50-74

|50|

Stromingen onder de reformatorisch gezinden te Emden

 

 

I

Het spreekt vanzelf dat de voorbereiding van de synode die in oktober 1571 te Emden werd gehouden, de nodige moeilijkheden heeft opgeleverd. De gevaarlijke tijden waren oorzaak dat één en ander in diep geheim moest worden verzonden van de ene gemeente naar de andere. Zowel de plaats als het tijdstip van vergaderen werd slechts op het laatste ogenblik bekend gemaakt. Vertragingen deden zich voor bij het verzenden van een belangrijke brief naar Engeland: het schip dat de uitnodigingsbrief aan boord had werd geruime tijd door papisten opgehouden.1 Maatregelen werden getroffen om te voorkomen dat de vijand op de hoogte zou komen van de plannen. In het grootste geheim werd daarom tijdens een drukke jaarmarkt de bijeenkomst gehouden, zodat het niet opviel, dat een aantal vreemdelingen met een zeer bepaald doel te Emden was gekomen. „Een christelijk en nodig werk, met (zo) grote moeite en kosten gedaan”, zó typeerde Moded in zijn brief aan de kerken van Engeland de arbeid van de vergadering.2 Daarbij zal de schrijver niet alleen gedacht hebben aan de moeilijkheden die men verwachten kon, maar ook aan die onverwachte tegenslagen, die bij de voorbereiding van de vergadering als spanningen tussen broeders openbaar werden.

De provinciale synode van Bedbur die op 3 en 4 juli gehouden werd besloot een deputatie naar Emden te zenden om daar met de gemeente te beraadslagen over dag en plaats „des toekomenden Synodums qualificatums”. Gerard van Kuilenburg en Willem van Zuylen van Nijevelt werden met deze taak belast. Zij ontvingen een credentiebrief met verschillende voorstellen die onder andere afkomstig waren van Marnix van St. Aldegonde.3 Over de activiteiten van dit kleine deputaatschap zijn wij ingelicht door een brief die zij uit Emden zonden naar de vluchtelingenkerken in Londen.4 Zij bezochten de Nederlandse kerken in het land van Kleef, verkregen de instemming van de gemeente van Wezel, en vertrokken vandaar met grote spoed naar Emden. Maar in Emden verliepen de besprekingen niet zo vlot.


1 J.H. Hessels, Ecclesiae Londino-Batavae Archivum, 3 tom., Cambridge 1887-1897, III1, p. 147: „welcke dör ongelucke, en darumme dat dat schip daer sy inne gekomen syn, eene tijdtlanck ondernomen is geweest by den papisten ...”
2 Hessels, o.c., p. 151.
3 Werken der Marnix-Vereeniging (WMV), serie II, deel II, blz. 3 vv.
4 Hessels, o.c., p. 378-387; ook bij Rutgers, Geldigdheid, blz. 57-61.

|51|

Wij lezen het volgende: „Dit dan aldus te Wesel ende bij andere gemeenten daer omtrent synde bij ons verricht wesende, syn wij ylende naer Eembden getogen, ende hebben aldaer oock eijntelick, na veele beraetslaginge vande wtgewekene Dienaren ende broederen van verscheyde provincien so veel gheobtineert dat sij in de substantie des voorgevens bewillicht ende geconsenteert hebben”. In Emden waren dus vele beraadslagingen nodig. De spontaniteit ontbrak. Verschillende provinciën gaven hun medewerking. Maar niet allen deden mee. „Metten wtgeweken Dienaren ende broederen alhier, die in de voorgestelde propositie bewillicht hebben” werden verdere maatregelen besproken. Een aantal broeders hield zich blijkbaar afzijdig. Hun bewilliging werd niet verkregen. En zo lezen wij onder de uitnodigingsbrief wél de namen van de vertegenwoordigers der Vlamingen, Walen, Brabanders, Zeeuwen en Friezen, maar die van de grootste groep onder de vluchtelingen, de Hollanders ontbreken. Zij hielden zich reeds tijdens de voorbereidingen voor de synode afzijdig.

Het verwondert ons niet dat er maatregelen getroffen werden om te trachten in deze ongewenste toestand verandering te brengen. Binnen drie weken was er uit Keulen een brief onderweg afkomstig van de Waalse en Nederlandse vluchtelingenkerken aldaar en gericht aan Datheen, Taffin en P. van Keulen, waarin er bij de ontvangers op aan werd gedrongen hun invloed aan te wenden bij de Prins van Oranje, opdat deze de Hollanders zou bewegen aan het werk der synode deel te nemen. In deze brief schetsen de twee kerkeraden de grote betekenis die zij aan de toekomstige synode toekennen. Met man en macht moeten de pogingen van de duivel, om de synode te verhinderen worden weerstaan. „Wij horen tot onze grote droefheid, dat Satan zich van de Hollandse broeders zou willen bedienen, om deze heilige onderneming te verbreken.” Omdat de synode mocht rekenen op de medewerking van de Prins zou deze de Hollanders duidelijk moeten bevelen om tegenwoordig te zijn.5

Een paar dagen later schreven dezelfde kerkeraden rechtstreeks naar Prins Willem over deze kwestie: „Ende also wy wel dencken dat sijne V.G. ghenoech bericht sal wesen van dat de Hollandsche natie hen (ten deele) weygheren op het voors. generael Synodum, brenghende voor excusatie sommeghe redenen, welcke (naer ons beduncken) niet ghewichtich en zijn, ghelijck wy wel meynen dat sijne V.G. wel ghesien sal hebben wt de copie van hun antwoorde, ende dat sijne V.G. veel by de selve natie (desghelijcx oock bij allen anderen onse natiën etc.), vermach ... So is ons ootmoedich bidden aen sijne V.G., dat hem ghelieven oock te ghebieden hen, oft hunne ghedeputeerde, opt selve Synodum te laten vinden, opdat door dien aldaer (sonder eenighe Nederlantsche natie tontbrekene) met ghoeder ende ghesaemelder eendrachtigheyt alle gheestelijcke saeken mochten ghehandelt ende besloten wordden tot Godes eere ende tot opbouwinge synes Huys, hetwelck


5 WMV, III, V, blz. 6 v.

|52|

sijne Kercke oft Gemeynte is.” 6 Daarnaast dringen de kerkeraden bij de Prins er op aan om Marnix naar de synode te zenden. Zijn gezag zou in staat zijn te verhinderen dat sommigen zich zouden „bemoeyen (so wt onverstandt als wt boosheyt) alsulcken ghoeden ende seer noodighe saeke voorst. te verachten ende soeken te verachteren”.7

Het is ons niet bekend welke reacties deze brief bij de Prins hebben opgeroepen. Wél weten wij dat, toen het tijdstip van de bijeenkomst was aangebroken, op geen stukken na de voorbereidselen getroffen waren. De man die voorzitter van de vergadering zou worden, Caspar van der Heyden kwam op 1 oktober in Emden aan, samen met Taffin. Hij verklaarde: „Daer comende wy vinden alle dinghen so raw, dat ick ende Taffin dese 3 voerleden daghen niet gedaen hebben dan loopen, om d’ander te beweghen, so dat wy ’t doer Godes genade so wyt gebracht hebben, dat wy heden na middagh de erste versamelinghe hebben sullen”.8

De pogingen van Van der Heyden om de anderen te bewegen mee te doen hebben in zoverre succes gehad, dat inderdaad twee vooraanstaande predikanten der uit Amsterdam afkomstige vluchtelingen, Petrus Gabriël en Jan Arentsz hebben deelgenomen aan de arbeid der synode. Zij hebben althans de acta ondertekend en jegens Van der Heyden hun dankbaarheid betuigd, dat hij hen had weten over te halen.9 Maar dat geldt van de andere Hollanders niet. Zij bleven bij hun houding volharden. De synode besloot de afwezigen niet los te laten, maar hen te vermanen om in de ondertekening van de belijdenis te bewilligen.10 Blijkbaar hebben de aanwezigen niet willen berusten in de afzijdigheid der anderen. Zij hebben hun afwezigheid betreurd en gelegenheid gezocht er met hen over te spreken. Het resultaat daarvan is ons op dit ogenblik niet bekend.

 

II

Ons interesseert de vraag welke gronden de Hollanders hadden voor hun houding. Helaas is ons het antwoord op de officiële invitatie niet bewaard gebleven. Welke redenen zij „voor excusatie”, door de kerkeraden van Keulen ter sprake gebracht in hun schrijven aan de Prins, hebben aangevoerd kunnen wij niet meer achterhalen. Toch betekent dit niet dat de bedoelde vraag zonder antwoord moet blijven. Zij heeft meer dan eenmaal de geschiedschrijvers bezig gehouden.

Nog altijd wordt de probleemstelling beheerst door de uitvoerige en diepgaande studie van R. Fruin, voor het eerst gepubliceerd in het Archief voor Nederlandse Kerkgeschiedenis: „De voorbereiding in de ballingschap


6 WMV, III, V, blz. 3 vv.
7 WMV, III, V, blz. 3 vv.
8 M.F. van Lennep, Gaspar van der Heyden, 1530-1586, Diss., Amsterdam 1884, blz. 204.
9 M.F. van Lennep, a.w., blz. 208.
10 Acta, art. 4.

|53|

van de Gereformeerde Kerk van Holland”, 1894.11 Fruin ziet op de achtergrond de tegenstelling tussen de preciese Calvinisten van het zuiden en de rekkelijke Calvinisten van het noorden.12 De „eigenlijke twistappel” tussen deze twee groeperingen zoekt Fruin in de waardering van de belijdenis als formulier van enigheid.13 Petrus Gabriël en Jan Arentsz zouden als „de twee hoofden der Hollandsche rekkelijken” door afstand te doen van hun eigen inzichten en zich te onderwerpen aan het besluit van de meerderheid een scheuring hebben voorkomen en zodoende aan de kerk en aan het vaderland een uitnemende dienst bewezen hebben.14 Door menigeen is deze zienswijze overgenomen.15

F.L. Rutgers heeft echter de zwakke punten van Fruins betoog aangewezen. Door een nauwkeurige vergelijking van de bronnen kwam hij tot een afwijzing van de onderscheiding tussen rekkelijken en preciezen. Volgens Rutgers lag de kwestie waar het om ging niet op leerstellig maar op politiek en kerkrechtelijk terrein. Het punt van bezwaar voor de Hollanders zou gelegen hebben niet in enig punt van de leer, „maar alleen in de gemeenschappelijke kerkelijke inrichting en discipline”.16

A.A. van Schelven betitelde beide partijen als „kerkelijken” en „politieken”, als “Gereformeerden” en „Libertijns gezinden”. De laatsten werden door hem gezien als voorlopers van de Remonstranten.17

