194-215

|194|

 

Kerkelijke orde en kerkelijk recht in de brieven van Paulus

Wie de wetenschappelijke arbeid van Berkouwer gedurende 25 jaren van zijn professoraat van nabij heeft mogen volgen en zich er dan toe zet hem alsnog enig studie-materiaal aan te bieden, kan het gevoel krijgen water naar de zee te dragen. Mijn bijdrage ligt op het grensgebied van wat men de „bijbelse theologie” noemt en het kerkrecht. Nu zou het wel eens kunnen zijn, dat de jubilaris zich juist in deze regionen niet zo dikwijls heeft bewogen en er zou in dit onderwerp voor hem dus toch iets „in” kunnen „zitten”. Ik vergeet daarbij niet, dat hij tijdens deze 25 jaar óók eens een generale synode heeft voorgezeten, waarbij veel kerkelijk inzicht nodig was. Maar dit was in het nog „buitengewone” deel van zijn professoraat en ik heb het gevoel, dat hij sindsdien uit deze kathedra weinig meer gesproken heeft. Een paus te zijn — al was ’t dan maar een gereformeerde — ligt stellig ook minder in zijn aard, dan er een of meer „waar te nemen”. Het vervolg van mijn bijdrage zal leren, dat het niet mijn bedoeling is het pauselijk denken bij hem meer ingang te doen vinden. Wel zal iedere leer van de kerk, een der weinige onderwerpen, waaraan Berkouwer nog niet een afzonderlijke Dogmatische Studie heeft gewijd, óók moeten leiden tot de bijbelse en dus oecumenische bronnen van het kerkrecht. Wie weet, of bij het nog af te leggen stuk van zijn veldtocht door het heilige land het onderstaande hem nog eens een Gibeonieten-dienst kan bewijzen ... In ieder geval moge het dienen als een bewijs van de hoge waardering voor het vele, waarin hij zelf al deze jaren anderen en mij tot een wegwijzer is geweest; niet het minst ook van dankbaarheid voor de vriendschap, die ons daarbij van het begin af en zonder onderbreking heeft verbonden.

|195|

De vraag naar de paulinische leer inzake hetgeen als kerkelijke orde en kerkelijk recht heeft te gelden is lange tijd, stellig mede onder invloed van de grote discussie tussen Sohm en Harnack, in bepaalde sectoren van de protestantse theologie, min of meer van de theologische agenda afgevoerd. Voor Sohm was Paulus de kroongetuige voor zijn stelling, dat „kerk” en „recht” een innerlijke tegenstelling vormen, omdat de kerk naar haar wezen het spirituele en onzichtbare lichaam van Christus is, waarmede zich geen institutionele of rechts-categorieën laten verbinden1. Harnack heeft aangetoond, dat deze bewering historisch niet te handhaven is2. Hij betoogde, in tegenstelling tot het extreme spiritualisme van Sohm, dat de kerk, als tijdelijk-sociologische grootheid, een organisatie nu eenmaal nodig heeft en dat tot deze organisatorische vormgeving ook het recht behoort, dat tot kerk-recht wordt, zo spoedig het op kerkelijke zaken wordt toegepast3. Aldus kon hij aan de paulinische, in het algemeen aan de nieuwtestamentische gegevens inzake de institutionele opbouw van de oer-christelijke gemeente veel meer recht laten wedervaren dan bij Sohms conceptie mogelijk was. Anderzijds was echter ook voor Harnack het regulatieve en iuridische aspect van de kerkelijke organisatie een aan het wezen der kerk vreemde aangelegenheid. Van een — wat hij noemde — „religieuze” bepaaldheid van het recht in de kerk wilde hij niet weten4. Het kerkrecht, het ambt, het kerkverband, kortom al wat in de kerk niet op de vrije, „charismatische” aandrift van de Geest berust, maar een institutioneel karakter draagt, raakt het innerlijke wezen van de kerk niet, heeft een plaatselijke en administratieve betekenis5. Met name bij Paulus zou dit individueel-charismatische nog sterk op de voorgrond staan en pas langzamerhand zou hetgeen bij hèm nog pneumatisch was door het institutionele en administratieve zijn verdrongen, toen in plaats van het spreken uit de Geest het ambt en in plaats van de profeet de ouderling kwam.


