Bavinck, H.

Reformatie der Kerken

Genre: Bladartikel

|542|

Reformatie der Kerken.

 

Tractaat van de Reformatie der Kerken, aan de zonen der reformatie hier te lande op Luther’s vierde Eeuwfeest aangeboden door Dr. A. Kuyper, Amsterdam, Höveker en Zoon, 1883.

Het was eene schoone gedachte van den Hoogleeraar Kuyper, om op Luther’s vierde Eeuwfeest aan de zonen der reformatie hier te lande een Tractaat aan te bieden van de Reformatie der Kerken. Het wordt aangekondigd als een openlijk blijk van ongeveinsde hulde aan de nagedachtenis van den grooten Hervormer, die zeker niet het minst geëerd wordt door een tractaat, dat handelt over de reformatie dierzelfde kerken, wier reformatorisch leven in zijn kloek bestaan zijn oorsprong vond, en een bewijs tevens, dat de voorstelling geheel onjuist is, alsof Gereformeerden altijd bezield zouden zijn met kleingeestige enghartigheid en alleen oog en hart hebben voor wat gevonden wordt in hun eigen kring (voorrede, blz. XV, XVI). Het is bovendien een werk van studie, dat ons hier aangeboden wordt, en dat, hoewel duidelijk en als voor het volk geschreven, toch de sporen van diepgaand onderzoek op het voorhoofd, draagt. En de hooggeachte Schrijver heeft het zeker wel terecht voorzien, dat zijn werk, hoewel naar zijn eigen woord een flauw schaduwbeeld van wat een „handboek voor gereformeerd kerkrecht” behoort te zijn, toch in die richting vooreerst dienst zou doen. Met het oog daarop zou het dan ook te wenschen zijn, dat er van dit op zwaar oud-hollandsch papier en in perkamenten omslag verschenen Tractaat eene minder kostbare en meer handige uitgave het licht zag.

|543|

Het werk is verdeeld in vier hoofdstukken. Het eerste handelt over de algemeene beginselen, die het kerkelijk wezen beheerschen, over de rechte forme der kerk, over het vierderlei gezichtspunt, waaruit de ééne kerk kan beschouwd worden, over het Woord Gods als heel het leven der kerk beheerschend, over het Koningschap van Christus over de kerk, en over de wijze, waarop Christus dat Koningschap, behalve door Zijn Woord en Geest en wereldbestuur, in de kerk uitoefent door het ambt, dat, oorspronkelijk in het apostolaat één, straks in deze drie: leer-, regeer- en ambt der tafelen uiteenvalt. Het tweede hoofdstuk bespreekt de Formatie der kerken, en toont aan, hoe eene formatie der kerk in haar zichtbare verschijning tot stand komt, hoe het wezen van zulk eene zichtbare kerk alleen ligt in de onzichtbare, hoe elke plaatselijke kerk in zichzelve het wezen eener kerk heeft en uiterlijk verband met andere kerken alleen berusten kan op confoederatie. Verder wordt uiteengezet, dat het gezag eener zichtbare kerk alleen berust bij Christus, die het echter middellijk uitoefent door het ambt, en wel, essentieel door het ambt aller geloovigen, organisch door de dienaren. En nadat in eene schoone paragraaf de verschillende stelsels van kerkregeering besproken zijn en de eigenaardigheid van het Gereformeerde is aangewezen, wordt verder de aandacht gevestigd op het gezag en de beteekenis van elk der ambten afzonderlijk en op de inwendige regeling der kerk zelve en haar verband met andere kerken. In het derde hoofdstuk komt ter sprake de Deformatie der kerken, waarvan, nadat eerst de onvolkomene kerkformatie besproken is, de oorzaak en de verdere ontwikkelingsgang wordt aangewezen, zoodat eene eerst ware kerk allengs door allerlei stadiën van verbastering heen in eene valsche kerk kan overgaan.

|544|

Het vierde hoofdstuk, dat handelt over de Reformatie der kerken, willen wij, natuurlijk in verband met wat in de drie eerste hoofdstukken gezegd is, in dit opstel eenigszins breedvoerig bespreken. Het onderwerp, in dit laatste hoofdstuk behandeld, is op dit oogenblik voor ons het belangrijkste. Behalve toch, dat het objectief tracht aan te wijzen, hoe gedeformeerde kerken behooren gereformeerd te worden, heeft het ook een practisch doel, nl. om aan te wijzen, hoe de reformatie der Ned. Herv. kerken moet ter hand genomen worden, en tegelijk ook een apologetisch, nl. om het standpunt van Dr. Kuyper en de Gereformeerden in het Herv. kerkgenootschap te rechtvaardigen en met name tegenover de gescheidene kerken te verdedigen. Waardeerend is daarbij altijd de toon, waarop van de gescheidene kerken gesproken wordt; ook waar de Schrijver tegen het beginsel en standpunt der gescheidene broederen bezwaar heeft, brengt bij die bedenkingen op eer te zachte dan te harde wijze in; ik hoop, dat ook van onze zijde dat gegeven voorbeeld steeds nagevolgd zal worden, en zal trachten, in dit opstel daarin voor Dr. Kuyper niet onder te doen. Om allen schijn van subjectiviteit te ontgaan, willen wij eerst Dr. Kuyper’s gedachten over de Reformatie der kerken kortelijk, maar toch zoo objectief en zoo duidelijk als ons mogelijk is, hier uiteenzetten.

Reformatie in den ruimsten zin genomen, zoo zegt dan de Schrijver, is het brengen van waarheid en heiligheid in de plaats van leugen en zonde, en sluit dan alzoo ook in de doorgaande verlichting en den wasdom in heiligmaking. Toch wordt het woord gewoonlijk in enger zin genomen, in den zin van genezing van de wonden, herstelling uit ziektetoestanden. Reformatie onderstelt dus deformatie, d.i. niet een onvolkomenen vorm maar

|545|

bepaald misvorming, wangestalte. Deze reformatie in enger zin is echter weer drieërlei: en wel reveil genoemd als alleen de ingezonken kracht moet opgewekt; kerkherstel, als ingeslopen ziektestof moet uitgedreven; en reformatie in den engsten zin, als gewelddadige kunstbewerking moet aangewend worden. Nadat in § 52 is aangewezen, dat elke reformatie rechtstreeks God tot auteur heeft en hebben moet, worden deze drie soorten van reformatie na elkander en afzonderlijk besproken. § 53 handelt over reformatie door geestelijke opwekking, een onderwerp, dat we hier, als minder belangrijk voor ons doel, kunnen laten rusten. In de volgende § komt de tweede soort van reformatie ter sprake, n.l. die door geleidelijk kerkherstel. Verachtering in genade heeft n.l. meest ten gevolge vervalsching der leer en ontreddering van de kerkregeering. Dan moeten pogingen aangewend worden, om de kerk te herstellen. Want geleidelijk kerkherstel is volstrekt niet in den zin van „laten uitzieken” bedoeld. Treffend is de opmerking dat de medische weg niet staat tegenover den juridischen, maar tegenover den chirurgischen. Beteugeling van het kwaad door berisping, schorsing of afzetting van ontrouwe dienaren en leden, behoort nog evengoed tot de medische wijze van kerkherstel als de sterking van levenskracht door de prediking des Woords. Nu kan geleidelijk kerkherstel in opzichzelfstaande kerken alleen van de kerkeraden uitgaan, maar in kerken die in verband staan met andere, alleen van den kerkeraad onder medewerking van classis en Synode. Daardoor wordt de plicht tot kerkherstel bij leden enz. niet duurzaam opgeheven, maar wanneer dezen dit werk ter hand nemen, betreden zij niet den medischen maar den chirurgischen weg, die straks ter sprake komt. Wanneer nu de kerkeraad, beginnend met zuivere prediking des Woords

|546|

en met tuchtoefening gelijkelijk over leer en leven, daarbij geen tegenstand maar medewerking van classis en Synode ontmoet, dan blijft de medische weg bewandeld; en dan moet men langzaam en met voorzichtigheid op dien weg voortschrijden. Allen die in leer of leven afwijken moeten dan niet aanstonds afgezet, maar eerst herhaaldelijk vermaand worden, en alles eerst beproefd, om hen te winnen.

