64
25,506-508.525-526
18-03-1989

|506|

 

Kerkorde en rechtswetenschap (V) (Slot)

In de voorgaande artikelen legden we de nadruk op het eigen karakter van de gereformeerde kerkorde. Het is geen wetboek of reglementenbundel. Aan de hand van concrete voorbeelden, waarmee mr. J.R. Krol kwam, probeerden wij aan te tonen dat ook de hantering van de kerkorde door dit eigen karakter bepaald wordt.

Voor we verder gaan in dit vijfde en laatste artikel, moeten we op een onderdeel van het derde artikel terugkomen. Op blz. 471, rechterkolom bovenaan, wezen we erop dat de particuliere synode van Friesland naast die van Gelderland met het voorstel kwam tot het instellen van een deputaatschap voor de eenheid van de gereformeerde belijders. De PS van Gelderland had niet willen veroordelen dat bij het aanhangigmaken van deze zaak de kerkeraad van Harderwijk was gepasseerd. Daarmee had deze PS volgens de synode van Spakenburg-Noord (art. 175) artikel 30 van de kerkorde niet gehonoreerd. Toch kwam de zaak wel aan de orde dankzij een voorstel van de PS van Friesland. Maar mijn conclusie dat het bewuste deputaatschap er tenslotte wel kwam is onjuist. Volgens het moderamen was er te weinig eenparigheid van gevoelen en daarom werd over dit voorstel geen uitspraak gedaan (art. 181). We werden deputaten benoemd voor het gesprek met de Christelijke Gereformeerde Kerken (art. 178. Overeind blijft daarbij de opmerking staan [sic] dat uitvoerige discussie hier een voordeel was, omdat impliciet de beginselen van het gereformeerd kerkrecht aan de orde kwamen.
Laten we nu de draad van ons betoog weer opvatten.

Het peremptoir examen

De vorige keer wezen we erop dat aan de Theologische School te Kampen in de vorige eeuw het examen door de curatoren werd afgenomen. Dat was dus eigenlijk het preparatoir examen.
Na de vereniging van 1892 kwam daarin verandering. Maar nu we sinds 1944 alleen maar een kerkelijke opleidingsschool bezitten, valt de vraag te overwegen of het niet mogelijk is, hen die te Kampen slagen zonder meer beroepbaar te stellen in de kerken. Dan zal het examen wel aangepast en toegespitst moeten worden.
Anders ligt het bij het peremptoir examen. Dit is zo nauw verbonden met het eigen recht van de kerken bij het aanvaarden en toelaten van dienaren des Woords, dat we dit niet graag zouden zien verdwijnen. Ten Hoor schreef hierover: ‘De eigenlijke grond ligt in het recht der Gemeente die den candidaat tot Dienaar gekozen heeft. In Art. 16 der Acta van Emden 1571 wordt gezegd: “de dienaren des Woords zullen geëxamineerd, d.i. onderzocht worden van degenen door wie zij gekozen worden”. En waar nu de Dienaren verkozen worden door den Kerkeraad, met advies der Classis en met medewerking der Gemeente, volgt daaruit dat de plaatselijke Gemeente door haar Kerkeraad, met de hulp der Classis, het recht heeft den beroepen Dienaar te examineeren’ (a.w., bl. 156).
Dat in de praktijk de classis dit examen afneemt  en dat het moet plaatshebben ‘ten overstaan van de deputaten van de particuliere synode of enkele van hen’ heeft ook grote betekenis. Daardoor wordt volgens Ten Hoor niet ontkend dat in beginsel de plaatselijke gemeente examineert. Dit onderzoek is immers ‘een deel van de beroeping’. Maar omdat de plaatselijke kerk ‘niet voldoende in staat is om het wetenschappelijk deel van een examen af te nemen’ heeft ze de hulp van anderen nodig, in dit geval de classis. Over dit ‘wetenschappelijk karakter’ willen we het niet verder hebben — al had Ten Hoor daarover een uitgesproken mening — wel over diens verwijzing naar het kerkverband: ‘De andere Gemeenten hebben er ook belang bij, wijl het ambt van den Dienaar des Woords niet alleen voor die plaatselijke Gemeente geldt, maar ook voor de andere, en wijl het Kerkverband eischt dat de gemeenten in gemeenschappelijke belangen gemeenschappelijk handelen’. Vandaar dat synodale deputaten aanwezig moeten zijn.
Het is me opgevallen, hoe breed dr. F.L. Rutgers over de synodale deputaten voor de examens geschreven heeft. In zijn Kerkelijke Adviezen, deel I, bl. 335 e.v., worden lange artikelen over deze zaak uit De Heraut van 1894 opgenomen. Ook hij wijst erop dat iemand die met goed gevolg peremptoir geëxamineerd is ‘uit kracht van dat kerkverband’ door alle kerken als wettig Dienaar wordt erkend en als zodanig van waarde gehouden, zodat hij ook in andere kerken mag voorgaan.
‘Daarom hebben alle kerken er groot belang bij, dat nergens onbekwamen of onwaardigen tot den dienst worden toegelaten’ (bl. 345).