C. Boer ment het verschil tussen de partijen te moeten herleiden tot een structuurverschil, dat niet mag worden opgevoerd tot een antithese tussen het calvinisme van de ballingen in de Palts en dat van de Nederlanders te Emden. „Het gaat hierbij om een uiteenlopende politieke visie, die misschien nog juister een verschillend politiek beïnvloed worden genoemd kan worden”.18 Volgens C. Boer is het eenzijdig de synodale vaderen van Emden als kerkelijken te stellen tegenover hun oppositie als de politieken. Het kerkelijke standpunt der preciezen is mede politiek bepaald, de politieke reserves der rekkelijken zijn geworteld in een godsdienstig beginsel.19


11 R.J. Fruin, De voorbereiding in de ballingschap van de Gereformeerde kerk van Holland, Arch. voor Ned. Kerkgesch., deel 5, 1895, blz. 1-46; ook in Verspreide Geschriften, deel 2, ’s-Gravenhage 1900; ook in Opstellen over Willem van Oranje, Utrecht/Antwerpen 1960, blz. 103-138 (Aula-boeken, deel 36).
12Verspreide Geschriften, II, blz. 240.
13a.w., blz. 266.
14a.w., blz. 272; vgl. blz. 275.
15 L. Knappert, Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk gedurende de 16e en 17e eeuw, Amsterdam 1911, blz. 7 vv.; dezelfde, Het ontstaan en de vestiging van het Protestantisme in de Nederlanden, Utrecht 1924, blz. 421 vv. Vgl. D. Nauta, Opera minora, Kampen 1961, blz. 31 vv.
16 F.L. Rutgers, Calvijns invloed op de Reformatie in de Nederlanden, Leiden 19012, blz. 212-222.
17 A.A. van Schelven, De Nederduitsche vluchtelingenkerken der XVIe eeuw in Engeland en Duitschland in hunne beteekenis voor de Reformatie in de Nederlanden, Diss., ’s-Gravenhage 1908, blz. 128 vv.
18 C. Boer, Hofpredikers van Prins Willen van Oranje. Jean Taffin en Pierre Loyseleur de Villiers, Diss., ’s-Gravenhage 1952, blz. 49.
19a.w., blz. 51.

|54|

Inderdaad lijkt het bij voorbaat ondoenlijk de tegenstellingen die zich in de tijd van voorbereiding van de synode van Emden openbaarden zonder meer onder één noemer te brengen. Wie tracht het geheel van vragen in één categorie samen te vatten doet daarmee te kort aan de complexiteit van de gevoelens. De gedachte zelf van een kerkelijke vergadering, zo mogelijk van alle Nederlandse kerken, zowel die der vluchtelingen in het buitenland, als die onder het kruis in het vaderland, bevatte zo veel nieuws, dat tal van weerstanden overwonnen moesten worden eer het zo ver was. Globaal genomen kan men stellen dat er, in verband hiermee een drietal vragencomplexen waren, waarin duidelijkheid geschapen moest worden.

Het eerste van dit drietal was de vraag naar de waarde en betekenis van de synode zelf, in feite dus de vraag naar de wenselijkheid van een kerkelijk verband. Het tweede geheel van vragen raakt de functie van de belijdenis die als fundament voor het geheel der kerken zou moeten dienen. Als derde kwam daar dan nog bij de kwestie van de verhouding van deze kerkelijke vergadering tot de gang van zaken in het vaderland in politiek en staatkundig opzicht. Wij kunnen achteraf met meer of minder duidelijkheid deze drie factoren onderscheiden: een kerkordelijk, een confessioneel en een politiek aspect. Maar wij dienen ons wel te realiseren, dat deze onderscheiding slechts dan gehanteerd kan worden, wanneer wij voor ogen houden dat deze drie factoren nimmer van elkander los te denken zijn. Zij zijn nauw met elkander verweven. Zij hebben elkaar onderling beïnvloed. De spanningen die tussen de broeders in Emden openbaar werden kunnen niet verklaard worden als uitingen van aanwezige reformatorische stromingen in het Noorden.20 Ook mag men niet zonder meer latere tegenstellingen terugprojecteren in deze ontstaanstijd der Nederlandse kerk. Van stromingen spreken wij bij de reformatorisch gezinden te Emden. Het ontstaan ervan is even moeilijk aan te geven als hun verloop. Maar heel duidelijk worden tegengestelde krachten openbaar wanneer het gaat om de vragen die ten aanzien van de synode van Emden concreet aan de orde kwamen: de kerkorde, de belijdenis en de relatie tot de staat, die onder leiding van Prins Willem zich aan het vormen was. Zou het toevallig zijn, dat juist de Emden deze spanningen naar buiten traden in de absentie van een aanzienlijk deel der vluchtelingen, der Hollanders?

 

III

Met deze laatste vraag willen wij beginnen. Men kan de vraag ook zo stellen: is er verband tussen de afzijdigheid der Hollandse natie en de ongeïnteresseerdheid van de Emdense plaatselijke kerk? Deze laatste is


20 A.J. Roelink in Algemene Geschiedenis der Nederlanden, o. red. v. J.A. van Houtte e.a., deel IV, blz. 265 v.; vgl. F. Pijper, Geestelijke stroomingen in Nederland vóór de opkomst van het Remonstrantisme, in De Remonstranten. Gedenkboek bij het 300-jarig bestaan der Remonstrantse Broederschap, Leiden z.j., blz. 36-59.

|55|

immers opvallend. Reeds Meiners vestigde de aandacht op het feit dat de synode in de kerkelijke stukken van de gemeente te Emden slechts terloops genoemd wordt, n.l. in het protocol van 30 januari 1572. Dan is de vergadering reeds gehouden. En van deze vergadering zelf zwijgt het kerkeraadsprotocol.21 Was de kerkeraad er niet bij geïnteresseerd? Distancieerde hij zich opzettelijk van de vreemdelingensynode? Heeft de gemeente van Emden inderdaad, gelijk Weerda uitspreekt, van de synode niet de minste notie genomen omdat het een interne Nederlandse aangelegenheid betrof?22 In ieder geval is de Raad van Emden op de hoogte geweest van de besprekingen: de synode kwam bijeen in de Stadthalle bij de Falderntor, eigendom van de stad.23 Dat wijst er op dat de magistraat van Emden de vergadering heeft toegelaten en er zelfs gelegenheid voor heeft geboden. Maar dat zal dan wel zijn geschied op dezelfde voorzichtige wijze als waarop in 1567 het stadsbestuur oogluikend de activiteiten van de diakonie der vreemdelingen toeliet: „um unsen G.H. willen, de de Borgunnischen doch seer vrüchten”.24 De Emdense broeders zagen toen gevaren en onthielden zich van autorisatie der activiteiten.25 Politieke belangen zullen hierbij een rol gespeeld hebben. De dreiging van Alva was in 1571 wel verminderd maar niet geheel geweken.

Toch verklaart dit niet genoegzaam de terughoudende manier waarop de kerkenraad van Emden zich in verband met de synode opstelde. Daarvoor dienen andere factoren genoemd te worden.

Emden was toen reeds de moederkerk voor vele vluchtelingenkerken. Tot haar wendden de gemeenten onder het kruis zich om advies en ook om daadwerkelijke hulp.26 Zij vonden als het maar even kon een luisterend oor. Door de verspreiding van lectuur, door de opleiding van predikanten heeft de evangelische gemeente van Emden grote betekenis gehad voor de ontwikkeling van de reformatie in Nederland. Maar Emden was toen nog niet het „Genève van het Noorden” zoals het dit door de arbeid van Menso Alting zou worden.


21 E. Meiners, Oostvrieschlandts kerkelyke geschiedenisse, I, Groningen 1738, blz. 425.
22 J. Weerda, Der Emder Kirchenrat und seine Gemeinde, Diss., Masch.schr., Göttingen 1944, Anm. S. 1: „Dabei hat die Emder Gemeinde von der Emder Synode, die eine interne holländische Angelegenheit war, über nicht und zwar betont nicht Notiz genommen”. Vgl. H. Klugkist Hesse, Menso Alting, Berlin 1928, S. 91; E. Sehling, Die evangelischen Kirchenordnungen des XVI. Jahrhunderts, VII. Band, II. Hälfte, 1. Halbband, Tübingen 1963, S. 349.
23 R. van Roosbroeck, Emigranten. Nederlandse vluchtelingen in Duitsland (1550-1600), Leuven 1968, blz. 359, aant. 4.
24 WMV, I, II, blz. 108.
25 WMV, I, II, blz. 108: Cooltuin moest „Isbrando sampt den anderen broederen anseggen, dat wy idt woll kunden lyden, dat se underwylen in de noodt der armen by einander koemen, so se daar neen varlickheit in sheen, gelick wij dhon, alleene, dat se idt niet dhon uwt unse bevell unde autoriteyt up alle eventhuyr ho idt mucht genomen worden, ho beter, ho lever”.
26 Vgl. D. Nauta, Tien jaren uit de geschiedenis van Emden, Ger. Theol. Tijdschr., 57e jrg., blz. 128-136.

|56|

De reformatie in Emden had in sterke mate te maken met de tegenstelling tussen de invloed van het lutheranisme dat vanuit het Oosten zich deed gelden, en verschillende stromingen die in Emden zelf aanwezig waren, wantrouwend tegenover elke vastere vorm van leven en leer.27 De gemeente van Emden verzette zich van meetaf tegen gelijkschakeling met het Lutheranisme. In het begin is het vooral de invloed van Karlstadt, Zwingli, Oecolampadius die zich laat gelden.28 Grote invloed hebben daarna gehad A Lasco, Faber en Hardenberg. Hun namen wijzen in de richting van een vrij zelfstandig verwerken van allerlei reformatorische gegevens. Vanuit Emden lopen duidelijke verbindingen met Zürich, en Straatsburg, terwijl allerlei practische ervaringen door A Lasco benut werden.29 Deze gaf aan Emden het instituut van een kerkeraad, die in de zomer van 1544 zijn werkzaamheden begon.30 Voor het contact der oostfriese kerken onderling diende de predikantensynode, de z.g. coetus,31 die in het zomerhalfjaar wekelijks vergaderde. Zelf vervulde A Lasco het superintendentschap. Door hem werd dit in geen enkel opzicht in strijd geacht met de presbyteriale grondvorm van zijn kerkordelijk inzicht.