Maar in de meeste gevallen zal zulk een kerkeraad bij classis of Synode tegenstand ontmoeten. En dan moet de chirurgische weg betreden worden; deze mag echter nooit bewandeld, dan nadat alle andere wegen zijn afgeloopen en die van geleidelijk kerkherstel beproefd zij (bl. 140). Bij het inslaan van den chirurgischen weg, bij het ter hand nemen van reformatie dus in den engsten zin, wier algemeen karakter is: breuke met het bestaande, kan drieërlei gebeuren:

1°. Men kan als gemeente of als deel eener gemeente breken met de bestaande organisatie, en eene doleerende kerk oprichten, tot tijd en wijle de bestaande kerk en haar kerkverband weer van de dwaling gezuiverd en behouden wordt. Zoo deden de Gereformeerden ten tijde der Remonstranten. Op de Dordtsche Synode werd de breuke weer geheeld. Zulk eene reformatie is plicht voor elk lid, zoodra de organisatie der kerk u belet, God in uwe kerk gehoorzaam te zijn. Niets kan hem ook maar één oogenblik verontschuldigen, indien hij voortging ongehoorzaam te zijn (bl. 140).

2°. Het tweede geval, dat zich hier kan voordoen, bestaat in breuke met het kerkverband (§ 57). En dit kan weer tweeerlei zijn: men kan als gewone leden in conflict komen met den raad zijner eigen kerk, die het kerkverband tegenover hen handhaaft, en dan rust de verplichting op ons, om tot nieuwe organisatie in de kerk

|547|

over te gaan (bl. 150, 151). Of de kerkeraad komt zelf in conflict met het verband der geheele kerk, en maakt zich uit dat verband los, na zekerheid verkregen te hebben dat het bestaande kerkverband zich tegen de noodzakelijke reformatie zou verzetten (bl. 154-159). Van dezen aard nu, als reformatie door breuke met het bestaande kerkverband, waren de hervormingen van Luther in Wittenberg, van Zwingli in Zurich, van Calvijn in Genève enz. (bl. 136, 146.)

3°. De derde soort van reformatie in den engsten zin, door breuke met de bestaande kerk (§ 58), is de ernstigste van alle. Dan komt men toch voor de vraag te staan, of de eens ware kerk in de valsche is omgeslagen. Is nu eene kerk valsch, dan mag men er geen oogenblik in blijven, moet men er op staanden voet uit (bl. 160, 162). Toch lezen we eenige regels verder op bl. 162, dat Dr. K. wil aanwijzen in deze §, hoe iemand, die lid is van een valsch geworden kerk, in het werk der reformatie heeft te verkeeren, niet, hoe hij er dan heeft uit te loopen. En bl. 164 (verg. bl. 177) heet het: eerst na alle middelen tot reformatie te hebben uitgeput, zal hij de vraag voor zichzelven beslissen, of de bestaande kerk misschien reeds eene Synagoge des Satans is geworden. En dan, als hij die vraag met een ontzettend ja moet beantwoorden, dan moet hij uittreden, anderen daartoe bewegen en eene andere kerk tegenover die valsche oprichten 1). Tot deze


1) Bl. 166, 167 wordt echter nog eene restrictie gemaakt. Iemand kan n.l. van zijn kerkelijk lidmaatschap, een dienaar van zijn ambt ontzet zijn, omdat hij de kerk wilde reformeeren, zonder dat daaruit volgt, dat de kerk eene valsche is. Immers, een ingedrongen kerkverband kan dit doen, zonder dat de kerk zelve dit doet. Zoo iemand moet dan eerst afwachten of de kerkeraad zijner kerk het vonnis uitvoert en zoo ja, daarna eerst eene doleerende kerk oprichten en eerst, als dit hem belet wordt, eene eigen kerk stichten.

|548|

soort van reformatie behooren de Hervormingen in Parijs, Weenen, Polen, Italie; en de scheiding hier te lande in deze eeuw (bl. 134, 136.)

Bij de laatste soort van reformatie kwam de ware en valsche kerk ter sprake. In § 59 wordt daarom gehandeld over de onderscheiding van beide. Dr. K. verwerpt den subjectieven maatstaf, waarbij de ware kerk gezocht wordt in het geestelijk bestaan der leden en legt den objectieven, den Schriftuurlijken aan, waarbij de vraag deze is: of de kerk als kerk de goede belijdenis uitspreekt, en of in haar wandel als kerk de eerbied voor Gods Woord openbaar is. Dit kan alleen uitkomen in haar openlijke acten, in haar openlijk optreden, en brengt dus tot de vraag, of de Bediening van Woord en Sacrament zuiver is en de tucht geoefend wordt. Echter wordt hierbij opgemerkt, dat de tucht niet behoort tot het wezen, maar tot het welwezen der kerk, en dat er in deze kenteekenen graden zijn. Terwijl (bl. 176) er nadruk op gelegd wordt, dat de vraag nooit is, of ge eenig kerkgenootschap, maar uitsluitend of ge uw kerk zult verlaten. Elk heeft alleen te letten op zijn eigen kerk. De solidaire verantwoordelijkheid voor hetgeen elders geschiedt, komt voor rekening van den kerkeraad, niet van de enkele leden, en kan nooit aan mijn kerk het wezen van kerk ontnemen.

Op grond nu van deze overwegingen over de Reformatie der kerken wordt aan de Ned. Herv. kerken de volgende raad gegeven: Er is in deze kerken dringend hervorming noodig, welke beginnen moet met ootmoedige schuldbelijdenis en zich allereerst richt op eigen hart, leven, gezin en vandaar uit steeds in verder kring zich openbaart. Nu moeten echter de verschillende kerken onderscheiden worden in drieerlei soort:

a. Zulke kerken, waar nog tamelijk zuivere prediking

|549|

des Woords is en tamelijk zuivere bediening der Sacramenten. Dit zijn nog ware kerken, al zijn er ook vele misstanden in, als ontheiliging der Sacramenten, verwaarloozing der tucht, het verleenen van stemrecht aan de ongeloovigen en het staan in een valsch kerkverband. In deze kerken nu, zooals te Amsterdam, Rotterdam, Utrecht enz., door Dr. K. op 5 à 600 geschat, wordt aan de geloovigen voorgehouden, om de genademiddelen getrouwelijk te gebruiken, en „in geen enkel opzicht, ’t zij door onderwijs, huisbezoek, doop of prediking gemeenschap te oefenen met zoodanige leeraars of ambtsdragers in hun kerk, als den raad Gods weerstaan” (bl. 197, 201).

b. Zulke kerken, waar voor het oogenblik de goede bediening der genademiddelen ontbreekt, doch waar nog bidders zijn en nog hope wordt gekoesterd, dat op ’s Heeren tijd de Baalsdienst voor den dienst des Heeren zal wijken, zooals tal van kerken thans weer de goede bediening der genademiddelen genieten, die er twintig, dertig jaren lang van verstoken waren. Aan de geloovigen in deze kerken wordt geraden, om zonder verwijl eene doleerende kerk op te richten (bl. 197, 198, 201).

c. Zulke kerken, waar de bediening der genademiddelen week en geen hope op terugkeer kan gekoesterd worden, en ongeloof en bijgeloof heerschen. Deze kerken zijn gestorven. De geloovigen, die daar nog mochten zijn, worden vermaand, om eene eigen kerk op te richten of zich aan te sluiten aan de gescheiden kerk, die er mocht bestaan, mits deze de mogelijkheid van nieuw kerkverband met andere gereformeerde kerken openhield (bl. 198, 200).

Dienovereenkomstig valt ook het oordeel van Dr. Kuyper over de gescheidene kerken, d.i. over de Christ. Geref. Kerk aldus uit:

a. Men onderscheide bij de gescheiden broeders tusschen

|550|

de zoodanigen, die werden afgezet en hen, die zonder afgezet te zijn, eigener beweging de kerk verlieten. Voor den stap der eersten is zooveel te zeggen, dat Dr. K. zich niet gaarne aan hun gemeenschap zou onttrokken hebben. Maar het doen der laatsten kan z.i. een zacht protest niet ontgaan. Want men mag zijne kerk niet verlaten, tenzij ze eene Synagoge des Satans is. En dat zijn de Ned. Herv. Kerken op vele plaatsen nog niet (bl. 195,196).

b. de gescheiden kerken moeten beschouwd worden als doleerende kerken, die zich iets te zelfstandig georganiseerd hebben. Willen zij dat niet, dan moeten zij volhouden, dat de Ned. Herv. kerken alle valsche kerken of Synagogen des Satans zijn. Wat de godzaligen onder hen niet meer doen (bl. 199).

e. Het valsche collegiale denkbeeld, dat er bij de gescheiden kerken nog inzit, moet en zal ook voor meer gereformeerde denkbeelden wijken (bl. 199, 200, 203).

d. Zij hebben gemeenschap te onderhouden met andere doleerende kerken, die zulks verlangen (bl. 201, 203) en

e. zoodra de oorspronkelijke kerken weer hun vrijheid van handelen herwonnen hebben, moeten zij met deze samensmelten tot ééne plaatselijke kerk (bl. 203).

