8
11,483-491
01-11-1882

|483|

Kerkelijke tucht.

 

De kerkelijke tucht draagt wel een gansch eigenaardig karakter, maar staat toch in nauw verband met de tucht, welke in den staat geoefend wordt door wet en politie, in het huisgezin door de ouders, in de school door den onderwijzer, in de maatschappij door de publieke opinie en in ieder mensch door zijn geweten. De minachting, thans algemeen voor de kerkelijke tucht gekoesterd, vloeit voort uit het algemeen merkbare streven, om op elk gebied des levens van onder het bedwang der tucht uit te komen en alle banden te verbreken. Dat maakt het voor onze kerk zoo moeilijk, om de tucht te handhaven en toe te passen en eenigen eerbied voor haar af te dwingen. Zij heeft hier te worstelen met een kwaad, dat algemeen verspreid is, als eene geestelijke boosheid in de lucht alle standen en kringen binnendringt en ten doel heeft om alle banden te verbreken, alle touwen te verscheuren en alle tucht op elk gebied des levens te bannen en uit te roeien. Het is het streven van het zondig schepsel, van God los te worden, en de willekeur te doen heerschen.

Toch, hoe moeilijk de handhaving en toepassing der tucht ook zij, daarvan aflaten mag onze Kerk niet. Veeleer heeft ze die ernstiger nog en strenger dan tot dusverre te behartigen. Ze hebbe en toone den moed, om zonde zonde te blijven noemen en uit haar midden te bannen, die Christus en de ongerechtigheid samenvoegen wil. Ze heeft kleine kracht, maar gebruike die, om in te

|484|

gaan tegen den geest des tijds, en late liever zich zelve bannen uit de maatschappij, dan de macht ongebruikt laten, door Christus zelven haar gegeven.

Want de tucht is geene macht, welke de Kerk zich heeft aangematigd. Zij komt haar wettiglijk toe en is haar door haar Koning verleend. Aan Christus zelven is gegeven alle macht in hemel en aarde. De sleutelen, om liet Koninkrijk der Hemelen te openen of te sluiten, zijn op zijne schouderen gelegd. Hij is de maatstaf, aan welken ieder mensch wordt gemeten. Naar de verhouding, waarin wij tot Hem staan, bepaalt Hij onzen ingang in of onze uitsluiting buiten Zijn hemelsch Koninkrijk.

Die macht, Hem door den Vader gegeven, houdt Christus niet voor zichzelven, maar deelt Hij aan anderen mede. Alwat Hij is, is Hij voor anderen. Hij is het Hoofd der gemeente en het hoofd bezit niets buiten gemeenschap met het lichaam. Ook de macht der sleutelen heeft Christus niet buiten de gemeente om; hij heeft ze aan de apostelen en in hen aan de gemeente gegeven; hij oefent haar door en met en in haar uit. De Apostelen hebben dan ook die macht en dat recht in toepassing gebracht. Zij hebben toezicht gehouden op de gemeenten en den ketter en den goddelooze uit haar midden weggedaan. Toch alzoo, dat zij, ook al was hier en daar eene gemeente ontrouw in de oefening der kerkelijke tucht (b.v. Corinthe, Galati) niet aanstonds zich afscheidden en die gemeente als afgevallene gingen beschouwen. Zelfs de verheerlijkte Christus blijft de verbasterde en door menige vlek ontsierde Klein-Aziatische gemeenten als Zijne gemeenten erkennen.

Voor hem, die de kerkelijke tucht wil maken tot het een en al der Kerk, tot een kenteeken, met die van de zuivere bediening des Woords en der Sacramenten op

|485|

ééne lijn staande, blijft de vermaning van Calvijn en van vele Gereformeerde theologen haar nuttigheid behouden, dat men om de eene of andere feil in de toepassing der kerkelijke tucht toch niet aanstonds de Kerk of den leeraar veroordeelen en vaarwel zeggen mag. Hoe hoog ook gesteld en van welk belang ook, de tucht behoort niet tot het wezen, maar tot het welwezen der Kerk; zij is niet zoo zeer een kenteeken naast en op gelijke lijn met de beide andere, als wel een van God verordend middel, om die beide andere in haar zuiverheid te bewaren.