Na zijn vertrek in 1549 werd er officieel geen nieuwe superintendent benoemd. Zijn taken werden overgenomen door Gellius Faber.32 Bij hem is de invloed van Bucer nog sterker merkbaar dan bij zijn voorganger.33 Een bemiddelende positie nam hij in tussen de gemeente van Emden die hij diende (1537-1564) en de gehele oostfriese kerk, waarin sterkere lutherse invloeden zich deden gelden. Zijn voorbeelden waren daarbij Melanchthon en Bucer.34 Bij ingrijpende meningsverschillen omtrent het avondmaal in 1522 bracht een formule naar voorbeeld van de door Bucer ontworpen en verdedigde Wittenberger Concordie uitkomst.35 Hardenberg diende tijdens de Emder synode de kerk van Emden als „metropolitanus”. Ook hij was door een jarenlange vriendschap met Bucer verbonden en verklaarde zich eensgeestes met hem.36


27 Weerda, a.a.O., S. 4; vgl. H. Reimers, Die Gestaltung der Reformation in Ostfriesland, Aurich 1917.
28 Weerda, a.a.O., S. 6f.
29 Weerda, a.a.O., S. 4.
30 Weerda, a.a.O., S. 53.
31 P. Wilhelmi, Der Präses der Evangelischen Kirche im Rheinland, Düsseldorf 1963, S. 20-28; H.E. von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht der niederländischen Reformierten bis zum Beginne der Dordrechter Nationalsynode von 1618/19, Leipzig 1902, S. 7; Weerda, a.a.O., S. 31.
32 Weerda, a.a.O., S. 126f.
33 Weerda, a.a.O., S. 129ff.; S. 158. Voor de relatie tussen A Lasco en Bucer: J.V. Pollet, Martin Bucer. Études sur la correspondance, I, Paris 1958, p. 273 ss.
34 Weerda, a.a.O., S. 128.
35 Weerda, a.a.O., S. 135. Over de Wittenberger Concordie: E. Bizer, Studien zur Geschichte des Abendmahlsstreits im 16. Jahrhundert, Gütersloh 1940.
36 Pollet, o.c., p. 208-218. Vgl. p. 214: „Bucerus, quem ego Albertus secutus sum quanta omnino proprietate potui, neque aliam ego doctrinam Bremae proposui unquam ...” Vgl. B. Spiegel, D. Albert Rizäus Hardenberg. Ein Theologenleben aus der Reformationszeit, Bremen 1869.

|57|

Ten onrechte construeerde Spiegel in zijn levensbeschrijving van Hardenberg een te grote scheiding tussen een calvinistisch-zwitsers en een melanchthoniaans-duits protestantisme.37 Van het laatste zou Hardenberg dan een vertegenwoordiger zijn. Men dient de openheid in de verschillende nuanceringen binnen de niet-lutherse reformatie niet uit het oog te verliezen. Temidden daarvan heeft de kerk van Emden een bemiddelende positie ingenomen. En mede daardoor is het te verklaren dat de kerkeraad van Emden zich niet actief bezig hield met de handelingen van de synode van Nederlandse vluchtelingen. Daarom zal ook de oorzaak van Hardenbergs afzijdigheid niet alleen gezocht moeten worden in zijn ouderdom en gezondheidstoestand, maar mede in het eigenaardig karakter van de reformatorische inzichten der gemeente die hij had te leiden. Daarbij komt dan nog dat kerkordelijk gezien de synodale gedachte als zodanig op zijn minst in het kerkrechtelijk systeem van de oostfriese kerk overbodig was, om niet te spreken van een terughoudendheid ten opzichte van de synodale gedachte, die in de kerkregering van de Emdense kerkeraad niet te miskennen is.38 Al met al lijkt het duidelijk at het gebrek aan belangstelling voor de synode bij Emdens kerkeraad niet alleen te verklaren is uit politieke of zelfs commerciële interessen.39 Het hangt samen met het karakter en vormgeving van de reformatie in Emden zelf. En mede omdat de Nederlandse vluchtelingengemeente geïntegreerd was in deze moedergemeente, zal de houding van de kerkeraad van invloed zijn geweest op die van de Hollanders.

In Emden heeft nimmer een Nederlandse vluchtelingengemeente bestaan. Wel was er een kleine Engelse emigrantenkerk, die bestaan heeft tot 1559. Daarnaast kwam er ook een Franse kerk die eerst in 1897 zou opgaan in de Duits-Gereformeerde gemeente van Emden. Maar ten aanzien van de Nederlanders lagen de zaken anders. Zij werden in de plaatselijke kerk opgenomen. Gezien de taal leverde dat geen moeilijkheden op.40 Toen A Lasco met een grote groep vluchtelingen uit Engeland in Emden aankwam kon hij aan zijn vrienden in Zürich meedelen dat de Nederlanders zich bij de kerk in Emden zouden aansluiten zodat zij zijn diensten niet meer behoefden.41 Zo ging het niet alleen met de uit Londen afkomstige gelovigen. Toen de komst van Alva in 1567 een stroom van vluchtelingen over de grenzen dreef werden velen van hen in Emden gastvrij ontvangen. Hoofdzakelijk zijn het mensen die uit het Noorden des lands afkomstig zijn en Hollanders, maar toch ook vinden wij onder hen Brabanders en Zeeuwen.42 Zij allen ontvingen hun pastorale verzorging zonder al te grote


37 Spiegel, a.a.O., S. 364.
38 Weerda, Nach Gottes Wort reformierte Kirche, München 1964, S. 72.
39 Sehling, a.a.O., S. 349.
40 Weerda, Der Emder Kirchenrat und seine Gemeinde, Beilage I: „Die Sprache der Ortsgemeinde war grundsätzlich niederdeutsch (sassisch). Das Friesische war um diese Zeit schon ausgestorben in Emden und das Niederländische wurde wohl verstanden, aber nicht gesprochen”.
41 A Lasco, Opera, II, Ed. A. Kuyper, Amstelodami/Hagae Comitum 1866, p. 697.
42 Van Roosbroeck, a.w., blz. 85-108.

|58|

moeilijkheden van de Emdense gemeente uit. Hun eigen predikanten werden daarbij ingeschakeld: Petrus Gabriël en J. Arnoldi die met een deel van hun gemeente Amsterdam ontvlucht waren, bleven zich ook hier aan hun groep verbonden gevoelen. Zij noemden zich „dienaeren der verstroeyder Ghemeynte van Amsterdam”.43 Spoedig waren de vreemdelingen sterk vertegenwoordigd in de kerkeraad.44 Wél ontvingen de Nederlanders hun eigen diakonie: op 1 mei 1567 werd besloten dat „van yder lant als Vlanderen, Brabant, Hollant, Westfreeslant” twee gedeputeerden met de plaatselijke diakonie zouden samenwerken om arme vluchtelingen bij te staan.45 Het vergaderen in aparte bijeenkomsten en het vormen van een eigen consistorie werd evenwel bezwaarlijk gevonden. De beraadslagingen daarover werden uitgesteld. Gezien de politieke toestand heeft de voor de hand liggende oplossing van aansluiting bij de plaatselijke kerk voorkeur verkregen.

Deze integratie betekende niet dat de vreemdelingen onderling geen contact meer hielden. In voorkomende gevallen werden de afzonderlijke „naties” geraadpleegd, en stelde de kerkeraad van Emden ook zulk een vorm van beraad op hoge prijs. In 1570 geschiedde dit met betrekking tot de mogelijkheid van een in te dienen apologie op de rijksdag.46 Terwijl in het volgende jaar de „provintien” ingeschakeld werden bij de voorbereidingen voor de synode.47 De vluchtelingen zijn niet in de kerk van Emden opgegaan. Zij hebben er, ingedeeld naar de provincies waaruit zij afkomstig waren, een plaats gevonden en zo de invloed ondergaan van de moederkerk, die zij op hún beurt ook daarná in haar karakter wezenlijk bepaald hebben.48 Deze gang van zaken zal van invloed zijn geweest op de houding die de Hollanders te Emden, die in aantal en invloed zeker niet de kleinste „natie” vormden, ten aanzien van de synode hebben ingenomen.

 

IV

Deze houding was reeds duidelijk geworden toen in het voorjaar van 1570 Herman Moded tevergeefs een poging had gedaan om de artikelen van het Convent van Wezel te laten ondertekenen door de dienaren van de oostfriese kerken.49 Coornhert verschaft daarover inlichtingen aan zijn


43 Hessels, o.c., II, p. 321-323; vgl. hun ondertekening van de Acta der synode. R.B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam, I, Amterdam 1965, blz. 70-74.
44 Weerda, a.a.O., S. 157.
45 WMV, I, II, blz. 105 vv.
46 Zie de briefwisseling bij J.-F. van Someren, La Correspondance du Prince Guillaume d’Orange avec Jacques de Wesenbeke. Archives ou Correspondance inédite de la maison d’Orange-Nassau. Supplément au recueil de M. G. Groen van Prinsterer, Utrecht/Amsterdam 1896, p. 46 ss.; 51 ss; 55 s.
47 Hessels, o.c., II, p. 387.
48 Weerda, a.a.O., S. 156f.
49 V. Someren, o.c., p. 54; Rutgers, Calvijns invloed, blz. 218; voor Modeds activiteiten i.v.m. het convent van Wezel zie: J. de Jong, De voorbereiding en constituering van het Kerkverband. Het Convent te Wezel (1568), Diss., Groningen 1911, passim.

|59|

broer. Ook in een brief van Laurens Jacobsz. Reael komt dit ter sprake: zowel het verzoek tot ondertekening van deze artikelen als ook het instemmen met de plannen tot een generale voorziening in het onderhoud van verdreven predikanten (een plan gelanceerd door Marnix) werden door Reael beschouwd als bedekte middelen om te komen tot een kerkverband, dat na de bevrijding van het vaderland zou kunnen werken als een belemmering van wezenlijke kerkelijke en geestelijke vrijheid. Reael schetst de bedoelingen van Moded, Datheen en anderen op deze wijze: „Jae daermede sy sommighe heeren ende vorsten souden coonnen an malcanderen reytssen, ende daerenboven so wy met Godts hulpe int lant quaemen, souden een nieu pausdomme te versorghen, jae aparentelic geschaepen hebben”.50 Daarom moet het werk van deze „onrustige geesten ofte superstitiosse menschen” afgewezen worden. De arbeid van het Convent van Wezel ter voorbereiding van het kerkverband der Nederlandse Gereformeerde kerken kon in de ogen van Coornhert, Reael en hun medestanders geen goedkeuring wegdragen. Waarschijnlijk hebben wij in hun critiek niet alleen gestaan. De kerkelijke vergaderingen die aan de synode van Emden voorafgingen hebben reeds rekening gehouden met de argumenten van de tegenstanders, die zouden opmerken: „Het zijn niet dan menschen instellingen”. Deze en dergelijke redeneringen zullen ongetwijfeld ook opgeld gedaan hebben in de kring van de Emdense broeders.51 Uit de brief die Caspar van der Heyden op 4 oktober 1571 schreef uit Emden aan de kerkeraad van Frankental bleek ons reeds dat hij en Taffin veel moeite moesten doen om de anderen te bewegen mee te werken.52 Dezelfde Van der Heyden herinnerde zich bijna twee jaren later dat Petrus Gabriël en Jan Arentsz „deser saken een afschouwen hadden”, en hij spreekt in hetzelfde verband van mensen „die hen vanden naem der discipline ende ordeninghe schouwen”.53 De vluchtelingen te Emden telden onder zich mensen, van wie Van der Heyden kon schrijven: „daer sal noch al wat behoeuen inder kercke regieringhe, sonst houd ick datse inde leere rondt syn”.54 De vragen van de kerkelijke organisatie bleken in ieder geval een knelpunt te vormen. En de diversiteit tussen verschillende stromingen binnen de kring der vluchtelingen te Emden trad ten aanzien van het karakter en de bedoeling van de synode aan het licht. Was deze vergadering wel noodzakelijk? Zou zij de vrijheid der christenen, en die der kerken niet beknotten? Zou zij geen middel worden om een nieuwe tirannie in te voeren?