 

Tegen deze denkbeelden van Dr. K. over de Reformatie der kerken hebben wij eenige ernstige bedenkingen. Om eene goede orde van behandeling te verkrijgen, wijzen wij eerst aan, wat er naar ons oordeel min juist is in de beschouwing, door Dr. K. over reformatie der kerken voorgedragen, om dan de vraag te beantwoorden, hoe naar onze meening de Ned. Herv. en eindelijk, hoe de Christ. Geref. kerken in dit land beschouwd moeten worden.

1. Wat dan de reformatie der kerken betreft — eene

|551|

eerste bedenking heb ik tegen de wijze, waarop Dr. K. zich het kerkverband voorstelt. Wij zijn met hem eenstemmig, als hij zegt, dat elke plaatselijke kerk is eene openbaring van ’t lichaam van Christus, haar wezen niet van de algemeene kerken of van het kerkverband ontvangt, geen compartiment is van het kerkgenootschap, maar dat dit eerst ontstaat door de vrije confoederatie der verschillende locale kerken. Maar heel het Tractaat toont, dat Dr. K. op die zelfstandigheid der locale kerken, welke wij op zichzelve geheel toestemmen, eenzijdig den nadruk legt en daartegenover de kracht en de beteekenis van het kerkverband niet tot haar recht laat komen. Wel zegt Dr. K. bl. 77, dat eene locale, kerk niet op zichzelve mag blijven staan, wijl zij slechts eene openbaring van de kerken Christi op ééne enkele plaats is, dat zij dus verplicht is tot correspondentie met andere kerken van dezelfde belijdenis, wel erkent hij bl. 48, dat het locale uitgangspunt aan de grootsche heerlijke gedachte van de eenheid geen af breuk mag doen, en geeft hij bl. 148 zelfs toe, dat het kerkverband noodzakelijk, en goede kerken door den drang des levens en der liefde hier vanzelf toe komen zullen Maar met dat al wordt dat verband niet in zijn volle kracht en beteekenis opgevat. Ook in dezen arbeid straalt overal dat beeld door, hetwelk Dr. K. eens in zijn geschrift: Welke zijn de vooruitzichten van de studenten der Vrije Universiteit gebezigd heeft, n.l. dat het kerkverband gelijk is aan een net, dat gespannen is over den kerseboom (aldaar bl. 31, 32.) Volgens den Schrijver zijn de plaatselijke kerken, althans vele, nog wel gaaf en zuiver, maar ze worden onderdrukt, ze kunnen zich niet openbaren gelijk zij wel willen, zij liggen nog onder de beklemming van een haar opgelegd genootschap (aldaar bl. 24). Zeker zal ons tegengevoerd worden, dat dat beeld alleen gebruikt

|552|

is van het kerkverband, gelijk het historisch in het Ned. Herv. kerkgenootschap bestaat. Maar ook van dat kerkverband is de vergelijking ongelukkig gekozen. Want de organisatie van 1816 is niet opgedrongen en had niet opgedrongen kunnen worden, wanneer de kerken geweest waren, wat zij hadden moeten zijn, d.i. gaaf en zuiver. Haar eigen ingezonken toestanden maakten het invoeren van die organisatie mogelijk. Wij kunnen dan ook met Dr. K. niet instemmen, als hij bl. 176 zegt, dat een lid volstrekt niet heeft te letten op wat elders plaats grijpt, maar alleen op zijn eigen kerk, en dat de solidaire verantwoordelijkheid voor wat elders geschiedt voor rekening komt van den kerkeraad, niet van de enkele leden. Zeker komt die verantwoordelijkheid allereerst voor rekening van den kerkeraad, maar wanneer die kerkeraad voortgaat met een ongerechtig kerkverband aan te houden, dan rust de verplichting op de gemeente, om dien kerkeraad zelf op zijn plicht te wijzen en desnoods andere raadsleden in hun plaats te verkiezen. De kerkeraad staat immers niet los boven, maar wortelt geheel en al in de gemeente. Ook kan het mijne instemming niet verwerven, als ter zelfde plaatse gelezen wordt, dat die genoemde solidaire verantwoordelijkheid nooit aan mijn kerk het wezen van kerk kan ontnemen. Wanneer bedoeld wordt: potentieel, dan is er geen bezwaar tegen deze uitdrukking. Een kerkverband, en alwat elders plaats grijpt, kan nooit maken, dat wedergeborenen geen wedergeborenen zijn; en zoolang in eene locale kerk kinderen Gods zijn, zoolang is er potentieel eene kerk, zoolang behouden deze het vermogen in zich om de kerk te reformeeren of op nieuw te formeeren (bl. 31, 32). Maar dat wil allerminst zeggen, dat elke kerk, hoe ontredderd ook, nochtans kerk zou blijven, zoolang er kinderen Gods in haar zijn (bl. 31). Het kerkverband kan wel ter dege

|553|

aan eene plaatselijke kerk actueel bet wezen eener kerk als kerk ontnemen, naar den maatstaf gemeten, dien Dr. K zelf ons aan de hand doet (bl. 171). Zoo in Rome. Zoo ook in ’t Ned. Herv. kerkgenootschap, waar het kerkverband aan vele plaatselijke kerken het wezen der kerk als kerk, objectief, ontneemt. Neen, Dr. K. zegt het zelf bl. 148 veel beter, een kerkverband bindt. Kerken in zulk een verband levende zijn niet meer vrij in hun beweging. Ze leven onder gemeenschappelijke regelen en staan onder de macht van gemeenschappelijke geconditioneerde vergaderingen in classis en synode. En zoo machtig is in ’t Ned. Herv. Kerkgenootschap dat kerkverband, dat men nu tot in 1883 toe den moed en de zedelijke kracht heeft gemist, om „dat net van den kerseboom” aftenemen; ja zoo machtig, dat rechtzinnige Kerkeraden moeten toestaan, dat de leugen in hun plaatselijke kerk gelijk recht heeft als de waarheid, de sacramenten worden ontheiligd, de tucht wordt verwaarloosd en in één woord aan de reglementen feitelijk en objectief meer gezag moeten toekennen dan aan het Woord Gods, en alzoo het wezen hunner kerk als kerk zich laten ontnemen.

Calvijn was dan ook van een eenigszins ander gevoelen 1). Wat heeft bij een nadruk op den vrede en de eenheid aller Evangelische kerken gelegd! Het is misschien wel wat sterk uitgedrukt, als Stähelin zegt: Wohl noch verschiedene Abtheilungen der Kirche sollte es geben — nach Sprache und Nationalität und politischen Verhältnissen gegliedert aber nicht mehr verschiedene Kirchen; jeder evangelische Christ sollte durch die ganze reformirte Welt hin als ein vollberechtigtes Glied der Gemeinde


1) Stähelin, Johannes Calvin. I s. 206-208, 248, 249. II s. 66, 67, 165, 198 f.

|554|

anerkannt sein und an Allem Theil haben, was sie biete 1). Maar het is bekend, hoe hij voor de eenheid en overeenstemming aller kerken gearbeid heeft; elk element, dat die eenheid kon storen, zocht te verwijderen; ter wille van haar, kerkelijke inrichtingen en gebruiken, die niet direct streden tegen de H. Schrift, geduld heeft. Calvijn heeft het begrepen en trachten te verwezenlijken, dat alle leden en dus alle kerken één zijn in Christus, en zijn lichaam zijn ingelijfd.

Onze vaderen traden in dat voetspoor. Hoeveel moeite zij gedaan hebben, om niet alleen te verkrijgen eene gemeenschappelijke belijdenis, maar ook „een ghemeene kercken-ordeninghe, waer na alle Nederlantsche kercken souden eenpaerlijc werden gheregiert”, is bekend. Men zocht er een middel in, om de verschillende kerken nader aan elkander te verbinden. Op de Dordtsche Synode werd zulk eene kerkorde opgesteld. De Staten-Generaal zouden verzocht worden, ze in al de Nederlandsche kerken kracht van wet te verleenen. Aan dat verzoek werd niet voldaan, De door de Gereformeerden vurig gewenschte eenheid


1) Ibid. II s. 203. Eéne aanhaling zij me vergund, uit de Praefatio voor den Catech. Genev. gericht aan den Coetus van Oostfriesland (1545): Quum huc modis omnibus eniti nos conveniat, ut inter nos reluceat illa, quae tantopere a Paulo commendatur, fidei unitas; ad hunc certe finem potissimum solennis fidei professio, quae Baptismo communi annexa est, debebat referri. Proinde hic non perpetuum modo inter omnes consensum in pietatis doctrina constare, sed unam quoque Ecclesiis omnibus esse catechismi formam optandum esset. Verum, quis multas ob causas vix unquam id poterit obtineri, quin suam quaeque Ecclesia propriam habeat, non est vehementius pugnandum: modo tamen ea sit in docendi modo varietas, qua ad unum Christum dirigamur omnes, cujus veritate inter nos copulati, sic in unum corpus coalescamus unumque spiritum, ut eodem simul ore, quaecunque ad fidei summam spectant, praedicemus. enz. Opera omnia, ed. Amst. VIII p. 11.

|555|

aller kerken werd niet verkregen. Maar het bewijs ligt er, dat die eenheid toch ernstig begeerd werd.

