49-74

|49|

2.4 Het karakter van het ambt volgens Efeziërs 4: 7-16

Prof. dr. J.P. Versteeg

1. Inleiding

Het uniek karakter van het werk in de kerk

In het Nieuwe Testament wordt alle werk in de kerk gekarakteriseerd door het woord diakonia dat “dienst” betekent. Het liefdevol omzien van allen in de kerk naar elkaar kan een “dienst” genoemd worden (Rom. 12: 7), maar ook Paulus’ werkzaamheid als apostel (Rom. 11: 13; 2 Kor. 4: 1; 6: 3) of de specifieke werkzaamheid van een evangelist (1 Tim. 4: 6). Het woord “dienst” mist ieder element van een machtspositie die een meerdere inneemt tegenover een mindere. Het spreekt integendeel van de bereidheid zelf de minste te zijn.

Hoe verrassend nieuw het gebruik van dit woord in het Nieuwe Testament is, blijkt uit een vergelijking met het gebruik in de Septuaginta, de oude griekse vertaling van het Oude Testament. Daar komt het zelfstandig naamwoord “dienst” slechts eenmaal, in puur profane betekenis, voor (1 Makk. 11: 58). Het werkwoord “dienen” komt daar zelfs helemaal niet voor. De joodse schrijvers Philo en Josephus gebruiken wel het werkwoord in de betekenis “(be)dienen aan tafel” en “dienen” in zeer algemene zin, maar een religieuze betekenis heeft het woord bij hen nauwelijks. Wat Josephus betreft is die betekenis slechts aanwezig, wanneer het spreekt over het dienen van de priester (Ant. 3, 155; 7, 365; 10, 72). In het nieuwtestamentisch gebruik klinkt de betekenis “(be)dienen aan tafel” nog door (Hd. 6: 1), evenals de algemene betekenis. Specifiek wordt het woord evenwel door heel het Nieuwe Testament heen gebruikt in religieuze zin. De dienst is de door God geschonken en geëiste dienst. Het unieke van het werk in de kerk wordt dus ook door een uniek woord tot uitdrukking gebracht. Het woord diakonia is immers een woord dat zijn wortels noch in het spraakgebruik van de Septuaginta, noch in het joodse religieuze spraakgebruik, noch in het religieuze spraakgebruik in het algemeen heeft (vgl. ook Schweizer 19622: 157-159).

 

De ambtelijke dienst
Hierbij dringt zich de vraag op waardoor een dienst tot een ambt wordt. Allen in de kerk zijn geroepen tot dienen, maar niet bij allen draagt dit dienen een ambtelijk karakter. Ieder ambt is een dienst, maar niet iedere dienst is een ambt. Een dienst is ambtelijk van karakter, wanneer die dienst niet slechts naast, maar ook tegenover de dienst van anderen verricht wordt. Een ambt is daarom altijd een dienst die verricht wordt door sommigen in de kerk die met elkaar een groep vormen die duidelijk herkenbaar is en bij de anderen in de kerk ook daadwerkelijk erkenning vindt of dient te vinden. Een ambt is zo een dienst van sommigen in de kerk ten dienste van het dienen van alle anderen in de kerk. Aan het dienen van allen in de kerk moet leiding gegeven worden. Dat dienen moet ook mogelijk gemaakt worden en wat dat dienen in de weg staat moet uit de weg geruimd worden. Daarin bestaat de dienst van het ambt.

Een ambtsdrager zal als zodanig slechts herkenbaar zijn en dus ook slechts

|50|

erkenning kunnen vinden, wanneer zijn dienst gekenmerkt wordt door een (zekere) continuïteit. Een ambtelijke dienst is niet een dienst die slechts incidenteel verricht wordt, maar een dienst die (min of meer) blijvend aan iemands persoon gebonden is. Daaruit komt ook de behoefte voort om aan zo’n dienst een vaste titel te verlenen.

De noodzaak van het ambt is gegeven met de noodzaak van “een vaste instrumentering en ‘geleding’” van de kerk (Ridderbos 1966: 497). In het ambt mag die instrumentering en geleding gevonden worden. Zo kan ook gezegd worden, dat het ambt vooral samenhangt met het institutionele aspect van kerk-zijn (Roberts 1963: 142). In het ambt krijgt dit institutionele aspect vorm en gestalte.

Het ambt kan geen dienst genoemd worden die “meer” of “belangrijker” is dan de dienst van alle gelovigen. In het ambt wordt ook niet “meer” van de Geest gegeven dan in de dienst van alle gelovigen. Deze kwantitatieve benadering van het ambt is in strijd met het wezen van het ambt. Ze doet ook tekort aan het feit dat een ambt een dienst is en blijft (vgl. ook Kertelge 1972: 110). Wat een ambt tot ambt maakt ligt in de bijzondere relatie waarin déze dienst staat ten opzichte van de dienst van alle anderen in de kerk.

 

2. Het beeld van het ambt in Ef. 4: 7-16

2.1 Het ambt en de nieuwe orde na pinksteren

De plaats van iedere gelovige

Nergens in het Nieuwe Testament komt dit karakter van het ambt duidelijker naar voren dan in Ef. 4: 7-16.

In het begin van Ef. 4 (de verzen 1-6) valt alle nadruk op de eenheid van de kerk. Vers 7 doet zien, dat deze eenheid de veelheid niet uitsluit, maar juist veronderstelt door te zeggen: “Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate waarin Christus haar schenkt”. Terecht zegt J. Gnilka (1971: 205), dat dit vers laat uitkomen, dat de eenheid geen nivellering en “Gleichmacherei” betekent, maar tot uitdrukking komt in een veelvormigheid van individuele trekken. Deze veelvormigheid is de veelvormigheid van de verschillende diensten die alle gelovigen, ieder voor zich, in de kerk mogen verrichten. Niet iedere gelovige heeft dezelfde dienst. Omdat iedere gelovige een eigen plaats inneemt in de kerk als het lichaam van Christus, is aan iedere gelovige ook een eigen dienst toevertrouwd, “naar de mate”, door Christus bepaald. De verscheidenheid in maat correspondeert met de verscheidenheid van de gelovigen. Iedere gelovige heeft zo naar de bedoeling van Christus en op grond van de gave van Christus een eigen bijdrage te leveren aan de opbouw van de kerk. De bijdrage van niemand mag gemist worden, omdat het lichaam geen dode leden mag hebben (vgl. verder ook bijvoorbeeld Barth 1974: 429 v. en Schnackenburg 1982: 176-179).

De centrale uitdrukking in Ef. 4: 7 is ongetwijfeld de uitdrukking “een ieder onzer”. Het is opmerkelijk, dat een equivalent van deze uitdrukking aan het eind van de perikoop Ef. 4: 7-16 voorkomt. In vers 16 wordt gesproken over de kracht die “elk lid” van het lichaam op zijn wijze oefent tot de groei van het lichaam. Het begin en het eind van de perikoop grijpen zo in elkaar in. Doordat aan een

|51|

ieder in de kerk de genade gegeven is, is een ieder bij machte om een eigen bijdrage te leveren aan de groei van het lichaam.

Overigens is het omstreden, dat met “een ieder onzer” in Ef. 4: 7 iedere gelovige als lid van het lichaam van Christus bedoeld wordt. Door bijvoorbeeld H. Schlier (19686: 191) en H. Merklein (1973: 59v.) wordt gedacht aan een ieder van de in vers 11 genoemde ambtsdragers (apostelen, profeten, evangelisten en herders en leraars). Volgens Schlier is de gedachtengang als volgt: In het voorafgaande in de brief is nog slechts gesproken over de genade die aan Paulus persoonlijk en aan de apostelen en profeten gegeven was. De kring van hen aan wie de genade gegeven is wordt nu in Ef. 4: 7 uitgebreid met de evangelisten en de herders en leraars. Ook deze ambtsdragers hebben evenzeer als de apostelen en profeten, zij het in een andere mate, de genade van Christus ontvangen tot opbouw van de kerk.

Toch kan er moeilijk aan getwijfeld worden, dat met “een ieder onzer” aan iedere gelovige te denken is. De parallellie tussen de uitdrukking “een ieder onzer” in het begin van de perikoop en de uitdrukking “elk lid” aan het eind van de perikoop wijst overtuigend in deze richting. Verder is het met R. Schnackenburg (1982: 177) wel erg verrassend te noemen, wanneer zonder enige nadere aanduiding de overgang gemaakt zou worden van de kerk in het algemeen naar de ambtsdragers in die kerk. Ook is met Schnackenburg te letten op de relatie tussen Ef. 4: 7 en Rom. 12: 5v. De woorden “aan een ieder onzer afzonderlijk” in Ef. 4: 7 corresponderen met de woorden “ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkaar” in Rom. 12: 5 en de woorden “is de genade gegeven, naar de mate waarin Christus haar schenkt” in Ef. 4: 7 met de woorden “naar de genade die ons gegeven is” in Rom. 12: 6. Deze terminologische overeenkomst wijst ook op een inhoudelijke overeenkomst. Zoals in Rom. 12: 5 met de uitdrukking “ieder afzonderlijk” gedoeld wordt op iedere gelovige is dat ook het geval met dezelfde uitdrukking in Ef. 4: 7.

De overeenkomst van Ef. 4: 7 met Rom. 12: 6 is ook bepalend voor het verstaan van het woord “genade”, wanneer gezegd wordt, dat aan een ieder onzer afzonderlijk “de genade” gegeven is, naar de mate waarin Christus haar schenkt. In Rom. 12: 6 wordt het woord “genade” zo direct aan het woord “charisma” verbonden, dat het er vrijwel op één lijn mee staat. In Ef. 4: 7 is bij “de genade” dan ook aan niets anders te denken dan aan het aan iedere gelovige geschonken charisma (vgl. Gnilka 1971: 206; R. Schnackenburg 1982: 178v.). Bij deze verklaring van het woord “genade” past ook goed de toevoeging van de uitdrukking “naar de mate waarin Christus haar schenkt”. De verscheidenheid in de maat van het geven manifesteert zich in de verscheidenheid van de charismata. Door het aan iedere gelovige geschonken charisma functioneert iedere gelovige als lid van het lichaam van Christus tot de groei van dat gehele lichaam. Zo wordt door iedere gelovige tevens de eigen dienst verricht.

Het woord “genade" is hier dus geen omschrijving van het in Christus geschonken heil in het algemeen. In deze richting denkt ten onrechte J.H. Roberts (1963: 136v.). Voor hem is de genade de roeping tot de eenheid van het ene lichaam door de ene Geest, het geloof en  de doop waardoor de inlijving in het lichaam van Christus tot stand komt. Zo wordt evenwel niet slechts geen recht gedaan aan de overeenkomst met Rom. 12: 6, maar kan ook alleen op een

|52|

gewrongen wijze aan de woorden “naar de mate waarin Christus haar schenkt” een plaats gegeven worden. De verschillende maat van het geven is wel met de verschillende charismata, maar niet met de ene roeping, het ene geloof en de ene doop te combineren.

 

De charismatische structuur van de kerk

De werkelijkheid van de charismatische dienst van iedere gelovige wordt in de Schrift gefundeerd door het beroep op de woorden uit Ps. 68: 19 in Ef. 4: 8. “Daarom heet het: opgevaren naar de hoge voerde Hij krijgsgevangenen mee, gaven gaf Hij aan de mensen”. Al is het waar, dat het woord “daarom” (dio) niet altijd een even sterk redengevende betekenis heeft (vgl. Ef. 5: 14 en zie verder Schnackenburg 1982: 178), toch is een redengevend element hier moeilijk aan het woord te ontzeggen.

In Ps. 68: 19 wordt van God gezegd: “Gij zijt opgevaren naar de hoge: Gij hebt gevangenen meegevoerd; Gij hebt gaven in ontvangst genomen onder de mensen”. Het meest opvallend bij de overname van deze woorden in Ef. 4: 8 is de wijziging van het “in ontvangst genomen” in het “gaf”. Deze wijziging is zeker geen zaak van willekeur. Ze gaat terug op een oude interpretatie van het woord “nemen” waarbij “nemen” wordt verstaan in de zin van “nemen om te geven” (vgl. Schlier 19686: 191).

