vindt de bespreking per afdeling plaats. Zoals al bij de totstandkoming van de algemene toelichting is gebleken, huldigde de Commissie voor beginselen van Kerkorde het principe, dat de regeling voor de tijdelijke nieuwe synode eenvoudig, overzichtelijk en klein van omvang dient te zijn. Hat is dan ook hierom, dat globaal gezegd, de commissie heeft voorgesteld om de Algemene Synode te elimineren en dus de daarbij horende artikelen 56-60 van het Algemeen Reglement te schrappen. Hiervoor in de plaats komen de bovengenoemde acht additionele artikelen. Voorts vindt er een verdeling plaats van de werkzaamheden tussen de synode en de Algemene Synodale Commissie. Tenslotte moeten dan nog de enkele zaken geregeld worden, waaronder de eerste bijeenkomst van de Generale Synode. Dit laatste vormt de eerste afdeling.

A Betreffende het bijeenkomen van de Generale Synode.

Zoals hierboven is geschreven, is de Werkorde op 20 september 1945 in werking getreden. In artikel 2 van de invoeringsbepalingen wordt bepaald, dat de Algemene Synodale Commissie binnen vier weken na deze datum de classicale vergaderingen bijeen moet roepen. Elke vergadering moet vervolgens één afgevaardigde voor de nieuwe synode aanwijzen. Hierdoor zullen er 45 afgevaardigden worden aangewezen, die te zamen de Generale Synode vormen, naar het plan van de commissie. Er wordt in artikel 3 precies geregeld welke classis een ouderling of een predikant afvaardigen. Binnen acht dagen nadat deze classicale vergaderingen gehouden zijn, moeten de vergaderingen aan de Algemene Synodale Commissie de namen van de afgevaardigden bekend maken. Hiermee is in wezen de samenstelling van de Generale Synode bekend.

Tevens moeten de raden, die in het additionele artikel III genoemd worden, een naam van een kandidaat voor het adviseurschap indienen bij de Algemene Synodale Commissie. De Algemene Synodale Commissie zal vervolgens de kandidaten tot adviseurs van de synode benoemen. De twee hoogleraren zullen vervolgens naar een reeds bestaand rooster als adviseurs van de synode worden opgeroepen. De data van deze gebeurtenissen heb ik niet kunnen achterhalen. Hiermee zijn de namen van de adviseurs der synode bekend geworden. Nadat de Algemene Synodale Commissie de kandidaten benoemd heeft, is het additionele artikel III uitgevoerd. Nu dit alles gereed is, hoeft de Algemene Synodale Commissie alleen nog de Generale Synode bijeen te roepen.

|99|

In artikel 7 wordt bepaald, dat binnen twee maanden nadat de classicale vergaderingen zijn gehouden, de Generale Synode bijeen kan komen. Dit gebeurt dan ook op 31 oktober 1945. Hoewel in de Werkorde alles zoveel mogelijk ter vrije bepaling van de Generale Synode is overgelaten, is wel bepaald dat de eerste bijeenkomst van de Generale Synode in de Nieuwe Kerk te Amsterdam moet worden gehouden. Deze eerste bijeenkomst moet op de voorafgaande dag worden begonnen met een bidstond voor de arbeid van de synode. Hiermee geeft de commissie uitdrukking aan enkele belangrijke gedachten, die het geestelijk elan van de commissie onderstrepen.

Allereerst geeft zij met de keuze van de datum van 31 oktober aan, dat zij net als bij het begin van de Reformatie, de eerste stap heeft gezet tot een opstaan van de gestruikelde Kerk. Eerst met het samenkomen van de nieuwe synode kan de Kerk weer werkelijk en waarlijk Kerk worden.

Een ander belangrijke keuze is de keuze voor de Nieuwe Kerk in Amsterdam, in plaats van een gebouw in Den Haag. Hiermee zoekt de Generale Synode op symbolische wijze weer aansluiting met de Kerk in ons land. Met de keuze voor Amsterdam proclameert zij stilzwijgend, dat zij zichzelf blijft beschouwen als de historische Vaderlandse Kerk van Nederland, de volkskerk169. Tenslotte wordt met het verzoek om een bidstond aangegeven, dat de arbeid aan de nieuwe taak van de Generale Synode niet uit eigen kracht kan worden verricht, maar dat het alleen van de Here verwacht kan worden.