Dát deze vragen opkwamen behoeft ons niet te verwonderen. Overal waar


50 V. Someren, o.c., p. 47.
51 F.L. Rutgers, De geldigheid van de oude Kerkenordening, Amsterdam 1890, blz. 15; vgl. blz. 66.
52 V. Lennep, a.w., blz. 204 v.
53 V. Lennep, a.w., blz. 208.
54 V. Lennep, a.w., blz. 209; vgl. blz. 64 v., n. 1.: „Apud Emdanos multos esse libertinos, plus satis scio ...” en enkele regels verder: „... nam Emdani jamdiu proclives fuerunt ad libertinorum errores”. Zo schrijft Van der Heyden in 1576 aan zijn vriend Arnoldus Cornelii te Delft.

|60|

de kerken der Reformatie geplaatst werden voor de vraag naar de kerkelijke orde ging dat gepaard met moeilijkheden. Allerlei spanningen traden dan aan het licht. In Duitsland waren de vragen naar de vormgeving van het kerkelijke instituut meestentijds in dié zin opgelost, dat aan de invloed van de landsvorst grote betekenis werd toegekend. In de evangelische gebieden was rond de jaren 1568/69 het „landesherrliche Kirchenregiment” bijna overal ingevoerd.55 Maar zulk een oplossing lag niet voor de hand waar de kerken voor de noodzaak stonden zich te organiseren zonder de medewerking of zelfs tegen de bewilliging van de overheid in, gelijk het geval was in Frankrijk en ook in de Nederlanden.

In Frankrijk leverde de instelling van een presbyteriaal-synodale orde grote moeilijkheden op van de kant van hen die voorstander waren van een meer onafhankelijke positie der plaatselijke gemeenten. Het opkomende independentisme was zo sterk van invloed, dat Beza zelf er aan te pas moest komen om op de synode van La Rochelle (2-11 april 1571) orde op zaken te stellen. Hij kwam op verzoek van de synode uit Genève over en als moderator had hij een grote invloed ter bestrijding van de gedachten van Morély. Deze had in een publicatie: „Traicté de la discipline et police chrestienne” (Lyon 1562) gepleit voor een autonomie van de plaatselijke kerk, gelijk deze ook verdedigd was in de kringen van het Anabaptisme en van het latere Congregationalisme.56 Bullinger, die terzake een ander standpunt innam dan Beza57 schreef dat deze strijd over de gestalte van de kerk meer schade zou berokkenen aan de Franse kerken dan de oorlogen hadden gedaan.58 De synode van La Rochelle die over de geschillen had te oordelen en het standpunt van Morély beslist afwees, beschreef de toestand van de Franse kerk door deze twisten „veluti iam exanine cadaver”.59 De bezwaren die Morély inbracht tegen de kerkelijke orde, voorgestaan door de Franse gereformeerde kerken, luiden bijna gelijk aan die welke wij in Emden vernamen: deze kerkelijke organisatie was een tyrannie waarbij aan het volk geen andere rol werd toebedeeld dan die van de figuranten in een comedie, omdat de dienaren alle macht aan zich getrokken hadden.60 Opmerkelijk is het dat Morély op een onbevangen manier van de kerkelijke structuur sprak als van een democratie,61 en dan niet in malam partem, zoals gebruikelijk is


55 H.-W. Krumwiede, Zur Entstehung des landesherrlichen Kirchenregiments in Kursachsen und Braunschweig-Wolfenbüttel, Göttingen 1967, S. 264.
56 R.M. Kingdon, Geneva and the consolidation of the Frensch Protestant Movement 1564-1572, Genève 1967, p. 48-62; E.G. Léonard, Histroire générale du Protestantisme, II, Paris 1961, p. 115-118; W. Hollweg, Die Nachwirkungen der Weseler Konventsbeschlüsse von 1568, in Weseler Konvent 1568-1968, Düsseldorf 1968, S. 140-162.
57 A. Bouvier, Henri Bullinger le successeur de Zwingli, Neuchâtel/Paris 1940, p. 384-414.
58 Bouvier, o.c., p. 550: „Plus nocebimus hac contentione Gallicis ecclesiis quam nocuerit eis bellum”.
59 Bouvier, o.c., p. 545.
60 Bouvier, o.c., p. 400, n. 2.
61 Kingdon, o.c., p. 57 s.

|61|

in de eeuw der Reformatie, maar als uitdrukking van de bevoegdheid der gemeente: elke ambtelijke beslissing moet plaats maken voor beslissingen die genomen moeten worden door de locale gemeente zelf. Slechts daar kunnen beslissingen vallen ten aanzien van de leer en van het leven. Slechts daar kunnen kerkelijke verkiezingen plaats hebben. Deze décentralisatie van het kerkelijke apparaat werd echter door de Gereformeerden in Frankrijk gezien als een wezenlijk bedreiging van de kerken zelf. Daarom waren de reacties ook zo scherp. De synode van Orleans (april 1562) veroordeelde de opvattingen van Morély omdat zij de kerken in verwarring en verval zouden brengen. Niet veel anders luidde de uitspraak van de synode van Parijs (december 1565), waar Morély’s opvattingen werden gekarakteriseerd als gevaarlijke en slechte meningen, waardoor de discipline werd omgekeerd: „car en attribuant le Gouvernement de l’Eglise au peuple, il veut introduire une nouvelle conduite tumultueuse et pleine de confusion populaire ...”.62 Bij de bespreking van de kerkorde heeft de synode van La Rochelle op tal van concrete punten de gereformeerde zienswijze met betrekking tot het door Morély opgeworpen geschil geconsolideerd.63

In de Palts ontstonden soortgelijke moeilijkheden toen door het optreden van Erastus de kwestie van de kerkelijke discipline een oorzaak van grote twist werd. Petrus Datheen werd hierbij betrokken. Ook hier oefende Beza invloed uit. En ook hier trad een nuanceverschil aan het licht in de beoordeling van de zaak door Bullinger en Beza. Zo diepingrijpend was het meningsverschil dat tal van belangrijke personen erbij betrokken werden. Naar het woord van een tijdgenoot was de correspondentie over deze zaak over geheel Europa verspreid.64 In feite ging het in deze controvers om de vragen die ook in Emden aan de orde zouden komen. Hoewel Datheen en de zijnen zich lieten inspireren door het voorbeeld van het Genève van Calvijn en Beza, was men toch ook weer nuchter genoeg om de ogen niet te sluiten voor de mogelijkheden die aanwezig zouden zijn! Aan Bullinger schrijft Datheen (9 mei 1570): „ge moet niet menen, dat we zo dwaas zijn, dat we hier alles even streng geregeld willen zien als in de kerk van Genève, of zoals Joh. a Lasco het heeft gedaan onder de ballingen in Engeland. Met twee dingen zijn wij tevreden: dat de dienaren des Woords hun kudde kunnen kennen welker bloed de Heer van hun hand zal eisen, en ten tweede dat de sacramenten bewaard zullen blijven voor een openlijke en vreselijke profanatie”.65 Met de kerkelijke discipline beoogt Datheen blijkbaar een pastorale zorg die zeer pregnant zichtbaar wordt bij het Avondmaal.


62 Aymon, Tous les synodes nationaux des Eglises Réformées de France, La Haye 1710, I, p. 58 s.
63 Kingdon, o.c., p. 96-99; Aymon, o.c., p. 98-111; Léonard, o.c., p. 120 s.
64 R. Wesel-Roth, Thomas Erastus, Lahr/Baden 1954, S. 54; V. Press, Calvinismus und Territorialstaat, Regierung und Zentralbehörden der Kurpfalz 1559-1618, Stuttgart 1970, S. 245-253.
65 T. Ruys, Petrus Dathenus, Diss., Utrecht 1919, blz. 93; v. Schelven, a.w., blz. 414 v.

|62|

Invloed van Beza is aanwijsbaar bij de voorbereidingen die voor de synode van Emden werden getroffen. Tot hém wendde men zich om advies inzake de twisten die in de Nederlandse vluchtelingenkerk te Londen waren uitgebroken.66 Ook de dienaren van Emden werden er in gemoeid. De vrees werd zelfs uitgesproken dat deze twisten weldra zouden overslaan naar Nederland.67 Marnix van St. Aldegonde trachtte de broeders met elkander te verzoenen: „Ende het staet grootelijck te beduchten, (dat soo wy in sulcke wijse voortvaren) God de Heere den vloet sijner toornicheyt als een vlamme viers over ons allen ghelijck storten zal, ende ons allen eeuwen tot schande maken, sijn woordt van ons wechnemen ende sijne ghenade andere natiën verleenen, diese beter ende Christelijcker zullen ghebruyken dan wy”.68 In concrete vragen wendde men zich tot Genève om advies.69 Zelfs aan het hof van Margareta van Parma te Brussel was men op de hoogte van de invloedrijke betekenis van Genève voor de uitbreiding en consolidatie van het Calvinisme in Antwerpen en omgeving: „Er is op het ogenblik geen ketterij die zich zo verspreidt dan die der Calvinisten ... geïnstrueerd als zij worden in Genève”.70