In de joodse literatuur uit de tijd van het Nieuwe Testament wordt Ps. 68 bijna altijd betrokken op Mozes die de berg Sinaï opging om de wet te ontvangen. De vermelding van de Sinaï in Ps. 68 gaf hiertoe stellig mee aanleiding. Zo wordt in Targ. Ps. 68: 19 gezegd: “Gij zijt opgevaren naar de hemel, dat is Mozes, de profeet. Gij hebt gevangenen meegevoerd: Gij hebt de woorden van de thora geleerd en ze de mensenkinderen als gave gegeven”. In Midr. Ps. 68 § 11 (160a) heet het: “Gij hebt gaven ontvangen voor de mensen; dat is de thora die als geschenk Israël om niet gegeven werd”  (vgl. Str.-B. III, 596vv.). In de lijn van deze tradities wordt in Ef. 4: 8 Christus getekend als de “meerdere” Mozes. Niet Mozes bracht in de wet Gods eigenlijke gave. Christus deed dat in de genadegaven die Hij schonk in de kerk (zie ook Barth 1974: 472-477).

Van belang is verder, dat reeds in de tijd van het Nieuwe Testament het joodse pinksterfeest naast de betekenis van oogstfeest de betekenis had gekregen van feest ter gedachtenis aan het gebeuren op de Sinaï (vgl. Van Goudoever 1969: 71vv.; zie ook Str.-B. II, 601). Op dit joodse pinksterfeest werd niet alleen Ex. 19, maar ook Ps. 68 gelezen (vgl. Gnilka 1971: 208). Tegen deze achtergrond is Ef. 4: 8 te verstaan. Het was op het pinksterfeest dat Christus zijn Geest uitstortte en door zijn Geest zijn gaven schonk in zijn kerk. De Geest kwam op alle vlees (Hand. 2: 17) en aan ieder afzonderlijk werd de genadegave van Christus gegeven (Ef. 4: 7).

Zo brak bij de uitstorting van de Geest op het pinksterfeest de nieuwe, door Christus voor zijn kerk gestelde orde door. Doordat ieder de genade ontving zou verder de een slechts náást de ander staan. De woorden “Hij gaf” staan in het Grieks in de aoristusvorm (edooken). Daardoor wordt tot uitdrukking gebracht, dat het gaat om een geven dat eens en voor altijd plaatsvond. Zo spreekt de gebruikte werkwoordsvorm van een eens en voor altijd gegeven structuur. Het charismatische -- dat iedere gelovige een eigen charisma bezit — is niet van incidentele, maar van structurele betekenis voor de kerk.

|53|

De ambtelijke structuur van de kerk

Juist op dit punt heeft Paulus in Ef. 4 evenwel nog meer te zeggen. Christus heeft niet slechts voor alle gelovigen eigen gaven gegeven. Hij heeft ook uit de kring van de gelovigen sommigen gegeven die als speciale dienst hebben er zorg voor te dragen, dat de aan allen geschonken gaven op de juiste wijze functioneren. In deze speciale dienst is niets anders dan — wat wij noemen — een ambt te onderkennen. Hierover spreekt Paulus met nadruk in Ef. 4: 11: “En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars”. Het woord “en” (kai) waarmee de zin begint heeft de betekenis “en tevens”, “bovendien”. Naast de charismata heeft Christus bovendien ambtsdragers gegeven voor de juiste functionering van die charismata.

Hier wordt voor de woorden “hij heeft gegeven” precies dezelfde werkwoordsvorm — de aoristusvorm edooken — gebruikt als in vers 8. Ook de gave van de ambtsdragers draagt dus het karakter van een gave voor eens en altijd. Het ambtelijke is niet minder van structurele betekenis voor de kerk dan het charismatische. Als conclusie van een nauwkeurig onderzoek naar de werkwoordsvorm “Hij heeft gegeven” kan J.H. Roberts (1963: 143) met recht met betrekking tot de in Ef. 4: 11 genoemde ambtsdragers zeggen, “dat Christus vir Sy gemeente ’n eenmalige reëling getref het wat bepalend is vir haar bestaanswyse in die gang van die geskiedenis. Hierdie reëling van Christus is niks minder nie as die gawe van ’n bepaalde instelling waarvolgens die gemeente leef en funksioneer, as die gawe van die “dat” van die geïnstitueerde gemeente. Immers, in hierdie gawe van Christus is gegee die algemene normatiewe patroon of struktuur waarvolgens die gemeentelike organisme ingerig is en haar aktiwiteit ontplooi — die permanente vorm waarvolgens die verhoogde Heer aan Sy gemeente Sy toerusting laat toekom om as selfwerksame grootheid te funksioneer”.

 

2.2 Het doel van het ambt

Het ambt in zijn gerichtheid op de heiligen

Dat het werk van de ambtsdragers het karakter draagt van een dienst ten dienste van het dienen van alle anderen in de kerk, blijkt uit Ef. 4: 11 waar het doel van de gave van de ambtsdragers als volgt onder woorden gebracht wordt: “om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon tot opbouw van het lichaam van Christus”. Met “de heiligen” kunnen geen anderen bedoeld zijn dan de gelovigen. Duidelijk is de dienst van de ambtsdragers gericht op deze heiligen. Het is deze gerichtheid op de heiligen die de dienst van sommigen in de kerk tot een ambt maakt.

Hoe deze gerichtheid in Ef. 4: 12 bedoeld is, is overigens weer een omstreden zaak. Het vers bestaat uit drie bijzinnen die elk voorafgegaan worden door een voorzetsel. Letterlijk weergegeven luidt het vers: (“En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven ...) tot (in het Grieks: pros) de toerusting van de heiligen tot (in het Grieks: eis) dienstbetoon tot (in het Grieks: eis) opbouw van het lichaam van Christus”. De vraag is, hoe deze drie zinnen zich onderling verhouden. Allerlei antwoorden zijn op deze vraag gegeven (vgl. het overzicht daarvan bij Merklein 1973: 75). Met J.H. Roberts (1963: 130v.) zijn die antwoorden in drie groepen te verdelen.

|54|

Bij de eerste groep worden de drie bijzinnen gecoördineerd en op gelijke wijze betrokken op de werkwoordsvorm “Hij heeft gegeven”. Het gaat dan om drieërlei doel van het werk van de ambtsdragers. De ambtsdragers zijn allereerst gegeven om de heiligen toe te rusten, in de tweede plaats om het werk van dienstbetoon te verrichten en in de derde plaats om het lichaam van Christus op te bouwen. Deze opvatting werd in de oude kerk bijvoorbeeld door Chrysostomus en later bijvoorbeeld door Calvijn en Bengel verdedigd. Volgens J. Gnilka (1971: 213, n. 1) is zo momenteel nauwelijks meer in discussie. Tegen deze opvatting zijn inderdaad zo ernstige bezwaren in te brengen, dat ze onmogelijk te aanvaarden is. Het belangrijkste bezwaar is, dat in vers 16 de opbouw van het lichaam gezien wordt als een roeping van alle gelovigen. Nadrukkelijk wordt daar gezegd, dat het gehele lichaam zichzelf opbouwt naar de kracht die elk lid op zijn wijze oefent. Het is ondenkbaar, dat vers 16 dat als afsluitend vers een concluderend karakter draagt op dit punt iets anders zou zeggen dan vers 12 (vgl. vooral Roberts 1963: 131).

Bij de tweede groep worden de drie bijzinnen ten dele gecoördineerd. Daarbij zijn uiteraard verschillende combinaties mogelijk. Als een voorbeeld van een opvatting, behorend tot deze tweede groep, is te wijzen op de opvatting van H. Schlier (19686: 198). Hij coördineert de eerste en de derde bijzin die betrokken worden op het “Hij heeft gegeven”, terwijl de tweede bijzin ondergeschikt gemaakt wordt aan de eerste. Volgens hem zijn de ambtsdragers gegeven om door hun (ambtelijk) dienstbetoon de heiligen toe te rusten en om (zo) het lichaam van Christus op te bouwen. Het dienstbetoon is dus zeer bepaald het dienstbetoon van de ambtsdragers en niet van de heiligen. Het woord “dienst” karakteriseert slechts de toerusting als liefdevol dienend in plaats van hiërarchisch gebiedend. Ook tegen deze opvatting is het in vers 16 gezegde in te brengen. Bovendien krijgt de uitdrukking “tot dienstbetoon” zo een uitzonderingspositie die in de gebruikte formuleringen geen enkele grond vindt. Dit bezwaar van willekeur geldt alle opvattingen die behoren tot deze tweede groep en de bijzinnen slechts ten dele coördineren.

De derde groep wordt gekenmerkt door een afwijzen van een coördinatie. Iedere bijzin wordt daarbij gezien als afhankelijk van de voorafgaande zin (vgl. hiervoor bijvoorbeeld Roberts 1963: 134v. en Gnilka 1971: 213). De gave van de ambtsdragers is zo gericht op de toerusting van de heiligen. Die toerusting is weer gericht op het dienstbetoon dat de heiligen verrichten. Dit dienstbetoon is tenslotte gericht op de opbouw van het lichaam. Alleen bij deze opvatting is er een werkelijke overeenstemming van het in vers 12 gezegde met het in vers 16 gezegde. De ambtsdragers nemen de opbouw van het lichaam van Christus van de gelovigen niet over. Ze maken de gelovigen niet tot — wat J. Gnilka (1971: 213) noemt — patiënten of cliënten. Ze verlenen de gelovigen wat nodig is voor hun dienstbetoon waardoor het lichaam van Christus gebouwd wordt.

 

De toerusting van de heiligen

Het eigenlijke doel van het werk van de ambtsdragers wordt dus aangewezen in de toerusting van de heiligen. Voor het met “toerusting” weergegeven woord wordt in het Grieks een uitzonderlijk woord gebruikt, namelijk het woord katartismos. In het Nieuwe Testament komt het slechts in Ef. 4: 12 voor. Wel is het

|55|

woord ook uit de oudkerkelijke literatuur bekend. Zo gebruikt bijvoorbeeld Ignatius het in zijn brief aan de Efeziërs (2: 2), in zijn brief aan de Filadelfiërs (8: 1) en in zijn brief aan de Smyrneërs (1: 1). Woorden met dezelfde stam komen in het Nieuwe Testament vaker voor.

Door het woord katartismos wordt dat aangegeven wat iets of iemand artios maakt. Dit laatste woord betekent “beantwoordend aan een gesteld doel”, “voldoend aan gestelde eisen” en zo ook “rechtschapen”, “onberispelijk”, “normaal”. Het komt voor in 2 Tim. 3: 17 waar gesproken wordt over de mens Gods die artios moet zijn, dat wil zeggen die zo moet zijn, zoals van een Christen — door God en mensen — verwacht mag worden (vgl. Delling 1933: 474v.).

Gezien tegen deze achtergrond is duidelijk, dat het woord katartismos tal van vormen van toerusting of voorbereiding kan aangeven. Het kan gebruikt worden voor het uitrusten van schepen, voor het oefenen van een leger en als medische term voor het spalken van een been of het in het lid zetten van een arm. Steeds gaat het om het verlenen van dat waardoor iets of iemand aan zijn doel kan beantwoorden en ten volle kan functioneren. Deze betekenis is ook aan de orde, wanneer gesproken wordt over de toerusting van de heiligen door de ambtsdragers. Het is de taak van de ambtsdrager om dat aan de gelovigen te doen toekomen waardoor zij als leden van het lichaam van Christus aan hun doel kunnen beantwoorden en ten volle kunnen functioneren. Vaak beweegt de betekenis van het woord katartismos zich in de sfeer van de toerusting door onderwijs of instructie. In deze sfeer zal ook de toerusting van de heiligen door de ambtsdragers allereerst te zoeken zijn (vgl. Roberts 1963: 159). Omdat in het (directe) vervolg het beeld van het lichaam gebruikt wordt, ligt het voor de hand om het woord “toerusting” mee op te vatten als medische term met de betekenis “spalken” en “in het lid zetten”. G. Delling (1933: 475) gaat in deze richting, wanneer hij sterke nadruk legt op het “bevestigen” van de gelovigen in de dienst van het Koninkrijk van God. Uitsluitend aan de betekenis, uitgaande van de medische term, te denken geeft stellig een onjuiste beperking van de bedoeling (vgl. Gnilka 1971: 213, n. 4). Wel is aan te nemen, dat de verschillende betekenissen elkaar aanvullen. De gedachte is dan, dat door de toerusting in de zin van het onderwijs of de instructie de gelovigen de vastheid ontvangen waardoor ze in het dienstbetoon kunnen functioneren, zoals een been door het spalken en een arm door het in het lid zetten de vastheid ontvangen, nodig om te kunnen functioneren. Het spalken en het in het lid zetten zijn zo beelden voor het onderwijs of de instructie.

