8
7,321-335
01-07-1882

Later opgenomen in Kennis en Leven, 68-77.

|321|

Synodale Kerkinrichting.

 

Onze Kerk staat weer op het punt, om eene Synode te houden, die belooft in vele opzichten belangrijk te zullen worden. Het kan nuttig zijn, om vooral van het recht en de nuttigheid van Synodale vergaderingen zich eenigszins rekenschap te geven.

De Presbyteriaal-synodale Kerkinrichting is in de democratische Eeuw, waarin wij leven, in achting zeer toegenomen en heeft veler sympathie gewonnen. Ze was waarlijk, gelijk men weet, eene schepping van Calvijn. Ook Luther erkende en sprak uit de priesterschap aller geloovigen, en leerde, dat de macht der sleutelen was gegeven aan de gemeente; maar door de eigenaardige Duitsche toestanden werd toch met Luthers toestemming en medewerking de episcopale (consistoriale) Kerkvorm ingevoerd en het „cujus regio, ejus religio” in toepassing gebracht. Luther durfde de rechten der gemeente niet aan de gemeente toevertrouwen en schonk ze de Overheid 1).

Zwingli was fel gekant tegen alle hierarchie; zeide in theorie, dat alle macht der gemeente was gegeven, maar droeg die, met stilzwijgende toestemming der gemeente, op aan de Overheid, indien deze althans Christelijk ware.

De Overheid oefent de rechten der gemeente uit, in


1) Lechler, Geschichte der Presbyterial- und Synodalverfassung, S. 8.

|322|

naam der gemeente. Kerk en Staat, theoretisch onderscheiden, worden in de praktijk vermengd 1).

Calvijn was de eerste, die den presbyterialen kerkvorm helder doorzag en in toepassing bracht. Het gezag der H. Schrift, het voorbeeld der oudste Christelijke Kerk, de practische wijsheid van zijnen geest en de vrees voor hierarchie deden hem dezen kerkvorm erkennen als de zuiverste inrichting en huishouding voor Jezus’ gemeente op aarde.

De gemeente is bezitster der kerkelijke macht en oefent die uit door het presbyterie. Oudsten moeten mede de tucht oefenen, opdat er geen priesterheerschappij of dominocratie opkome. In Geneve voerde Calvijn dan ook een geestelijk Kerkbestuur in, dat, wezenlijk van de Overheid verschillend, bestond uit oudsten en leeraars.

Calvijns kerkinrichting wortelt in de gemeenteleden zelven. Van Synoden spreekt echter Calvijn niet. Wel voerde hij evenals Zwingli Synoden in, waar de leeraars samenkwamen. Maar gemengde Synoden, bestaande uit leeraars en ouderlingen, schijnt hij kerkrechtelijk in zijn tijd niet voor noodig gehouden te hebben 2).

De eerste gereformeerde Synode werd gehouden door de Fransche Hugenoten te Parijs 26 Mei 1559.

In den druk en de vervolging, waaraan zij blootstonden, voelden zij te meer behoefte aan eenheid en samenwerking. De gemeenten namen toe, waren presbyterisch ingericht, maar hadden, om twist en scheuring te voorkomen, eene zelfde, allen bindende, geloofsbelijdenis en tucht dringend noodig.


1) Lechler, S. 21. Zie ook, desverkiezende, mijne dissertatie: de Ethiek van Zwingli, bl. 164.
2) Lechler, S. 39.

|323|

Deze Synode, samengesteld uit afgevaardigden van de enkele gemeenten, voerde ook provinciale Kerkvergaderingen in. In 1565 werd besloten, de nationale Synoden zich te laten vormen uit afgevaardigden van de prov. vergaderingen. In 1572 werd tusschen den kerkeraad der enkele gemeente en de provinciale Synode nog een tusschenlid gevoegd nl. het „colloque” of de classicale vergadering 1). Daarmede was de Kerkinrichting, zooals wij die thans nog kennen, voltooid; ze had zich echter gevormd, niet als wij denken zouden, van beneden naar boven; maar omgekeerd van boven naar beneden, eerst nationale, toen provinciale, toen classicale vergaderingen. Men was zich het nut van zulke kerkelijke vergaderingen zeer goed bewust. Les Eglises — lezen wij in eene aanhaling bij Henry 2) — doivent entendre, que les Assemblées Ecclesiastiques des colloques, Synodes provinciaux et nationaux sont les liens et les appuis de la concorde et de l’union contre les schismes, les hérésies et les autres inconvéniens.