Nu weet ik wel, dat Dr. K. dit alles toestemmen zal. Maar het licht, dat hij op het kerkverband vallen laat, is toch veel zwakker dan met name bij Calvijn. Tegenover den nadruk, door hem, en terecht op de locale kerk gelegd komt de eenheid en solidariteit aller kerken niet genoeg tot haar recht. Evenmin als eene plaatselijke kerk ontstaat of bestaat door haar verband met andere kerken, evenmin is zij op zichzelve zonder die andere volkomen en goed, zij is eene cel slechts in het organisme der gemeente van Christus.

b. Eene andere bedenking is deze: Dr. K. schijnt met Dr. Rutgers 1) van oordeel te zijn, dat reformatie moet geschieden naar een te voren goed overlegd plan. In de Inleiding, blz. 21, lezen wij toch: In Luther’s dagen stak men niet onbedacht de hand uit tot slooping van wat onherstelbaar vermolmd was. Aan Luther’s optreden was eene langdurige en ernstige bestudeering van het kerkrecht voorafgegaan. Dr. Rutgers zegt ter aangehaalde plaatse: om te kunnen reformeeren, moesten eerst tal van vragen beantwoord zijn, wat de kerk was, wat haar wezen, kenmerken, gezag, verband enz. Er is hier zeker veel waars in, en toch . . . er is in deze voorstelling iets, dat mij niet bevallen wil. Het wordt voorgesteld, alsof de Hervormers eerst lang en breed over allerlei kwesties van reformatie hebben nagedacht, een plan zich hebben ontworpen en daarna aan het uitvoeren zijn gegaan. Hun geloofsdaad wordt omgezet in eene verstandsberekening. Het onmiddellijk, het heroïeke van hun daad, de impulsie des geloofs, der gehoorzaamheid aan God wordt er uit


1) Het Kerkverband der Ned. Geref. Kerken enz. bl. 6-9.

|556|

weggenomen, Ik weet wel, dat hun optreden als Hervormer bij Luther en Zwingli en Calvijn lang en ernstig aan de hand van Schrift en geweten is overwogen; ’t heeft hun strijd, worsteling der ziele, overlegging gekost, om tot dien stap te komen, de „ecclesiae reverentia” hield hen allen lang terug. En daardoor zijn ze ons juist te liever; hun daad wordt er te meer eene daad des geloofs door. Maar toen zij dan ook geloofden, toen spraken, toen handelden zij, zeker met overleg, met voorzichtigheid, met wijsheid; maar zij hebben, en dat is mijne bedoeling, hunne gehoorzaamheid aan God nooit opgeschort met de opmerking, dat zij eerst klaar moesten zijn met de kwesties van het kerkrecht.

Nu is mijne bewering hiermee volstrekt niet, alsof de geref. broederen in ’t Ned. Herv. kerkgenootschap dit met opzet en met bewustheid wèl doen. Ik geloof van harte, dat ook deze bestudeering van het kerkrecht bij hen voortkomt uit den innigen en vurigen wensch, om ook in het werk der reformatie te handelen overeenkomstig Gods Woord en de geref. beginselen. Maar is het werkelijk zoo moeielijk, om in dezen te handelen en de hand aan de ploeg te slaan? Gelukkig, dat de gemeente niet hoeft te wachten op de oplossing van theologische en kerkrechtelijke kwestiën. Waar men de overtuiging heeft — en die overtuiging is immers op menig punt al lang gevestigd — dat iets in strijd is met Gods Woord, is het m.i. het beste, om maar terstond gehoorzaam te zijn, ook al is men op vele andere punten met zijn oordeel nog niet gereed, het overige overlatend aan Hem, die ons in de ure dat wij het noodig hebben, zal geven te spreken en te handelen. Ook bij het best overlegde plan zal de uitvoering toch onvolmaakt blijven; niemand zal alles, wat de Hervormers gedaan hebben, goedkeuren en in overeenstemming achten met de H. Schrift.

|557|

c. Wij komen thans toe aan het plan van reformatie, gelijk Dr. K. dat ontwerpt. Van reformatie door geestelijke opwekking (§ 53) spreken wij hier niet; wij zijn daarin met den Schrijver geheel eenstemmig. Maar wanneer de krankheid niet alleen gelegen is in verachtering in genade maar ook in de leer en de kerkregeering, dan moet een andere weg (echter ook nog de medische) ingeslagen worden, n.l. die van reformatie door geleidelijk kerkherstel. (§ 54.) Nu zegt Dr. K. terecht, dat deze medische weg betreden moet worden vóór den chirurgischen, en dat men dezen laatsten nooit bewandelen mag, dan nadat alle andere wegen zijn afgeloopen (blz. 140).

Geleidelijk kerkherstel kan echter alleen uitgaan van de kerkeraden. Alwat enkele dienaren of ook leden der kerk ten dezen willen doorzetten, heft juist het geleidelijk karakter van het kerkherstel op en brengt die op de chirurgische lijn. Wanneer nu de chirurgische weg eerst bewandeld mag worden na den medischen, en de medische alleen betreden mag worden door kerkeraden, dan zou kunnen schijnen dat daaruit volgde, dat gewone leden, zoolang de kerkeraden het werk niet hebben aangevat, tot lijdelijk berusten en stilzitten werden genoodzaakt. Toch kan dat de bedoeling niet zijn. Duurzaam mogen leden, dienaren enz. zich van den plicht tot kerkherstel niet laten afhouden. Maar geleidelijk kerkherstel moet vooraf begeerd, gezocht, afgebeden zijn, en eerst als de Kerkelijke vergaderingen, van wie dit geleidelijk kerkherstel alleen kan uitgaan, volstandig, uit beginsel en hardnekkig de ongeoorloofde kerkelijke organisatie handhaven, eerst dan is, maar dan ook gewisselijk, het oogenblik gekomen, waarop de chirurgische methode van kerkherstel moet worden aangewend 1) (bl. 140, 141).


1) Dit is echter zoo rekkelijk voorgesteld, dat het lijdelijk wachten ➝

|558|

Tot dusver loopt alles zuiver. Maar bij de drie soorten van reformatie in den engsten zin, welke Dr. K. onderscheidt, doen zich voor mij een tweetal moeilijkheden voor. De eerste is deze: het is mij niet duidelijk geworden, of deze drie soorten van reformatie op elkander volgen, zoodat de derde niet zou mogen ondernomen worden dan na de eerste en tweede, gelijk men uit de eerste zinnen van § 58 misschien zou kunnen opmaken. Daar lezen we: ernstig is reeds de roeping van Gods kind, als hij komen moet tot breuke met de bestaande organisatie, nog ernstiger als het ook tot breuke komen moet met het verband der kerk, en nog onvergelijkelijk veel ernstiger als het toekomt aan de breuke met de kerk zelve 1). Dat kan echter, naar mij toeschijnt, de meening niet zijn. Deze tweede soort van reformatie toch is, gelijk blz. 135 aangewezen wordt, een gemengd geval, dat dus niet op zichzelf staat, maar inzoover het breuke is met de bestaande organisatie, valt onder de eerste, en inzoover het een nieuw kerkverband sticht, valt onder de derde categorie. Maar dat daargelaten, tot deze tweede soort van reformatie worden de hervormingen gerekend van Luther in Wittenberg, Zwingli in Zurich, Calvijn in Genève. Nu komt het mij bezwaarlijk voor, deze reformatiën alleen aan te duiden als breuke met het bestaande kerkverband. Die hervormingen betroffen toch de geheele organisatie der plaatselijke kerk, de leer en het leven, waren hervormingen in hoofd en in leden van zulk eene kerk, en stichtten dus m.i. niet slechts een nieuw kerkverband, maar ook


➝ des geloovigen in het Ned. H. Genootschap tot op den huidigen dag toe en tot op langen tijd daarmede schijnbaar gerechtvaardigd kan worden. In strijd m.i. met wat te lezen staat op bladz. 140 (zie boven).
1) Vergelijk ook bl. 136: tusschen deze drie categorieën bestaat een klimming van minder tot meerder in de breuke.