Met zo veel woorden geeft Marnix van St. Aldegonde te kennen dat Beza hem op de noodzakelijkheid van een innige band tussen de Nederlandse kerken heeft gewezen in een brief die hij samen met Caspar van der Heyden schreef vanuit Heidelberg en gedateerd 21 maart 1570. Deze rondgaande brief, gericht aan de verstrooide kerken in Engeland en Duitsland dient om de gemeenten te wijzen op de noodzakelijkheid van een gemeenschappelijke voorziening inzake het onderhoud der predikanten. Ook wordt het pleit gevoerd voor een „overeencominghe ende onderlinge verkundschappinge door brieven”, terwijl in de derde plaats maatregelen worden voorgesteld om door middel van attesten te voorkomen dat van de kerkelijke armverzorging misbruik zou worden gemaakt. Het doel van deze maatregelen is om „alle de gemeynten der Nederlanden tot éénen lichaeme in te lijven, opdat sy met eenen ghelijcken voet nae de opbouwinge der Kercken Godes trachten”.71 Marnix schrijft dit alles omdat hij deze heilige en noodzakelijke aangelegenheid wil bevorderen, maar niet minder „dewijle wy ooc ernstelick van die van Geneven zijn vermanet worden, welcke sick verwonderen, dat wy niet meer achts en nemen op een dinck, dat gantselick noodich is ...”.72


66 O. Fatio, O. Labarthe (ed.), Registres de la Compagnie des pasteurs de Genève, tome III, 1565-1574, Genève 1969, p. 245.
67o.c., p. 244.
68 Ph. van Marnix van St. Aldegonde, Godsdienstige en kerkelijke geschriften, I, ed. J.J. van Toorenenbergen, ’s-Gravenhage 1871, blz. 138.
69Registres, III, p. 222-224; zie het citaat van Crespin op p. 224. Vgl. H. Meylan e.a., Correspondance de Théodore de Bèze, tome VI, Genève 1970, p. 286-290; 302-304.
70 H.-A.E. van Gelder (ed.), Correspondance française de Marguerite d’Autriche avec Philippe II, tome II, Utrecht 1941, p. 283.
71 Ph. van Marnix van St. Aldegonde, Godsdienstige en kerkelijke geschriften, verscheidenheden, ’s-Gravenhage 1878 (ed. J.J. van Toorenenbergen), blz. 16.
72a.w., blz. 10.

|63|

„Die van Geneven”, wie zijn het anders dan de Compagnie des pasteurs met Beza aan het hoofd?

Marnix beroept zich ook op het voorbeeld der „Walscher Kercken” en hij noemt de „Fransoysen”, „die ja doch uyt alle haere goederen so wel geschuppet zijn als wy”.73 Dezelfde klanken beluisteren wij in de brief aan de Nederlandse gemeente te Londen, waarin afgevaardigden worden opgeroepen voor de synode. Ook hier is de Franse kerk het inspirerende voorbeeld: „Het is genoech openbaer ende kennelick hoe grootelicx het inde kerke Godes van noode sij eene goede, vaste ende onbewegelicke overeenkominge onder elcander te houden, niet alleen inde hooftstucken der reyner leere, maer oock inde wysen ceremoniën ende regeringhe der kercken, ende daerenboven een onderlinghe ghemeynschap ende goet verstant te houden, So dat de eene vlietich vernemen vanden staet ende gelegentheyt der anderen, ende d’een den anderen in alle voorvallende saecken behulpich vallen. Hetwelcke opentlick blyckt in het exempel der Françoissche ghemeynten, die boven alle dingen nae dese eenicheyt ende overeenkominge altyt getrachtet hebben ...”.74

Uitdrukkelijk was deze toenadering tot de Franse Gereformeerde kerken ter sprake gekomen op de Provinciale synode te Bedbur (3 en 4 juli 1571) waar men besloot „een overeenkominge op te richten met de ghemeynten in Vranckrijck ende die Articulen haerlieders laestvoorleden Synodums (tot la Rochelle ghehouden) te begheeren, om sich met deselvige op het alderghelijckformichste te vergelijcken ende voeghen als het moghelijck zij, ende altijt goede eenicheyt ende vrindtschap t’ onderhouden”.75 Op soortgelijke wijze sprak de Provinciale Synode van Aken (9 september 1571) zich dienaangaande uit. Daar achtte men het raadzaam de Acta van La Rochelle te raadplegen „om sich te verghelijcken met den selvighen in al wat moghelijcken zij ende ons dienen mach tot opbouwinge ende bevestinge des huys Godes in dese landen”.76 Zodoende verwondert het ons niet dat te emden inderdaad besloten werd het contact met Frankrijk zo mogelijk te verstevigen. Datheen en Taffin ontvingen daartoe een speciale opdracht.77

Het ligt voor de hand dat deze oriëntatie op Genève (het Genève van Beza) en op de Franse Gereformeerde Kerken, die duidelijk de tendens naar het independentisme hadden afgewezen, de houding der Hollandse natie heeft beïnvloed. Zouden deze spanningen niet op enigerlei wijze het werk van de synode beïnvloed hebben? Opvallend is, hoe reeds in het


73a.w., blz. 10.
74Godsdienstige en kerkelijke geschriften, III, blz. 170; vgl. 171.
75 WMV, II, II, blz. 3-7.
76 WMV, III, V, blz. 9-17.
77 Acta particularia, in: Bekenntnisschriften und Kirchenordnungen der nach Gottes Wort reformierten Kirche (ed. W. Niesel), Zürich 1938, S. 287. De „quinta questio” heeft geen betrekking op de Acta van La Rochelle gelijk Kingdon ten onrechte aanneemt, die er de foutieve conclusie aan verbindt: „The request for this inquiry suggests some sympathy for the Erastian point of view among the delegates at Emden, which would not be surprising, given their many connections with Heidelberg”. Het tegenovergestelde is eerder waar.

|64|

uitnodigingsschrijven dat in het archief van de Grote Kerk te Emden bewaard wordt de nadruk valt op de bijbelse gronden die het belang der vergadering moeten aantonen. De gemeenschappelijkheid waarin het overleg plaats vindt en de besluiten worden genomen, bedoelt niet om over anderen te heersen. Christus zelf is de auteur van deze bijeenkomsten. Hij verleent zijn goedkeuring eraan door een speciale belofte van zijn tegenwoordigheid. „Want wanneer het bijeenkomen, de overeenstemming en het gebed van twee of drie zó door Hem gezegend worden ... indien zij slechts in zijn Naam bijeenkomen, hoeveel te meer, wanneer niet slechts weinigen maar vele vromen samenkomen, wanneer velen samenstemmen, velen bidden”. Uit het voorbeeld van de nieuwtestamentische kerk blijkt klaar hoezeer de Here deze bijeenkomsten zegende: de verkiezing van Matthias en het apostelconvent leren „hoe noodzakelijk en nuttig voor de kerken deze soort van bijeenkomsten zijn, waardoor de zuiverheid van de leer en de eenheid kan worden bevorderd”. De bijbel zegt, dat God zijn gaven niet in een volheid aan één toevertrouwt, maar aan velen, opdat zij in de gemeenschap der gaven elkander zouden aanvullen. Leerzaam tot op de dag van vandaag is dit bijbels pleidooi voor het houden van de eerste synode der Nederlandse kerken.78 De bedoeling die men heeft met het houden van de synode mag men niet interpreteren, „alsof wij enig recht of gezag voor ons zouden opeisen in de kerken van Christus, of zelfs bedektelijk zouden najagen ... en ook niet opdat wij op een heerszuchtige wijze iets zouden voorschrijven, maar opdat wij slechts een weg zouden effenen om in gezamenlijk beraad en één van zin een heilzame orde onder ons op te richten”.79

„Menselijke instellingen” ... zó waardeerden de tegenstanders het werk der synode bij voorbaat. Dat was bekend. Daarom kwam op de Provinciale Synode van Aken (4 october 1571) reeds de vraag ter sprake of het niet goed zou zijn om alle punten of artikelen die op de Generale Synode behandeld zouden worden te bewijzen met klare uitspraken van de bijbel of met andere gronden aan het Woord van God ontleend. „Ende sulckes om alle onverstandige ende lasteraers den mondt te stoppene, welcke segghen mochten: Het zijn niet anders dan menschen instellingen”.80

Inderdaad was dit niet een denkbeeldig gevaar. Ook Marnix heft een open oog gehad voor deze dreiging van een menselijke heerschappijvoering over het erfdeel des Heren. Overal waar mensen bezig zijn is zij aanwezig. Marnix heeft duidelijk zijn zienswijze kenbaar gemaakt ter zake van het conflict in de Londense vluchtelingenkerk. Menselijke geboden moeten nimmer tot een valstrik worden. De kerkregering dient niet om naast of buiten het Woord van God nog weer een gezagsinstantie te scheppen, maar integendeel enkel en alleen om de heerschappij van het Woord Gods te verzekeren. Kerkelijke ordinantiën mogen nimmer strijden met Gods Woord. Zij mogen de gewetens ook niet binden, „noch een yeder bijzonder


78 Weerda, Nach Gottes Wort, S. 72-75.
79a.a.O., S. 72f.
80 WMV, III, V, blz. 9-17; vgl. blz. 8 v.

|65|

in den boesem tasten, noch oock tot eeuwichduerende constitutiën ende settinghen inghestelt worden, mits dat alsulcx den eenighen woorde Godes alleene ende eyghentlijcken is toecommende”.81 Scherp heeft Marnix hier het gevaar gesignaleerd en geanalyseerd: indien kerkelijke bepalingen naast of boven het Woord van God komen te staan, wordt de christelijke vrijheid aangetast. Uit een oogpunt van ordelijkheid worden kerkelijke bepalingen aangenomen, „tot een ghemeyne onderhoudinghe der liefden ende des eenicheyts, ende dit tot een seker wijle tijts om erghernisse te mijden ...”.82

En het is naar deze gegevens, dat de synode van Emden zelf heeft gehandeld. In de bepalingen die de synode opstelde blijkt dat zij geen menselijke heerschappij heeft willen vestigen, doch integendeel doorgang heeft willen verschaffen aan het Woord van God alleen.

In verband daarmee staat dat de synode inzake het schriftbewijs voor haar beslissingen, waarom immers o.a. de Provinciale Synode van Aken had verzocht, aan de broeders antwoordde, „dat die dingen welke de consciëntie aangaan met Gods Woord bevestigd moeten worden, maar diegene welke de orde der kerk aangaan of middelmatig zijn tot zulk een noodzakelijkheid niet gedreven moeten worden”.83 Hier blijkt dat de synode het onderscheid gezien heeft. Zij heeft zichzelf en haar ordinantiën geen goddelijk gezag willen toekennen. Heerschappij van mensen over mensen heeft zij willen tegengaan. Hoe kan het ook anders? Immers de eerste bepaling, fundamenteel voor de gehele kerkorde van Emden heeft het primaat van de ene kerk ten opzichte van de andere, van de ene dienaar ten opzichte van zijn mededienaren afgewezen. Geen heersen over elkander bedoelde zij. Veeleer moest alle verdenking of gelegenheid daartoe vermeden worden.84

De gelijkheid van alle kerken en de gelijkheid van alle dienaren is het uitgangspunt van alle kerkelijke orde. Allen en een ieder willen zij — daarvoor zijn het immers kerken en dienaren — gelijkelijk buigen onder het Woord van God. Hoe weinig de broeders hun eigen werk gezien hebben als een onveranderlijke wet, als een goddelijke en onaantastbare orde, even onschendbaar als het Woord van God, blijkt wel uit de slotbepaling, waarin gesteld wordt dat deze artikelen, betrekking hebbende op de wettelijke orde der kerk zodanig met gemeen accoord zijn vastgesteld, „dat wanneer het nut der kerken iets anders zou vereisen zij veranderd, vermeerderd of verminderd kunnen en moeten worden”.85 De kerkelijke orde wordt genormeerd door de „utilitas Ecclesiarum”. Zij is niet bij voorbaat versteend maar afgestemd op de historische omstandigheden.