De leer en Kerkinrichting van Calvijn drong sedert 1550 over de Fransche Hugenoten ook in de Zuidelijke Nederlanden door. De eerste Synoden, van welke wij weten — den 26sten April 1563 werden er drie op denzelfden dag gehouden, te Teurs (?), Tournay en Armentières — onderstellen al geconstitueerde gemeenten met ouderlingen en diakenen. Of aan deze Synoden nog andere voorafgegaan zijn, is ons onbekend 3). De Waalsche Kerk in Zuid-Nederland is de stam, waarop de Gereformeerde


1) Lechler, S. 69. Félice, Histoire des Protestants de France, 1880, p. 82-87.
2) Henry, Das Leben Calvins, II. S. 121.
3) Hooyer, Oude Kerkordeningen bl. 3. N.C. Kist, in Ned. Archief voor Kerkelijke Geschiedenis IX bladz. 115 volg.

|324|

Kerk in deze landen geënt is. Van haar hebben wij de belijdenis en de beginselen der Kerkorde overgenomen.

Vanwege de vervolging moesten de Hervormden het land verlaten en uitwijken naar Londen, Frankendaal, Emden en Wezel. In Kleefsland was het Evangelie al vroeg verkondigd en kreeg er sedert 1567 vrijen loop. Daar vluchtten velen heen en hielden er in het volgende jaar de eerste Synode.

Op die Synode te Wezel werd reeds de grondslag gelegd van heel de Synodaal-presbyteriale kerkinrichting hier te lande. Alle twee of drie maanden zouden er classicale, alle half jaar provinciale, alle jaar nationale vergaderingen gehouden worden (Handelingen VIII, 19). Drie jaren later werd het werk, te Wezel aangevangen, op de Synode te Emden voortgezet (Art. 7-11).

Door de inneming van den Briel kwam in 1572 hier te lande een keer in de zaken. Vele Hervormden keerden uit hunne wijkplaatsen terug. Van nu af aan werden de Synoden dan ook gehouden op vaderlandschen grond. In 1574 kwam er al eene Synode te Dordrecht samen van de gemeenten in Holland en Zeeland.

Sedert begon de strijd tusschen de Kerkelijken en de Politieken. Genen vochten voor de autonomie en onafhankelijkheid der Kerk, voor de presbyterial kerkorde en kerkregeering; dezen voor de suprematie der Overheid in kerkelijke zaken.

De volgende Synoden van 1578 en 1586 trachtten wel op den gelegden grondslag voort te bouwen; maar de Synode, na langen en krachtigen aandrang eindelijk door de Staten te Dordrecht in 1618 uitgeschreven, zag zich toch in de Kerkorde tot enkele concessiën (art. 4, 5, 28, 37) aan de Politieken genoodzaakt. In weerwil daarvan werd

|325|

de Kerkorde door de Staten van Holland niet aangenomen; ze lieten alles bij het oude. Evenzoo ging het in Friesland, Zeeland en Drenthe. Van Groningen en Overijsel is het onzeker. Utrecht en Gelderland namen ze aan met kleine wijzigingen.

Wat men gewild had — ééne Nederlandsche Hervormde Kerk met eene geautoriseerde Kerkorde, en nationale Synoden om de drie jaar, was niet verkregen. Van 1619 tot 1795 bleven er in het kerkelijke zoowel als in het staatkundige zeven kleine republieken.

De Synode van 1816 was met de beginselen van gereformeerd kerkrecht in lijnrechten strijd. Eerst onze Kerk paste het Synodaal-presbyteriale stelsel volledig toe.