 

De coördinerende taak van het ambt

Reeds eerder werd duidelijk, dat het in Ef. 4: 16 gezegde zich nauw aansluit bij het in Ef. 4: 11v. gezegde. Ook in vers 16 worden de ambtsdragers van alle andere gelovigen onderscheiden, terwijl tegelijk de relatie tussen die ambtsdragers en alle andere gelovigen wordt aangegeven. Dit gebeurt met gebruikmaking van een beeldspraak waarbij medische terminologie een grote rol speelt. Dat laatste hoeft niet te verwonderen, wanneer we bedenken, dat het beeld dat uitgewerkt wordt het beeld van het lichaam is. Gezegd wordt: “En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht die elk lid op zijn wijze oefent deze groei van het lichaam om zichzelf op te bouwen in de liefde”.

|56|

Hier worden de “geledingen” onderscheiden van “elk lid”. Voor het woord dat in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap met “geledingen” is weergegeven (in de Statenvertaling met “voegselen”, in de oudere zuidafrikaanse vertaling met “elk lid” en in de zuidafrikaanse vertaling van 1979 met “verskillende liggaamsdele”) staat in het Grieks het woord haphè. Dit woord heeft verschillende betekenissen. Afgeleid van het werkwoord haptein dat allereerst “aanraken” betekent, kan het de aanduiding zijn van de tastzin, maar ook van een wond (een pijnlijke aanraking!). Het kan ook in het algemeen “verbinding”, “contactpunt” betekenen. In de medische terminologie heeft het de betekenis “pees”, “band”, “spier”. Aan deze betekenis is zonder twijfel in Ef. 4: 16 te denken. Er zijn in het lichaam van Christus allerlei “pezen”. Algemeen neemt men aan, dat met deze haphai concreet de in vers 11 genoemde ambtsdragers bedoeld moeten zijn (zo bijvoorbeeld Scott 19487: 214; Roberts 1963: 139v., 159v.; Schlier 19686: 208; Gnilka 1971: 220; Merklein 1971: 115). Daartegenover is de uitdrukking “elk lid” (in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap) de aanduiding van iedere gelovige.

De plaats van de ambtsdragers in de kerk is dus te vergelijken met de plaats van de pezen in een lichaam. De functie daarvan is naar oude opvatting tweeërlei. Allereerst dienen ze om in het lichaam verbindingen te leggen. Daardoor wordt aan het lichaam vastheid gegeven. Een lichaam zonder pezen zou uiteenvallen en is dus ondenkbaar. Bij deze functie van de pezen sluit aan de karakterisering van de kerk als een lichaam dat “een welsluitend geheel” is en “bijeengehouden” wordt. Tussen deze uitdrukkingen is nauwelijks enig verschil te maken (vgl. Schlier 19686: 207). Ze versterken elkaar slechts en laten uitkomen, dat de kerk geen lichaam is met los van elkaar functionerende leden, maar een lichaam waarin de leden op de juiste wijze aan elkaar verbonden zijn en op elkaar inwerken.

Hiertoe zijn dus de ambtsdragers gegeven. Ze hebben coördinerend op te treden met betrekking tot de dienst van de andere gelovigen. De gelovigen kunnen in hun dienstwerk (wellicht met de beste bedoelingen) toch langs andere gelovigen heenwerken of zelfs tegen andere gelovigen inwerken. De ambtsdragers hebben dit te voorkomen. In deze coördinatie is iets van het eigene en specifieke van het ambt te onderkennen in onderscheid van de dienst of het charisma van alle andere gelovigen. Dit aspect van de coördinatie waardoor vastheid en vorm aan het lichaam van Christus gegeven wordt sluit aan bij het element van de vastheid dat ook tot de betekenis van het woord “toerusting” (katartismos) in vers 12 behoort.

 

De stimulerende taak van het ambt

Naar oude opvatting is de functie van de pezen in een lichaam ook die van de voedselvoorziening. De pezen werden ook beschouwd als de kanalen die het lichaam tot in de verste uithoeken het voedsel toevoeren. Met J. Gnilka (1971: 219) is te zeggen: “Aan die contactpunten in het organisme werd evenwel niet slechts de functie toegekend het lichaam bijeen te houden, maar ook de nog belangrijker functie het te verzorgen, doordat ze als kanalen voedsel en levenskrachten verder brengen”. Bij deze functie sluit aan het woord dat direct aan het woord haphè verbonden is en in de vertaling van het Nederlandse Bijbelgenootschap weergegeven wordt met “dienst” in de uitdrukking “door de dienst van al

|57|

zijn geledingen”. Voor dit woord staat in het Grieks het woord epichorègia dat “hulp”, “ondersteuning”, “voorziening” betekent. Het spreekt van de (voedsel)-voorziening die voor het lichaam nodig is om te kunnen functioneren en om te kunnen groeien (vgl. Roberts 1963: 159). Letterlijk is de uitdrukking die met “door de dienst van al zijn geledingen” is weergegeven (dia pasès haphès tès epichorègias), weer te geven met “door iedere pees, bestemd voor de voedselvoorziening”.

Ook hiertoe zijn dus de ambtsdragers gegeven. Ze hebben niet alleen coördinerend, maar vooral ook stimulerend op te treden met betrekking tot de dienst van de andere gelovigen. Voortdurend moet het lichaam van Christus gevoed worden. Daarbij is concreet te denken aan de voortdurende verkondiging van het Woord en het voortdurend onderricht in het Woord. Daarin alleen vinden de gelovigen het voedsel om als leden van het lichaam van Christus te kunnen functioneren en dat lichaam te kunnen opbouwen. Zo is het charisma van de gelovigen afhankelijk van het ambt van de ambtsdragers. Zoals er zonder de voedselvoorziening van de pezen als de kanalen in het lichaam geen functioneren van de verschillende leden kan zijn, zo kan er zonder de dienst van de ambtsdragers geen functioneren van de gelovigen zijn. Uiteraard gaat het er bij het voedsel om, dat het zuiver is. Het mag geen vergiftigd voedsel zijn. Zo moeten de ambtsdragers ook kanalen zijn van het zuivere voedsel van het Woord. Ze moeten als ambtsdragers schuil gaan achter het Woord en mogen nooit het Woord verduisteren (vgl. de waarschuwing in vers 14 tegen allerlei wind van leer en tegen het tot dwaling verleidende valse spel van de mensen). Ook in dit stimuleren en voeden van de gelovigen is het eigene en specifieke van het ambt te onderkennen in onderscheid van de dienst of het charisma van alle andere gelovigen. Coördineren en stimuleren kunnen de twee kernwoorden van het ambtswerk genoemd worden. Dit aspect van het stimuleren, doordat het lichaam ontvangt wat het aan kracht nodig heeft, sluit ook heel duidelijk aan bij de betekenis “toerusting door onderwijs en instructie” die we als eerste betekenis van het woord katartismos in vers 12 aantroffen. Wat in vers 12 over het doel van het ambtswerk gezegd wordt, vindt zijn verduidelijking in het in vers 16 gebruikte beeld van de pezen.

 

Het ambt is geen doel in zichzelf

De lijn van vers 12 wordt eveneens in vers 16 doorgetrokken wat betreft alle gelovigen. Zoals in vers 12 de opbouw van het lichaam van Christus gezien wordt als vrucht van het dienstbetoon van de gelovigen, zo zegt vers 16, dat de opbouw van dat lichaam tot stand komt door de kracht die aan Christus ontleend is, maar die tegelijk door iedere gelovige (“elk lid”) op zijn wijze geoefend wordt. Het is het lichaam dat zichzelf opbouwt in de liefde.

Zo is — zowel in vers 12 als in vers 16 — de dienst van de ambtsdragers toegespitst op de dienst van alle gelovigen. De dienst van alle gelovigen veronderstelt de dienst van de ambtsdragers en de dienst van de ambtsdragers veronderstelt de dienst van alle gelovigen. Zoals de dienst van alle gelovigen niets is zonder de dienst van de ambtsdragers, zo is ook de dienst van de ambtsdragers niets zonder de dienst van de gelovigen.

Het ambt is dus geen doel in zichzelf. Het vindt zijn doel in het charisma. Het functioneert door het charisma te doen functioneren. De dienst van de ambtsdragers

|58|

staat als werkelijke dienst temidden van alle andere diensten. Tegelijk heeft deze dienst door zijn coördinerend en stimulerend karakter een eigen en unieke plaats temidden van alle andere diensten.

 

2.3 De ambtsdragers

De apostelen

In Ef. 4: 11 is sprake van het ambt van apostel, het ambt van profeet, het ambt van evangelist en het ambt van herder en leraar.

Het is niet zonder reden, dat in de opsomming van vers 11 de apostelen de eerste plaats innemen. Zij zijn van fundamentele betekenis voor de kerk, zoals ook in Ef. 2: 20 wordt aangegeven. Zij zijn direct door Christus zelf geroepen om zijn geheimenis bekend te maken (Ef. 3: 3). Wat elders in de brief over de apostelen gezegd wordt maakt duidelijk, dat we in overeenstemming daarmee, bij het woord “apostelen” in Ef. 4: 11 hebben te denken aan de twaalven met Paulus. Het is niet te ontkennen, dat in andere brieven van Paulus sprake is van een grotere groep van apostelen. Zo rekent Paulus in Rom. 16: 7 Andronikus en Junias tot de apostelen en wijst vooral het onderscheid dat in 1 Kor. 15: 7 gemaakt wordt tussen “al de apostelen” en de twaalven in de richting van een grotere groep (vgl. hiervoor Brockhaus 1972: 112-123 en Van Bruggen 1984: 9-64). Toch dwingt het woordgebruik in de brief aan de Efeziërs ertoe om de groep van de apostelen in Ef. 4: 11 te beperken tot de twaalven met Paulus (zie bijvoorbeeld Schlier 19686: 196).

De groep van de in deze zin bedoelde apostelen was een duidelijk herkenbaar ambtelijke groep. Dat deze apostelen in de kerk de plaats innamen van de haphai, de pezen in een lichaam, is niet te betwijfelen. Als geautoriseerde gezanten van Christus brachten zij de openbaring van het geheimenis van Christus (vgl. Ef. 3: 8v.). Daarin bezit de kerk van alle eeuwen het voedsel dat haar in staat stelt als lichaam van Christus te functioneren en te groeien. In een bepaald opzicht neemt het ambt van apostel een aparte plaats in onder de ambten. Paulus wist zich immers heel duidelijk de laatste van de apostelen (1 Kor. 15: 8). Anders dan andere ambten kon het ambt van apostel niet op anderen overgaan. Het was gebonden aan het ooggetuige-zijn van Christus (vgl. Hand. 1: 22).