In gelijke zin heeft Herman Moded zich in zijn brief aan de Engelse kerken over het werk der synode uitgelaten. Bij het overzenden der Acta


81Godsdienstige en kerkelijke geschriften, I, blz. 142.
82t.a.p.
83 Acta particularia 2, Bekenntnisschriften, S. 287.
84a.a.O., S. 279.
85a.a.O., S. 284. Ook de weg naar kerkelijke libertinisme wordt geblokkeerd: „Non erit tamen alicuius privatae Ecclesiae id facere, sed dabunt omnes operam ut illos observent, donec Synodo aliter constituatur”. Art. 53.

|66|

schrijft Moded dat de besluiten genomen zijn „op verbeteringe des naesten Synodalis versamelinge”, en hij verzoekt „tselve niet te willen nemen van ons gedan te wesen tot enege prejudicie van ulieden aldaer, ofte enige andere Kercken”, integendeel: „Beghert ock seer vriendtlick de versamelinge, dat onse accort op correctie, als geseyt, gedan, vl. broderlick wil gevallen, ist niet in forma allenthalven, ijmmers dat tselve geschede, tot onser aller enicheyt ende stichtinge der Kercken in de substantien ende substantiale stucken, als dat de enicheyt ende purheyt der leere, gelickheyt der Denaren, delinge ende exercitie oft onderhoudinge der classen, ceremonien, discipline, ende wat desgelicken mer belanget, broderlick bewesen worde”.86

De synode begeerde geen nieuw pausdom in te voeren gelijk sommige Hollanders in Emden vreesden. Zij was overtuigd van de eis der bijbelse saamhorigheid en heeft daaraan gestalte zoeken te geven in haar bepalingen. En de geschiedenis heeft bewezen dat deze orde voor de bewogen dagen een goede orde was. Want toen in het volgende jaar de deur naar de vrijheid openging, waarop blijkens zo menige brief werd gehoopt, bleek de deur naar de vrijheid ook de deur te zijn waardoor een kerk met kerkverband en al kon binnengaan in het bevrijde gebied. Dát zulks geschieden kon is mede te danken aan de straffe organisatie van het kerkelijke leven in een presbyteriaal-synodaal verband. „Toen is het gebleken, welk een verstandig, welk een heilrijk werk het was, dat de synode te Emden ... nog juist bijtijds had verricht”.87

 

V

Daarmee is echter het diepste geheim van deze wondere gang van zaken nog niet genoemd. Immers wáár klopte het hart van deze kerkelijke organisatie? Welke was de overtuiging achter het instituut? Het was de belijdenis, die te Emden door de kerken als de hare werd aanvaard. Dit impliceert dat de eenheid van het verband der kerken gezocht werd in de eenheid in de leer. En dat is de gereformeerde leer geweest. Ook daarin is aansluiting geweest bij de kerken van Frankrijk. Deze consensus in doctrina is een zeer bewuste keuze geweest. Zij frappeert te meer omdat ook ten aanzien van dit punt de diversiteit der reformatorisch gezinden zich demonstreerde in spanningen die geleid hebben tot de afzijdigheid van sommige Hollanders.

Over de aard van de bezwaren tegen de confessionele positiekeuze der synode kunnen wij ons een tamelijk helder beeld vormen uit de correspondentie van Reael en Fr. Coornhert.88 Bij hen leefde de vrees dat men door te kiezen voor de gereformeerde belijdenis de sympathie van de duitse vorsten zou verliezen. Zij meenden bij de voorstanders van de synode een


86 Hessels, o.c., III1, p. 150-152.
87 Fruin, Verspr. Geschr., II, blz. 275.
88 V. Someren, o.c., p. 46 ss.; 51 ss.

|67|

aversie tegen de Augsburgse confessie op te merken waarvan zij kwade gevolgen vreesden voor een mogelijk bondgenootschap met de Luthersen. Prins Willem had gaarne gezien dat de Nederlandse kerken zich op de basis van de Augsburgse geloofsbelijdenis hadden gesteld „omme ons daermedt te brengen onder die bescherminge ende tutele van de Duytsche vorsten”.89 Maar over dit punt liepen de meningen uiteen.

Bij enkele gelegenheden was dit verschil van inzicht aan de dag gekomen. In het jaar 1566 bleek het op de synode die te Antwerpen gehouden werd. Daar besloot men midden oktober aan koning Filips een request aan te bieden ter verkrijging van godsdienstvrijheid. Dit verzoek wilde men vergezeld doen gaan van de aanbieding van een bedrag van drie miljoen gulden. Ter vergadering was o.a. Petrus Datheen aanwezig, terwijl van de Amsterdamse kerk Reael en In ’t Hart vertegenwoordigd waren. Op 27 oktober werd de remonstrantie aangeboden aan de magistraat van Antwerpen door vertegenwoordigers van de calvinistische en lutherse gemeenten, die aan de koning vrijheid vroegen om zonder verhindering hun geloof te belijden. Een algemene vergadering van de evangelische kerken van alle landen zou moeten vaststellen wat het goede geloof was. Als blijk van gehechtheid aan de vorst zou de koning een buitengewoon geschenk ontvangen.90 Schouder aan schouder trokken bij de indiening van het verzoek om religievrijheid de lutheranen en calvinisten op. Maar de gebeurtenissen namen spoedig een wending. Reeds in de laatste weken van oktober werd er in de lutherse gemeente een activiteit ontplooid die gevoed werd door enkele uit Duitsland overgekomen lutherse predikanten. Op de graven van Mansfeld was een beroep gedaan om hulp bij de „instellinge en plantinge van der suyvere leere”. Zij zonden een aantal geestelijken met de uitdrukkelijke opdracht om in ieder geval de overheid te eerbiedigen. Deze predikanten zouden in hun preken vooral de onderdanen moeten wijzen op de plicht tot eerbied en gehoorzaamheid jegens de overheid.91 En toen onder de calvinisten de stemmen, die opriepen tot een actief verzet tegen de overheid sterker weerklonken tekende zich dan ook een duidelijk verschil af tussen de beide reformatorische groeperingen. Van een gewelddadig optreden wilden de luthersen niets weten. Flacius Illyricus maakte zich tot hun woordvoerder: „Geschrieben ... stehe: wenn dich die Obrigkeit der Religion halben in einer Stadt verfolget, so fliehe in eine andere. Das aber stehe nicht in Gottes Wort: wenn dich die Obrigkeit verfolget, so nimm du das Schwert und jage sie hinaus”.92 De calvinisten daarentegen zagen geen heil in deze houding. Terwijl hier en daar de propaganda voor het godsdienstrequest nog gevoerd werd had in Antwerpen overleg plaats op een synode, eind november gehouden, waar de besprekingen niet handelden over theologische kwesties


89 V. Someren, o.c., p. 53.
90 R. van Roosbroeck, Het wonderjaar te Antwerpen (1566-1567), Antwerpen/Louvain 1930, blz. 160-169.
91 Van Roosbroeck, a.w., blz. 184 v.
92 A.A. van Schelven, Willem van Oranje, Amsterdam 1943, blz. 133.

|68|

maar over de practische verwezenlijking van de verdediging van het geloof. Het was op deze synode, welke voornaamste beslissingen op 1 december 1566 werden vastgelegd, dat men uitsprak dat het verzet tegen de overheid gewettigd is „en cas quil rompe et n’observe les privileges, faisant quelq tort ou violence ouverte”.93 De meest geschikte leider van het verzet zag de synode in de Prins van Oranje, „moyennant quil promist conseruer l’exercice publicq de la religion reformee, suyvant la confession des eglises du pays-bas.” Zou de prins er niet voor voelen om zich in te zetten voor de gereformeerde religie, naar de nederlandse geloofsbelijdenis, dan zouden Hoorne of Brederode zijn plaats kunnen innemen. Maar in ieder geval zouden de kerken, die achter het verzet zouden staan gereformeerde kerken zijn en geen lutherse. De Nederlandse geloofsbelijdenis, en niet de Augsburgse confessie zou uitdrukking moeten zijn van het karakter der reformatie hier te lande. Zouden de consistories op deze wijze wellicht tevens een einde hebben willen maken aan het „temporiseren” van Oranje? In ieder geval hebben sommige van de Hollanders te Emden deze keuze voor de Nederlandse geloofsbelijdenis veroordeeld. Wanneer in later jaren Datheen een poging zal ondernemen om voor de Nederlandse vervolgde gelovigen erkenning te krijgen in de Duitse rijksdag herinneren zij zich het gebeurde te Antwerpen met bitterheid: „dat deeze mensschen binnen Antwerpen eennen onnodighen twist gedreeven hebben, ende noch datselve niet bekennen willen”.94

In hetzelfde jaar 1566 trad ook te Amsterdam een verschillende zienswijze ten aanzien van de Augsburgse confessie aan het licht.95 De daar wonende lutheranen, Oosterlingen of Leggers genoemd door Brandt omdat het grotendeels ging om lutherse kooplieden, verzochten een eigen kerkgebouw omdat zij op het punt van het Avondmaal te zeer van de gereformeerden verschilden dan dat zij zouden kunnen samengaan. Hun verzoek werd onderstreept met het argument, dat aanneming van de Augsburgse confessie door de reformatorischen de hulp van duitse vorsten zou verzekeren. Jan Arentsz verklaarde dat hij de genoemde punten van ondergeschikte betekenis achtte. Hij las de betreffende artikelen uit de Augsburgse confessie op de preekstoel voor en betuigde „datse tegens de voorgelesene punten niet leerden”.96 Wij mogen deze handelwijze waardering als een poging om broeders met elkander te verzoenen. Maar zo werd het door de calvinisten te Antwerpen niet opgevat. Zij vernamen van het geval en zonden Caspar van der Heyden met enkele ouderlingen om de zaak te bespreken. De broeders ontmoetten elkaar dus te Emden niet voor de eerste maal! Volgens Brandt zou Van der Heyden zelfs gedreigd hebben met excommunicatie wanneer de Amsterdammers hun verdraagzame houding niet opgaven. Het lijkt een wat sterke uitdrukking. Maar wél tekent zij de spanning ten aanzien van de beoordeling


93 L.A. van Langeraad, Guido de Bray, Diss., Zierikzee 1884, blz. LXVIII, n. 1.
94 V. Someren, o.c., p. 48; vgl. p. 53.
95 G. Brandt, Historie der Reformatie, Amsterdam 16772, I, blz. 386 vv.; vgl. Evenhuis, a.w., blz. 64 vv.
96 Brandt, a.w., blz. 387; vgl. Rutgers, a.w., blz. 214-216.

|69|

der confessionele ontwikkelingen. Gezien de houding der lutheranen te Antwerpen is de houding van Van der Heyden wel te verklaren, terwijl het beroep op de mogelijkheid van duitse hulp op de Amsterdammers indruk kan hebben gemaakt. De kwestie werd opnieuw aan de orde gesteld, nadat Alva beide partijen met een spaanse excommunicatie op het lijf gevallen was, zoals Brandt opmerkt.