|559|

eene nieuwe kerk. Ik zou niet durven beweren, dat er b.v. vóór Zwingli’s optreden in Zurich geen kinderen Gods waren, en dat er dus potentieel geen kerke Christi was, maar dat zij er actueel was, is toch moeilijk vol te houden, wanneer men met onze Geloofsbelijdenis die kerk eene valsche acht, welke eigen ordonnantiën boven Gods Woord stelt enz. Dr. K. zal misschien antwoorden, indien ik dien zin op blz. 197 goed heb begrepen, dat onze vaderen er geen oogenblik aan gedacht hebben om hun plaatselijke kerk (wel Rome) als valsche kerk op te geven. Hij houde het mij ten goede, dat ik die bewering niet voor mijne rekening kan nemen. Zeker, wanneer de plaatselijke kerk zich liet reformeeren, kwamen zij niet voor de vraag te staan, of deze eene valsche kerk was; deze werd dan meteen eene gezuiverde; maar of zij plaatselijke kerken van Rome, natuurlijk altijd inzoover zij Roomsch en Paapsch waren niet valsch noemden, ik durf het bevestigen noch ontkennen. Dat verder in Zurich de meerderheid hervormd werd en dus in de kerk bleef, terwijl de roomsche minderheid uitwijken moest, en in andere plaatsen het omgekeerde plaats had, was om zoo te spreken toevallig en hing van bijomstandigheden af; het karakter en de aard der reformatie werd daardoor niet veranderd, zij vormt geen eigen op zichzelf staand geval.

Op zichzelve kon dit nu onschuldig schijnen, wanneer uit deze beschouwing door Dr. K. niet afgeleid werd, dat de derde soort van reformatie een „onvergelijkelijk veel ernstiger” karakter draagt dan de tweede. Ik kan niet zien, dat de reformatiën in Frankrijk, Polen, Italië en op vele andere plaatsen zooveel ernstiger zijn dan die in Wittenberg, Zurich, Genève, Amsterdam enz., en dus ook niet, dat ze in ernst en gewicht overtroffen worden door de Uittreding, welke in deze eeuw hier en in andere landen

|560|

plaats heeft gehad, zoodat m.a.w. deze daad nog langer en dieper overwogen had moeten worden en daartoe nog meer geloof werd vereischt, dan tot de reformatorische daden van Luther en Zwingli. Ik wil volstrekt niet ontkennen, dat de uittreding uit eene kerk van ontzachlijken ernst is en nooit lichtvaardig mag geschieden. Maar de koord dunkt mij hier toch te strak gespannen. Als bl. 159 dus gezegd wordt: bij breuke met het kerkverband kwam de geloovige nog nooit voor de quaestie te staan, of de eens ware kerk ook wellicht ongemerkt in de valsche kerk was omgeslagen; hij zag dan dat de bestuursregeling in zijn kerk niet naar den eisch van Gods Woord was enz. ... maar zijn kerk zelve bleef hem nog altoos de kerke Christi —, dan plaats ik met het oog op Zwingli, Calvijn enz. achter deze laatste woorden een vraagteeken. En wat er volgt: aan uittreden dacht hij dus niet, verander ik in: aan uittreden behoefden Zwingli, Calvijn enz. niet te denken, omdat de plaatselijke kerken zich door hen lieten reformeeren en met hen uittraden uit het Roomsche kerkverband. Maar een uittreden was het, evengoed als in Parijs, alleen met dit onderscheid, dat men uittrad in grooter getale en dus kerken enz. behield.

De tweede moeilijkheid, die zich mij bij deze drie soorten van reformatie voordoet, is deze: Dr. K. schijnt van meening te zijn, dat in elk geval de derde categorie van reformatie niet aan de orde komt dan na de eerste, dat dus eene eigen kerk naast de bestaande eerst dan mag worden opgericht, wanneer men, uitgeworpen zijnde, eerst beproefd heeft een doleerende kerk op te richten en daarin belet is. Ik maak dat op uit de restrictie, die gelezen wordt op bl. 166, 167, en bovendien daaruit, dat Dr. K. onze Christ. Geref. Kerk wil beschouwen als doleerende Kerken en ze wat al te zelfstandig georganiseerd acht.

|561|

Dit kan ik niet toestemmen, wijl een speciaal geval hier ten algemeenen regel gesteld wordt. Waarom richtten toch de Gereformeerden in den tijd der Remonstranten doleerende Kerken op? De Gereformeerden verlangden eene Generale Synode. Men wist, indien die er maar kwam, waren de Remonstranten spoedig veroordeeld en uit de Kerken gebannen. Maar die Synode kwam niet. Toen hebben de Gereformeerden, geen gemeenschap durvende of willende houden met bestrijders van de fundamenteele waarheden, op die plaatsen, waar de prediking enz. in handen der Remonstranten was, zich provisioneel van hen afgescheiden en doleerende Kerken, gelegenheidskerken, opgericht. Dat was het eenige middel, om in de Kerk te blijven en toch geen gemeenschap te hebben met de Remonstranten. De Kerk verlaten, ware zonde geweest; een wegloopen, voordat de laatste middelen, d.i. de Generale Synode, waren beproefd. Dat dit de beschouwing der Gereformeerden was, blijkt duidelijk uit de Akten van Separatie, toen opgesteld 1). Maar denk nu eens het geval, dat er eene Synode gehouden was en de Remonstranten de overwinning hadden behaald, zouden de Gereformeerden dàn nog doleerende Kerken hebben opgericht? Ik meen, dat zij dan als een eenig man het Remonstrantsche Babel zouden hebben verlaten, de bestaande Kerk voor eene valsche zouden hebben verklaard, en geen oogenblik zouden geaarzeld hebben, om eene eigen Kerk tegenover


1) Zie Dr. Rutgers, Het kerkverband enz. bl. 158 v. Daar lezen we b.v. bl. 160, dat de Geref. verklaren „dat men geen gemeenschap met de selve (de Remonstranten), in ’t Leerampt, bedieninge des Woorts ende der Sacramenten en kan noch en behoort te houden”. En dat zij daarom zich van hen afscheiden „totdat, door een wettige langhgewenschte Nationale Synode de differenten uyt den woorde Godts sullen sijn gedecideert ende wechgenomen”. Verg. ook bl. 161 enz.

|562|

die valsche op te richten 1). Het oprichten van doleerende Kerken was dus een uiterst verstandige maatregel, waardoor men eenerzijds volkomen gehoorzaam bleef aan het Woord Gods, en ter anderer zijde toch in de Kerk bleef en niet voor den tijd haar verliet en alzoo van scheurmakerij niet kon beschuldigd worden. Een maatregel ook, die de scheiding in deze eeuw volstrekt niet veroordeelt maar rechtvaardigt, en krachtig getuigenis aflegt tegen het onderhouden van gemeenschap met bestrijders der waarheid zelfs tot op eene eventueele Synode Generaal, waarvoor toen nog eenige hope bestond, maar thans niet in het minst.

En zoo meen ik dan ten slotte, dat wanneer alle middelen beproefd zijn, en kerkeraden, classen en synoden alle de reglementen handhaven boven Gods Woord, de uitgeworpenen recht hebben tot het oprichten van eene eigen kerk, en niet verplicht zijn, eerst nog doleerende kerken te stichten, om dan eerst daarna, als dit belet wordt, tot het oprichten van een eigen kerk te mogen overgaan. In het afgetrokkene wil ik de mogelijkheid niet ontkennen, dat een kerkverband iemand uitwerpt, zonder dat de kerk zelve daarin bewilligde (bl. 166, 167). Maar


1) Men overwege slechts de volgende woorden uit de Acte van unie, Juli 1617: „dat wij eyndelyck t’ sijner tijt (so het Synodus Nationalis met den eersten niet en werde gehouden) naerder met malckanderen sullen letten op t’ gene, t’ welck uijt onser aller namen teygen de voorss. kerckelijke Personen (Remonstranten genaemt synde) ende tegen haere Leere ten uytersten sal behooren ofte moeten gedaen werden”. En dan uit de daaraan toegevoegde nadere verklaring: „wachtende alleen tot het Synode Nationael, waer van nu groote hope schijnt te wesen, opdat aldaer de afzonderinge van de Remonstranten wettelijc ende met voorgaende kerckelijc oordeel in ’t werc gestelt magh worden; belovende ooc, bij zoo verre dezelve Nationale Synode niet met den eersten voort en gaet, dat se alsdan . . . zullen helpen beramen, om op de ghevoeghlijcste wijse ende met den allereersten een gheheele ende eenparighe scheydinghe te formeren.”

|563|

dan zal die kerk niet zwijgen en toestemmen, maar haar stem verheffen tegen dat kerkverband en de partij kiezen van dien uitgeworpene. Anders kan men wel zeggen, dat die kerk er eigenlijk niet in bewilligt, maar men staat dan op subjectieven bodem en heeft geen grond onder de voeten. Maar ook zelfs dan, als ’t plicht ware, om na uitwerping eerst nog op te richten eene doleerende kerk, en eerst als dat belet wordt, tot het vormen van eene eigenkerk over te gaan, ook dan is de kerkstichting der gescheidenen volkomen gerechtvaardigd; het oprichten van eigen kerken werd door overheid en synode langen tijd belet; de naam, die ons wettiglijk toekwam, werd ons lang geweigerd. En zoo heeft Dr. K. m.i. geen recht, om onze kerken alleen als doleerende, niet als eigen Christ. Geref. kerken te beschouwen.