 

De profeten

Het tweede ambt dat genoemd wordt is dat van profeet. Bij een profeet hebben we niet uitsluitend en zelfs niet in de eerste plaats te denken aan iemand die de toekomst voorspelt. Wat het wezen van de profetie uitmaakt, geeft Paulus duidelijk aan in 1 Kor. 14. Wie profeteert, spreekt stichtend, zegt Paulus in 1 Kor. 14: 4. Het woord van een profeet is stichtend, doordat het vermanend en bemoedigend is (1 Kor. 14: 3). In het bijzonder hoort tot de profetie het inzicht in de “geheimenissen” (1 Kor. 13: 2). Zo kan een profeet ook het verborgene van iemands hart aan het licht brengen waardoor iemand tot bekering en aanbidding van God komt (1 Kor. 14: 24v.). De profetie is dus een vorm van verkondiging. Als zodanig is ze evenwel niet allereerst een ontvouwing van het in de apostolische traditie gegeven evangelie maar een door de Geest geschonken toepassing en onthulling van dat evangelie met het oog op concrete situaties van de kerk of

|59|

van leden van de kerk (vgl. vooral Greeven 1977: 307-325; zie ook Kertelge 1972: 119vv.). Daarbij blijven de profeten overigens wel aan het in de apostolische traditie gegeven evangelie gebonden. De profetie moet immers geschieden in overeenstemming met het geloof (Rom. 12: 6). Met H.N. Ridderbos (1966: 504) is te zeggen, dat daarmee niet bedoeld wordt, dat iedere profeet naar de maat van het hem toebedeelde geloof moet profeteren. Dit zou een te algemene en moeilijk te verstane maatstaf zijn. Kennelijk gaat het hier om een meer objectieve norm: het geloof naar zijn inhoud of het geloof in de zin van het in de apostolische traditie gegeven evangelie dat geloofd moet worden. Aan die maatstaf moet de profetie getoetst worden. Daarom moeten de profeten op elkaar toezien. De geesten van de profeten zijn immers aan de profeten onderworpen, zoals Paulus in 1 Kor. 14: 32 zegt (vgl. Greeven 1977: 320-323).

Uit Ef. 4: 11 en ook uit 1 Kor. 14: 32 blijkt, dat de profetie niet slechts incidenteel — bijvoorbeeld tijdens de eredienst — aan iemand geschonken wordt. Bepaalde mensen zijn zo door de profetie gekwalificeerd, dat ze als profeten bekend staan in de kerk. Voor Paulus vormen dus ook de profeten een duidelijk als zodanig herkenbare groep in de kerk (vgl. bijvoorbeeld Ridderbos 1966: 505). Omdat hun dienst even duidelijk het karakter van de haphai, de pezen in een lichaam vertoont, is hun dienst een ambtelijke dienst te noemen. Het coördinerende en stimulerende is aan de profetie immers niet te ontzeggen, maar is er juist typerend voor.

Aan het Nieuwe Testament is geen enkele aanwijzing te ontlenen, dat het profetisch ambt, in de zin zoals Paulus daarover spreekt in 1 Kor. 14, op een bepaald moment in de geschiedenis van de kerk zou (moeten) ophouden. Paulus spreekt uitsluitend positief over de profetie, ondanks al zijn kritiek op het concreet functioneren van de profeten in de kerk van Korinte (vgl. 1 Kor. 14: 29-33). Hij doet de oproep horen om naar de profetie te streven (1 Kor. 14: 39). Hij geeft ook de vermaning om de Geest niet uit te doven en de profetieën niet te verachten (1 Tess. 5: 19v.). Omdat hij in één verband over het uitdoven van de Geest en het verachten van de profetieën spreekt, zal hij wel bedoelen, dat het verachten van de profetieën niets minder is dan het uitdoven van de Geest. Er is geen enkele reden te noemen waarom deze oproep en deze vermaning slechts voor een bepaalde tijd (namelijk Paulus’ eigen tijd) of voor een bepaalde kerk (namelijk die van Korinte of van Tessalonica) zouden gelden. In dit opzicht is er een duidelijk verschil tussen de apostelen en de profeten, ook al worden ze vaak — zoals ook in Ef. 4: 11 — in één adem genoemd.

 

De evangelisten

In de derde plaats wordt in Ef. 4: 11 gesproken over de evangelisten. Naast de vermelding van de evangelisten in Ef. 4: 11 komt het woord “evangelist” nog slechts op twee plaatsen in het Nieuwe Testament voor. In Hand. 21: 8 wordt Filippus, een van de zeven, tevens “de evangelist” genoemd en in 2 Tim. 4: 5 wordt Timoteüs opgeroepen het werk van een evangelist te doen. In deze aanduiding ligt besloten, dat evangelisten op een bepaalde wijze het evangelie verkondigen. Algemeen zijn de nieuwtestamentici van overtuiging, dat de in het Nieuwe Testament genoemde evangelisten nauw aan de apostelen en hun missionaire dienst verbonden waren. Een sterke aanwijzing in dit richting is het feit, dat

|60|

Paulus in 1 Tess. 3: 2 Timoteüs een hem van God geschonken medewerker in het evangelie van Christus noemt. Wat we verder met betrekking tot Timoteüs lezen geeft de indruk, dat we hem als de aan Paulus verbonden zendeling van de tweede fase van het zendingswerk hebben te zien. Waar Paulus een kerk mocht stichten, konden evangelisten als Timoteüs door hem in die kerk achtergelaten worden om voor de opbouw van de kerk na de stichting zorg te dragen. Nadrukkelijk wordt door Paulus in deze in tot Titus gezegd in Tit. 1: 5: “Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij in orde zoudt brengen hetgeen nog verbetering behoefde ...” (vgl. ook Friedrich 1935: 735). Terecht wordt dan ook door H.N. Ridderbos (1966: 507) opgemerkt, dat het getal evangelisten groter geweest kan zijn dan uit het geringe gebruik van de naam evangelist valt af te leiden. Hij verwijst daarbij naar 2 Kor. 8: 18; Kol. 4: 11 en Fil. 4: 3 waar sprake is van “medewerkers” van Paulus.

Ook bij de evangelisten is zo te spreken van een duidelijk herkenbare groep. Wanneer Filippus “de evangelist” genoemd wordt in Hand. 21: 8, wordt hij aangeduid als de vervuller van een bepaalde functie waardoor hij gekwalificeerd werd. In Hand. 8: 4 wordt wel van allen die na de vervolging, volgend op de dood van Stefanus, verstrooid werden gezegd, dat zij het land doortrokken, “het evangelie verkondigende”, maar toch waren deze allen geen “evangelisten” in de specifieke zin waarin Filippus als de evangelist bekend stond. Dat ook de dienst van de evangelisten een ambtelijke dienst genoemd kan worden, vloeit voort uit hun wel heel duidelijk functioneren als de haphai, de pezen in het lichaam van Christus. Aan hen, als de opbouwwerkers, heeft een kerk in een opbouwfase wel bijzonder veel op het punt van coördineren en stimuleren te danken.

Ook van de evangelisten is beslist niet te zeggen, dat hun ambt volgens het Nieuwe Testament een einde gevonden heeft of een einde zou vinden. Meestal ontleent men dit aan de nauwe verbinding van de evangelisten aan de apostelen. Zo zegt ook H.N. Ridderbos (1966: 508) zeer pertinent: “Met het uitsterven van de apostelen verdwijnen ook de evangelisten”. Met L. Floor (1964: 42) is evenwel te bedenken, dat de evangelisten niet aan de apostelen als ooggetuigen van Christus verbonden waren. In dat geval zouden inderdaad met het uitsterven van de apostelen ook de evangelisten verdwenen zijn. De evangelisten waren “baie duidelik”, zoals Floor zegt, aan de apostelen als zendelingen verbonden. Waar zendelingen in de kerk van alle eeuwen zijn en blijven, zijn en blijven ook evangelisten in die kerk om het opbouwwerk van de tweede fase te verrichten.

 

De herders en leraars

Tenslotte wordt in Ef. 4: 11 het ambt van herder en leraar vermeld. Gezien de constructie in het Grieks zullen we bij de herders en leraars hebben te denken aan mensen die een en hetzelfde ambt bekleden. In het Grieks zijn de zelfstandige naamwoorden “herders” en “leraars” aan elkaar verbonden door het verbindingspartikel “en”, terwijl het eerste zelfstandige naamwoord voorafgegaan wordt door een bepaald lidwoord en het tweede niet. In zo’n geval geldt het bepaalde lidwoord voor de beide zelfstandige naamwoorden en gaat het bij de beide zelfstandige naamwoorden om één persoon of zaak (vgl. Bl.-Debr. § 276,1; zie ook wat Ef. 4: 11 betreft Rengstorf 1935: 161; Scott 19487: 210; Grosheide 1960: 66; Schlier 19686: 196v.). F.W. Grosheide (1960: 66) geeft de bedoeling

|61|

goed weer, wanneer hij zegt: “Het gaat om herders, die ook leraars zijn”. Het herder-zijn en het leraar-zijn zijn dus twee aspecten van één ambt.

De herders worden elders in het Nieuwe Testament vereenzelvigd met de oudsten en met de opzieners. Het eerste is het geval in 1 Pet. 5: 1vv. waar gezegd wordt: “De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste ... hoedt de kudde Gods die bij u is ... als voorbeelden van de kudde”. Het tweede is het geval in Hand. 20: 28 waar gezegd wordt: “Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft om de gemeente Gods te weiden die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft”. Dat het herderswerk zowel het werk van de oudsten als dat van de opzieners is, is een van de argumenten om ook bij de oudsten en de opzieners aan dezelfde menen te denken. Andere argumenten versterken deze gedachte slechts. Zo worden de mensen die in Hand. 20: 28 door Paulus als “opzieners” gekarakteriseerd worden even daarvoor — in Hand. 20: 17 — “oudsten” genoemd. Ook in de pastorale brieven worden met de woorden “oudsten” en “opzieners” dezelfde mensen bedoeld. In Tit. 1: 5v. wordt van de oudsten gezegd, dat zij “onberispelijk” moeten zijn. In Tit. 1: 7 wordt zonder overgang naar een andere categorie mensen hetzelfde van de opziener gezegd. De eisen die blijkens Tit. 1: 5-9 aan de oudsten te stellen zijn, zijn zo verwant aan de eisen die blijkens 1 Tim. 3: 2-7 aan de opzieners te stellen zijn, dat die eisen vrijwel identiek te noemen zijn (zie voor het gebruik van beide woorden verder in het Nieuwe Testament Versteeg 1982: 11vv.). Met J.H. Roberts (1963: 153) kan het dus “as seker aanvaar word”, dat de dienst van de in Ef. 4: 11 genoemde herders dezelfde is als die van de oudsten of opzieners.

Het herderlijk werk spreekt van de pastorale zorg voor de gemeente. Als herders mogen de oudsten de andere gelovigen in de kerk voorgaan en leiden. In het bijzonder behoort ook tot hun dienst, dat zij waken over de kudde die hun is toevertrouwd door haar te beschermen tegen dwaalleraars die als “grimmige wolven” de kudde willen verstrooien. Hiervan spreekt niet alleen Hd. 20: 29, maar ook de context van Ef. 4: 11, wanneer in Ef. 14 het gevaar van “allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid die tot dwaling verleidt” aan de orde gesteld wordt.

Bij het aspect van het herder-zijn voegt zich het aspect van het leraar-zijn. Ook bij de leraars hebben we dus concreet aan de oudsten of opzieners te dienen. Deze leraars komen we door heel het Nieuwe Testament heen tegen (vgl. Hd. 13: 1; 1 Kor. 12: 28v.; 2 Tim. 4: 3). Ter onderscheiding van de profeet is de leraar wel iemand die het in de apostolische traditie gegeven evangelie heeft te ontvouwen. De leraar draagt er zorg voor, dat de traditie wordt doorgegeven en de juiste zin van de traditie wordt verstaan. Op een karakteristieke wijze komt dit naar voren in 2 Tim. 2: 2 waar Timoteüs vermaand wordt om wat hij gehoord heeft onder vele getuigen weer toe te vertrouwen aan vertrouwde mensen die bekwaam zijn om ook anderen te leren. Uiteraard gaat het bij dit leren niet om een theoretische aangelegenheid. Het leren is ook sterk parenetisch bepaald. Een leraar mag ook aangeven, hoe vanuit de apostolische traditie — en daaraan is toe te voegen: evenzeer vanuit het Oude Testament — de wegen lopen die een gelovige te bewandelen heeft. De woorden “leren” en “wandelen” worden dan ook vaak in één verband gebruikt. Dat is bijvoorbeeld het geval in Kol. 2: 7 waar de woorden “zoals u geleerd is” direct volgen op de vermaning “wandelt in Hem” (Kol. 2: 6).

|62|

Zoals de joodse schriftgeleerde vanuit de traditie de weg — de halacha — heeft te wijzen, zo is het de roeping van de christelijke leraar om dit te doen vanuit de apostolische traditie (vgl. Kertelge 1972: 123; Greeven 1977: 328v.).