Met deze voor de Kerk hoogst belangrijke dag is een einde gekomen aan het bestuurlijke regime van het Algemeen Reglement van 1816. Deze dag is het begin van een weer belijdende Kerk. Hiermee is deze datum van groot historisch belang voor de Nederlandse Hervormde Kerk geworden.

Met deze eerste afdeling van de invoeringsbepalingen is de oude regeling van de samenkomst en de taak van de synode gewijzigd en is de Algemene Synode geëlimineerd. Daarom bepaalt het laatste artikel van deze afdeling dan ook dat de desbetreffende artikelen van het Algemeen Reglement zijn vervallen.

B. Betreffende het overnemen van de werkzaamheden der Algemene Synode.

De commissie heeft voorgesteld om na de eliminatie van de Algemene Synode de taken van deze synode te verdelen tussen de Generale Synode en de Algemene Synodale Commissie. In deze afdeling worden de taken besproken, die de Generale Synode van de Algemene Synode overneemt. In additioneel artikel I wordt naar deze afdeling verwezen. Hier krijgt de Generale Synode dus naast de nieuwe en speciale taak van artikel I ook enkele reeds bestaande taken uit te oefenen. Zoals al eerder is gezegd, bevatten deze taken alleen de hoogst noodzakelijke arbeid, om zo de Generale


[115] 169. A.J. Bronkhorst, Op weg naar een nieuwe kerkorde, Amsterdam, 1945, 54.

|100|

Synode niet te veel te belasten.

Bij de opsomming van de taken in artikel 9 wordt hier opgemerkt, dat de synode er geen nieuwe rechtsprekende taak erbij heeft gekregen. Zo kan de Generale Synode reglementair geen leertucht uitoefenen, gelijk de Algemene Synode dit ook niet kon. Hiermee wordt uitgedrukt, dat de commissie niet op de kwestie rondom de regeling van de leertucht vooruit wil lopen, maar dat zij deze regeling overlaat aan de nieuwe kerkelijke vergadering.

In artikel 10 staat, dat de overige werkzaamheden en bevoegdheden van de Algemene Synode overgaan op de Algemene Synodale Commissie. Door deze eenvoudig omschreven splitsing van de taken van de Algemene Synode voorkomt de commissie, dat zij in een ingewikkelde reglementswijziging artikel voor artikel moet behandelen. Nu heeft zij dit in enkele zinnen geregeld.

C. Betreffende de Algemene Synodale Commissie.

Deze afdeling beslaat het grootste deel van de invoeringsbepalingen. Van artikel 13 tot en met artikel 21 worden in het Algemeen Reglement de veranderingen van de werkzaamheden en de taken van de Algemene Synodale Commissie geregeld. Het is niet verwonderlijk, dat deze veranderingen het grootste deel van de invoeringsbepalingen in beslag nemen, gezien het reeds eerder genoemde uitgangspunt van de commissie om de nieuwe synode zo min mogelijk met andere taken te belasten naast haar opdracht een nieuwe kerkorde te ontwerpen. Dit uitgangspunt houdt voor de Algemene Synodale Commissie op haar beurt weer een uitbreiding van taken in.

Afdeling C begint met het laten vervallen van de artikelen 65 tot en met 74 van het Algemeen Reglement, in de plaats daarvan worden nieuwe artikelen gegeven.

Artikel 65 bepaalde, dat het beheer van de algemene kerkelijke fondsen bij de synode berustte. Dit artikel wordt nu vervangen door invoeringsbepaling 19, waarin deze zorg aan de Algemene Synodale Commissie wordt overgedragen.

In invoeringsbepaling 13 wordt bepaald, dat de inhoud van artikel 65* onveranderd blijft.

Invoeringsbepaling 14 regelt de nieuwe samenstelling van de Algemene Synodale Commissie. Zij is nu groter, dan in de oude regeling van het Algemeen Reglement, omdat zij nu een zwaardere taak krijgt. Nieuw is de bepaling, dat in deze commissie adviserende leden uit de Algemene Diakonale Raad en uit de Algemene Kerkvoogdijraad zitting hebben. Dit is een gevolg van het toenemende belang, dat aan de raden in de Kerk wordt toegekend.

De invoeringsbepalingen 15 tot en met 17 regelen gebruikelijke zaken.