Voordat wij nu op de voordeelen van dat stelsel letten moeten wij nog met enkele trekken het Independentisme schetsen, waartoe zich dat stelsel in Engeland ontwikkeld heeft.

De Reformatie drong in Engeland tot het volk door niet in 16de maar in de 17de eeuw. De Stuarts gingen uit van de theorie: „no bishop, no king”, en trachten daarom der kerk alle autonomie te ontnemen. De koning moest het Opperhoofd wezen in Kerk en Staat. Met alle kracht kwam daar het vrije Engelsche volk tegen op en voerde een strijd, die niet dan met de verdrijving der Stuarts eindigde. Het Presbyteriale stelsel echter, in Schotland inheemsch, wilde in Engeland niet tieren. Het Puritanisme werd aldaar door mannen als Browne, Johnson, Ainsworth, Robinson tot Independentisme ontwikkeld. De Independenten wilden niet slechts scheiding van Kerk en Staat, maar ook de autonomie van elke plaatselijke gemeente (congregation). Zij begeerden — zooals zij het zelven in eene petitie aan Jakob I in 1616 uitdrukten het recht „of spiritual administration and government in itself and

|326|

over itself by the common and free consent of the people, independently and immediately under Christ.” Of gelijk de edele Robinson het kortelijk aangaf in zijne Justification of Separation (1610): De Papisten leggen de macht der Kerk in den Paus; de Protestanten (Episcopalen) in den bisschop de Gereformeerden in het presbyterie; „but we put it into the body of the congregation, the multitude, called the Church” 1). Van eene landskerk willen zij dus niets weten; evenmin van eene „Katholieke” Kerk, die eerst verwezenlijkt wordt met de wederkomst van Christus.

Het Independentisme sluit echter niet uit — gelijk men verkeerdelijk wel eens meent — gemeenschap der gemeenten onderling; alleen ontkennen en verwerpen zij subordinatie der gemeente onder de classis, enz. en gezag der Synode over de particuliere kerken 2). Artikel 1 der bovenvermelde petitie aan Jakob I luidt dan ook: „we acknowledge, that on occasion there ought to be on earth a consociation of congregations or churches, but not a subordination or surely not a subjection of the congregations under any higher spiritual authority absolute, save only Christ’s and the Holy Scriptures” 3).

Den 19den Sept. 1658 hielden zij te Londen eene algemeene vergadering, waar 200 afgevaardigden uit 120 gemeenten de „Declaration of Faith and Order” samenstelden. In die zoogenoemde Savoy-belijdenis, welke in


1) Weingarten, die Revolutionskirchen Englands, S. 25. Vergelijk ook, wat Robinson zegt in zijne Apologia (1619): „coetum quemlibet particularem ex suis partibus constantem et immediate et independenter, quoad alias ecclesias, sub ipso Christo.” Ned. Archief voor Kerk. Geschiedenis, VIII, blz. 384.
2) Moor, Comment. in Marckii Comp. VI. p. 442.
3) Weingarten, S. 26, 343.

|327|

geloofsartikelen met de Westminstersche overeenstemt, leest men: „Iedere vergadering van zichtbare belijders, overeenkomende met malkander te wandelen in het geloof en volgens de ordre des Evangelies is eene volkomene Kerk, macht hebbende in zichzelve om alle kerkelijke ambtenaren te verkiezen en te verordenen, alle overtreders uit te sluiten en alle andere daden te doen tot stichting en welzijn der Kerke.” En verder: „zij verwerpen de macht van alle vastgestelde Synoden, classen, bijeenkomsten en vergaderingen der Godgeleerden over bijzondere kerken of gemeenten, maar erkennen, dat in gevallen van zwarigheid of verschil, rakende de leer of de ordre, de kerken door hare afgezondenen te samen mogen komen om raad te plegen, doch zonder eenige rechtsmacht te oefenen” 1).