Dat de oudsten, optredend als herders en leraars een duidelijk herkenbare groep vormden, is niet te betwijfelen. Het voorgaan in de kerk is niet iets dat incidenteel en door steeds wisselende mensen kan gebeuren. Het vraagt integendeel continuïteit, zowel wat de tijd als wat de mensen betreft. Bij het leren is het niet anders. Terecht zegt H. Greeven (1977: 326), dat het tot het leren als zodanig behoort, dat het niet nu door de een en dan weer door een ander uitgeoefend kan worden. De verhouding tussen leraar en leerling verlangt continuïteit. Zonder deze continuïteit kan het onmogelijk tot leren komen. De conclusie kan slechts zijn, dat de herders en leraars als zodanig bekende en erkende leden van de kerk moeten zijn. De herders en leraars zijn ook duidelijk de haphai, de pezen van het lichaam van Christus en als zodanig ambtsdragers in de kerk. Door als herders te hoeden en als leraars te onderrichten doen ze niets anders dan coördineren en stimuleren. Misschien mag het coördineren iets meer betrokken worden op het herder-zijn. Daardoor wordt immers vooral de ene kudde bijeen gehouden. Het stimuleren is zo misschien iets meer te betrekken op het leraar-zijn. Daardoor wordt immers vooral het lichaam van Christus met het evangelie gevoed waardoor het zichzelf kan opbouwen in de liefde.

 

3. Geen geïsoleerd beeld in Ef. 4: 7-16

Het beeld van de apostel elders in het Nieuwe Testament

Het beeld dat in Ef. 4: 7-16 van het ambt getekend wordt staat in de rest van het Nieuwe Testament en in de rest van de brieven van Paulus niet op zichzelf. Het beeld mag elders variaties vertonen, maar het is overal essentieel hetzelfde.

Door heel het Nieuwe Testament heen komen we het — ook in Ef. 4: 11 genoemde — ambt van apostel tegen. Paulus beroept zich op allerlei plaatsen in zijn brieven, vooral ook in de aanhef van die brieven, op zijn apostelschap (zo bijvoorbeeld in Rom. 1: 1 met de woorden: “Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God ...”). Van de erkenning van zijn apostelschap gaat Paulus steeds uit, hetzij hij de erkenning dankbaar constateert, hetzij hij om die erkenning worstelt. Hij is zich voortdurend van zijn bijzondere positie als haphè, coördinerende en stimulerende pees in het lichaam van Christus bewust. Zijn dienst vertoont vooral het karakter van wat volgens Ef. 4: 7-16 bepalend is voor het ambt. Tegenover de ontkenning van velen, dat de (algemeen aanvaarde) brieven van Paulus het ambt kennen is met bijvoorbeeld G. Sevenster (1967: 33) te zeggen, dat men slechts aan het ambt van apostel hoeft te denken om tot de overtuiging te komen, “dat het ambt ook voor de paulinische gemeenten wezenlijke betekenis heeft gehad” (zie ook Sevenster 1956/57: 98v.).

 

Het beeld van de oudste in Handelingen

Het ambt van oudste was al aanwezig in de kerk van Jeruzalem. Mogelijk wordt het ontstaan van dit ambt — zonder dat het woord “oudste” gebruikt wordt — beschreven in Hd. 6 in de geschiedenis van de aanstelling van “de zeven mannen”.

|63|

Niet alleen doet het getal zeven direct denken aan de zeven mannen die in een plaats met een zuiver joodse bevolking de raad van oudsten vormden, maar ook zijn de voorwaarden die aan de zeven mannen gesteld werden (Hand. 6: 3) dezelfde als de voorwaarden voor de joodse oudsten. De dienst van de zeven mannen had zonder twijfel wel een diakonaal aspect, maar is toch niet zonder meer te identificeren met wat wij kennen als het ambt van diaken. De vragen waarvoor de zeven mannen gesteld werden betroffen niet minder de leiding en organisatie van de kerk dan het diakonaat. Het valt dan ook op, dat het woord “diaken” in Hd. 6 niet gebruikt wordt, terwijl wel het overeenkomstige werkwoord en het woord “diakonie” of “dienst” gebruikt worden. Waar in Hd. 6, 7 en 8 het concrete werk van de zeven mannen binnen de gezichtskring komt, blijkt dat werk bovendien veel meer te omvatten dan een specifiek diakonale taak. Het herinnert duidelijk aan wat elders in het Nieuwe Testament als het werk van een oudste wordt aangegeven. Zo wordt ook doorzichtig, waarom in Hd. 15 en 16 in één adem over “de apostelen en de oudsten” gesproken kan worden. Wanneer in de zeven mannen de eerste oudsten te onderkennen zijn, waren de oudsten vanouds nauw aan de apostelen verbonden. Waar de apostelen afwezig waren of wegvielen, namen de oudsten hun taak over (zie verder Versteeg 1982: 19vv.).

Om deze reden stelde ook Paulus in de kerken die hij stichtte oudsten aan, zoals bericht wordt in Hand. 14: 23. De historiciteit van dit gegeven wordt evenwel fel betwist. Vooral E. Käsemann (19706: 130vv.) ziet hierin geen weergave van een feitelijke situatie uit de tijd van de zendingsreizen van Paulus, maar een inkleuring van de geschiedenis van uit de latere situatie van de kerk. Met zijn wijze van beschrijving van de geschiedenis wilde Lukas de praktijk van de vroegkatholieke (“frühkatholische”) kerk een apostolisch fundament geven en zo propageren. Voor zijn eigen besef was hij daarbij niet bezig met het vervalsen van de geschiedenis, maar hanteerde hij het meest effectieve middel (“wirksamstes Kampfmittel”) in de strijd tegen het enthousiaste spiritualisme waardoor de kerk van zijn dagen bedreigd werd. Volgens Käsemann is er in de (algemeen aanvaarde) brieven van Paulus nog geen sprake van het ambt van oudste.

 

Het beeld van de oudste in 1 Tess. 5: 12v.

Hier is tegen in te brengen, dat niet alleen in Ef. 4: 11 — in wat gezegd wordt over de herders en leraars — maar ook op andere plaatsen in de (algemeen aanvaarde) brieven van Paulus duidelijke sporen van het ambt van oudste herkenbaar zijn.

Een belangrijk gegeven in dit verband is 1 Tess. 5: 12v. waar Paulus zegt: “Wij verzoeken u, broeders, hen die onder u zich moeite getroosten, die u leiden in de Here en u terechtwijzen te erkennen en hen zeer hoog te schatten in liefde om hun werk”. Het gaat hier om mensen die in de kerk van Tessalonica een bepáálde dienst verrichtten en die daarom op een bijzondere wijze erkend moesten worden. Op welke dienst Paulus doelt is te ontlenen aan de drie door hem gebruikte werkwoordsvormen. De eerste werkwoordsvorm (kopioontas) die in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap is weergegeven met “die zich moeite getroosten” betekent in eerste instantie “die zich inspannen”, “die zich afmatten”, “die zich met grote inspanning inzetten”. De laatste werkwoordsvorm (nouthetountas) die is weergegeven met “die terechtwijzen" betekent in eerste instantie “die vermanen” of “die waarschuwen”. Moeilijker te bepalen is de

|64|

betekenis van de middelste werkwoordsvorm (prohistamenous), weergegeven met “die leiden”. Het werkwoord waarvan deze vorm afgeleid is kan zowel “leiding geven” als “zorgen voor”, “zich bekommeren om” betekenen. Wat het Nieuwe Testament betreft staat de eerste betekenis op de voorgrond in 1 Tim. 3: 4v., 12; 5: 17, terwijl dat voor de tweede betekenis het geval is in Tit. 3: 8, 14. Waarschijnlijk zullen in 1 Tess. 5: 12 de beide betekenissen als bepalend voor de zin van het hier gebruikte werkwoord aangenomen mogen worden. Het is trouwens de vraag, of waar elders in het Nieuwe Testament op een van de beide betekenissen de nadruk valt, toch ook niet de andere meeklinkt. In 1 Tim. 3: 4v. waar onmiskenbaar de betekenis “leiding geven” het meest voor de hand ligt, wordt in hetzelfde verband toch ook over de zorg voor de kerk gesproken, zodat de betekenis “zorgen voor” op de achtergrond staat. Met U. Brockhaus (1972: 107) is te zeggen, dat het werkwoord “een zorgvolle leiding of een leidinggevende zorg beschrijft waarbij nu eens het ene dan weer het andere element nadruk ontvangt, maar waarbij geen van beide elementen helemaal afwezig is”.

Bij de door Paulus genoemde mensen die zich moeite getroosten, die leiden in de Here en die terechtwijzen is niet aan drie groepen mensen binnen de kerk van Tessalonica te denken, maar slechts aan één groep voor wie deze drie aanduidingen van toepassing waren. Hierop wijst het ene bepaalde lidwoord dat aan de drie werkwoordsvormen voorafgaat en — evenals bij de uitdrukking “herders en leraars” — laat uitkomen, dat met de verschillende aanduidingen dezelfde mensen bedoeld zijn. Hierop wijst ook het spreken over het “werk” in het enkelvoud in de uitdrukking “om hun werk” (vgl. Morris 1959: 166; Roosen 1971: 120).

Bij de woorden uit 1 Tess. 5: 12 zijn twee dingen vooral van belang. Het eerste is, dat deze brief — naar algemeen wordt aangenomen — de oudste ons bewaard gebleven brief van Paulus is. De brief brengt ons dus in een vroege fase van de geschiedenis van de kerken, voortgekomen uit het zendingswerk van Paulus. Het tweede is, dat deze brief — zoals ook algemeen wordt aangenomen — betrekkelijk kort na de stichting van de kerk van Tessalonica is geschreven. In de oudste periode van de paulinische kerken en direct na de stichting was er dus in de kerk van Tessalonica reeds een aparte, herkenbare groep gelovigen voor wie Paulus nadrukkelijk erkenning en hoogachting vroeg. Daarbij karakteriseerde hij in zijn vermaning die gelovigen zelf en niets slechts hun werkzaamheden. Bovendien ligt in de gebruikte karakteriseringen een element van duurzaamheid. Dit alles bewijst, dat de dienst van deze gelovigen in Tessalonica een ambtelijke dienst was, in de zin zoals daarover gesproken wordt in Ef. 4: 7-16 (vgl. vooral Brockhaus 1972: 108). De gebruikte karakteriseringen maken het ook onmogelijk om bij hen voor wie Paulus erkenning en hoogachting vroeg aan anderen te denken dan aan oudsten. Deze karakteriseringen komen immers exact overeen met wat elders in het Nieuwe Testament als karakteristiek voor de oudsten wordt aangegeven.

De historiciteit van de aanstelling van oudsten door Paulus zelf in de door hem gestichte kerken waarover Hand. 14: 23 bericht is dus niet in twijfel te trekken. Dat in de kerk van Tessalonica zo kort na de stichting van de kerk oudsten waren, moet teruggaan op een aanstelling door Paulus. Weliswaar wordt in 1 Tess. 5: 12 het woord “oudste” niet gebruikt. Mogelijk was dit titel op dat moment ook nog niet gebruikelijk. Er zijn inderdaad aanwijzingen, dat de titel

|65|

“opziener” in de kerken op het zendingsterrein van Paulus eerder inburgerde dan de titel “oudste” (vgl. Versteeg 1982: 12). De inhoudelijke kant van het ambt van oudste werd evenwel reeds gevonden in de kerk van Tessalonica in de tijd van het schrijven van de eerste brief aan deze kerk.

