82
20,359-362
24-02-2007

|359|

 

Beleven van de belijdenis

1

Geen kerkverband zo lichtvoetig als het gereformeerde. De Gereformeerde Kerken (v) in Nederland vormen geen organisatie. De enige kerkelijke vergadering die er altijd is, heet de kerkenraad. Er bestáát gewoon geen generale synode, geen provinciale, geen classis! Tenzij die op de bestemde tijd wordt bijeengeroepen. Wat al die plaatselijke kerken toch voortdurend verbindt zijn de belijdenissen. Voor dat doel heten die: drie formulieren van eenheid.

Band van belijdenis

De term ‘kerkverband’ roept bij sommigen de gedachte aan bureaucratie op. Het spreekwoord is: ‘Kerkelijke molens malen nu eenmaal langzaam’. De term ‘deputaten’ wordt niet opgevat als mensen met een tijdelijke klus. Gek is dat: eerst denkt men zich het kerkverband ‘top-down’ in en protesteert daar vervolgens tegen. Terwijl de verbondenheid van de kerken vanuit de basis opkomt.

Terug naar de basisgedachte van het kerkverband: dat wordt gevormd door een geestelijke basis. Dat is de eenheid in geloof. Verwoord als de band van de belijdenis. Dát is wat ons primair bindt. Dat is waaraan ambtsdragers zich vrijwillig binden als zij een ambt, een publieke taak, in één van deze kerken op zich willen nemen.

Ik weet wel dat er ook een kerkorde is. Maar dat zijn werkafspraken op praktisch vlak. Op het tweede plan. De belijdenissen zijn bedoeld om te verwoorden wat de gereformeerde kerken sámen in de diepte en de breedte verbindt.

|360|

Die band is niet van staal, maar van geestelijk materiaal gemaakt. Als het goed is: veerkrachtig materiaal! Maar — en nu komt het knelpunt — hoe komt het dan dat de belijdenissen bij veel kerkleden niet zo populair zijn?

Impressie 1

Een goede vriend zegt: ‘Ik heb gewoon niks met de belijdenis. Ik heb er ook niet echt iets op tégen. Catechismuspreken zeggen mij weinig.’ Ik voel mij gekrenkt, want ik preek zo trouw en fris mogelijk óók aan de hand van de Catechismus. En hij heeft nooit een woord van kritiek geuit. Maar hij heeft ook niets tegen mijn preken, en heeft toch het gevoel dat je ook zo preken kunt zónder ‘de eeuwige Heidelberger’.

En ik? Ik ben gek op de belijdenissen. Symboliek (de studie van de confessies) is een van mijn favoriete vakken. Geweldig hoe gelovigen in andere tijden het ‘geloof onder woorden’ wisten te brengen! Hoe dat continuïteit over eeuwen geeft. Ik heb niets tegen de regel van ondertekening door ambtsdragers, want ik houd niet van eigenzinnige dominees die het op eigen houtje beter menen te weten dan de gezamenlijke kerken. En hoe meer de belijdenis aan populariteit inboet, des te sterker ga ik die verdedigen.

Impressie 2

Er worden verse ouderlingen en diakenen verkozen. Ervaren en jonge mannen. Voorzichtig stel ik een vraag (die ik vroeger nooit stelde, want toen waren de ouderlingen óuder dan ik en dacht ik dat zij míj confessioneel in de gaten hielden). Ik vraag elk of hij geen probleem met de ondertekening van het formulier heeft. ‘Niet zozeer met de belijdenissen op zich’, zegt de één, ‘wel met het ondertekeningsformulier. Dat is zo strak en somber.’ Ik geef hem geen ongelijk, maar benadruk dat het niet om een liturgisch formulier, maar om werkafspraken in de raad gaat. Onzin om dat in een eredienst voor te lezen. Een ander zegt: ‘Ik vind het best lastig me te binden, want ik denk dat de volwassendoop naast de kinderdoop moet kunnen staan.’