|507|

Nu rijst hierbij de vraag: hoe kan worden uitgemaakt of iemand ‘bekwaam’ of ‘onbekwaam’ is? Bij ‘onwaardig’ komen leer en leven in het gezichtsveld. Maar bij ‘bekwaamheid’ gaat het nog om iets meer en daarbij komt naar mijn oordeel met name de preek in het gezichtsveld.

De preek

Een heet hangijzer op veel classisvergaderingen is de preek, die de kandidaat moet houden. Volgens mr. Krol. is het geen geheim dat kandidaten regelmatig zakken op de preek. Maar omdat volgens hem de leer het examencriterium is, vraagt hij: ‘Moet ik er nu werkelijk van uit gaan dat al die kandidaten ketterijen hebben verkondigd tegenover de desbetreffende classis? Zo nee, dan meen ik dat de preek dus niet afkeurenswaardig was’ (bl. 231).
Deze probleemstelling is echter onjuist. De preek is zeker óók een ‘proeve van bekwaamheid’. Men wordt immers toegelaten als ‘dienaar des Woords’. Maar dan mòet men dat Woord ook kunnen bedienen. Als alleen maar het criterium van ‘de leer’ zou gelden, waarom zou er dan zoveel aandacht moeten worden besteed aan het maken en houden van een preek en wat er allemaal bij het vak ‘homiletiek’ aan de orde komt? Dan zou een classis kunnen volstaan met: gezond in de leer? O.k., dan kunt u ook preken! Maar zó liggen de zaken zéker niet. De kerken onderhouden niet voor niets een theologische hogeschool (universiteit) voor de opleiding tot de dienst des Woords. Deze dienst des Woords is een van de centrale zaken van het ‘predikambt’. Zoals bij elke opleiding, op de praktijk gericht, zal de kandidaat een ‘werkstuk’ moeten overleggen, waaruit zijn bekwaamheid voor ‘het vak’ blijkt. Is dat onder de maat, dan wordt hij afgewezen.
We gaan hier niet opnieuw in op het verschil tussen het preparatoir en het peremptoir examen. Dat deden we al eerder. We spitsen ons betoog nu toe op het peremptoir examen. De kandidaat mag daarvoor zelf zijn tekst kiezen en doet dit, na enige tijd ‘rondgepreekt’ te hebben in de kerken. Men mag aannemen dat hij daarvoor een preek kiest, die hij zelf niet de slechtste acht! Deze preek zal een zwaar accent (moeten) krijgen en wel om twee redenen. Ten eerste: bij de afronding van de studie te Kampen — het doctoraal examen — weegt het preken-maken wel mee, maar is geen examen-vak. Ten tweede: de laatste deur naar de beroepende kerk en tegelijk naar alle kerken wordt bij dit examen gepasseerd. En er hangt zo ontzaglijk veel van het preken af!
Ik herinner bij een opmerking van wijlen ds. E.Th. van den Born over de centrale plaats van de preek. Hij zei: als je een bezoek te weinig hebt gebracht, heb je één tekort gedaan, maar als je te weinig aan je preek hebt gedaan, doe je de hele gemeente tekort. De kandidaat legt dus met zijn preekvoorstel een proeve van bekwaamheid af, die mee beslissend is voor de vraag of de ‘deur naar de kerken’ voor hem open gaat.
Natuurlijk komt daarbij aan de orde, wie uitmaken of hij al dan niet bekwaam is en hoe zij dit uitmaken.