2. Wij komen thans toe aan de vraag, hoe onze gedachte moet zijn over ’t Ned. Herv. Kerkgenootschap? Onze maatstaf is daarbij dezelfde als die van Dr. K. Bl. 171 zegt hij: bij de onderscheiding van ware en valsche Kerk is de vraag niet, of elk individueel lid zuiver van belijden is, maar of de Kerk de goede belijdenis uitspreekt en of in haar wandel als Kerk de eerbied voor Gods Woord openbaar is. Dit kan alleen uitkomen in haar openlijke acten. Welnu, daaraan gemeten, wat is dan dat Genootschap? Wij erkennen daarbij, dat eene Kerk, zonder haar wezen te verliezen, nog verminkt, onzuiver, ja min of meer door verderf kan aangetast zijn, wij houden in het oog, dat ook in de kenteekenen der Kerk graden zijn (bl. 173. 175. 176). Maar ook dan nog: wat is het N.H. Kerkgenootschap als Kerk? Heeft zij als Kerk de zuivere bediening van Woord en Sacrament; van oefening der tucht, welke Dr. K. rekent tot het welwezen, niet eenmaal gesproken? Wat getuigt zij in haar openlijke

|564|

acten, in haar openlijk optreden? Stelt zij eigen ordonnantien boven Gods Woord of niet? Grondt zij zich op menschen of op Christus? Het antwoord kan niet twijfelachtig zijn. Maar er wordt ons tegengeworpen, dat zoo ons standpunt van beoordeeling niet zuiver gekozen is. De vraag is niet of ge uw Kerkgenootschap, maar alleen of ge uw Kerk zult verlaten. Gij hebt niet te letten op wat elders plaats grijpt maar alleen op uw eigen Kerk. De vraag is dus alleen deze: biedt die Kerk, waarin ik leef, mij nog de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten, in zulk eene zuiverheid, dat het wezen dezer beide genademiddelen er nog in overig zij bl. 176. 177. Ik kan niet toegeven, dat het boven ingenomen standpunt onzuiver is. De Hervormers hebben ook wel op heel de Roomsche Kerk gelet en haar valsch genoemd, zonder daarom te ontkennen, dat er hier of daar nog plaatselijke Kerken met tamelijke zuiverheid konden zijn. Maar stellen wij ons toch eens op dat andere standpunt; en dan, gelet op de locale Kerken, hoe moet dan ons oordeel zijn?

Dr. K. deelt zelf de locale Kerken in drie soorten. Over de derde soort behoeven we niet te spreken; met den Schrijver zijn wij van oordeel, dat die gestorven zijn en dat er wel eene nieuwe Kerk kan komen, maar uit den dooden stam geen scheut meer voortspruiten kan.

Eene tweede soort van Kerken zijn die, waarin voor het oogenblik de goede bediening der genademiddelen ontbreekt, maar waar nog hope is, dat die er, evenals op zoovele andere plaatsen, over korter en langer tijd zal komen.

Aan de geloovigen aldaar wordt de raad gegeven, om zonder verwijl eene doleerende kerk op te richten. Onze raad zou een eenigszins andere zijn. De hope op herstel, hier uitgesproken, is vrij subjectief. Ze kan vervuld

|565|

worden, maar evengoed ook niet. Zonder verwijl doleerende Kerken op te richten, dunkt ons op het standpunt van Dr. K. ongeoorloofd, wanneer daarmee bedoeld is, zonder dat alle middelen vooraf zijn beproefd tot herstel der Kerk. Wanneer echter de kerkelijke besturen zoo iemand uitwerpen, heeft hij m.i. het recht tot oprichten van eene eigen Kerk, indien hij zich bij geene andere zuivere kerk aansluiten kan.

Dan blijft er nog eene derde groep van Kerken over, waar nog tamelijk zuivere bediening is van Woord en Sacrament, zooals b.v. in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht enz. Wel zijn ook deze onzuiver, inzoover zij ontheiliging der Sacramenten toelaten, de tucht verwaarloozen, aan de ongeloovigen stemrecht verleenen en in een valsch kerkverband staan. Maar toch geeft Dr. K. aan de geloovigen in deze Kerken niet den raad, om uit te treden of doleerende Kerken op te richten, maar om in geen enkel opzicht door onderwijs, huisbezoek, doop of prediking gemeenschap te oefenen met zoodanige leeraars of ambtsdragers in hun Kerk, als den raad Gods weerstaan. Goed opgevat, is deze raad uitnemend en zal, opgevolgd, leiden tot het bannen dergenen, die den raad Gods weerstaan, van den kansel, uit den kerkeraad, uit de gemeente, of tot het oprichten van eigen Kerken. Maar ik kan mij niet ontveinzen, dat deze raad ook minder streng kan uitgelegd worden.

Zoolang nu de geloovigen, de dienaren, de kerkeraden ook in deze derde groep van Kerken niet ambtelijk en met gezag Gods Woord handhaven; zoolang ze alleen als individuen de waarheid belijden en feitelijk aan de leugen gelijk recht toekennen als aan de waarheid, zoolang kunnen deze Kerken, getoetst aan den objectieven schriftuurlijken maatstaf, dien Dr. K. zelf bl. 171 aan de hand

|566|

geeft, op den naam van ware Kerken geen aanspraak maken. Handhaaft de Kerk te Amsterdam b.v. als Kerk de zuivere bediening van Woord en Sacrament? Heeft zij als Kerk eene belijdenis en wandel overeenkomstig de Schrift? Is zij, objectief en schriftuurlijk geoordeeld, eene ware Kerk? Op grond van welke openlijke akten, van welk openlijk optreden dit beweerd wordt, zie ik niet in. Om dat te kunnen volhouden, moet de objectieve maatstaf ter zijde gelegd, en de subjectieve ter hand genomen worden.

Maar dat kàn niet, zal men zeggen; deze kerken als valsche kerken uit te werpen, is onmogelijk; de godzaligen in de gescheidene kerken doen dat al niet meer bl. 199. Ik stem toe, het oordeel is hard, maar is het onwaar? Men onderscheide echter wel; dat er potentieel nog vele ware kerken in ’t Ned. Herv. kerkgenootschap zijn, wordt door ons niet ontkend; zij bezitten het vermogen, om ware kerken te worden. Maar actueel en objectief, zijn zij het niet. En al ons hopen en dringen bedoelt niets anders, dan dat het potentieele ook actu zich openbare, en de individueele geloovigen weer eene kerk vormen, die de kenmerken draagt der ware kerk. Wij kunnen daarom ook het dilemma niet aanvaarden, door Dr. K. ons op bl. 199 gesteld, om nl. òf alle Herv. kerken als valsche, als Synagogen des Satans, òf onze eigene kerken als doleerende te beschouwen. Evenmin het dilemma op bl. 161: eene kerk is of waar of valsch; wat nog niet valsch is, is nog de ware kerk, en wat niet meer de ware kerk is, is ganschelijk de valsche: een tusschenstaat is er niet. Toegestemd onzerzijds is: tusschen waar en valsch is geen overgang; elk mensch is of levend of dood. Maar dit geldt niet in dezen absoluten zin van de kerken. Er kunnen nl. in eene locale kerk kinderen Gods zijn, en dan is er potentieel nog de ware kerk, hoewel ze als kerk in haar openlijke