Een andere kandidaat-ouderling, wat hoger in leeftijd, spreekt tijdens een gesprekje in de raad andere taal: ‘ik heb de kerk van de Here lief, en ook haar belijdenis!’ De jongeren reageren geprikkeld: ‘ik houd eerst van de Heer.’ Wil je meer zeggen, dan hoor je de Bijbel toch eerst te noemen. En ‘de belijdenis liefhebben, daar voel ik niets bij’?

Wat gebeurt er in dit gesprekken? De een spreekt de taal van overtuigingen, en legt daar zijn emotie in. De ander praat in de taal van de primaire beleving, en benoemt geen afgeleide overtuigingen. Passen die twee bij elkaar: beleving en belijdenis?

Belevingstaal

Het is glashelder dat een confessie ondenkbaar is zonder diepe overtuiging en beleving van het geloof in God — Vader, Zoon en Geest. Het oudkerkelijk dogma en de belijdenis liggen dicht tegen elkaar aan.2 De inzet van de confessies getuigt ervan.
— Ik geloof — de persoonlijke inzet van het Apostolicum, verwoording van geloofsbelissing bij doop en publieke geloofsbelijdenis.
— Wij geloven in één God… — de gezamenlijke kerk belijdt en verdedigt het geloof bij monde van de kerkvergadering te Nicea.
— Al wie behouden wil worden, moet voor alles het algemeen geloof vasthouden — de ronde verdediging en aanbidding van de drie-eenheid in God op naam van Athanasius, de kerkvader.
— Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond — de puur bijbelse taal (Rom. 10: 9) en collectieve inzet van de geloofsbelijdenis van de Nederlanden.
— Wat is uw enige troost in leven en sterven? — de hartstochtelijke inzet van de Heidelberger in de strijd van het bestaan.

Bij die toon vinden we elkaar en heeft geen kerklid moeite met de belijdenis. In de confessie willen we dicht bij de taal van de Bijbel blijven, getuige de vele woordelijke aanhalingen. Hoe komt het dan dat ‘de belijdenisgeschriften’ niet populair zijn? Door gebrek aan beleving?

Nee, door
a. de uitgesponnen leerstellige taal,
b. het evangelische biblicisme,
c. de kerkelijk-juridische status van de confessies, en
d. de hantering ervan als eind van alle tegenspraak in conflicten.

Een eerste vraag: mogen we wel beleving van de belijdenis van elkaar vragen?

Beleving van de belijdenis?

‘Beleving van de belijdenis’ is een uitdrukking die je bij Christelijke Gereformeerden en Bonders wel hoort. Bedoeld wordt: de belijdenis is niet alleen papier, Formulier van Eenheid, maar zal ook naar z’n inhoud moeten leven in het hart van gemeente en prediking. Want de confessie straalt een eigen, nl. gereformeerde spiritualiteit uit. Die uitdrukking is vooral gericht op de reformatorische confessies. Die verwoorden het typische gereformeerde karakter van het belijden van de Nederlandse kerken.

Toch moet ik die uitdrukking wat relativeren. De belijdenis kan kanaal van beleving zijn, maar dan moet eerst het volgende bedacht zijn.

1. De geloofsbeleving is voor alles een gave van de heilige Geest die gewekt wordt door de ontmoeting met God. Het geloof krijgt leven in een mensenhart als de levende God zich aan hem openbaart. Door het Woord van belofte en heil, in de gestalte van Jezus de Heer en in de inwoning van de Geest die levend maakt.

2. Het is naar die primaire geloofsbeleving dat onze generatie op zoek is. Die functie kan

|361|

principieel niet aan de belijdenis worden toegekend, omdat de geloofsbelijdenis antwoord op de ontmoeting met God in Christus is. Antwoord aan God: Hem erend en lofprijzend.

3. Vervolgens zoeken we naar de beste manier om het geloof van de kerk samen te vatten voor ónze tijd. Overdracht aan de nieuwe generatie. En geloofsverantwoording, gericht op de naaste die Christus niet kent en op een samenleving die van het christelijk geloof vervreemd is. Die wil tot verantwoording mondt uit in het concrete belijden. Dat actuele belijden zoekt dan vervolgens een weg in een geschreven belijdenis, waarin het geloof onder woorden wordt gebracht. Anders gezegd: waarin beleefd geloof verwoord wordt.