Dat neemt echter volstrekt niet weg, dat zij een recht is en eene macht, door den Koning der Kerk aan Zijne gemeente gegeven en dies ook door deze als een kostbaar geschenk te waardeeren. Wie met de Remonstranten van vroeger of later tijd ze der Kerk ontneemt en den Staat opdraagt, oordeelende, dat de Kerk alleen vermanen en opwekken mag, of ook met Zwingli ze door de Kerk stilzwijgend aan de Christelijke Overheid laat afstaan, miskent de Kerk in haar eigen karakter en wezen, en komt ook met de leer en practijk der Apostelen in onverzoenlijken strijd.

Alle eeuwen door heeft de Christelijke Kerk dan ook de oefening der kerkelijke tucht beschouwd als een heilig recht en eene Goddelijke macht. In de eerste eeuwen des Christendoms werd zij zelfs zeer streng toegepast en had wederopname in den schoot der Kerk slechts na lang tijdsverloop en strenge boete plaats. De gemeente handelde toen en moest toen alzoo handelen, om de grenzen tusschen haar en de wereld niet uit te wisschen en zich zelve in haar eigensoortig karakter te handhaven. Jammer slechts, dat die strenge praxis langzamerhand voerde tot de verkeerde practijken van biecht en penitentie, welke, allengs als eene voldoening beschouwd,

|486|

straks weer tot het verderfelijk stelsel der aflaten aanleiding gaf.

Met de Hervorming keerden ook de apostolische beginselen der kerkelijke tucht terug. Toch bleef bij de kerken der Reformatie in de toepassing altijd groot verschil heerschen. Dat kon ook niet anders; de H. Schrift leert ons wel dienaangaande groote en machtige beginselen kennen, maar laat de toepassing in bijzonderheden over aan de Kerk en aan den H. Geest, die haar leidt. In de Gereformeerde kerken is die oefening der kerkelijke tucht dan ook wel strenger dan in de Luthersche; en bij de Gereformeerden in Geneve en bij de Puriteinen in Engeland was ze weer veel rigoristischer dan hier te lande. Dat hier aan de handhaving der kerkelijke tucht veel ontbrak, dat zij zelfs in den bloeitijd der Gereformeerde Kerk op vele plaatsen bijna geheel werd verwaarloosd, leert de geschiedenis der Hervormde kerken in deze landen ten duidelijkste.

Over de wijze, waarop de tucht in onze gereformeerde kerken moet worden toegepast, geven de kerkordeningen der verschillende Synoden inlichting. Toch niet zoo duidelijk, of er is althans tegenwoordig misverstand mogelijk; en, indien we ons niet vergissen, is de in onze Kerk gebruikelijke wijze van die, welke door de oude kerkordeningen wordt voorgeschreven, op vele punten verschillend 1). In onze kerkelijke practijk is het b.v. gebruik, om op iemand, die eene openbare zonde heeft begaan of wiens heimelijke zonde openbaar is geworden,


1) Eene Commissie uit de Classis Amsterdam heeft hierop onlangs de aandacht gevestigd, en, na onderzoek, haar oordeel in de Bazuin van 20 Jan. 1882 medegedeeld. Het rapport is der lezing overwaard en stemt met de hier gegeven beschouwing in hoofdzaak overeen.

|487|

terstond den zoogenaamden eersten trap der kerkelijke censuur toe te passen. Dat nu is met de in de kerkordeningen neergelegde beginselen in strijd. Na raadpleging van enkele schrijvers (Voetius, Polit. Eccles. Ridderus, Historische Doop, Avondmaal en Discipline. Moor, Comment. in Marckii Comp. a Lasco, Forma ac Ratio, ed. Kuyper e.a.) schijnt mij het volgende toe, de zuivere practijk der tucht in onze Gereformeerde Kerk te wezen.

Er moet allereerst onderscheiden worden tusschen openbare en heimelijke zonden. Bij deze laatste moet de zondaar overeenkomstig Jezus’ voorschrift in Matth. 18 eerst vermaand worden door dengene, die er kennis van draagt. Indien hij daaraan geen gehoor geeft, moet hij door dienzelfden broeder andermaal vermaand worden in het bijzijn van twee of drie getuigen. Wanneer hij ook dan nog geen gehoor geeft, moet de zondaar en zijne zonde bekendgemaakt worden aan de gemeente, dat is naar gereformeerde uitlegging, aan het presbyterium, den kerkeraad.

Hiermede nu heeft de private, heimelijke zonde het karakter verkregen van eene openbare. Zulk eene door voortdurende weigering openbaar geworden heimelijke zonde staat nu met een van huis uit openbare zonden gelijk.

En nu is bij beide, bij die oorspronkelijke verborgen, maar openbaar geworden zonde en bij die, welke „van haar naturen wegen” openbaar is, de handeling de volgende: iemand, die aan eene van deze beide zonden zich heeft schuldig gemaakt, moet eerst herhaaldelijk door den kerkeraad vermaand worden, en een proeftijd, een termijn tot boete en berouw, ontvangen. Hoelang deze zijn moet, is niet te bepalen, en hangt van bijzondere omstandigheden af Maar heel de gereformeerde practijk leidt er toe, om dien niet te kort te stellen. Van overhaasting mag hier schijn noch schaduw wezen.

|488|

Toont nu de zondaar in dezen hem gestelden proeftijd berouw, dan kan de zonde, zonder eenige kerkelijke censuur, verzoend en uit het midden der gemeente worden weggedaan. Namelijk aldus, dat de verzoening openbaar plaats hebbe. En wel in dien zin en in die uitgestrektheid, als de zonde zelve openbaar en eene ergernis was. Dus naar den gewonen regel en gang der zaken, waarvan art. 75 der D. kerkorde spreekt, in het midden der gemeente. Dat is echter geene onverbreekbare wet, die altijd moet toegepast worden. In de openbaarheid der zonden zijn immers vele graden, waarover alleen de kerkeraad oordeelen en beslissen kan. a Lasco bepaalde dan ook meer omschreven, dat de verzoening voor den kerkeraad zou plaats hebben, tenzij deze oordeelde, dat ze in ’t midden der gemeente moest geschieden. Wanneer nu echter de kerkeraad oordeelt, de verzoening moet openbaar plaats hebben, dan mag hij dit niet alleen beslissen noch de wijze er van bepalen, maar moet, althans wanneer het, eene kleine, plattelandsche gemeente met één leeraar is, het advies der genabuurde kerken inwinnen, opdat eene zoo teedere zaak als de openbare verzoening, niet uit zich zelve en door de wijze waarop ze geschiedt tot ontstichting in de gemeente aanleiding geve.

Indien echter de persoon, die die oorspronkelijk verborgen maar openbaar geworden of, die van huis uit openbare zonde begaan heeft, al de vermaningen van den kerkeraad in den wind slaat en niet de minste teekenen van boetvaardigheid toont; indien hij ook door de afhouding van het avondmaal — welke terstond als de zonde openbaar is toegepast wordt, om ergernis in de gemeente te voorkomen, maar (N.B.) nog geen eigenlijke censuur is, en bepaald nog een provisioneel, vermanend, geen straffend karakter draagt — indien de zondaar ook zelfs

|489|

daardoor benevens door al die vermaningen niet tot inkeer komt, dan zal men ten laatste tot de afsnijding moeten komen.

Volgens onze kerkorde mag men dus zelfs den weg, die tot afsnijding leidt, niet inslaan, dan na duidelijk gebleken onboetvaardigheid. Dat is dus, de afsnijding is geen straf voor de begane zonde, want daarvoor bestaat vergeving. Maar is eene uiterste remedie, waartoe de gemeente haars ondanks komen moet, als de zondaar ook die vergeving afwijst en de verzoening, welke de Kerk eerst telkenmale aanbiedt, weigert.