Het kerkelijke examen in de Nederlandse Hervormde Kerk

Ter vergelijking en verduidelijking wil ik eerst weergeven, hoe de ‘toelating’ tot het ambt van predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk geregeld is. Volgens de daar vigerende Kerkorde geldt van a.w. dienaren van het Woord: ‘Zij ontvangen hun opleiding en vorming bij de theologische faculteit van de daarvoor door de Kerk aangewezen universiteiten’ (XIV, 2). We gaan op de structuur van deze opleiding hier niet verder in, bijvoorbeeld dat er naast kerkelijke hoogleraren ook docenten vanwege de Nederl. hervormde Kerk benoemd kunnen worden. Wel wijzen we erop, dat zij die opgeleid willen worden tot predikant in het album der kerk worden ingeschreven. Zij staan daarmee onder ‘de bijzondere zorg’ van bovenvermelde hoogleraren. Ze moeten ook persoonlijk kennismaken met de kerkelijke hoogleraren en zich onderwerpen aan een onderzoek, dat betrekking heeft op de aanvankelijke geschiktheid voor het predikambt.
Ook aan onze Universiteit te Kampen vindt bij de inschrijving van elke student een gesprek plaats over de beweegredenen en is een breed attest van zijn kerkeraad vereist. Blijkens Ordinantie 7-5-2 van de Hervormde Kerkorde kunnen de hoogleraren desgewenst het getuigenis vragen van ‘rectoren, leraren, predikanten en anderen, onder wier leiding de ingeschrevene voordien heeft gestaan, alsmede van de andere hoogleraren der faculteit’. Blijkt iemand de aanvankelijke geschiktheid te missen, dan wordt hem dit meegedeeld. Dat geldt ook, wanneer iemand ‘op een later tijdstip van vorming blijk geeft deze geschiktheid toch niet in voldoende mate te bezitten’. Iets dergelijks geldt in ‘Kampen’ ook en heet deftig een consilium abeundi — raad om te vertrekken. Prof. dr. Th.L. Haitjema wijst erop dat de uiterste voorzichtigheid hierbij moet worden betracht, maar dat het toch in het belang van de studenten zelf is dat ze gewaarschuwd worden, wanneer de hoogleraren menen dat het beter is niet in de richting van het ambt, waarvoor ze niet geschikt zijn, verder te werken (Nederlands Hervormd Kerkrecht, Nijkerk 1951, blz. 219).

|508|

Nu, deze geschiktheid moet zeker aan de orde komen, wanneer het om ‘de preek’ gaat. Dit blijkt bijvoorbeeld bij het zogeheten colloquium in de Hervormde Kerk, bedoeld als ‘gesprek over het ambt van dienaar des Woords in het geheel van het leven en werken der Kerk’. Dit vindt namelijk plaats aan de hand van de door de kandidaat ingezonden preek!
Nu gaan we momenteel voorbij aan de leervrijheid in de Hervormde Kerk en aan het eveneens af te wijzen feit dat dit colloquium of proponentsexamen door gedelegeerden van bovenaf wordt afgenomen. Wel willen we wijzen op de zorgvuldigheid die t.a.v. de preek wordt betracht. Wanneer een dergelijke delegatie van de kerk namelijk het resultaat niet bevredigend acht, moet de kandidaat zelf vragen dat het gesprek bij een latere gelegenheid wordt voortgezet. Mocht ook na dit gesprek er ‘onoverkomelijk bezwaar’ bestaan bij de delegatie, dan kan de kandidaat zich nog op de generale synode beroepen. Er valt ook nog op te wijzen dat een kandidaat binnen drie maanden na het kerkelijke examen een ‘proefpreek’ moet houden, die als sluitstuk van de universitaire theologische opleiding wordt beschouwd. Bovendien moeten de kerkelijke hoogleraren een verklaring afleggen ‘over de geschiktheid van betrokkene voor het predikambt’.
Uit dit alles blijkt dat de preek en de geschiktheid voor het ‘predikambt’ een zwaar accent krijgen.