Invoeringsbepaling 18 regelt grotendeels hetzelfde ais de oude bepaling 70 in het Algemeen Reglement. Nieuw is echter, dat in sub 7 wordt bepaald, dat de Algemene Synodale Commissie het centrale orgaan voor het kerkewerk wordt, in verband met het overleg, dat de op grond van

|101|

additioneel artikel VII nieuw in te stellen organen met zich meebrengt.

In invoeringsbepaling 19 wordt aan de Algemene Synodale Commissie het beheer over de algemene kerkelijke fondsen overgedragen, waarmee het oude artikel 65 vervalt. Nieuw is voorts, dat de commissie deze taak delegeert aan een nieuw te benoemen commissie voor de synodale fondsen. Hiermee wordt gestalte gegeven aan het beginsel zoveel mogelijk mensen en commissies in het leven te roepen en te betrekken bij het kerkewerk door samenwerking. Vervolgens regelt dit artikel de wijze van benoeming van deze nieuw te vormen commissie.

Naast de kwestie van het beheer draagt dit artikel ook de administratie van de synodale fondsen over op de Algemene Synodale Commissie.

Tenslotte wordt in deze afdeling een regeling gegeven voor het aftreden van de in de Algemene Synodale Commissie zitting hebbende leden.

D. Betreffende het tot stand komen van de nieuwe kerkorde.

Zoals in additioneel artikel V is bepaald, wordt er een commissie benoemd ter voorbereiding van de nieuwe kerkorde. Op 11 december 1945 benoemt de Generale Synode de Commissie voor de Kerkorde hiertoe. In deze commissie hebben naast enkele andere leden ook de leden van de Commissie voor beginselen van Kerkorde zitting. Scholten is ook van deze nieuwe commissie de voorzitter. Na zijn overlijden op 1 mei 1946 neemt Berkelbach van der Sprenkel het voorzitterschap over. Met de benoeming van de Commissie voor de Kerkorde is de Generale Synode direct met de uitoefening van haar nieuwe taak begonnen.

Op 24 november 1947 biedt de Commissie voor de Kerkorde het resultaat van haar arbeid aan de Generale Synode aan tijdens een speciale bijeenkomst in de Domkerk te Utrecht. Op 14 juli 1948 aanvaart de Generale Synode het ontwerp van de commissie met algemene stemmen en stelt zij het ontwerp van de commissie in eerste lezing vast, zoals invoeringsbepaling 22 heeft voorgeschreven.

Nieuw is de bepaling, dat de nieuw te ontwerpen kerkorde moet worden vastgesteld door een verdubbelde synode. Hiermee wordt het belang van de nieuwe kerkorde aangegeven. Op 20 november 1950 wordt deze verdubbelde synodevergadering gehouden. Op 7 december 1950 wordt de eindstemming gehouden. Met 76 tegen 14 stemmen wordt de nieuwe kerkorde aangenomen. Op 1 mei 1951 is de nieuwe kerkorde vervolgens in werking getreden. Daarom spreekt men wel van de Kerkorde van 1951, als men het over de huidige kerkorde heeft.

Hiermee zien wij, dat de totstandkoming van de nieuwe kerkorde precies zo gegaan is, als de invoeringsbepalingen van de Werkorde hebben voorgeschreven.

|102|

E. Betreffende de organen van bijstand.

Deze afdeling regelt hetgeen in additioneel artikel VII is bepaald ten aanzien van de organen van bijstand. De artikelen spreken voor zich.

F. Betreffende onvoorziene gevallen en vragen van uitlegging.

Deze laatste afdeling regelt het handelen in onvoorziene gevallen. Het is een bepaling, zoals die in iedere wetgeving wordt opgenomen om het onvoorziene toch nog in een later stadium te kunnen regelen. In dit geval is geregeld, dat de commissie voor de rechtspraak in zulke gevallen beslist.

 

Hiermee zijn de invoeringsbepalingen, die voortvloeien uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additionele artikelen I-VIII besproken. Tevens is aangegeven, hoe de invoeringsbepalingen zijn verwezenlijkt.

Hiermee is de tekst van de Werkorde besproken en is het onderzoek van dit scriptieonderwerp vrijwel voltooid. In het volgende hoofdstuk is het de plaats om enkele conclusies te trekken uit de hierboven beschreven gebeurtenissen.