 

Het beeld van de oudste in Gal. 6: 6

Een overeenkomstige conclusie is te trekken uit Gal. 6: 6. Hierin geeft Paulus de vermaning: “En hij die onderricht wordt in het woord dele van alle goed mee aan wie dat onderricht geeft”. De uitdrukking “aan wie onderricht geeft” (katèchounti) ziet stellig op iemand die in de kerk het religieuze onderricht verzorgt (vgl. voor deze betekenis ook Hand. 18: 25; Rom. 2: 18; 1 Kor. 14: 19). Aan een specifiek woordgebruik met betrekking tot de catechese, voorafgaande aan de doop, is in de apostolische kerk nog niet te denken. Het gaat in de uitdrukking om het religieuze onderricht in het algemeen.

Gezien het verband van de woorden is niet te betwijfelen, dat het “meedelen van alle goed” betrekking heeft op een materiële ondersteuning. In Gal. 6: 9v. zien de uitdrukkingen “het goede doen” en “doen wat goed is” op een bepaalde vorm van materiële hulpverlening. De verzen 6-10 vormen een samenhangend gedeelte waarin het doen van het goede de hoofdgedachte is. Op wie dat doen van het goede concreet gericht dient te zijn wordt allereerst gezegd in vers 6, namelijk op hen die onderricht geven en tenslotte in vers 10, namelijk op alle mensen, inzonderheid op de geloofsgenoten. Ook het woord “alle” in de uitdrukking “van alle goed” doet denken aan een materiële ondersteuning en verwijst naar alle mogelijke vormen van een dergelijke ondersteuning. Met W. Grossouw (1974: 197) is dan ook te vertalen: “Wie onderricht ontvangt in het woord (Gods) moet zijn leermeester laten delen in alle goeds dat hij bezit”. In dezelfde zin omschrijft P.A. van Stempvoort (19612: 185): “De gemeente heeft haar taak nimmer kunnen vervullen zonder geld en goederen. Een vroeg begin van de moeilijkheden, die hieraan verbonden zijn, vinden we hier. Tot de werken van waarachtige liefde en orde behoort ook, dat de “catechisant” de “catecheet” mededeelt van “alle goed” (anders bijvoorbeeld Oepke 19642: 152, die aan een delen in dezelfde geestelijke rijkdommen denkt).

Uit de vermaning in Gal. 6: 6 blijkt, dat ook in de galatische kerken een duidelijk herkenbare groep gelovigen werkte. De dienst van deze mensen vroeg zo veel van hun tijd, dat zij recht hadden op een materiële ondersteuning. Ook al worden zij in Gal. 6: 6 niet met een bepaalde titel genoemd, in hen zijn niet minder dan in de in 1 Tess. 5: 12 genoemde oudsten te onderkennen die ook als leraars in de oude kerk hun ambt uitoefenden. Op het aspect van het leraar-zijn van het ambt van oudste valt in Gal. 6: 6 alle nadruk. Het mag daarbij niet uit het oog verloren worden, dat de brief aan de Galaten behoort tot de oudste (ons bewaard gebleven) brieven van Paulus. Dat vanaf de stichting van een kerk oudsten in die kerk gefunctioneerd hebben doet ook Gal. 6: 6 uitkomen.

 

Het beeld van de oudste en van de diaken in Fil. 1: 1

De oudsten worden onder de titel “opzieners” expliciet vermeld in de iets oudere brief aan de Filippenzen. In Fil. 1: 1 richten Paulus en Timoteüs zich tot “al de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn, tezamen met hun opzieners en diakenen”.

|66|

Zonder twijfel zijn met “de heiligen” — evenals in Ef. 4: 12 — de gelovigen in het algemeen bedoeld. Van deze heiligen worden de opzieners en diakenen onderscheiden. Zij nemen ten opzichte van de heiligen een bijzondere positie in. Deze positie is niet anders te omschrijven dan als een ambtelijke positie. In tegenstelling tot 1 Tess. 5: 12 en Gal. 6: 6, maar in overeenstemming met Ef. 4: 11 wordt in Fil. 1: 1 niet slechts een groep ambtsdragers onderscheiden, maar blijken deze ambtsdragers ook een vaste ambtsnaam te bezitten.

Men geeft wel een bijzondere reden aan voor de vermelding van de opzieners en diakenen in Fil. 1: 1. Zo meent men wel, dat die vermelding samenhangt met het feit, dat de opzieners en diakenen verantwoordelijk geweest zouden zijn voor de inzameling van de gave die vanuit Filippi aan Paulus gezonden was (Beyer 1935: 90). Ook stelt men wel, dat het met nadruk noemen van de opzieners en diakenen samenhangt met het lijden ter wille van het evangelie dat niet alleen Paulus overkomen was, maar ook de leiders van de kerk te Filippi, namelijk de opzieners en diakenen, overkomen zou zijn (Lohmeyer 195611: 12v.). Noch het een, noch het ander laat zich bewijzen. Naar alle waarschijnlijkheid heeft U. Brockhaus (1972: 100) gelijk, wanneer hij zegt: “De erkenning van deze ambtsdragers en van hun positie in de gemeente is voor Paulus zo vanzelfsprekend, dat hij hen in het adres gewoon aan “al de heiligen” toevoegt” (vgl. ook Gnilka 1970: 233-245).

 

Het beeld van de apostel, profeet en oudste in 1 Kor. 12: 28

Verrassend is vooral de vermelding, niet slechts van de oudsten, maar ook van andere in Ef. 4: 11 genoemde ambtsdragers in 1 Kor. 12: 28. In dit hoofdstuk spreekt Paulus over de verschillende charismata, zoals deze alle teruggaan op de ene Geest en daarom ook alle in de kerk van betekenis zijn. Tot drie keer toe komt in dit hoofdstuk een opsomming van charismata voor. De opsomming in 1 Kor. 12: 28 luidt als volgt: “En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van genezing, bekwaamheid om te helpen, om te besturen en verscheidenheid van tongen”. Uitgerekend deze opsomming van charismata doet ook de aanwezigheid van de ambten in de kerk van Korinte uitkomen.

De opsomming valt namelijk in twee delen uiteen: De apostelen, profeten en leraars vormen het eerste deel van de opsomming en de krachten, gaven en bekwaamheden vormen het tweede deel ervan. Het onderscheid komt op twee punten uit. In de eerste plaats valt bij de woorden “apostelen”, “profeten” en “leraars” alle nadruk op de personen aan wie de gaven van het apostelschap, de profetie en het leraarschap geschonken zijn. Deze gaven zijn dus onlosmakelijk aan bepaalde personen verbonden die ook als persoon blijvend door de hun geschonken gaven gekwalificeerd zijn. Bij de woorden “krachten”, “gaven van genezing”, “bekwaamheid om te helpen, om te besturen en verscheidenheid van tongen” valt alle nadruk op de gaven zelf. De personen gaan meer schuil achter de gaven.

In de tweede plaats worden de uitdrukkingen “ten eerste”, “ten tweede” en “ten derde” slechts gebruikt bij de woorden “apostelen”, “profeten” en “leraars”. De telling loopt verder in de opsomming niet door. Met U. Brockhaus (1972: 215) is wel aan te nemen, dat daardoor de bijzondere plaats van de apostelen,

|67|

profeten en leraars in het geheel van de opsomming aangegeven wordt en dat bij deze vermelding van de apostelen, profeten en leraars door Paulus stereotiepe wendingen uit de traditie overgenomen worden. Aan de ene kant staan dus de apostelen, profeten en leraars op één lijn met alle gelovigen in hun charismatisch dienstwerk in de kerk. Aan de andere kant zijn zij tegelijk van de andere gelovigen onderscheiden. Dat Paulus de eenheid van de apostelen, profeten en leraars met alle andere gelovigen in 1 Kor. 12 onderstreept, hoeft niet te verwonderen. In dit hoofdstuk laat Paulus immers uitkomen, dat niemand in de kerk zich boven een ander verheven mag voelen. Duidelijk is, dat in de kerk van Korinte superioriteitsgevoelens de bron van veel problemen waren. Temeer is het opvallend, dat impliciet in de wijze van opsomming toch het onderscheid tussen de apostelen, profeten en leraars enerzijds en alle andere gelovigen anderzijds door Paulus wordt vastgehouden. Het eigene van de apostelen, profeten en leraars waarop dit onderscheid teruggaat ligt in het karakter van deze diensten als ambtelijke diensten. Ook in 1 Kor. 12: 28 worden dus de ambten van apostel, profeet en oudste (hier ook vermeld naar het aspect van het leraar-zijn) verondersteld (zie verder Brockhaus 1972: 95v.; Versteeg 1985: 35vv.).

 

Het beeld van de oudste in de pastorale brieven

Heel duidelijk — maar wezenlijk niet anders dan in Ef. 4: 7-16 — is van het ambt sprake in de pastorale brieven. Allereerst worden in deze brieven nadrukkelijk de oudsten vermeld die ook als opzieners gekarakteriseerd worden.

Aan de eisen die aan de oudsten gesteld worden in de pastorale brieven is stellig iets af te leiden over de inhoud van hun ambt, hoe algemeen die eisen veelal ook zijn. Gesproken wordt over een goed kunnen bestieren, een onder tucht kunnen houden en een goed zorg kunnen dragen (vgl. bijvoorbeeld 1 Tim. 3: 4v.). Daaruit is stellig op te maken, dat aan de oudsten de leiding van en de zorg voor de kerk is toevertrouwd.

In de pastorale brieven ontvangt het ambt van oudste nog een toespitsing. De oudste (respectievelijk opziener) moet zich — zoals Tit. 1: 9 zegt — “houden aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen”. Hier en ook elders in die pastorale brieven valt een zwaar accent op het bewaren en verdedigen van de gezonde leer tegenover de tegensprekers.

Met E. Schweizer (19626: 70) is te zeggen, dat dit samenhangt met een situatie van de kerk waarin “valse, op dwaalwegen geraakte verkondiging” een feit geworden is. Tegenover de dwaalleer moet de gezonde leer bewaard worden en de oudste is geroepen dat te doen. Hierin is evenwel niet — zoals Schweizer doet — een situatie te zien die wezenlijk verschilt van de situatie die we in de hoofdbrieven van Paulus tegenkomen. Wel valt in de pastorale brieven een zwaar accent op het bewaren van de rechte traditie, maar de aandacht voor de rechte traditie is in de andere brieven van Paulus bepaald niet afwezig. In het bijzonder is te denken aan de wijze waarop Paulus over de traditie spreekt in 1 Kor. 11 en 15. Ook in 1 Kor. 15: 11 heeft het werkwoord “geloven” de betekenis “geloven in de gezaghebbende apostolische traditie”. De uitdrukking “blijven staan in het geloof” heeft bij Paulus overal de betekenis “vasthouden aan de traditie” (vgl. bijvoorbeeld 2 Tess. 2: 14v.; zie verder Ridderbos 1966: 266).

|68|

Het beeld van de diaken in de pastorale brieven

Een andere groep ambtsdragers die in de pastorale brieven duidelijk onderscheiden wordt is de groep van de diakenen. Opvallend is, dat in Ef. 4: 11 het ambt van diaken niet genoemd wordt, terwijl het in Fil. 1: 1 wel vermeld wordt. Evenals in Fil. 1: 1 worden in de pastorale brieven de diakenen in nauw verband gebracht met de oudsten (vgl. bijvoorbeeld 1 Tim. 3: 8 met 1 Tim. 3: 1).