|567|

acten den naam van valsche moet dragen. Eene bepaalde kerk als kerk valsch te noemen, sluit niet in, dat al haar leden geestelijk dood zijn. Dr. K. houdt dit absoluut gestelde dilemma dan ook zelf niet vol. Bl. 112-115 schetst hij, hoe de valsche kerk opkomt, en zegt dan, dat ook de valsche kerk hare onderscheidene graden heeft en waarschuwt tegen overijld oordeelen. Hij haalt zelf aan, hoe onze vaderen Rome voor eene valsche kerk hielden en toch haar doop bleven erkennen en daarin beleden, dat er nog genade des Heeren in haar werkzaam was. En zelf zegt hij dan verder: er zijn dusver wel gedeeltelijk vervalschte en in zooverre valsche kerken geweest, maar de absoluut-valsche kerk toeft nog. Hoewel Rome eene valsche kerk achtend, nam Calvijn toch nog ware kerken in haar aan — eene uitdrukking, die, ik erken het, mij niet in elk opzicht duidelijk is. Duidelijker zegt Turretinus: de Hervormers scheidden zich af van de Roomsche kerk, niet quâ Christiana sed quâ Papali 1). En Voetius beredeneert de onzen hebben zich niet afgescheiden van de menschen in de Roomsche kerk, wanneer daaronder verstaan worden de geloovigen, maar van de tirannieke heenchappij van den Paus en van de factie der valsche geestelijken; ze hebben zich wel afgescheiden van de Pauselijke leer, niet van de Christelijke waarheid, die in de Roomsche kerk nog over was. Wij hebben dus in de Roomsche kerk nog onze broeders, hoewel ze zwakke broeders zijn, omdat God er zijne uitverkorenen heeft; en sommigen onzer hebben daarom het volk onder de Pauselijke heerschappij en enkele geestelijken nog als broeders aangesproken. En al is het dan ook, dat wij uiterlijk de gemeenschap met hen hebben gebroken en den Paus als zoodanig en zijn aanhang haten, toch omvatten wij al die broeders nog in


1) De Necessaria Secessione nostra ab Ecclesia Romana, p. 13.

|568|

liefde, en erkennen dat in hen aanwezig is het zaad des Christendoms, en houden niet op, God voor hen te bidden en van hen het goede te hopen. En wij hebben ons van deze zwakke broederen juist uiterlijk afgescheiden, opdat ook dezen de dwalingen te eerder en te beter zouden inzien en er zich aan onttrekken 1).

Zie, dat is schoon gezegd van Voetius. Ik heb er niets bij te voegen. Al is de afscheiding op verre na niet te vergelijken met de reformatie der 16e eeuw, hierin komen wij overeen, dat ook de onzen zich niet hebben afgescheiden van de waarheid, die nog in de Ned. Herv. kerken is, van de vele kinderen Gods, die daar zijn, van alwat daar is naar het Woord Gods en de belijdenis der Geref. kerken. Wij voelen ons nauw aan al de daar achtergebleven broederen verbonden, al is het dat de uiterlijke, kerkelijke gemeenschap (naar ik hoop, slechts voor een tijd) is verbroken; wij erkennen hun doop, geven hun den broedernaam en de broederhand, verblijden ons over de genade, die God onder hen werken laat, over de herleving der Geref. beginselen. De Afscheiding betrof alleen de ingevoerde organisatie, het opgelegde kerkbestuur, de reglementen, de Synodale heerschappij, i.e.w. alleen datgene wat in strijd was met Schrift en belijdenis; niets anders, niets meer, niets minder.

3. Nog blijft ons over, kortelijk aantewijzen, wat onze gedachte moet zijn over de Christ. Geref. Kerk.

a. Dr. K. onderscheidt de afgezetten en de later, eigener beweging, uitgetredenen. Het doen der eersten keurt hij in hoofdzaak goed, maar de laatsten verdienen volgens hem een zacht protest. Men mag toch zijne kerk niet verlaten, tenzij men wel verzekerd zij, dat deze eene


1) Desperata Causa Papatus, p. 699-703.

|569|

synagoge des satans wierd. Velen traden nu uit zoodanige kerken, die in zichzelve volstrekt niet derwijs gedeformeerd waren en die dit alleen deden, overmits deze kerken het kerkverband niet breken. Maar er kan niet beweerd worden, dat alleen door ongerechtig kerkverband eenige kerk voetstoots als valsche kerk mag verworpen worden (bl. 195, 196).

Wij brengen den hooggeachten Schrijver onzen dank voor het waardeerend oordeel, dat wij over de eerste Afgescheidenen, en alzoo over het beginsel en het recht der Christ. Geref. Kerk uitspreekt. Er is hiermede veel gewonnen. Over het beginsel der Chr. Gere£ kerk zijn wij het eens. En de vraag is alleen, of ze wat meer of minder groot had moeten zijn, of zij, die zich later aan haar hebben toegevoegd, recht gehandeld hebben, met zonder afzetting de Herv. kerk te verlaten. Aangaande deze laatsten nu merk ik op, dat, wanneer eenmaal de scheiding op goede gronden, nadat alle middelen van kerkherstel beproefd zijn, een aanvang heeft genomen met afzetting van trouwe dienaren en dezen daarna tot eigen kerkstichting zijn overgegaan, het niet meer voor elk, die zich in zijn geweten bezwaard gevoelt over gemeenschap met ongeloovigen, plicht is, om eerst den langen weg van pogingen tot kerkherstel te bewandelen, maar dat zoo iemand vrij uittreden mag. Zoolang toch eene kerk over hare afzetting en uitbanning van trouwe dienaren niet het minste berouw toont, maar in haar kerkeraden, classes en synode op den ingeslagen weg voortgaat, Gods Woord terzijde stelt en aan haar reglementen meer gezag toekent, zoolang bewijst zij zich te blijven dezelfde kerk, als welke zij zich openbaarde in de afzetting dier trouwe dienaren, en mag iemand, die werkelijk uit liefde voor de eere Gods en zijn Woord handelt, die kerk verlaten en zich

|570|

aansluiten bij de zuiverder kerk, welke ook als kerk gehoorzaam is aan Gods Woord. Ook van een Roomsche, die tot de Geref. kerk wil overkomen, zullen wij niet verlangen, dat hij eerst allerlei pogingen in het werk stelt, om zijne Roomsche plaatselijke kerk te reformeeren. De Roömsche kerk heeft zich nu eenmaal historisch als Paapsche kerk vastgezet; en evenzoo de Ned. Herv. kerk als de kerk der met de Schrift strijdende reglementen en organisatie. Zoo iemand die op die wijze zijne Herv. kerk verlaat, scheidt zich daarmee niet af van de waarheid, die nog in haar is en van de geloovigen die daar zijn, maar van de kerk als organisatie, van haar onchristelijk bestuur enz. Hij scheidt zich af, omdat ook de meest rechtzinnige kerk in ’t Hervormd genootschap de gemeenschap met de ongeloovigen voortdurend, in weerwil van alwat er tegen ingebracht is en wordt, blijft onderhouden, omdat zij ontheiliging der sacramenten toelaat, de tucht gansch en al verwaarloost, als kerk noch belijdt noch wandelt naar Gods Woord, voor de zuivere bediening der genademiddelen niet den minsten objectieven waarborg biedt, aan de leugen feitelijk hetzelfde recht toekent als aan de waarheid, en in het toelaten van ongeloovige predikanten op den kansel, van ongeloovigen aan het avondmaal enz. het duidelijk en in daden uitspreekt, dat zij aan de reglementen der kerk meer gezag toekent dan aan de H. Schrift. En nu moge men zeggen, dat zij dat doet, wijl daartoe gedwongen door een ongerechtig en opgedrongen kerkverband. Maar zij doet het toch en zij draagt daarvoor de verantwoordelijkheid. En als iemand nu, daarover in zijne conscientie bezwaard, de verantwoordelijkheid daarvan niet langer kan dragen, zou hij dan niet mogen, niet moeten uittreden en zich aansluiten aan eene kerk, die ook als kerk Gode gehoorzaam is en

|571|

wenscht te blijven? Zeker is er kaf onder het koren. Er zullen er wel zijn, die lichtvaardig de Herv. kerk hebben verlaten. Maar daar zijn er ook, die op boven omschreven wijze, niet lichtvaardig maar na ernstige overweging tot dezen gewichtigen stap zijn gekomen. En dezulken — het is immers ook alleen over hen, dat wij spreken — verdienen geen protest al is het dan ook zacht en al zou men geneigd zijn, het van iemand als Dr. K. die zooveel doet en zoo helder ziet, zonder tegenspreken aan te hooren, maar hun daad bij het licht der H. Schrift en in teederheid des gewetens ondernomen, verdient onze goedkeuring en onze navolging.