Vereisten voor de preek

Nu keren we terug naar de vraag wie er in onze kerken een oordeel over de preek dienen te geven en welke maatstaf daarvoor moet worden aangelegd.
Uit vergelijking met de Hervormde Kerk blijkt dat de Gereformeerde Kerken zelf de verantwoordelijkheid voor de toelating dragen. Dit is geheel in overeenstemming met het gereformeerd kerkrecht. Vaak wordt op een classis dan ook eerst het oordeel van de afgevaardigde ouderlingen gevraagd. Pas aan het eind komen de ‘preek-examinatoren’ aan het woord. Dat wat het ‘wie’ betreft.
Nu de vraag ‘hoe’ het moet. Uiteraard komt primair aan de orde, of de preek schriftuurlijk is. Maar daarmee is de kous niet af! En op dit punt verschillen we grondig met het standpunt van mr. Krol. De kandidaat moet ook homiletisch bekwaam blijken te zijn. De opbouw en de structuur van de preek moeten dat duidelijk maken. Heeft hij goed werk van de exegese gemaakt, heeft hij zich ‘aan zijn tekst’ gehouden, weet hij raad met ‘de toepassing’, weet hij de preek helder, doorzichtig en duidelijk te brengen en geeft hij er blijk van te beseffen dat ze ‘in deze tijd’ als preek moet overkomen?
Natuurlijk dient in rekening te worden gebracht, dat elke kandidaat een ‘beginneling’ is. Men moet billijk blijven in de beoordeling en geen perfect werkstuk verwachten. Preken moet je al doende ook leren. Maar de voorgedragen preek moet toch in beginsel aan eisen als bovenvermeld voldoen en goede verwachtingen voor de toekomst bieden.
Hierbij moet me nog wel iets van het hart. Het gevaar is niet denkbeeldig dat met name predikanten krachtens hun eigen preekervaring met allerlei exegetische opmerkingen komen, misschien zelfs ‘stokpaardjes’, die niet terzake doen. Wie een aantal predikanten over eenzelfde tekst heeft horen preken, weet dat ieder het weer anders aanpakt. Zo kan het gebeuren dat tussen een aantal predikanten een discussie ontstaat over de juiste exegese. Ook heb ik het meegemaakt dat een preekrecensent een uitvoerige uiteenzetting gaf, hoe volgens hem de preek had moeten worden opgebouwd. Maar aan het eind luidde: geen bezwaar. Nu, dan had het ook wel korter gekund!
Wanneer een discussie over de preek urenlang gaat duren doordat velen hun eigen ‘aanpak’ etaleren, komt de kandidaat nodeloos onder spanning te staan. En dat is niet bevorderlijk voor de voortgang van het examen. Ik ben van mening dat, wanneer de kandidaat voor een bepaalde exegese heeft gekozen, die consequent wordt uitgewerkt, en wanneer verder aan de boven vermelde homiletische vereisten is voldaan, een korte bespreking voldoende is. Het zijn vaak velen, die ‘buiten’ moeten wachten. Onder die velen zijn vaak familieleden en gemeenteleden van de beroepende kerk. Op zichzelf ben ik daarmee niet zo gelukkig. Ik heb al eens in een ‘Kort Gehouden’ erop gewezen dat een examen ook een ècht examen dient te zijn door de daartoe geroepenen. Laat men er niet een soort ‘happening’ van maken. Maar dit terzijde.