Want te Emden kwamen deze spanningen weer naar boven, toen daar in 1570 een brief ontvangen werd van Datheen en Alostanus, met het verzoek om Cornelius Rhetius met volmacht af te vaardigen naar Heidelberg ten einde daar uit naam van alle verstrooide nederlandse gelovigen een apologie op te stellen voor de rijksdag die in 1570 te Spiers gehouden zou worden. Rhetius had de synode te Antwerpen meegemaakt. Hij werd door Reael en Coornhert beschouwd als een geprononceerde calvinist. Daarom wilde men niet instemmen met het plan van Datheen: men kon licht vermoeden „hoe sulcx te werc soude gaen. Waeromme wy niemant willen laten onssen geloove verantwoorden tensy wy sulcx geleezen ende verstaen hebben ...”.97 Ook hier gaat het bij de waardering van de confessie ten diepste om politieke motieven gelijk blijkt uit het volgende: „Met meer andere oirsaecken daeromme wy periculoos vinden Cornelio Rhetio volle instructie ofte procuratie te geven omme met Datheno cum sociis sodanige Apologie upte religie alleen te maecken vresent dat zy int maecken van die Apologie hore oude verstandt noch souden mogen dryven, ende daerinner stellen articulen die jegens die Augsburgse Confessie etlycke malen zouden mogen stryden ofte ten minsten desen in als niet conform wesen. Daerover wy bij de Duytsche vorsten ende hore geleerden voor onvredige oproerderen muytemaeckers etc. mochte geacht worden, als diegene die hore begroyde religie souden willen reformeren”.98 Zó schrijft Coornhert aan zijn broer te Kleef.

Dát de bezwaren tegen de Nederlandse geloofsbelijdenis inderdaad op het politieke vlak lagen bij mannen als Reael, Coornhert, Jan Arentsz en Pieter Gabriël kan blijken uit het feit dat de laatste in heimelijke godsdienstoefeningen in de Engelse steeg te Amsterdam in het jaar 1566 de Heidelbergse catechismus voor zijn hoorders verklaarde,99 terwijl zijn ambtgenoot Jan Arentsz in later jaren zonder enig bezwaar de ondertekening voorstelde van de Nederlandse geloofsbelijdenis. De houding van Reael kan in ieder geval niet ingegeven zijn door confessionele bezwaren omdat zijn standpunt met dat van de calvinisten wat de leer betrof weinig of geen verschil uitmaakte. Wij bezitten van hem een „Catechismus offte kinderlere”, bestaande uit 123 vragen en antwoorden, die op de wezenlijke punten van het geloof, de sacramenten, de kerk en haar tucht een calvinistische geest ademt.100 Mocht het standpunt van Coornhert al libertijns genoemd


97 V. Someren, o.c., p. 49. Over de zaak van de Apologie zie: Evenhuis, a.w., blz. 71 v.; van Roosbroeck, Emigranten, blz. 69 vv.
98 V. Someren, o.c., p. 54.
99 Evenhuis, a.w., blz. 51.
100 Zie Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis, deel 6, 1897, blz. 129-157.

|70|

kunnen worden,101 dan zal het materieel weinig verschil hebben opgeleverd of het nu om de Augsburgse dan wel om de Nederlandse confessie ging. In hoofdzaak hebben practisch-politieke motieven hun bezwaren bepaald.

En juist op dit punt verschilden de voorstanders van de Nederlandse geloofsbelijdenis met hen van gedachten. Zij waren terwille van een in hun ogen fictieve hulp uit het Oosten niet bereid een belijdenis te accepteren die niet door een oprechte en standvastige overtuiging ondersteund werd.

Een tijdlang heeft men ook in de kring der calvinisten opengestaan voor de gedachte van een samengaan met de luthersen ook in confessioneel opzicht. Lodewijk van Nassau hield zich ijverig bezig met het aftasten van de mogelijkheden daartoe. De Wittenberger Concordie zou ook hier verzoenend kunnen werken.102 Maar een advies van Beza luidde anders: Bucers Concordie vond nimmer ingang in de kerken. Wanneer men maar bij de zuivere waarheid zou blijven zou de Here veel eerder en zekerder uitkomst zenden. Beza heeft niet de hand willen leggen aan een nieuwe confessie, omdat de veelheid van zulke confessies hem mishaagde. Mogelijk zou een belijdenis, opgesteld door Calvijn en ingediend op de rijksdag van Frankfort (1562) dienst kunnen doen.103 Geheel in de lijn van dit advies lag het besluit van de synode van Antwerpen op 1 december 1566 om te blijven bij de Nederlandse geloofsbelijdenis. Reeds op 26 april 1563 had immers de provinciale synode van Armentiers besloten deze belijdenis door haar dienaren te laten ondertekenen.104 Beza’s advies zal ongetwijfeld hebben bijgedragen tot het besluit om in deze keuze te volharden.105 De onverzoenlijke houding der luthersen, waarmee men in verschillende vluchtelingengemeenten in Duitsland te maken had gekregen,106 en die vooral in Antwerpen zo onverbloemd aan de dag was getreden,107 zal mede van invloed zijn geweest op dit besluit.

Bovendien waren binnen het Duitse rijk de mogelijkheden voor het calvinisme toegenomen doordat de Rijksdag van Augsburg (1566) de baan vrijmaakte voor de erkenning van de gereformeerde belijdenis, ook al zou het tot 1648 duren voordat ook de gereformeerden in staatsrechtelijke zin


101 Vgl. de correspondentie tussen Beza en Amsterdamse predikanten inzake het standpunt van zijn broer bij H. de Vries van Heekelingen, Genève, pépinière du Calvinisme hollandais, La Haye 1924, p. 263 ss.
102 V. Langeraad, a.w., blz. 58, 124-127; E.M. Braekman, Guy de Bres, I, Sa Vie, Bruxelles 1960, p. 196 s.
103 Beza, Correspondance, VI, p. 144-148; vgl. de Vries, o.c., p. 151-156.
104Nederlandsch Archief voor kerkelijke geschiedenis, deel 9, 1849, blz. 135.
105 Nog in 1579 verweet Pierre L’Oyseleur Villiers Beza, dat deze in 1566 door zijn adviezen de moeilijkheden in Vlaanderen zou hebben vermeerderd. De Vries, o.c., p. 204 ss.
106 Daarover o.a. Rutgers, Calvijns invloed, blz. 24 vv.; v. Roosbroeck, Emigranten, passim.
107 Moded schrijft in 1571 nog vanuit Wezel naar Londen: „Soe veele ist dat ick nergent ruste ende vrede hebbe, dar de grove Confessionisten my omtrent syn wt Antwerpen. Ick vrese dat de selve al hyr metter tyt ... twist ende swaricheyt sullen de ghemente an doen. Dar over sy lieden sonder ophouden practiseren”, Hessels, o.c., III1, p. 143 s.

|71|

deelden in de vruchten van de godsdienstvrede. De rijksdag waagde het niet de keurvorst van de Palts te veroordelen.108 Aan Margaretha van Parma werd reeds bericht dat deze beslissing zo was uitgevallen mede met het oog op de situatie in de Nederlanden.109

Was het een wonder dat in deze omstandigheden het eigen recht van de gereformeerde belijdenis werd gehandhaafd? Met het oog daarop prepareerde Datheen zich met de zijnen op de rijksdag van Spiers (1570). In zijn Libellus supplex meet hij het verschil met de luthersen niet breed uit: tegenover een gering verschil in interpretatie van enkele schriftgegevens staat de principiële eenheid in de gekruisigde Christus: ,,Meen niet dat wij een religie belijden die van de uwe verschilt. Want ook al is er in de uitleg van sommige woorden hier en daar wat onderscheid, bedenk dan dat zelfs de apostelen niet in alles zo stipt waren, dat er geen verschil meer zou kunnen bestaan”.110 Op grond hiervan vraagt hij erkenning van de belijdenis binnen de sfeer van het Duitse rijk en doet hij een beroep op de steun der Duitse vorsten.