Daarbij echter voeg ik nog dit, dat het onzerzijds nooit ten plicht is gesteld, zijne kerk te verlaten. Wanneer iemand nog geloovende aan zijne kerk, ze tracht te reformeeren, wie zou het afkeuren? Plicht is altijd slechts dit eene, overal, ook kerkelijk Gode gehoorzaam te zijn. Van harte stemmen wij in met deze woorden: Een Christenmensch mag niets om het succes, maar moet alles uit gehoorzaamheid des geloofs doen (bl. 138). Niets kan hem ook maar één oogenblik verontschuldigen, indien hij voortging ongehoorzaam te zijn (bl. 140). En ook al bleef de Geesteswerking uit, die tot het werk der reformatie noodig is, en al blijft de overtuiging van schuld bij ’s Heeren volk ontbreken, plicht, dure plicht blijft het desniettemin voor allen en een ieder, om het onheilige van ’s Heeren altaar te weren (bl. 139).

b. Volgens Dr. K. moeten verder onze Chr. Geref. kerken beschouwd worden als doleerende kerken (bl. 199). Als dat zeggen wilde, dat wij smarte gevoelen over de scheiding tusschen zoovelen, die één moesten zijn, dan zou ik gaarne dien naam door onze kerken gedragen willen zien. Want wij zijn, op ons zelf staande, niet compleet; wat één moest zijn is door eene onzerzijds wel noodzakelijke

|572|

maar toch smartelijke en onnatuurlijke scheiding in twee helften gesplitst. Wij zijn dus niet de kerk, gelijk sommigen onzer wel eens zeggen, maar een gedeelte der kerk; er is een groot deel der broederen, die achteraan komen en door ons reeds lange worden verbeid. Maar onze kerken zijn de zuiverste openbaring van Christus’ lichaam in dit land. Er zijn leden van dat lichaam ook in Luthersche en Roomsche kerken enz. En ook vele leden van dat lichaam zijn er in ’t Ned. Herv. kerkgenootschap, die echter daar kerkelijk heel niet tot openbaring komen dan in eene hoogst onzuivere, ja onware en valsche gedaante.

Maar doleerende kerken in den eigenlijken zin zijn wij toch ook niet. Dr. K. heeft zelf al niet verwacht dat wij dat zouden toegeven (bl. 199). Dat gaat ook moeilijk voor ons, al verblijden wij er ons in dat Dr. K. ons ten minste als zoodanig erkent en het natuurlijk vindt, dat wij met de Herv. kerken weigeren saam te vloeien, zoolang de reformatie daar toeft. Maar doleerende kerken zijn gelegenheidskerken, hulpgebouwen, provisioneel bewoond, zoolang de eigenlijke woning door indringers ingenomen en dus nog niet door ons betrokken kan worden. Nu zie ik geen kans, om Dr. K. te bewijzen, dat wij dat niet zijn, evenmin als het hem licht zal vallen, aan te toonen, dat wij het wel zijn. Dat zal en dat kan alleen de historie der toekomst beslissen. Hier staat geloof tegenover geloof. Dr. K. gelooft aan de herstelling der N. H. kerken, wij gelooven dit niet, of althans de meesten onzer niet. Wat mij zelven betreft, ik zou het van harte wenschen. De eere, als hulpgebouw dienst gedaan te hebben en aan vele kinderen Gods eene schuilplaats te hebben geboden en anderen te hebben gebracht tot het geloof in Christus, is, dunkt me, voor onze kerk nog groot genoeg; zij is dan toch velen ten zegen geweest. Maar toch geloof

|573|

ik, dat de hope op de herstelling der N.H. kerken eene illusie is. De teekenen ervoor zijn, ook al neemt de Geref. prediking toe, m.i. niet gunstiger dan vroeger. Op hoeveel is al die zoete hope gebouwd, dat een zandgrond bleek te zijn? Thans schijnt die hope vooral te rusten op de Vrije Universiteit en op het beginsel van de locale kerken als zelfstandige kerken. Zal die grond hecht blijken? We willen afwachten. Maar ik bewonder dikwerf de volharding, waarmede men nu jaar en dag aan herstelling zich vastklemt; ook al mag ik het verzaken van den plicht der gehoorzaamheid in anderen en mijzelven nooit goedkeuren, ik heb eerbied voor de liefde, welke men zijne moeder, de kerke, toedraagt; ik zeg niet spottend: „hoe lang zal dat sollen met uw lijk nog aanhouden?” (bl. 178). Maar wel breng ik in: als het een lijk is, mijn Broeder (ik bedoel de kerk als kerk), dan naar Jezus’ bevel gehandeld: laat de dooden hunne dooden begraven, maar gij, kom hier en volg Mij.

c. Als Dr. K. nu verder in betrekking tot de Christ. Geref. kerken den wensch uitspreekt, dat zij het valsche collegiale denkbeeld zullen laten varen, dan zijn wij met dien wensch van harte ingenomen. Wel meenen wij, dat de invloed van dat denkbeeld op onze kerken door hem te hoog wordt geschat, en de noodzakelijke eenheid der kerken niet genoeg geaccentueerd wordt, maar wij kunnen niet ontkennen, dat dat denkbeeld er nog niet geheel bij ons uit is, en wenschen daarom met hem, dat wat van dezen zuurdeesem mocht overig zijn, geheel door ons worde uitgezuiverd.

Evenzoo zijn we gaarne bereid, aan dien anderen wensch gehoor te geven, dat n.l. onze kerken gemeenschap hebben te onderhouden met doleerende kerken, die zulks verlangen. Onzerzijds zal er zeker wel geen bezwaar zijn,

|574|

correspondentie aan te gaan met zulke kerken, die breken met alwat in het Herv. kerkgenootschap niet is naar den eisch der H. Schrift, en met ons op denzelfden grondslag zich stellen. Zoodra het dus maar verlangd wordt! Maar tot dusver hadden onze kerken het nog niet druk met het beantwoorden van aanvragen om correspondentie. Het is nog niet zoolang geleden, dat men op alles behalve gemeenschap met ons gesteld was. Dat er allengs eene kentering in die opinie is gekomen, en de minachting voor meer juiste beoordeeling en waardeering plaats maakt, danken wij (ik erken het gaarne) mede en voornamelijk aan den man, wien het uitnemende voorrecht werd geschonken, de historisch-Calvinistische traditiën hier te lande bij ons volk, bij onze godgeleerden, en bij onze staatslieden weer in eere te brengen en te verlevendigen.

Ten derde verlangt Dr. K. dat onze kerken, zoodra de oorspronkelijke kerken door geestelijke reformatie, uitbanning van onware bestanddeelen en losmaking van elk verkeerd kerkverband, hun vrijheid van handelen herwonnen hebben, weer met dezen hebben saam te smelten tot ééne plaatselijke kerk, zij het ook in onderscheidene parochieën. Ook in dit verlangen kunnen wij Dr. K. ter wille zijn. Maar wij moeten er bijvoegen: zoover is het nog niet.

Er moet, zal het daartoe komen, nog heel wat gebeuren. Het kan bovendien óók zijn, dat de „oorspronkelijke” kerken niet vrij worden door uitbanning van onware bestanddeelen, maar door zelve uitgebannen te worden en dat zij dus met de reeds uitgeleide kerken hebben saam te smelten tot ééne plaatselijke kerk. Zeker is het in elk geval niet, wat toch hier als zeker aangenomen wordt, dat de Herv. kerken vrij zullen worden en gereformeerd door geleidelijk kerkherstel. Als de geloovigen hun ambt

|575|

weer gaan uitoefenen, zal het waarschijnlijk blijken, als in de dagen der scheiding, dat zij uitgezet en gebannen worden en tot eigen kerkformatie moeten komen. Maar hoe dit zij, hoe de „modus quo” ook wezen moge, ik zal mij hartelijk verblijden op den dag, als wie nu „twee en nochtans een” zijn, eerlang ook kerkelijk een worden en saam weer vormen de Christelijke Gereformeerde kerken in deze landen. Moge die dag spoedig aanbreken!

En hiermede ben ik aan het einde gekomen van de taak, die ik op mij genomen had. Mogen de opmerkingen en bedenkingen, die ik bescheidenlijk naar aanleiding van dezen arbeid van Dr. K. in het midden bracht, velen aansporen en opwekken tot lezing en bestudeering van het werk zelf, en ook iets bijdragen tot vereenvoudiging en bezadigde beoordeeling van het zeker zeer gewichtige geschil, dat nog altijd tusschen de Gereformeerden in het N.H. kerkgenootschap en ons aanhangig is. Onze warme dank zij voor dezen arbeid den geleerden en hooggeachten Schrijver gebracht, die reeds zooveel ons gaf en ook nu „zijne vrije uren heeft uitgewoekerd, om waar hij anderen vermaande, zelf niet achter te blijven.”

Worde de vrucht en zegen van zijn arbeid vooral hierin gezien, dat èn in de Herv. èn in de Christ. Geref. kerken de ongehoorzaamheid aan den eisch Gods geen oogenblik met beroep op wat dan ook worde verontschuldigd, en dat nooit afgelaten worde van Reformatie der kerken naar het Woord onzes Gods.

Kampen, 17 Nov. 1883.

H. Bavinck.