Uit deze verbondenheid van de diakenen aan de oudsten zou geconcludeerd kunnen worden tot hun ondergeschikt zijn aan de oudsten (zo bijvoorbeeld Schweizer 19622: 181). Om twee redenen is dit evenwel zeer onwaarschijnlijk. In de eerste plaats is aan de gegevens in de pastorale brieven op geen enkele wijze te ontlenen, dat de diakenen dienaren zijn van de oudsten. Ze zijn met de oudsten dienaren van de kerk waartoe ze behoren. Terecht zegt H.N. Ridderbos (1966: 514), dat de interpretatie van het ambt van diaken door Schweizer de latere ontwikkeling terugprojecteert. “Paulus spreekt van de diakenen als dienaren van de geméénte en van hun dienst als een aan de geméénte gegeven charisma en niet als een dienaar of charisma ten behoeve van de apostelen of bisschoppen”. In de tweede plaats blijkt — bijvoorbeeld uit de eisen die specifiek aan de diakenen gesteld worden — dat zij een eigen taak hebben in vergelijking met de taak van de oudsten. Vanouds hebben de diakenen de zorg voor het barmhartigheidsbetoon binnen de kerk en vanuit de kerk gehad.

 

De handoplegging volgens de pastorale brieven

Specifiek in relatie tot het ambt staat in de pastorale brieven de handoplegging. In 1 Tim. 4: 14 wordt Timoteüs vermaand de gave die hem krachtens een profetenwoord onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten geschonken was niet te veronachtzamen. Uit 1 Tim. 5: 22 blijkt, dat op zijn beurt Timoteüs zelf anderen de handen opgelegd heeft. In 1 Tim. 5: 22 wordt hij vermaand dat niet overijld te doen. Opmerkelijk is, dat in 2 Tim. 1: 6 gesproken wordt over de handoplegging die Timoteüs van Paulus ontving. Dat naast de handoplegging door Paulus gesproken wordt over de handoplegging door de gezamenlijke oudsten — zonder dat in de pastorale brieven zelf een poging gedaan wordt het een met het ander te harmoniseren — bewijst, dat het bij de handoplegging niet allereerst gaat om de persoon die de handoplegging verricht. Dit gegeven pleit er beslissend tegen om de handoplegging, zoals deze in de pastorale brieven aan de orde komt, op te vatten als een vorm van apostolische successie. Veeleer geschiedt de handoplegging namens een kerk en komt in de handoplegging de aanvaarding door die kerk van de goddelijke roeping van iemand tot het ambt uit (vgl. Ridderbos 1967: 124; Versteeg 1982: 48v.).

 

4. Het ambtspatroon in Ef. 4: 7-16 en ons huidige ambtspatroon

Een beperking in ons huidige ambtspatroon

Wanneer we het ambtspatroon in Ef. 4: 11 (bestaande uit apostelen, profeten, evangelisten en herders en leraars) vergelijken met ons huidige ambtspatroon (bestaande uit predikanten, ouderlingen en diakenen) vallen een beperking enerzijds en een verruiming anderzijds op van ons huidige ambtspatroon in vergelijking met dat in Ef. 4: 11.

|69|

De beperking betreft niet de afwezigheid van het ambt van apostel. Tot dat ambt werden slechts de apostelen als ooggetuigen van Christus geroepen. Dat ambt moest dan ook met Paulus als de laatste van de apostelen een einde vinden. De beperking betreft wel de afwezigheid van het ambt van profeet en van het ambt van evangelist. Daarbij blijft het de vraag, of we in Ef. 4: 11 een complete en afgeronde opsomming van ambtsdragers aantreffen. In dat geval is het onbegrijpelijk, dat het ambt van diaken niet genoemd wordt, terwijl dat wel het geval is in de uit ongeveer dezelfde tijd stammende brief aan de Filippenzen. Het is niet onmogelijk, dat we met J. Gnilka (1971: 212) hebben aan te nemen, dat zelfs in Ef. 4: 11 geen compleet en afgerond beeld van de verschillende ambtsdragers gegeven wordt en dat we in Ef. 4: 11 slechts een indruk ontvangen van de veelvormigheid van de ambtelijke structuur van de oude kerk. Dan is de beperking van ons huidige ambtspatroon in vergelijking met dat van Ef. 4: 11 des te opvallender. Uitgaande van de ambten die in Ef. 4: 11 vermeld worden, is te zeggen — zoals reeds eerder gebeurde — dat voor de afwezigheid van het ambt van profeet en van het ambt van evangelist geen argumenten aan Ef. 4: 11 of aan het Nieuwe Testament in het algemeen te ontlenen zijn.

 

Een verruiming in ons huidige ambtspatroon

Anderzijds valt ook een verruiming op in ons huidige ambtspatroon in vergelijking met dat van Ef. 4: 11, namelijk de aparte plaats van de predikant. Formeel zal niemand ontkennen, dat de predikant behoort tot de ouderlingen. Voor het besef van velen neemt toch onmiskenbaar de predikant een eigen plaats in naast de ouderlingen en diakenen. Zeker is dat het geval, wanneer men spreekt van een drievoudig ambt en soms dit drievoudig ambt in verband brengt met het zogenaamde drieërlei ambt van Christus: dat van profeet, priester en koning.

Voor deze aparte plaats van de predikant geeft het Nieuwe Testament nergens enige aanleiding. In Ef. 4: 11 wordt de predikant zelfs niet in het bijzonder genoemd. Met “herders en leraars” worden in Ef. 4: 11 zonder enige twijfel geen predikanten bedoeld, zoals in ons spraakgebruik, naast oudsten of ouderlingen. In het licht van Ef. 4: 11 is er dus voor een predikant slechts plaats binnen de kring van oudsten.

Ook elders in het Nieuwe Testament komen we een eenhoofdige leiding van de kerk niet tegen. Men onderkent deze leiding wel in wat de pastorale brieven zeggen over de opziener. Daarbij maakt men een duidelijk onderscheid tussen de opziener en de oudsten. Tegenover — en boven — de raad van oudsten staat de ene opziener. Zo is volgens H. von Campenhausen (19632: 117) in de pastorale brieven de opziener (in het Grieks episkopos) al tot “bisschop” geworden. In de pastorale brieven wordt volgens hem met opzet van deze bisschop slechts in het enkelvoud gesproken. Daarbij stelt hij: “Dat laat zich het meest ongedwongen zo verklaren, dat de pastorale brieven reeds met een monarchisch bisschopsambt rekenen. De ene bisschop is dus reeds tot hoofd van het presbyterium geworden, ook wanneer zijn leidinggevende positie nog niet zo sterk benadrukt wordt als in de brieven van Ignatius”.

Een eenhoofdige leiding van de kerk mag evenwel niet vanuit de latere kerkelijke situatie ingelezen worden in de pastorale brieven. Dit is zonder meer al onmogelijk, wanneer we de opzieners identificeren met de oudsten. Aan het

|70|

gebruik van het woord “opziener” in het enkelvoud is voor een opvatting als die van Von Campenhausen geen enkel argument te ontlenen (zoals bijvoorbeeld ook Schweizer 19622: 76 moet toegeven). Over een opziener wordt in 1 Tim. 3: 2 niet anders in het enkelvoud gesproken dan over een vrouw in 1 Tim. 2: 11. In beide gevallen staat de ene vermelde voor de hele groep die door die ene vertegenwoordigd wordt.

Vaak ziet men in wat gezegd wordt in 1 Tim. 5: 17 het prototype van de huidige predikant vermeld. Het gaat in dit vers over de honorering van de oudsten. Daarbij wordt de volgende regel gegeven: “De oudsten die goede leiding geven komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun die zich belasten met prediking en onderwijs”. Het in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap met “eerbewijs” weergegeven woord (timè) kan ook “honorarium” — eerbewijs in materiële vorm — betekenen. Aan die betekenis zullen we op grond van het verband hebben te denken. In het volgende vers wordt verwezen naar de dorsende os die niet gemuilband mag worden (vgl. Deut. 25: 4), waaruit de conclusie getrokken wordt: “De arbeider is zijn loon waard”.

Een moeilijkheid vormt de uitdrukking “dubbel honorarium”. Volgens 1 Tim. 5: 17 komt een dubbel honorarium toe aan de oudsten die goede leiding geven. Daarbij wordt speciaal gedacht aan hen die zich belasten met prediking en onderricht. Het dubbele honorarium komt dus niet iedere oudste toe, maar slechts een bepaalde categorie oudsten.

Velen leggen in 1 Tim. 5: 17 nadruk op de woorden “prediking en onderricht”. Door die woorden zien zij de hier bedoelde categorie bepaald. Het onderscheid tussen de oudsten is dan het onderscheid tussen hen die niet prediken en onderrichten enerzijds en hen die dat wel doen anderzijds (zo bijvoorbeeld Smelik 19613: 76). Het dubbele honorarium geldt voor hen die prediken en onderrichten. Men denkt daarbij aan het geregeld voorgaan in de eredienst en het geven van catechetisch onderwijs aan jongeren, aan belangstellenden en ook aan de gemeente zelf (zo bijvoorbeeld Ridderbos 1967: 139). Inderdaad zijn bij deze opvatting de oudsten die een dubbel honorarium ontvangen het prototype van de huidige predikanten.

Tegen deze opvatting zijn evenwel twee onoverkomelijke bezwaren in te brengen. In de eerste plaats wordt daardoor de uitdrukking “dubbel honorarium” onbegrijpelijk. Waarom is er voor de oudsten die niet prediken of onderricht geven toch een “enkel” honorarium? Men meent wel deze moeilijkheid te kunnen oplossen door uit te gaan van een combinatie van de betekenissen “eerbewijs” en “honorarium”. Het woord “dubbel” wordt dan zo verstaan, dat aan alle oudsten “eerbewijs” toekomt, maar aan hen die prediken en onderrichten “bovendien” een “honorarium” (vgl. Ridderbos 1967: 139v.). Deze interpretatie doet evenwel aan de uitdrukking zoals ze er staat weinig recht. Ze moet de uitdrukking tot een zeer gedrongen en complexe maken.

Het tweede bezwaar is nog belangrijker. Wanneer het onderscheid dat in 1 Tim. 5: 17 tussen de oudsten gemaakt wordt het onderscheid zou zijn tussen hen die niet prediken en onderrichten enerzijds en hen die dat wel doen anderzijds, was 1 Tim. 5: 17 in tegenspraak met 1 Tim. 3: 2 en Tit. 1 :9. In 1 Tim. 3: 2 wordt aan àlle oudsten de voorwaarde gesteld, dat zij bekwaam moeten zijn om te onderwijzen en in Tit. 1: 9 wordt van álle oudsten gezegd, dat zij in staat moeten

|71|

zijn te vermanen op grond van de gezonde leer. De taak van het prediken en het onderrichten wordt in 1 Tim. 3: 2 en Tit. 1: 9 onmiskenbaar als een taak van àlle oudsten beschouwd.

Een andere verklaring van 1 Tim. 5: 17 die in overeenstemming is met 1 Tim. 3: 2 en Tit. 1: 9 verdient de voorkeur. Men laat dan in 1 Tim. 5: 17 alle nadruk vallen op de woorden “zich belasten met”. Het voor deze uitdrukking in het Grieks gebruikte woord (kopioontes) — dat we reeds in 1 Tess. 5: 12 tegenkwamen — spreekt altijd van een zich met grote inspanning inzetten voor iets. Van groot belang in dit verband is, dat Paulus met dit woord in 1 Tim. 4: 10 zijn eigen werk in de kerk karakteriseert. Hij had daaraan een volle dagtaak en hij wist — blijkens het gebruik van hetzelfde woord — dat er oudsten waren bij wie dat, op hun wijze, evenzeer het geval was. De tegenstelling in 1 Tim. 5: 17 is dus niet die tussen hen die niet prediken en onderrichten enerzijds en hen die dat wel doen anderzijds. De tegenstelling is die tussen hen die zich niet voltijds voor het werk van prediking en onderricht geven en hen bij wie dat wel zo is.

Op deze wijze is ook het spreken over het dubbel honorarium begrijpelijk. Ook oudsten die in de prediking en het onderricht geen dagtaak vinden, komt, wanneer ze daarvoor veel tijd vrijmaken en inkomsten derven, een honorarium toe. De oudsten die in de prediking en het onderricht hun eigenlijk werk vinden mogen evenwel financieel helemaal niet aan zichzelf overgelaten worden. Hun komt een dubbel honorarium toe.