Dezelfde gang van zaken bespeuren wij bij de verschillende bijeenkomsten die aan de synode van Emden voorafgingen. De Provinciale Synode van Bedbur beraadslaagt over de vraag welke middelen men zou kunnen hanteren om tot overeenstemming te komen met de luthersen. Zou het niet goed zijn „den naem der Confessie van Augsburg te voeren”?111 Er was sprake van dat men de banden met Hessische en Saksische predikanten nauwer zou aanhalen. Maar een beslissing daarover werd niet genomen. De gehele materie werd naar de Generale Synode verschoven. En daar viel de beslissing zonder aarzeling: als getuigenis van de consensus in doctrina tussen de Nederlandse kerken zal dienen de Confessio Belgica, terwijl, ter demonstratie van de eenheid met de Franse kerken de Gallicana zal worden ondertekend in het vertrouwen dat de Franse kerken wederkerig de Nederlandse geloofsbelijdenis zouden ondertekenen.112 Zo viel de beslissing. Allerlei factoren speelden daarbij een rol gelijk wij zagen. Maar het sterkst zal hebben gegolden de overtuiging, dat déze belijdenis de band vormde der Nederlandse kerken. Dat zij uitdrukking af aan de geestelijke eenheid der Nederlandse kerken. Daarom was de beslissing der synode ook


108 W. Hollweg, Der Augsburger Reichstag von 1566 und seine Bedeutung für die Entstehung der Reformierten Kirche und ihres Bekenntnisses, Neukirchen 1964, S. 398ff.; V. Press, a.a.O., S. 237ff.
109 De Heer van Chantonay aan de hertogin van Parma, 21 sept. 1566: „... que chascun est en oppinion que ce qui passe ès Pays-Bas est fondé sur la religion, en laquelle plusieurs princes ont jà déclairé mesmes á Augsburg en certaines choses que vindrent à propoz, mesmes quant on parloit de l’affaire de l’électeur palatin, qu’ilz n’y pourroient conclure, comme les Catholiques et aulcuns de la confession d’Augsburg desiroient, pource qu’il seroit au préjudice de leurs frères et confédérez des Pays-Bas ...”, H.-A.E. van Gelder, Correspoondance française de Marguerite d’Autriche avec Philippe II, Tome III, Utrecht 1942, p. 52.
110Libellus supplex ... in comitiis Spirensibus exhibitus Anno MDLXXX, s. 1, p. 57 vº.
111 WMV, II, II, blz. 3-7; vgl. III, V, blz. 9-17.
112 Acta, art. 2.

|72|

niet een daad van exclusiviteit gelijk blijkt uit het besluit, om ook bij de Nederlandse dienaren die de synode niet bijwoonden, aan te dringen om in de ondertekening der confessie te bewilligen.113 Blijkens deze formulering hebben de synodeleden daartegen niet het minse bezwaar gehad, integendeel zij zouden zulks toejuichen. Het kiezen voor dit confessionele standpunt beoogde geen uitsluiting der anderen. Het was een daad van realiteitszin ingegeven door een sterke religieuze overtuiging. Over de aard van deze confessionele binding zou in later jaren strijd genoeg ontstaan. Nú was het een blijk van werkelijkheidszin die te prijzen is.

 

VI

De confessionele keuze is niet alleen een zeer bewuste keuze geweest, maar zij gaf ook blijk van een zelfstandigheid ten opzichte van politieke en staatkundige ontwikkelingen in de Nederlanden. Wellicht hebben wij hier de oorzaak te zoeken van het feit dat Marnix van St. Aldegonde die in dienst was van de Prins van Oranje, en die zo veel arbeid heeft verricht ter voorbereiding van de synode, uiteindelijk zelf aan de vergadering niet heeft deelgenomen. Het is bekend dat Prins Willem zich niet gelukkig voelde met het resultaat van de synode. Waarschijnlijk zal hij zijn trouwe helper Marnix niet in de gelegenheid hebben gesteld om de synode bij te wonen omdat de broeders al te duidelijk tegen zijn bedoelingen ingingen.114 Op de vergadering van de Provinciale Synode te Bedbur (3 en 4 juli 1571) bracht Marnix enkele punten ter sprake „wt name ende van wege mijnes Genadigen Heere den P.V.O. etc.” waarin er o.a. bij de kerken op aan werd gedrongen, „dat daer een goede overeenkominge ende onderlinge verstandt opgericht wordden mach in politicque saeken belangende de wederoprichtinge der Nederlanden. Ende dat tot dien eynde alle Gemeynten verstandt ende overdracht hebben met sijner Excellentie, overschrijvende wat daer sekerlijcx omgaet”.115 Politieke en kerkelijke zaken raakten elkaar niet alleen, maar dikwijls waren de kerkelijke consistories de enige organisatorische aanknopingspunten tot coördinatie van het verzet. Zij werden ingeschakeld voor het bijeenbrengen van fondsen en leningen waaruit de werving van soldaten bekostigd kon worden, „wesende nu ter tijt in de voirs. steden, de notabele hoofden van de huysgesinnen, ende andere in sulcken getalle, ende tot sulcker plaetsen, ende met sulcker discretie, dat die overheyt van der plaetse daerdoer nyet verstoort en worde ...”.116 Zó waren in Engeland door middel van de consistories fondsen gevormd, en zo dienden ook de vluchtelingenkerken in Duitsland ingeschakeld te worden.117


113 Acta, art. 4.
114 V. Lennep, a.w., blz. 208.
115 WMV, II, II, blz. 3-7.
116 V. Someren, o.c., p. 16.
117ibidem, p. 14 ss.; 17 ss.; 21 ss.

|73|

Maar toen de kerken voor de vraag werden gesteld of een ideaal kerkelijk leven een zodanige nauwe verbondenheid tussen kerk en staat zou toelaten, hebben zij niet geaarzeld deze vraag negatief te beantwoorden. Reeds in 1570 bleek terzake een verschil van gevoelen tussen de Hollandse vluchtelingen te Emden ener-, en de Brabanders die aldaar verbleven ter anderzijds.

De kwestie van de apologie, in te dienen op de rijksdag te Spiers bracht verdeeldheid ook ten opzichte van dit punt. Zouden de kerken daarin politieke zaken naar voren brengen? Of zouden zij alleen wijzen op de religie? De Brabanders, Vlamingen en Walen voelden er veel voor een „Verantwoordinghe ofte Apologiam (te) maecken beroerende die verandering geschiedt in der religie in die Nederlanden, opdat also int licht mochte comen niet al waerachtich te sijnne tgundt van der leere ons naegegeven wert”.118 Daarentegen waren de Hollanders van oordeel, dat een apologie op de rijksdag niet veel indruk zou maken, „tenzy dat die politycque saecken, als placaten, ordonnantien, inbreke van privilegien, vryheyden, tyrannye van den Hertoge van Alfa daermede ingevoecht werden”.119 Zij voelden zich bezwaard om alleen te betogen, „dat onsse eere ende Godesdienst suyver ende van alle uproer gantz vreembt is”.120 Bovendien, zo argumenteerden zij, „zoo verstaen wy oock niet dat men in dese turbulente tyden die politicque zaecken van de ecclesiastyque behoort af te zonderen dewyle wy meest van rebellie van den gemeenen viandt beschuldicht werden, maer zelden ongetwijffelt de vorsten zoowel beweecht werden deur tinbreck onsser privilegien ende groot gewelt dat ons angedaen werdt, als deur verschoninge onsser leere”.121

Achter deze zienswijze der Hollanders stond het advies van Oranje. Hij achtte het raadzaam om in een apologie voor de Duitse vorsten niet al te sterk de nadruk te leggen op de religie, gezien de houding der luthersen tegenover de gereformeerden. Zijn raad woog zwaar bij de Hollanders in Emden: „Niet dat wy achten dat die vasticheyt onsser religie ofte onschult derzelver an zynen f.G. hangt maer overmits zyne f.G. doch diegeene is die ons van God als een instrument tot wettelycke bescherminge noch is overgelaten”.122

Datheen heeft in zijn Libellus supplex de inzichten der Hollanders niet willen volgen. In zijn ogen was de vrijheidsstrijd een strijd allereerst om de religie. Op dat standpunt hebben de kerken zich gesteld. Zij hebben de politieke zaken op hun vergadering laten rusten naar het beginsel dat drie jaren later door de Provinciale Synode te Dordrecht zou worden geformuleerd: „De Dienaer ende Ouderlinghen sullen wel voor hen sien datse niet en handelen inden Consistorien, Classen ende Sijnoden, dan t’ghene Kerckelick is”.123


118ibidem, p. 46.
119ibidem, p. 53.
120ibidem, p. 58.
121ibidem, p. 58.
122ibidem, p. 59.
123 Art. 5 Acta P.S. Dordrecht 1574, Kerkelijk handboekje, ed. Biesterveld, Kuyper, blz. 63.

|74|

Van der Heyden heeft later zijn verwondering uitgesproken over de teleurstelling van Prins Willem ten aanzien van de resultaten van de synode en hij geeft zijn visie op de verhouding van kerk en staat, religie en politiek: „want wat ist dat wy vele steden ende mueren crijghen ende hebben, als Jerusalem niet opgebout soude werden, daer toch de Heere meer daertoe gesint is, dan tot alle Jacobs wooninghen”.124 Wat baat een politieke vrijheid zonder kerkelijke opbouw? De laatste moet het hart zijn van de eerste. Daarom heeft Emden zich onthouden van een politieke stellingname. Niet om deze voor indifferent te verklaren. Het artikel uit de belijdenis door Emden aanvaard, rakende het ambt van de overheid, leert wel anders. De kerk heeft echter in vrijheid en met gezag over haar eigen kerkelijke zaken willen kunnen spreken om zo vanuit de woningen Jacobs te kunnen werken mét het evangelie in de vele steden en binnen de vele muren waar de staatkundige vrijheid zou zijn hersteld.

Zo tekent zich af het ideaal van een kerk die, om op alle terreinen het gezag van Gods Woord te laten gelden, zich zelf concentreert op haar eigen zaken, de getrouwe dienst van het Evangelie. Het is zeker niet de schuld der in Emden vergaderde broeders geweest, dat in later tijd, toen inderdaad het vaderland bevrijd was en het staatkundige leven zich kon gaan ontwikkelen, er een band gegroeid is tussen kerk en staat, die belemmerend heeft gewerkt op de ontplooiing van het kerkelijke leven naar het ideaal, dat de leden van de synode van Emden voor ogen heeft gestaan. Eén lichaam van alle gemeenten der Nederlanden: Lichaam van Christus, dat zijn eenheid vindt in de overeenstemming in de leer naar Gods Woord, en dat zó in zelfstandigheid en vrijheid kan inwerken op het grote geheel van het volk, om het te roepen tot dienst aan God. Ten aanzien van dit ideaal traden spanningen aan het licht tussen de reformatorisch gezinden te Emden, die in later tijden bij scherpere verhoudingen tot conflicten zouden leiden. De les van Emden is geweest, dat men voor de verschillen oog had, maar dat men er zich niet exclusief tegen opstelde.125

Ná vierhonderd jaren beweegt zich de kerkelijke problematiek voor een belangrijk deel nóg om de vragen die in Emden aan de orde waren. De betekenis van de kerkelijke structuur; de waarde van het kerkelijk belijden; de vrijheid en de volmacht van de kerkelijke boodschap temidden van volk en samenleving, blijven het niet tevens de spanningsvelden waar de mogelijkheid tot polarisatie als een permanent gevaar aanwezig is? De synode geeft ons een voorbeeld, dat men de spanningen niet behoeft te loochenen, nog minder dat men ze heeft op te voeren. Integendeel men heeft ze te bundelen en vruchtbaar te maken, „opdat de schalcke aenslagen des viants vruchteloos ende te niete, ende dat rijcke des Heeren bloeijende ende machtich werde”.126


124 V. Lennep, a.w., blz. 208.
125 Vgl. O.J. de Jong, Die Emder Generalsynode vor dem Hintergrund der westeuropäisch- und Ref. geschichte, Jarhb. Ges. Nieders. Kirchengeschichte, 1970, S. 20.
126 Ph. v. Marnix, Godsd. en kerkel. geschriften, Verscheidenheden, blz. 4 v.