Kortom, beleving en belijdenis horen wel bij elkaar, maar de beleving van het geloof begint pas secundair bij de geschreven belijdenis. In de praktijk van aangenomen confessies zoekt het beleefde geloof echter een weg terug: of het zich kan uitdrukken in de taal van het voorgeslacht.

Achtergrond: hartelijke instemming

Ondanks deze principiële benadering moeten we erkennen: feitelijk stond de gereformeerde spiritualiteit lange tijd in het teken van ‘beleving van de belijdenis’ (tot aan de 80er jaren van de 20e eeuw). De taal van het beleefde geloof was confessietaal (geput uit bepaalde kernen van de belijdenissen). Dat was mogelijk vanuit de overtuiging dat de belijdenis eenvoudig de Schrift náspreekt. Het ondertekeningsformulier zegt het zo: ‘bent u er hártelijk van overtuigd dat de leer van de drie formulieren van eenheid in alle delen geheel met Gods Woord overeenstemt?’ Er wordt innerlijke instemming met die constatering gevraagd; en lange tijd van harte en loyaal gegeven.

De Gereformeerde Kerken (v) staan tegen de achtergrond van a. theologisering van en b. kritiek op de belijdenis. De strijd die leidde tot de Vrijmaking van 1944 deed teruggrijpen op de belijdenis, die van de 60er jaren tot verdediging ervan. Beide tijdperken hebben de positie van de confessie als formulier van eenheid én als document van geloofsbeleving geconsolideerd. Hartelijk én verdedigd geloof vond haar woorden in de gereformeerde confessie.

Onze voorgangers spreken niet alleen confessietaal. Het taalveld van het geloof is ook gevoed
a. door de liturgische formulieren,
b. de theologische uitwerking van de verbondsleer
en c. de concretisering van het leerstuk van de kerk.

Bepaalde kernen van belijden waren dominant. En dat terwijl andere kernen minder op de voorgrond stonden, zoals bijv. in de bevindelijke stroming die van verlorenheid in Adam en verkiezing als geheim.

Ontwikkeling: verschuivende panelen

Dat taalveld van beleefd geloof raakte achterhaald door secularisering en evangelicalisme. Er groeide een afkeer van het dogmatisch systeem van vaststaande waarheden en een verlangen naar individuele, authentieke beleving. De breuk met het verleden werd gevoed door de crisis van het gezag en de neiging tot kritiek op het instituut kerk. De papieren confessie en haar zgn. kerkelijk gezag (zoals wij dat op catechisatie leerden onderscheiden van het goddelijk gezag van de Bijbel) werden in de ontwikkelingen meegesleurd.

Toch is het postmoderne en evangelicale verlangen naar beleving niet primair een zich afzetten tegen de belijdenis. Het is de onmacht te beginnen bij a. het verleden en b. het vaststaande en voorgegevene in de kerk. We ondervangen dit probleem niet door te zeggen: er moet meer gelézen en onderwézen worden. Die reactie verhult dat de belijdenisgeschriften zelf aan functieverlies lijden.

De historische bepaaldheid

Als student heb ik discussies met prof. J. Kamphuis gehad over het karakter van de confessie. Hij benadrukte: niet de bedoeling van de opsteller, maar de duiding van de kerk nu bepaalt de zeggingskracht. Hij verzette zich tegen de historische omgang met de belijdenissen in de Hervormde Kerk en benadrukte belijdenissen als Drie Formulieren van Eenheid van de kerk in het heden. Ik werd meer getroffen door de historische verankering van de belijdenissen en de discrepantie met de actueel-kerkelijke situatie (bijv. in art. 27-29 NGB). Inmiddels wordt de historische bepaaldheid veel makkelijker geponeerd.3 Dat tekent de gevoelde kloof tussen de belijdenisgeschriften en het actueel belijden.4

