3. De Christusregeering

Laat ik met dit laatste mogen beginnen.

Eigenlijk is er een tegenstrijdigheid in het betoog van Dr Br., als hij mij verwijt, dat ik te kort doe aan de Christusregeering, maar zelf op blz. 206 erkent: „De eerste vraag, die aan de orde moet komen, luidt: Behoort Christus in Zijn ekklesia (kerk) 1) de heerschappij te hebben, en wel de eenige heerschappij? Van


1) Het tusschen haakjes geplaatste is vertaling der Grieksche woorden, van mij.

|10|

uit de Schrift is deze vraag zonder moeite te beantwoorden. Dat Christus de Kurios (Heer) is, de Heere, dat menschen, zelfs apostelen, slechts Zijn doeloi (slaven, dienstknechten) zijn, heeft Paulus’ leven beheerscht. Hem is immers alle macht gegeven in hemel en op aarde (Matth. 28: 18). Wanneer de Christelijke Kerk de plaats is, waar Zijn Woord wordt bewaard en geëerbiedigd, spreekt het vanzelf dat alle autoriteit, alle gezag in de ekklesia op Hem teruggaat. Hierover gaat de discussie dan ook niet tusschen de confessies en denominaties. (Ik cursiveer.)

Voor mij zelf en voor de Vereeniging „Kerkopbouw” kan ik bovendien verwijzen naar een van de eerste publicaties namens haar gegeven onder den titel „Eenheid in Christus1), waar ik op blz. 16 zeg: „Jezus Christus is Heer — dat is de grondslag van de christelijke kerk; tot den eenvoud daarvan moeten wij terug. Die eenvoud moet de eenheid zijn die ons bindt. En ieder die dat aanvaardt, moeten wij als broeder en zuster in Christus de hand reiken.
Aanvaarden wij den persoon van Jezus Christus als onzen Heer, dan laat dit ruimte voor groote verscheidenheid. Want dezelfde persoon maakt op verschillende menschen een verschillenden indruk. De een ziet in hem dit, de ander dat. Zoo zal ook de geloofsuitdrukking van den een verschillen van de geloofsuitdrukking van den ander. Wij zullen elkaar daarom niet veroordeelen, als wij samen ons buigen onder Zijn gezag.
Als wij daartoe geraken, kunnen wij weer samen spreken, om te komen tot den waren opbouw der kerk waarvan Jezus Christus het fundament is, terwijl wij allen als levende steenen door God worden geheiligd voor Zijn werk.”

Hiermee heb ik niet bedoeld, zooals Dr. H. van der Linden in zijn proefschrift „Rome en de una sancta2) op blz. 47 het laat voorkomen, alsof het „Jezus Christus Heer” de geheele belijdenis zou zijn, waarop ik alle kerken zou willen terugvoeren. Ik ben nuchter genoeg om dit onzin te achten. Het ging in dat verband allereerst om de verscheurde verhoudingen in onze eigen kerk. Maar bovendien sprak ik bij de erkenning van Jezus Christus als Heer over een groote verscheidenheid en over verschil in geloofsuitdrukking. — Ook de oecumenische beweging is tot een korte samenbindende formuleering gekomen, zonder de verschillende belijdenissen te willen negeeren, en wel tot deze, dat door haar wordt erkend ieder die Christus aanneemt „als God en zaligmaker”. Dr Van der Linden vindt deze formuleering „zeer goed gekozen en getroffen” (blz. 22). Daarin verschil ik van hem. De uitdrukking „God en Zaligmaker” is niet alleen onbijbelsch (men vergel. 1 Tim. 1: 1) — terwijl de uitdrukking „Jezus Christus Heer” door Paulus op verschillende plaatsen als samenvatting der Christelijke belijdenis wordt genoemd (men vergel. 1 Kor. 12: 3, 16: 22v;


1) Uitgeg. door Van Gorkum en Comp., Assen z.j. (1932).
2) Uitgeg. door G.F. Callenbach N.V., Nijkerk 1947.

|11|

Rom. 10: 9, 13: 14) — maar zij is ook theologisch onaanvaardbaar. Van de waarachtige menschheid van Jezus Christus wordt daarin geen gewag gemaakt. De uitdrukking past geheel voor een docetische Christologie, waarbij Jezus Christus slechts in schijn mensch is, maar in wezen God incognito, zoodat zijn aardsche lotgevallen van geen beteekenis zijn. Alle gnostiek voelt zich in deze formuleering thuis. Ook elke Hegeliaansch-pantheïstische Godsvoorstelling. Alleen de Bijbelsche Christen voelt er zich niet in thuis. Bovendien is de uitdrukking „zaligmaker” wel aan de Staten-Vertaling ontleend, maar niet in overeenstemming met het Grieksche sotèr (degene die van het toekomstig verderf behoudt, met betrekking op het laatste oordeel, eschatologisch).

En wat het Rapport van „Kerkopbouw” betreft, hierin wordt een afzonderlijke paragraaf gewijd aan het geloof als noodzakelijk voor het verstaan der Schuift en dan, als de drie gezichtspunten genoemd zijn, waaruit de kerk kan worden gezien (Gods verkiezende daad, Christus door Wien God die daad verricht, en de onderlinge verbondenheid der geloovigen): „Wij verwerpen hiermede de opvatting van een „Vrije Volkskerk” met ruimte voor verschillende overtuigingen en richtingen die niet met Jezus Christus (het historische en bovenhistorische Hoofd der kerk) verbonden zijn.” En op blz. 20 wordt gezegd, dat wij volgens den Bijbel moeten vasthouden aan een innig verband van Christus en de kerk, maar de kerk niet met Christus mogen vereenzelvigen, zooals Rome doet. Bij deze uitspraken is niet uit het oog te verliezen, dat het Rapport uiteraard meer beginselen aangeeft dan uitwerkt, omdat uitwerking veel te veel ruimte zou eischen.

Maar hiermede is Dr Br. niet tevreden. Op de heerschappij van Christus over de kerk moet veel meer nadruk gelegd worden, anders zou inderdaad de Schrift voor verschillende kerkorganisatie uitspraken bevatten, meent ook hij.