Bij deze verklaring is aan 1 Tim. 5: 17 niet het prototype van de huidige predikant te ontlenen. Ook in de tijd van het schrijven van de pastorale brieven was enerzijds aan de vrijgestelden voor de prediking en het onderricht die taak niet exclusief opgedragen. De andere oudsten bleven betrokken bij de prediking en het onderricht, zij het niet voltijds. Anderzijds bleven de vrijgestelde oudsten helemaal behoren tot de groep van oudsten. Ze vormden geen aparte groep naast de oudsten, laat staan dat ze een apart ambt ontvingen. In de tijd van het schrijven van de pastorale brieven was de situatie dus wezenlijk nog niets anders dan in de tijd van het schrijven van de brief aan de Efeziërs (zie ook Versteeg 1982: 49-52).

Uiteraard betekent dit niet, dat er in het licht van het Nieuwe Testament voor de predikant geen plaats zou kunnen zijn. In het licht van het Nieuwe Testament is wel duidelijk, dat die plaats geen “eigen”, “aparte” plaats is. Die plaats is te vinden temidden van de oudsten of ouderlingen.

 

Het blijvende oriëntatiepunt

Bij wat het Nieuwe Testament ons zegt over het ambt is voortdurend voor ogen te houden, dat het Nieuwe Testament ons daarin niet een blauwdruk voor alle tijden geeft. Tegelijk is evenzeer voor ogen te houden, dat het Nieuwe Testament ons daarin wel een oriëntatiepunt voor alle tijden geeft (vgl. Reiling 1964: 12; Runia 1978: 194). Daarom is en blijft voor de rechte functionering van het ambt in de kerk, ook in onze dagen, de oriëntatie op wat het Nieuwe Testament ons zegt over het ambt van primair belang.

|72|

Literatuur

Barth, M., 1974, Ephesians; Translation and Commentary on Chapters 4-6, New York, Doubleday & Company, Inc.
Beyer, W., 1935, “Diakoneoo” etc. in: Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, II, 81-93, Stuttgart, Verlag von W. Kohlhammer.
Bony, P., 1974, “L’épître aux Éphésiens” in: Le ministère et les ministères selon le Nouveau Testament, 74-92, Paris, Édition du Seuil.
Brockhaus, U., 1972, Charisma und Amt; Die paulinische Charismenlehre auf dem Hintergrund der frühchristlichen Gemeindefunktionen, Wuppertal, Verlag Rolf Brockhaus.
Bruggen, J. van, 1984, Ambten in de apostolische kerk; Een exegetisch mozaïek, Kampen, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok.
Campenhausen, H. von, 19632, Kirchliches Amt und geistliche Vollmacht in den ersten drei Jahrhunderten, Tübingen, J.C.B. Mohr (Paul Siebeck).
Delling, G., 1933, “Artios” etc. in: Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, I, 474-475, Stuttgart, Verlag von W. Kohlhammer.
Delorme, J., 1974, “Diversité et unité des ministères d’après le Nouveau Testament” in: Le ministère et les ministères selon le Nouveau Testament, 283-346, Paris, Éditions du Seuil.
Dibelius, M., 1977, “Die Stellung des Bischofs in den Pastoralbriefen” in: Das kirchliche Amt im Neuen Testament, 470-474, Darmstadt, Wissenschaftliche Buchgesellschaft.
Dornier, P., 1974, “Les épîtres pastorales” in: Le ministère et les ministères selon le Nouveau Testament, 93-117, Paris, Édition du Seuil.
Floor, L., 1964, In dieselfde spore; ’n Ondersoek na die struktuur van die sendingswerk, Potchefstroom, Uitgawe “Die Evangelis”.
Floor, L., 1976, “Church Order in the Pastoral Epistles” in: Ministry in the Pauline Letters, 81-90, Pretoria, Die Nuwe-Testamentiese Werkgemeenskap van Suid-Afrika.
Friedrich, G., 1935, “Euaggelidzomai” etc. in: Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, II, 705-735, Stuttgart, Verlag von W. Kohlhammer.
Friedrich, G., 1978, “Das Amt im Neuen Testament” in: Auf das Wort kommt es an; Gesammelte Aufsätze, 416-430, Göttingen, Vandenhoeck & Ruprecht.
Gnilka, J., 1970, “Geistliches Amt und Gemeinde nach Paulus” in: Foi et salut selon S. Paul, 233-245, Rome, Institut Biblique Pontifical.
Gnilka, J. 1971, Der Epheserbrief, Freiburg-Basel-Wien, Verlag Herder.
Goudoever, J. van, 1969, “The Significance of the Counting of the Omer” in: Studies on the Jewish Background of the New Testament, 64-86, Assen, Van Gorcum & Comp. N.V.
Grosheide, F.W., 1960, De brief van Paulus aan de Efeziërs, Kampen, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok.
Greeven, H., 1977, “Propheten, Lehrer, Vorsteher bei Paulus, Zur Frage der “Ämter” im Urchristentum” in: Das kirchliche Amt im Neuen Testament, 305-361, Darmstadt, Wissenschaftliche Buchgesellschaft.
Grossouw, W., 1974, De brief van Paulus aan de Galaten, Bussum, Uitgeversmaatschappij Romen (Unieboek N.V.).
Hainz, J., 1972, Ekklesia; Strukturen paulinischer Gemeinde-Theologie und Gemeinde-Ordnung, Regensburg, Verlag Friedrich Pustet.
Hainz, J., 1976, “Die Anfänge des Bischofs- und Diakonenamtes” in: Kirche im Werden; Studien zum Thema Amt und Gemeinde im Neuen Testament, 91-107, München-Paderborn-Wien, Verlag Ferdinand Schöningh.
Hainz, J., 1976, “Amt und Amtsvermittlung bei Paulus” in: Kirche im Werden; Studien zum Thema Amt und Gemeinde im Neuen Testament, 109-122, München-Paderborn-Wien, Verlag Ferdinand Schöningh.
Käsemann, E., 19706, “Amt und Gemeinde im Neuen Testament” in: Exegetische Versuche und Besinnungen, I, 109-134, Göttingen, Vandenhoeck & Ruprecht.
Kertelge, K., 1972, Gemeinde und Amt im Neuen Testament, München, Kösel-Verlag.
Kraft, H., 1975, “Die Anfänge des geistlichen Amtes” in: Theologische Literaturzeitung, 100e jaargang, 82-98.
Lekkerkerker, A.F.N., 1971, Oorsprong en funktie van het ambt, ’s-Gravenhage, Boekencentrum N.V.

|73|

Linton, O., 1951, “Kirche und Amt im Neuen Testament” in: Ein Buch von der Kirche, 110-144, Göttingen, Vandenhoeck & Ruprecht.
Lohmeyer, E., 195611, Die Briefe an die Philipper, an die Kolosser und an Philemon, Göttingen, Vandenhoeck & Ruprecht.
Malan, F.S., 1976, “The relationship between apostolate and office in the theology of Paul” in: Ministry in the Pauline Letters, 53-68, Pretoria, Die Nuwe-Testamentiese Werkgemeenskap van Suid-Afrika.
Merklein, H., 1973, Das kirchliche Amt nach dem Epheserbrief, München, Kösel-Verlag.
Morris, L., 1959, The First and Second Epistles to the Thessalonians, Grand Rapids, Eerdmans Publishing Co.
Mussner, F., 1974, Der Galaterbrief, Freiburg-Basel-Wien, Verlag Herder.
Nicholls, W., 1967, “The Ministry — A Renewed Quest” in: Scottish Journal of Theology, 20e jaargang, 295-311.
Oepke, A., 19642, Der Brief des Paulus an die Galater, Berlin, Evangelische Verlagsanstalt.
Reiling, J., 1964, Gemeenschap der heiligen; Over de gemeente van Jezus Christus naar het Nieuwe Testament, Amsterdam, W. ten Have N.V.
Rengstorf, K.H., 1935, “Didaskoo” etc. in: Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, II, 138-168, Stuttgart, Verlag W. Kohlhammer.
Ridderbos, H.N., 19613, The Epistle of Paul to the Churches of Galatia, London-Edinburgh, Marshall, Morgan & Scott.
Ridderbos, H.N., 1966, Paulus; Ontwerp van zijn theologie, Kampen, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok.
Ridderbos, H.N., 1967, De Pastorale brieven, Kampen, Uitgevermaatschappij J.H. Kok.
Roberts, J.H., 1963, Die opbou van die kerk volgens die Efese-brief, Groningen, Drukkerij V.R.B.
Roberts, J.H., 1976, “Can Church offices be founded in Paul?” in: Ministry in the Pauline Letters, 1-19, Pretoria, Die Nuwe-Testamentiese Werkgemeenskap van Suid-Afrika.
Roon, A. van, 1976, De brief van Paulus aan de Epheziërs, Nijkerk, Uitgeverij G.F. Callenbach N.V.
Roosen, A., 1971, De brieven van Paulus aan de Tessalonicenzen, Roermond, Uitgeversmaatschappij Romen (Unieboek N.V.).
Runia, K., 1978, “De dienstknechtsgestalte van het ambt” in: De knechtsgestalte van Christus; Studies aangeboden aan prof. dr. H.N. Ridderbos, 194-212, Kampen, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok.
Schelkle, K.H., 1977, “Dienste und Diener in den Kirchen der neutestamentlichen Zeit” in: Das kirchliche Amt im Neuen Testament, 220-234, Darmstadt, Wissenschaftliche Buchgesellschaft.
Schlier, H., 19686, Der Brief an die Epheser; Ein Kommentar, Düsseldorf, Patmos-Verlag.
Schlier, H., 19725, “Die Kirche nach dem Brief an die Epheser” in: Die Zeit der Kirche; Exegetische Aufsätze und Vorträge, 159-186, Freiburg-Basel-Wien, Verlag Herder.
Schnackenburg, R., 19632, Die Kirche im Neuen Testament; Ihre Wirklichkeit und theologische Deutung, ihr Wesen und Geheimnis, Freiburg-Basel-Wien, Verlag Herder.
Schnackenburg, R., 1982, Der Brief an die Epheser, Zürich-Einsiedeln-Köln-Neukirchen, Benziger Verlag & Neukirchener Verlag.
Schweizer, E., 19622, Gemeinde und Gemeindeordnung im Neuen Testament, Zürich, Zwingli Verlag.
Scott, E.F., 19487, The Epistles of Paul to the Colossians, to Philemon and to the Ephesians, London, Hodder and Stoughton.
Sesboüé, B., 1974, “Ministères et structure de l’église; reflextion théologique à partir du Nouveau Testament” in: Le ministère et les ministères selon le Nouveau Testament, 347-417, Paris, Édition du Seuil.
Sevenster, G., 1956/57, “De ambten in het Nieuwe Testament” in: Vox Theologica, 27e jaargang, 97-111.
Sevenster, G., 1967, “Vroeg-katholicisme en de eenheid van het Nieuwe Testament” in: Protestantse verkenningen na “Vaticanum II”, 28-43, ’s-Gravenhage, Boekencentrum N.V.
Smelik, E.L., 19613, De brieven van Paulus aan Timotheüs, Titus en Filemon; De wegen der kerk, Nijkerk, Uitgeverij G.F. Callenbach.
Stempvoort, P.A. van, 1950, Eenheid en schisma; Een structureel onderzoek van het deel, de gemeente van Korinthe volgens 1 Korinthiërs, ten behoeve van het geheel, de oecumenische gemeente, Nijkerk, Uitgeverij G.F. Callenbach.
Stempvoort, P.A. van, 19612, De brief van Paulus aan de Galaten, Nijkerk, Uitgeverij G.F. Callenbach.

|74|

Versteeg, J.P., 19802, Oog voor elkaar; Het gebruik van het woord “elkaar” in het Nieuwe Testament met betrekking tot de onderlinge verhoudingen binnen de gemeente, Kampen, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok.
Versteeg, J.P., 1982, “Nieuwtestamentisch profiel van de ouderling” in: Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente. Een handreiking voor de ouderling, 11-55, Kampen, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok.
Versteeg, J.P., 1985, Kijk op de kerk; De structuur van de gemeente volgens het Nieuwe Testament, Kampen, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok.