64
21,425-428
18-02-1989

|425|

 

Kerkorde en rechtswetenschap (I)

We leven al weer ruim tien jaar onder de herziene kerkorde, die door de synode van Groningen-Zuid werd vastgesteld. Dat was in 1978. De voorlaatste herziening vond plaats door de synode van Middelburg in 1933. Dus 45 jaar eerder. Nu, na zo’n tien jaar, gaan al weer stemmen op dat onze huidige kerkorde nodig aan herziening toe is. Daarover willen we in enkele artikelen iets schrijven.

Op een studiedag van het Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap te Groningen hield mr. J.R. Krol een inleiding, waarin hij betoogde dat de kerkorde die in het Gereformeerd Kerkboek staat afgedrukt aan herziening toe is. Hij publiceerde zijn inleiding in Radix van oktober 1988.
Volgens hem had de rechtswetenschap aan de totstandkoming van de huidige kerkorde moeten meewerken. Hij vraagt zich dan ook af, waarom bij de herziening van de kerkorde, zoals deze nu vigeert, niet deze rechtswetenschap werd ingeschakeld. Letterlijk: ‘Want vanuit algemeen juridische invalshoek bezien had de rechtswetenschap aan de totstandkoming van die nieuwe kerkorde naar mijn mening een wezenlijke bijdrage kunnen leveren’. Hij wil dan ook een eerste aanzet geven ‘om een rechtswetenschappelijke inbreng in de kerkorde op termijn te verwezenlijken’ (bl. 227).

Rechtswetenschap

Nu denkt mr. Krol er niet aan deze rechtswetenschap te verabsoluteren. Hij zoekt daarom zijn uitgangspunt in artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Wij aanvaarden alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren, en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God.
Dit uitgangspunt stemt tot dankbaarheid. Het geeft ook het platform aan, waarop een discussie alleen maar mogelijk is. Als gereformeerde belijders mogen we in de vrijheid van Christus met elkaar doorspreken over zaken die heel ons kerkelijk leven raken.
Dan is natuurlijk de eerste vraag: wat bedoelt mr. Krol met ‘de rechtswetenschap’? Uiteraard gaat het over de wetenschap die zich richt op het recht. Maar wat ìs ‘het recht’? Is dat een grootheid die we bij de bestudering van de geschiedenis kunnen opsporen?
In de grieks-romeinse wereld zijn allerlei ‘aanzetten’ tot omschrijving van het recht gegeven. Uit die wereld komt ook het gezegde: ‘De uil van Athene vliegt pas uit bij het invallen van de duisternis’. Bedoeld is dat de wetenschappelijke neerslag van een bepaalde periode pas komt als dat tijdperk heeft uitgediend.
Het is bekend dat juist het romeinse recht een grote plaats inneemt op de juridische faculteiten. Zouden wij dan bij het kerkrecht op dit romeinse recht moeten terugvallen? Dan is het een bepaalde wetenschap die zijn stempel gaat zetten op ons kerkrecht.
Van prof. dr. J.P.A. Mekkes heb ik op colleges te Leiden geleerd dat rechtsbegrippen ervan uitgaan dat iets bestaat dat ‘recht’ is. Maar niet door deze begrippen zelf en evenmin door het maken van wetten kom ik tot het besef van wat ‘recht’ is. Het is juist omgekeerd: bij het bestuderen van het recht en bij het vormen van rechtsbegrippen staat mij ‘het recht’ voor ogen. Nu komt ‘begrip’ van het woord begrijpen. Het betekent dat je greep op iets krijgt, dat je erom heen grijpt, zodat het binnen iemands macht ligt. Maar wie is in staat met zijn wetenschappelijk apparaat ‘het recht’ te omvatten en volledig in zijn greep te krijgen? Wij mensen hebben wel een rechtsbesef, een rechtsgevoel, maar zo gauw we dit in wetten en systemen vast gaan leggen zijn we wetenschappelijk bezig door er rechts-begrippen van te maken. En daarbij zijn de uitgangspunten beslissend.
Immanuel Kant heeft al geschreven: ‘Nog steeds zoeken de juristen een definitie van hun rechtsbegrip’. En we voegen eraan toe: is het ooit gelukt?
Wèlke rechtswetenschap moet dan ingeschakeld worden om een betere kerkorde te krijgen? Moeten we daarvoor terugvallen op bijvoorbeeld het romeinse recht?
Het kan bekend zijn dat dit in de rooms-katholieke kerk een grote invloed heeft gehad. Maar het uitgangspunt daarvan was het natuurrecht, het jus gentium. Maar dit natuurrecht kan toch òns uitgangspunt niet zijn? Het geeft wel het onderscheid aan tussen wat past en niet past, en het geeft ook wel aan wat fatsoenlijk en ordelijk is. Maar we belijden met de Dordtse Leerregels dat het ons niet kan brengen tot de heilbrengende kennis van God (III/IV, 4). En als we spreken over kerkrecht, belijden wij dat de bron van het recht God zelf is en dat de kennis van dit recht in zijn Woord te vinden is.
Ik citeer hier een eigenhandig geschreven

|426|

dictaat van F.M. ten Hoor die sinds 1900 als hoogleraar te Grand Rapids in Amerika werkzaam is geweest.1 Hij schreef: ‘Men moet onderscheiden tusschen de bron en de kenbron van het Kerkrecht. God is de bron, de H.S. is de kenbron. Wie het recht niet uit God maar uit den mensch afleidt kan deze onderscheiding niet aanvaarden. Indien God de bron van alle recht is, zoo volgt daaruit dat wij het alleen kunnen kennen door openbaring God en dus de H.S. de kenbron is. Doch laat men het recht uit den mensch opkomen, dan is deze bron en kenbron tegelijk’. Daarom is er over de oorsprong van het recht, volgens Ten Hoor, groot verschil. ‘De naturalistische levensbeschouwing ontkent den Goddelijken oorsprong van het recht. Het komt uit den mensch op, doch niet uit den enkelen mensch, dewijl dit tot individualisme leidt en het recht onmogelijk maakt, maar uit de maatschappij of de gemeenschap. De staat is de bron van het recht, ook van het Kerkrecht’.

Het roomse kanonieke recht

Op 10 december 1520 heeft Luther in het openbaar een brandstapel aangestoken. Hij legde verantwoording af van wat hij daar verbrandde. Dat was niet de bul, waarmee de paus hem in de ban had gedaan, maar ‘het hele pauselijk recht’ neergelegd in het Corpus Juris Canonici — de bundeling van het kerkelijk recht. En dit roomse kerkelijk recht ging terug op het romeinse natuurrecht èn op concilie-besluiten naast pauselijke decreten.2 Dit canonieke recht werd in de juridische faculteit onderwezen.
Maar de rechtsgeleerden in die tijd verzetten zich tegen deze daad van Luther. Dit roomse kerkelijk wetboek werd door hen in praktijk gebracht. Wel werd het typisch roomse eruit geschrapt. Maar wat bleef daarmee over? Het romeinse natuurrecht!
Zo ontstond er een strijd tussen Luther en de juristen. Luther had duidelijk uitgesproken dat dit canonieke recht moest verdwijnen. Maar zijn rechtsgeleerde geestverwanten, die zeer gesteld waren op orde en vaste vormen, lieten niet graag het bestaande recht varen.
De uitslag was dan ook dat ze het na Luthers dood gewonnen hebben en dat straks de vorst van elke landstreek het voornaamste lid van de kerk werd, die het in kerkelijke aangelegenheden te zeggen had.3
Waarom ik dit kort historisch overzicht geef? Omdat de rechtswetenschap in ons land nog sterk door dit romeinse recht gestempeld is. In het Lutherse Duitsland zien we, hoe gevaarlijk het is, wanneer het kerkrecht hoe dan ook door dit romeinse recht wordt beïnvloed. Daarom was het meer dan een akademische kwestie, toen we de vraag hier boven aan de orde stelden: wat ìs recht? Waaruit vloeit het voort? Wat zijn de beginselen die ‘de’ rechtswetenschap beïnvloeden? Kàn men wel van ‘de’ rechtswetenschap spreken? We moeten niet weer terug naar een soort kerkelijk wetboek, waarin romeins recht gecombineerd wordt met kerkelijk recht.
Nu wil mr. Krol zéker niet die kant uit. Hij schrijft immers: ‘Let wel, ik vraag niet om een formalistisch te hanteren kerkorde of een reglementenkerk vol formalisme en burokratie’ (bl. 232). Maar dan blijft nog de vraag recht overeind staan: wèlk recht moet op wèlke wijze invloed hebben op het kerkrecht?

De ‘zenuwen’ van de kerk

Nu heeft volgens mr. Krol Calvijn geschreven dat de leer de ziel van de kerk is en dat de orde het spiergestel van de kerk is. Zonder ziel sterft zij en zonder spieren valt zij uiteen en gaat zij ten onder. Hij citeert echter Calvijn hier niet correct. Inderdaad noemt deze de leer de ziel van de kerk. Maar hij vergelijkt de tucht — niet de orde — van de kerk met ‘de zenuwen, waardoor het lichaam geheel en al bijeengehouden en samengevoegd, zich in zijn kracht handhaaft’ (Institutie, IV, 12, 1). Nu is de vertaling ‘zenuwen’ voor verbetering vatbaar. Het kan wellicht ‘spieren’ of ‘spierbundels’ betekenen. Maar ‘tucht’ kan niet met ‘orde’ worden vertaald. De ‘disciplina’ die Calvijn bedoelt is breder en is een zaak van alle ambtsdragers en kerkleden. Het woord ‘orde’ is me te formeel. En Calvijn dacht niet direct aan een kerkorde, toen hij de tucht de zenuwen of pezen of spieren van de kerk noemde, maar aan de ‘geestelijke politie’ en aan de regels van Mattheüs 18, die ook in onze kerkorde ter sprake komen (art. 72v.v.), maar er niet mee samenvallen.
Tucht is bij Calvijn ‘zorg voor de zielen’ en dat is iets anders dan ‘orde’. Het lijkt me niet zonder zin, op dit verschil tussen ‘orde’ en ‘tucht’ te wijzen. Nu is het meteen mogelijk op het eigen karakter van deze ‘orde’ van de kerk te wijzen, juist in verband met tuchtoefening als ‘zorg voor de zielen’.
Bij het wereldlijk recht is het mogelijk dat iemand volledig schuldig staat aan een misdrijf, maar dat wegens een fout bij het vooronderzoek of in de dagvaarding hij toch vrijgesproken moet worden. Tot woede en ergernis van velen. Een dergelijk ‘formeel’ recht kent de kerkorde niet. Er wordt wel goed op gelet of de ‘zorg voor de ziel’ voldoende is uitgeoefend, maar áls iemand tuchtwaardig is, kan dit wegens formele procedurefouten niet geblokkeerd worden. Dat hoort bij het eigen karakter van het kerkrecht. Het is iets anders dan natuurrecht, staatsrecht, verenigingsrecht of wat dan ook.


1 Uit de nalatenschap van K. Schilder, aan hem geschonken door R.G. Danhof, Holland Michigan 1939.
2 Zie F.L. Rutgers, Het Kerkrecht in zoover het de Kerk met het recht in verband brengt, Amsterdam 1894, bl. 6.
3 ‘De juristen, die het Romeinse recht volgden, hebben bijna overal de kerken onder de overheid gebracht’, H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, Kampen 1928, deel 1, bl. 3.

|427|

Juist bij het ontstaan van het gereformeerde kerkverband is daar sterke nadruk op gelegd.

Kerk en recht

Om het eigen karakter van de gereformeerde kerkorde in het vizier te krijgen, moeten we ons richten op de verhouding kerk en recht. Er zijn mensen die het een onmogelijke combinatie achten kerk-recht. De één zegt: dit betekent veel kerk en weinig recht. De ander: veel recht en weinig kerk.
Een vertegenwoordiger van die laatste gedachte was dr. Rudolph Sohm, in de vorige eeuw hoogleraar in de rechten te Leipzig. De in noot 1 door ons geciteerde rede van Rutgers gaat breed op diens overtuiging in. En deze zaak interesseert ook ons, nu in Radix het voorstel is gedaan de rechtswetenschap dienst te laten verrichten voor het kerkrecht. Hoe verhouden kerk en recht zich?
Volgens Sohm regeert Christus alléén zijn kerk. Hij doet dit door zijn Woord. Daarom moet elk kerkrecht op zichzelf al veroordeeld worden. Niet alleen het rooms-romeinse recht, maar elke vorm van recht. Het is volgens Sohm van nature formeel en daarom kan al gauw ‘het hoogste recht het hoogste onrecht’ worden. Dit recht is aards en van een dwingend karakter, iets dat in de kerk van Christus niet mag voorkomen.
Nu gaat Rutgers, die aan de Vrije Universiteit te Amsterdam sinds 1879 onder meer kerkrecht doceerde, breed op dit standpunt van Sohm in. We kunnen dit niet op de voet volgen. De meeste nadruk valt bij Rutgers op de doperse tegenstelling die Sohm volgens hem maakt tussen de ‘geestelijke’ kerk en het ‘werelds’ recht. Maar het recht is van God zelf afkomstig en niet ontstaan uit de menselijke behoefte van een ordelijke samenleving. Zo is ook de kerk een schepping van God. Aan Christus als Hoofd van de kerk is ook alle macht in hemel en op aarde gegeven. In Hem zijn beide levensterreinen — kerk en recht — hoezeer van elkaar onderscheiden, toch ook weer verenigd. Zo komt Rutgers tot deze conclusie: ‘Slotsom is dan, dat het kerkrecht als zoodanig met het wezen der kerk niet in strijd is’ (bl. 36). Wel heeft Sohm gelijk in zijn kritiek op ‘onderscheiden stelsels van kerkrecht, die zich achtereenvolgens ontwikkeld hebben’. Maar dat zijn dan ook stelsels die van het gereformeerde kerkrecht afwijken.
Zo voert Rutgers het pleit voor het èigen karakter van het kerkrecht en toont zich vuurbang voor beïnvloeding door juridische faculteiten. Hij wijst daartegenover op ‘vele Schriftuurplaatsen’ die duidelijk maken dat er ‘plaatselijke kerken zijn, met een aan te wijzen kring van leden, en met vaste ambten en bedieningen, en met eene verbindende regeling voor de goede orde’ (bl. 31). In het kort bestek van zijn rede kan hij dit niet nader uitwerken, maar dit is wel de gereformeerde grondovertuiging. Daarom kon prof. dr. S. Greijdanus ook een geschrift uitgeven met de titel Schriftbeginselen van kerkrecht. Dat gebeurde in onze eeuw. Maar daarvan gingen ook die gereformeerden uit die in de 16e eeuw tegenover Rome een gereformeerde kerkorde opstelden.