Afgewezen preek

Nu stelt mr. Krol dat het hem verbaast ‘dat voor zover mij bekend al die afgewezen kandidaten in de herkansing slagen, soms met een mindere preek dan de eerste keer’ (bl. 231).
Hem en mij kan niet alles bekend zijn. Maar de suggestie die van deze opmerking uitgaat, klopt toch niet. Er zijn kandidaten definitief afgewezen op hun preek. Dan rijst de vraag: wat nu? Rutgers behandelt deze vraag in zijn Kerkelijke Adviezen, I, bl. 40 e.v. De omstandigheden zijn hierbij verschillend. De kerk die hem beroepen heeft, kan de kandidaat blijven begeren. Ze kan echter ook ‘door het treurige examen een tegenzin tegen hem gekregen’ hebben, in welk geval de niet meer begeerde man aan de gemeente

|525|

niet mag worden opgedrongen. Hij wijst er dan op dat het beroep nog niet compleet was. De goedkeuring van de classis na gehouden examen ontbrak immers nog. Als de classis het examen niet goedkeurt, kan de uitgebrachte beroeping daarmee vervallen worden verklaard. Hij acht het dan zeer wenselijk dat de beroepen kandidaat de eer aan zichzelf houdt en tot de kerkeraad de vraag richt, of deze de beroeping wil handhaven. Zo ja, dan kan de kerkeraad een hernieuwd examen aanvragen, waarvoor naar mijn oordeel goede tijd van voorbereiding dient te worden gegeven.
Hoe dit ook zij, ik wil graag de suggestie doorbreken dat de preek er niet zoveel toe doet. De tweede keer slaagt men immers wel! De gedachte zou zo kunnen postvatten dat predikanten en andere classisafgevaardigden meer hun eigen inzichten of voorkeuren laten gelden dan dat ze een serieuze maatstaf hanteren. Daarbij kan een bepaalde classis zelfs een zekere ‘naam’ krijgen als lastig. Dat màg niet! Daarom heb ik gewezen op de gevaren die bij de beoordeling dreigen. Maar dit neemt niet weg dat een preek echt als ‘werkstuk’ dient beoordeeld te worden en terecht als een van de meest centrale onderdelen van het examen moet worden gezien. We hebben niet voor niets een opleiding tot de dienst des Woords. Ten overvloede voeg ik eraan toe, dat deze dienst des Woords ook de verdere pastorale zorg betreft. Maar de prediking blijft centraal staan als verkondiging van het goddelijk Woord aan de hele gemeente. Nu rondom ons veel predikanten iets weg krijgen van ‘sociale werkers’, zullen de kerken hiervoor alle aandacht meoten hebben.