Er is in het Independentisme veel, dat boeit en aantrekt. De belangwekkende geschiedenis, die het in Engeland doorleefd heeft, het heroïsme der belijders, de edele figuren van een Robinson, Milton, Cromwell, Bunjan, de grootschheid van hun ideaal, de strengheid van hun zeden, de vastheid van hun overtuiging en de kloekheid waarmede zij streden voor de autonomie der gemeente, voor de scheiding van Kerk en Staat, voor de vrijheid des gewetens nemen ons onwillekeurig voor de Independenten en voor hun stelsel in.

Toch kleven er aan hun kerkvorm zeer ernstige gebreken, waarvoor wij het oog niet mogen sluiten. De Independenten gaan altijd uit van de verkiezing. Lid eener gemeente mag slechts wezen, die waarlijk verkoren is en daarvan teeken en bewijs toont in leer en in leven.

Eene nationale, eene volkskerk is hun een onmogelijk


1) Neal, Historie der rechtzinnige Puriteinen, Tweede Deel, Tweede stuk, bl. 132.

|328|

begrip. Zij kennen slechts een complex van congregaties, zonder organisch verband. Verkoren te wezen, is het hoogste en heerlijkste. Wie dat is, heeft alles. Niemand, geen staat, geen overheid, geen mensch, wie ook, mag boven hem staan. Geen heerschappij mag er dus zijn van den een over, maar alleen met den ander. Het ambt valt dus weg. Gezag is er niet. Allen zijn gelijk. Een uitwendige band mag er dus niet wezen; evenmin eene vaststaande liturgie; alles moet vrij, van binnen uit zich ontwikkelen. Elk verkorene is independent van alle creatuur, dependent alleen van God.

Men voelt, waar dat op uitloopt. Op geheele miskenning van elk historisch en organisch verband. Iedere congregatie, ja eigenlijk elk lid staat los op zichzelf en is losgemaakt van allen historischen samenhang met degenen die voor hem waren en met hem zijn. De rijke, heerlijke gedachte van eene gemeenschap, van een organisme, waarin elk lid, zijne eigene plaats bekleedt, en het geheel gaat voor de deelen, is den Independenten vreemd. Waartoe dit geleid, heeft, heeft de historie geleerd. Tot kerkontbinding ter eener, en ter andere zijde tot een Baptisme, dat juist in het individualisme wortelt, en een Kwakerdom, dat ten slotte niet veel meer was dan een humanitair genootschap.

Het goede, dat wij in het Independentsche stelsel opmerken is echter ook in de Presbyteriaal-synodale Kerkinrichting aanwezig en mag nimmer door ons vergeten worden. Het komt hierop neer 1):

a. Elke particuliere Kerk is eene „Kerke Christi.” Ze wordt dat niet door classicaal en synodaal verband, maar is dat van huis uit, door Christus met gezag en macht


1) Verg. Voetius, Polit. Eccl. IV. p. 127, 128.

|329|

begiftigd. Daarom bepaalde ook de Synode te Parijs 1559 in art. 1, eveneens de Synode te Emden 1571 en de Synode te Dordrecht 1618/19 in art. 84: Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen eenige heerschappij voeren. Evenzoo spreekt de Nederl. Geloofsbel. art. 31, vooral toen daar voor 1582 nog gelezen werd: „ende daerom en heeft geen Kercke eenige macht noch heerschappie over de andere, om daerover te heerschen.”

b. Wijl eene particuliere Kerk zonder verbinding met naburige Kerken wel kan bestaan en blijven bestaan, moet correspondentie met andere gemeenten alleen gezocht worden, als het strekken kan tot bevordering van den bloei en wasdom der gemeente; of, als Voetius zegt, „ad melius esse, ad abundantiorem cautelam, ad plura et promptiora auxilia.”

c. Bij die verbinding blijft het bestuur der particuliere Kerk onveranderd; het wordt alleen gewijzigd in aard en graad van toepassing.

De Synodaal-presbyteriale kerkinrichting is dus niet volstrekt noodzakelijk, krachtens een Goddelijk bevel 1). Nergens lezen wij in het N. Test. dat eene particuliere gemeente verplicht is en geboden wordt, om eene andere gemeente op te zoeken en uitwendige gemeenschap met


1) Calvijn veroordeelde een anderen kerkvorm niet, gelijk blijkt uit een brief aan Sommerset, waarin hij den episcopalen kerkvorm erkent en uit een brief aan Sigismund II van Polen, waarin hij een kerkbestuur aanraadt, dat het episcopale met het presbyteriale element verbindt. Henry, Leben Calvins II. S. 138.
In de Westminster-vergadering, Juli 1643, werd 30 dagen lang tusschen Independenten en Presbyterianen gestreden over het Goddelijk recht der presbyt. Kerkinrichting. Zie: Neal, Historie der Puriteinen II S. bl. 185 volg. ➝

|330|

haar aan te knoopen. Het plechtig onderhouden van uiterlijke gemeenschap tusschen een meerder aantal van kerken, zegt Vitringa 1), is geene zaak van volstrekte noodzakelijkheid; het staat iedere kerk in het bizonder vrij, om zonder overleg met andere hare eigene plechtigheden en kerkgebruiken in te stellen en te verordenen.

In dit alles met de Independenten instemmende, blijven wij niettemin het goed recht en het groote nut van Synodale vergaderingen handhaven.

De Kerk heeft bedienende macht. Zij heeft het Woord haar toevertrouwd, te bewaren, te verklaren, te verdedigen. Zij moet waken voor de zuiverheid der leer, mag geene ketterij dulden en aan de leugen binnen haar erve niet gelijke rechten gunnen als aan de waarheid. Evenmin als een huisgezin en de maatschappij, kan de kerk bestaan zonder tucht. Zij moet, als het niet anders kan, het kwade, het kranke kunnen afsnijden. om alzoo de gezonde deelen te behouden.

Welnu, er komen geloofsverschillen. Dwalen is nog menschelijk. Ketterijen komen telkens weer op. Geduld kunnen deze niet. Een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet bestaan. Er moet dus uitspraak, beslissing komen. Raadgeving zooals de Independenten willen, is niet genoeg. Er moet recht gesproken; de een in het gelijk, de ander in het ongelijk gesteld worden. Dat kan, dat mag nu niet geschieden dan door de Synode, die de Kerk in haar geheel vertegenwoordigt. Dat recht heeft niet de Paus, noch


➝ In hoever wij van zulk Goddelijk recht kunnen spreken, is duidelijk aangetoond door H. de Cock, Gereformeerde Kerkregeering, bl. 11-19.
1) Redenvoering van Campegius Vitringa over de Synoden, derzelver nuttigheid, noodzaakelijkheid en gezag. Uit het Latijn door Idsinga. Harlingen, 1742. bl. 59.

|331|

de Overheid, maar alleen de Kerk zelve in haar hoogste en zuiverste vertegenwoordiging d.i. de Synode. Eene Synode dient dus juist, om vrede te maken. Zij maakt den twist, de scheuring niet. Die bestaat al, voordat zij uitspraak doet. Denk slechts aan de verdeeldheid, voor de Synode van Dordt. Zonder die Synode hadde de Hervormde Kerk zichzelve verteerd en ontbonden. Door de uitspraak der Synode, d.i. der Kerk zelve werden de vijandige elementen gescheiden, en kon elk van beide zich ontwikkelen op eigen terrein 1).

Sterker nog. Wat gemeenschappelijk eigendom is, moet ook gemeenschappelijk genoten, bewaard, verdedigd worden. Eene Kerk, die met eene andere een zelfde geloof belijdt, heeft dat eigendomsrecht dier andere Kerk te eerbiedigen. Dat wil zeggen, over de Gereformeerde belijdenis, die ’t heilig pand aller Geref. Kerken is, mag niet eene particuliere gemeente, mag zelfs geen nationale Kerk, maar moeten de Geref. Kerken alle samen op eene oecumenische, Gereformeerde Synode, uitspraak doen. Zoo hebben onze vaderen te Dordt het begrepen.