Gereformeerd kerkrecht

In een andere rede heeft dr. F.L. Rutgers het eigen karakter van het kerkrecht breedvoerig aangetoond met grondige bewijsvoering uit de geschiedenis.4
Hij begint met een verwijzing naar een uitspraak van de hoogleraar in de rechtsgeschiedenis, Friedrich Adolf van der Marck, uit 1771: ‘Er is geen deel van de rechtsgeleerdheid, dat tot den welstand van Staat en Kerk, ja tot het geluk van de geheele menschheid, meer bijdraagt, dan juist eene goed geordende en diepgaande kennis van het kerkrecht’ (bl. 6).
Dat klinkt prachtig. Maar deze Van der Marck zag dit kerkrecht als een deel van het natuurrecht en daarmee maakte hij het tot een onderdeel van de juridische faculteit, waarin het rationalisme en naturalisme hoogtij vierden. Was de gereformeerde kerkorde opgesteld, sterk gericht op de bescherming en handhaving van de gereformeerde belijdenis — zoals we nog zullen aantonen — bij Van der Marck lag dit volkomen anders. Hij bepleitte leervrijheid en tolerantie, al mochten de formulieren van eenheid wel blijven. Zijn tactiek was: ‘Zich liever ten doel te stellen, om de bedoelde Formulieren aan eene eerlijke begrafenis te helpen, doordat kloeke mannen vrijelijk denken en vrijelijk spreken, dan wel te beproeven, ze door een krachtigen en rechtstreekschen aanval uit den weg te ruimen. Er zij dus handhaving der Geloofsformulieren, maar met dien verstande dat zij geenerlei rechtswerking naar buiten meer kunnen hebben’ (bl. 7).
Dit standpunt kostte Van der Marck in 1772 zijn hoogleraarschap te Groningen. De classis Groningen diende een klacht tegen hem in. En hij werd ontslagen, omdat hij in strijd kwam ‘met de leer van de Symbolische boeken der Hervormde Kerk’.
Maar toen kwam de Franse Revolutie. Onze mederedacteur, drs. H. Veldman, is bezig hierover te schrijven. Laat ik dit effect daarvan hier mogen vermelden: Van der Marck werd in 1795 te Groningen in zijn ambt hersteld. Daarmee drong het tegendeel van het gereformeerde kerkrecht steeds meer naar voren. Ook een gevolg van de revolutie! Rutgers schrijft daarvan: ‘En zoo werd het allengs meer, ook in de Kerken


4 Rutgers, De geldigheid van de oude Kerkenordening, Amsterdam 1890.

|428|

zelve, toen het onderwijs van Van der Marck daarin doordrong, en toen dit na de Revolutie als het ware het program werd, dat men zich ten uitvoering voorstelde’ (bl. 8). Het Hervormd Genootschap werd niet opééns geboren, na de bevrijding uit de Franse greep, het werd al voorbereid vóór de bezetting.
Ik ben me bewust dat in dit artikel veel overhoop wordt gehaald. Maar het gaat erom, duidelijk te maken dat nadruk op het eigen karakter van het gereformeerd kerkrecht tegen het licht van de historie gezien van levensbelang is voor de kerk. Dit wordt natuurlijk niet door mr. Krol, die om discussie vroeg, ontkend. Ons uitgangspunt is immers gezamenlijk de gereformeerde confessie.
Maar ik zou graag aan deze discussie reliëf willen geven, door het een en ander uit de geschiedenis in het licht te plaatsen. Daarom hoop ik in een volgend artikel daarmee voort te gaan.