Kleingoed

Enkele andere opmerkingen van mr. Krol rangschik ik onder ‘kleingoed’. Hij wijst op artikel 10, waarin staat dat niemand in een andere kerk mag voorgaan zonder toestemming van de betrokken kerkeraad. Hij vraagt: wat is de betrokken kerkeraad? Die van de kerk die hij dient of die waar hij bij gelegenheid voorgaat? Dit lijkt me evident, natuurlijk de laatste. In het rapport dat op de synode van Kampen diende stond: zonder bewilliging van de kerkeraad van die kerk. Blijkbaar vond men stilistisch ‘betrokken’ kerk beter. Maar de zaak is duidelijk.
Wanneer art. 34 van de kerkorde als taak van de praeses noemt: de zaken die behandeld worden, duidelijker aan de orde te stellen, zorgen dat de discussies ordelijk verlopen en het woord ontnemen aan wie een woordenstrijd voert over kleinigheden enz., zegt mr. Krol: ‘U neemt het mij niet kwalijk, dat ik geen behoefte heb aan bepalingen in een kerkorde, die ik in een huishoudelijk reglement van de eerste de beste niet-kerkelijke vereniging nog zou vinden misstaan’. Hij moet het mij niet kwalijk nemen dat ik een dergelijke opmerking volledig misplaatst acht. Juist in een tijd dat veel aandacht wordt besteed aan ‘vergadertechniek’ en dat kerkeraadsvergaderingen soms veel te lang duren wegens gebrek aan goede leiding, is dit artikel actueel genoeg.
Verder vraagt mr. Krol zich af, waarom volgens art. 36 de predikant per definitie de vergadering moet leiden. Ik meen dat prof. Bouwman hierover een kernachtige uitspraak heeft gedaan: ‘Maar wanneer men alleen naar de bekwaamheid zou oordelen, dan zou de beste redenaar altijd moeten prediken, de beste paedagoog altijd moeten catechiseren, de beste vermaner en vertrooster altijd de zielszorg moeten uitoefenen, en dan zou men niet alleen in een willekeurig subjectivisme vervallen, maar ook moeten komen tot hiërarchie’. En even verder lezen we: ‘De predikant is een broeder onder de broeders. Maar wijl hij is een bestudeerd man, onderwezen en geëxamineerd in de theologie, en in den regel het meest van de kerkeraadsleden onderlegd in het kerkrecht, en aangesteld tot herder en leraar der gemeente, is hij naar de orde der kerken aangewezen als leidsman der kerkeraadsvergadering’ (Gereformeerd Kerkrecht, II, bl. 121). Dat hij als leidsman niet mag heersen, voegt Bouwman er terecht nadrukkelijk aan toe. Nu, een goede praeses zal zich als tolk van de vergadering en in het duidelijk aan de orde stellen van de zaken, eerder beperkt in zijn reikwijdte zien dan dominerend!
Tenslotte snijdt mr. Krol artikel 56 aan: de doop aan de kinderen dient zo spoedig mogelijk bediend te worden in de openbare eredienst. Hij schrijft hierover: ‘Ook nu gebeurt het nog dat, met voorbijgaan aan schriftgegevens waaruit blijkt dat ook aan de moeder van de dopeling een plaats bij het doopvont is gegund, op deze summiere kerkordelijke bepaling het principe van de zogenaamde vroegdoop wordt gefundeerd’.
Deze opmerking heeft met ‘juridische inbreng’ eigenlijk niets te maken. Hier spreekt mr. Krol voluit als kerklid die een bepaalde overtuiging in de kerkorde wil indragen. Maar het is werkelijk niet zo, dat de zogenaamde vroegdoop op deze kerkordelijke bepaling is gegrond. Integendeel, deze bepaling kwam tot stand, omdat men op grond van Gods Woord van overtuiging was dát kinderen zo spoedig mogelijk moesten gedoopt worden Uit eerbied voor de God van het verbond en uit dankbaarheid voor de gave van het verbond. Velen zeiden: stel je voor wanneer iemand een groots cadeau belooft dat je zegt: ik wacht wel enkele weken met het in ontvangst te nemen! Calvijn liet dan ook in elke

|526|

kerkdienst dopen, ook in de week.
Het ligt niet in mijn bedoeling, over de ‘vroegdoop’ een discussie te beginnen, ook al ben ik erg benieuwd naar de ‘schriftgegevens’ die volgens mr. Krol bij de vroegdoop genegeerd worden. Ik ken ze niet. Ik weet wel dat een van onze predikanten met een uitstekende naam in de kerken, de ouders vermaande, wanneer ze wachtten met de doopsbediening, tot de moeder erbij kon zijn. Dat gebeurt vandaag niet meer. En het hoeft van mij op deze wijze ook niet meer. Maar het is een wijze bepaling in onze kerkorde dat op dit zo spoedig mogelijk gewezen wordt. Wie de praktijken van bepaalde ‘doopdiensten’ in de Hervormde Kerk kent, waarvoor de kinderen maandenlang ‘opgespaard’ worden, mag blij met deze bepaling zijn. Maar nogmaals, hiermee hebben we het juridische terrein, waarom het mr. Krol vooral ging, verlaten en zijn volop belang in het terrein van Schrift en belijdenis.
Gezien alles wat ik in deze artikelen heb betoogd, een blijde zaak. De kerkorde moet immers Schrift en belijdenis dienen, en niet omgekeerd. Daarom ben ik zeker niet toe aan wat mr. Krol in een slotzin schrijft: Een grondige herziening van de huidige kerkorde is nodig. ‘Hiertoe dient binnen onze kerken een commissie van juristen en kerkrechtelijk geïnteresseerde theologen in het leven geroepen te worden’ (bl. 233). Dat de juristen hier voorop staan is wellicht onthullend voor het standpunt van mr. Krol. Maar dat kerkrechtelijk geïnteresseerden alleen tot de theologen beperkt blijven, zou ik niet graag zien gebeuren. Het gaat immers om de ‘Schriftbeginselen’ voor het kerkrecht en dat is een zaak van alle leden van de kerk van Christus. Daarom schreef ik deze artikelen.