Op den weg nu, die tot afsnijding leidt en die eerst mag ingeslagen na tal van vermaningen, na afhouding van het avondmaal en na daartegenover gebleken onboetvaardigheid; op dien weg zijn, om zoo te spreken, drie stations.

Eerst zal de kerkeraad de gemeente niet zoozeer de zonde bekendmaken, want deze is immers openbaar, maar haar de hardnekkigheid des zondaars doen weten, die alle vermaningen van den kerkeraad verwerpt, en de gemeente opwekken, zijner te gedenken in den gebede. Zijn naam zal hierbij nog niet genoemd worden, niet omdat de Gemeente hem niet kent, integendeel, ze wordt toch vermaand om hem aan te spreken, maar alleen om den zondaar nog te sparen.

In de tweede plaats zal de kerkeraad, wanneer zijne onboetvaardigheid voortduurt, met advies der classis ook zijnen naam openlijk noemen, en hem alzoo met den vinger aanwijzen als den overtreder van Gods geboden.

Volhardt hij dan nog in zijne onboetvaardigheid, dan zal de kerkeraad in de derde plaats deze zijne hardnekkigheid aan de Gemeente doen weten, en bekendmaken dat hij eerlang, binnen zekeren tijd, zal afgesneden

|490|

worden. Na verloop van dien tijd moet dan de afsnijding volgen.

Bij deze herhaalde kennisgeving aan de gemeente moet echter nog het volgende worden opgemerkt:

Zij geschiedt niet zoozeer, om de gemeente eens te doen weten, wat er geschied is, want de zonde is openbaar, maar waartoe de kerkeraad zich genoopt zal zien, als de zondaar in zijne tot dusver betoonde onboetvaardigheid voortleeft. Ze ziet niet op het verledene, maar op wat aanstaande is; ze staat in ’t nauwste verband met, ze ligt op den weg van de afsnijding. Ze heeft ten doel, om den zondaar op te dragen aan de ernstige aanspraak en voorbede der gemeente en zegt ongeveer dit: wij, kerkeraadsfeden, hebben aan dien broeder gedaan wat wij konden, hebben hem vermaand, afgehouden van het avondmaal, maar tevergeefs; beproef gij, gemeente, nu met ons, wat gij kunt, vermaan hem en bid voor hem. Mocht ook die aanspraak en voorbede van heel de gemeente niet baten, dan zullen wij tot afsnijding overgaan. En deze kennisgeving is de kerkeraad nu verplicht aan de gemeente te doen, omdat de kerkeraad nooit iemand afsnijden mag, dan met, zij het dan ook, stilzwijgende bewilliging der gemeente. Niemand mag van de gemeente worden geëxcommuniceerd, dan nadat heel de gemeente beproefd heeft, hem terug te brengen en heel de gemeente de overtuiging heeft ontvangen: al het ons mogelijke is aan dien zondaar beproefd, er blijft geen ander middel over, om zijn geest te behouden, dan misschien nog dit eene: afsnijding van de gemeente des Heeren.

Zoo toegepast en ten uitvoer gelegd, is de kerkelijke tucht een onwaardeerbaar geschenk, door den Heer aan Zijne gemeente gegeven. Vooral de wijze, waarop ze in de gereformeerde kerken geoefend moet worden, lokt aan

|491|

en bekoort door de gematigdheid en kalmte, waarmee ze bediend wordt. Treffend komt er in uit, dat de tucht niet ten doel heeft, om te verderven, maar om te behouden; dat men niet aflaten moet om tijdig en ontijdig, op hoop tegen hoop, onvermoeid en nooit wanhopend aan redding, den zondaar te vermanen en te bekeeren van de dwaling zijns wegs. Het is te hopen, dat voortaan onze uitoefening der tucht wat meer Dordtsch moge zijn.

Kampen.

H. Bavinck.