De populaire dogmatiek

Ik ga nog iets dieper in op een analyse van veranderingen in het denkklimaat. Lange tijde zijn het catechetisch onderwijs en de prediking langs de lijnen van de theologie (van de gereformeerde scholastiek tot de neocalvinistische dogmatiek) gelopen. Belijdenisuitleg werd populaire dogmatiek. In plaats van de ontmoeting met de God van verkiezende genade bleef ‘de leer van de dubbele predestinatie’, verkiezing én verwerping hangen. De Dordtse Leerregels zijn niet voor niets ‘regels voor de prediking (het leren)’. Sinds de Vrijmaking werden verbonds- en kerkleer het concentratiepunt van theologie en prediking. Belofte en eis in het verbond werden gethematiseerd. Roeping en gehoorzaamheid werden in de kerkleer geactualiseerd.

|362|

Nu is er niets mis met theologie en speciaal dogmatiek. De kerken onderhouden bewust een wetenschappelijke opleiding tot de dienst van het Woord. Analytisch en systematisch denken brengen orde aan en leiden tot helderheid. Zinvol is bijvoorbeeld de analyse van de structuur van de confessie: welk zaken krijgen het meeste accent en werken het diepste door? C.J. Haak spreekt van lijnen van evangeliepresentatie: hoe geef je het onderwijs vorm aan onderscheiden doelgroepen? De dogmatiek kan uitermate dienstbaar zijn aan beleving en belijden van het geloof van de gemeente. Maar het is wel goed kerkelijk ruimte te houden tussen wetenschappelijke dogmatiek en onderwijzende geloofsleer.

Naar een nieuwe synthese van beleving en belijden

Drie dingen zijn nodig om opnieuw uit te komen bij de belijdenis als beleefd geloof. Of, anders gezegd, als instrument a. dat ons helpt uit te drukken wat wij samen van God geloven én b. dat zodoende het geloofsonderwijs voedt en tot beleefd geloof leidt.

1. Het katholiek karakter van het christelijk geloof moet voorop gezet worden. De drie oecumenische confessies geven de draden in handen (dat is iets anders dan kern en periferie onderscheiden).

2. De hoofdlijnen van het typisch gereformeerde accent moeten verhelderd worden: de mens als zondaar voor God, de rechtvaardiging door geloof alleen, enz. (de hoofdzaken uit de drie reformatorische confessies).5 Dit om misvatting in andere context te voorkomen.

3. Het geheel van het onderwijs van Gods Woord moet opnieuw verwoord worden a. gevoed door gelovige denkkracht (schriftstudie en dogmatiek), b. ingebed in de liturgie en aanbidding, c. in de actualiteit van de  geestelijke strijd en dus gericht op de mens van de 21e eeuw.

Slechts in die weg kunnen eigentijdse vragen en antwoorden een goede plaats krijgen, zoals over:
- de levende Heer die de kerk tot zijn lichaam maakt en als zijn persoonlijk instrument inzet op aarde,
- de navolging van Jezus in de diaconale en missionaire roeping van de kerk,
- de werkwijze en begiftiging door de heilige Geest,
- de in Christus geschonken heiliging, ook van scheppingsgaven.

Op deze wijze worden geloofsbeleving en geloofsverwoording weer dicht bij elkaar gebracht. Dat mag ook principieel, omdat belijden en aanbidden bij elkaar horen.

Noten:

1 In mijn serie ’Theologische verantwoording van kerkelijke veranderingen’ is dit deel 5.
2 Zie E.A. de Boer, ‘Geloof onder woorden. Over de betekenis van en het theologisch onderzoek naar belijdenis en dogma’, in: Radix 10 (1984), 68-102.
3 Vgl. Hans Burger, ‘De uitdaging van het gereformeerde belijden. Tien stellingen’, in: Fides Quadrat Intellectum. Lustrumalmanak 2003, 74-81.
4 Zie E.A. de Boer, ‘Hypocrisie in Schrift, confessie en prediking. Een typering van kerkleden in Zondag 30-32 van de Catechismus’, in: Theologia Reformata 36 (1993), 370-383.
5 Belangrijk is hier het opstel van Hans Burger, ‘Evangeliepresentatie en de structuur van de belijdenis’, in: Radix 27 (2001), 179-190.