Deze alzoo onderhouden gemeenschap heeft onberekenbare waarde. Zij kweekt het sterkend bewustzijn, van met eene gansche Kerk eenzelfde heilig pand te bewaren en ongeschonden aan het nageslacht over te leveren. Zij stelt allen voor de volvoering van die taak solidair verantwoordelijk. Zij geeft der Kerk naar buiten eene eerbied-afdwingende, zedelijke macht. Zij bewaart elke particuliere gemeente voor afwijking en overheersching, voor sectarische neigingen en eenzijdige ontwikkeling 2).

Het is daarom ook eene onware gedachte, dat eene


1) Vitringa, bl. 62-64.
2) Voetius, Pol. Eccl. IV. p. 133.

|332|

gemeente, door te treden in classicaal en synodaal verband, iets afleggen zou van haar vrijheid, van haar macht en haar rechten. Elke gemeente is eene „Kerke Christi,” en ontvangt haar macht en gezag niet van eene classis of Synode, maar van Christus zelven. En die macht en dat gezag leggen de enkele gemeenten op classis en Synode niet af, maar zij oefenen ze daar juist uit in verbinding met andere gemeenten. De gezamenlijke gemeenten beraadslagen en besluiten daar samen. De Synode staat in dien zin niet boven de gemeenten, maar is het geheel der gemeenten; het lichaam der Kerk in haar vroedste en vroomste openbaring; op de edelste en heerlijkste wijze vertegenwoordigd. De Synode is dus aristocratisch, niet democratisch, gevormd; de kundigsten, de vroomsten der Kerk zijn daar aanwezig. De Synode zelve heeft geene macht, afgescheiden en onderscheiden van die der gemeenten. Zij ontvangt al haar macht van de gemeenten; deze brengen haar gezamenlijke macht en gezag samen op de Synode, en oefenen ze gemeenschappelijk uit. De enkele gemeente wordt dus niet onderworpen aan eene hoogere, buiten haar bestaande, vreemde macht, zooals het volk aan de overheid, de zoon aan den vader. De macht en het gezag der Synode is in wezen geene andere dan die der enkele gemeente, alleen versterkt door die der andere particuliere gemeenten. Matigt de Synode zich een macht en gezag aan, heterogeen aan dat der gemeente, dan is het niet slechts geoorloofd, maar plicht haar in het aangezicht te wederstaan 1).

Door deze opmerkingen zal het recht, de waarde en het gezag der Synoden eenigszins duidelijk geworden zijn. Toch blijven velen er tegen gekant. De uitspraak van


1) Voetius, IV 120, 141, 143, 229.

|333|

Gregorius van Nazianz, dat hij nooit van eenige Synode een goeden en gelukkigen uitslag had gezien, wordt nog door menigeen herhaald; Jes. 59: 5 wordt nog door velen voor een juiste beschrijving van de werkzaamheid der Synoden gehouden. En inderdaad, als men let op den partijhaat, de vleierij, de kuiperijen, de Staatsinvloeden en het gezag der Overheid, die dikwerf op de Synoden presideerden en aan de artikelen den doorslag gaven; let ook op de reeks van besluiten, door Synoden in flagranten strijd met de H. Schrift genomen, dan verwondert het niet, dat velen met afkeer van de Synoden bezield zijn en van niets dan „belijdende gemeenten” willen weten. Ook al wil men, van eenzijdigheid wars, daartegenover het oog niet sluiten voor het groote nut en den onmiskenbaren zegen van vele Synoden; ook al erkent men dat verwerping der Synoden een geneesmiddel ware, erger dan de kwaal; er blijft altijd veel over, dat afgekeurd moet worden en tot voorzichtigheid maant.

In problematische zaken, in wat niet duidelijk en klaar door de H. Schrift geleerd en door de analogie des geloofs geeischt wordt, neme daarom de Synode geen besluit, maar geve alleen raad en broederlijke vermaning. In leerpunten zij men vast, en dulde dwaling niet. Maar overigens zij er vrijheid van profeteeren, van uitleggen en verklaren; eerbiedige men het recht van den individu, van den enkelen geloovige, en kome de alzijdigheid der H. Schrift tot haar volle recht. Tot volkomen overeenstemming komen wij hier op aarde nooit. De Synode wachte zich dan ook, reeds bij het minste verschil ondervragingen en geloofsonderzoekingen in te stellen. Met Vitringa zeg ik: „ik staa de Christelijke vrijheid, in de gevoelens over den Godsdienst, die den grond des geloofs in zijn geheel en ongeschonden laaten, voor. Jaa ik agte

|334|

ook, dat de Grondleere des Geloofs door geen andere bepaalingen en leerstukken moet worden omschreven als door zoodaanige, die in de Goddelijke Schriften duidelijk zijn voorgeschreven en bepaald, en ten klaarsten gezien worden, tot het weezen der Christelijke Godsdienst te behooren” 1).

Het blijft vreemd, dat over artikelen des geloofs, over de leer der zaligheid door stemmen-meerderheid beslist worden moet, dat de helft plus één vaststelt wat leer der Kerk is. Dit kan niet anders. Maar men trachte toch, zulke pijnlijke gevallen te voorkomen, en zooveel mogelijk door liefderijk vermaan vooraf allen tot overeenstemming te brengen. Met alle heiligen trachte men steeds meer te kennen van de lengte en breedte, de diepte en hoogte der liefde van Christus.

In ritueele dingen, die de Kerkorde betreffen, zij men niet al te streng. Niet alles moet minutieus worden bepaald en vastgesteld. Veel moet geraden, aanbevolen; nog meer moet aan classis, provincie, particuliere gemeente overgelaten worden. Synodaal en Kerkelijk zijn twee. „Nulla lex — zegt Voetius 2) — est istius generis, quae non habeat aliquid iniqui, si ad singula facta sine exceptione applicetur; summum jus est summa injuria.”

Nooit mag worden vergeten, dat de ware band, die ons saam verbindt, zedelijk is van aard; het is de belijdenis des geloofs, niet de Kerkorde. Zij blijve ons heilig pand, ons gemeenschappelijk goed, en worde door geen tal van wetten en reglementen omzwachteld en onttrokken aan het oog. Het gevaar, om in onzen tijd alles te centraliseeren en alzoo de Kerk in een Kerkgenootschap van


1) bl. 70, 71.
2) IV. p. 223.

|335|

reglementen te doen overgaan is zoo groot, dat waarschuwing niet overbodig mag heeten.

Ook onze Kerk staat aan dat gevaar bloot. Wij zijn een bond van vrije gereformeerde Kerken — dat vergete men nooit! De autonomie der particuliere gemeenten moet dus zooveel mogelijk gehandhaafd worden. Men regele, codificeere niet alles. Er zij vrijheid, verscheidenheid; in de burgerlijke, zoo ook in de kerkelijke gemeente. Een Zeeuw is een ander dan een Fries, ook in het godsdienstige. Dat verschil worde niet uitgewischt; die rijkdom worde geeerbiedigd. Het is volstrekt geen vereischte dat in alle gemeenten alles op dezelfde leest geschoeid gij. Over de toepassing der kerkelijke tucht, over wat op Zondag al of niet geoorloofd is, over de viering van feestdagen en over zooveel andere zaken meer heerscht er in onze gemeenten belangrijk verschil. Welnu, dat blijve er! Onze Synode late dat alles vrij. Haar eer en haar roem is, niet om veel zaken in korten tijd af te doen, maar om, waar alles op centraliseering en codificeering bedacht is, de zelfverloochening te oefenen, om veel, zoo veel mogelijk, aan de lagere Kerkbesturen over te laten. Zij zij niet op uitbreiding, maar op zoo weinig mogelijke uitoefening van haar macht en gezag bedacht. Haar doel zij, de zelfstandigheid der gemeenten. Zij make zichzelve hoe langer zoo meer ontbeerlijk! Daardoor zal ze, tot handelen geroepen, juist haar gezag bevestigen, haar zedelijke kracht verhoogen, en te rijker zegen verspreiden.

Franeker.

H. Bavinck.