1 Vooral verdedigd in zijn hoofdwerk Kirchenrecht I, 1892; later opnieuw samengevat in zijn Wesen und Ursprung des Katholicismus, 1909.
2 Zijn kritiek op Sohm is opgenomen in het later verschenen Entstehung und Entwickelung der Kirchenverfassung und des Kirchenrechts in den zwei ersten Jahrhunderten, 1910, p. 148 e.v.
3 A.w., p. 152.
4 A.w., p. 151.
5 Zie voor deze onderscheidingen ook reeds Harnacks Die Lehre der zwölf Apostel, 1884, p. 145 e.v.

|196|

Lange tijd zijn deze beschouwingen in bepaalde regionen van de theologie gemeengoed6 geweest. Heel het vraagstuk kwam echter in een geheel ander licht te staan toen in plaats van de spiritualistische en individualistische conceptie van het paulinische kerkbegrip de heilshistorische grondstructuur van zijn theologie weer op de voorgrond trad. Toen kreeg men weer oog voor de betekenis van de kerk als volk Gods, bleek de onhoudbaarheid van de uitsluitend of eenzijdig spirituele interpretatie van het begrip „lichaam van Christus”, werd ook het werk van de Geest niet enkel of in de eerste plaats gezocht in de afzonderlijke gelovige, maar in de opbouw van de gemeente, in haar historische en zichtbare bestaanswijze. En daarmee moest ook als vanzelf het inzicht doorbreken, dat hetgeen in het Nieuwe Testament en met name in Paulus’ brieven aan kerkelijke voorschriften en uitoefening van een kerkelijk rechtbestel op te merken valt, niet de toepassing betekent van categorieën uit „het andere rijk” op dat van de kerk, maar juist aan het eigen wezen van de kerk ontleend is en als zodanig een integrerend bestanddeel vormt van de paulinische ecclesiologie7.

Dat deze, thans in een brede reeks van publikaties zich manifesterende, nieuwe benadering veel meer recht laat wedervaren aan de paulinische opvatting, valt niet moeilijk aan te tonen. Al aanstonds is hiermee in overeenstemming, dat Paulus’ voorschriften voor de opbouw en organisatie van de gemeente niet alleen gepaard gaan met een doorlopend beroep8 op het zelfbewustzijn van de gemeente als het volk Gods en als de nieuwe mens(heid) in Christus, maar ook bestaan in zeer concrete aanwijzingen van hetgeen daarvan de consequentie behoort te zijn. Ongetwijfeld zoekt hij zijn kracht daarbij niet in zoveel mogelijk bepalingen en wettische regels, maar tracht hij de gemeente vóór alles bewust te maken van haar eigen wezen, om dááraan in concreto de organisatie van het gemeentelijke leven te toetsen en te doen beantwoorden. Telkens doet hij daarbij een beroep op haar eigen onderscheidingsvermogen als mondige gemeente, vgl. Rom. 15: 14;


6 Zie voor deze „consensus” en de doorbreking daarvan bijv. O. Linton, Das Problem der Urkirche in der neueren Forschung, 1932; F.M. Braun, Neues Licht auf die Kirche, 1946, p. 29 v.v.; W.G. Kümmel, Das Neue Testament, Geschichte der Forschung seiner Probleme, 1958, p. 268 e.v.
7 Zie hiervoor ook het art. van W. Maurer, Vom Ursprung und Wesen kirchlichen Rechts, Zeitschr. für evang. Kirchenrecht, 1956, p. 5 e.v.
8 Vgl. ook H. von Campenhausen, Die Begründung kirchlicher Entscheidungen beim Apostel Paulus, 1957.

|197|

Kol. 2: 5; Phil. 1: 5, 6, 9 e.v. en betracht hij de grootste zorgvuldigheid om niet in haar eigen bevoegdheden te treden, 1 Kor. 5: 4; 2 Kor. 8: 18, 23; 1 Kor. 16: 3.

Maar deze vrijheid en zelfstandigheid mag niet in mindering gebracht op het grote beginsel, dat er in de gemeente, juist omdat zij het volk van God en het lichaam van Christus is, een welgeordende toestand moet heersen. Alle dingen moeten betamelijk en in goede orde geschieden. God is geen God van wanorde, maar van vrede, d.w.z. van een toestand van welbevinden, 1 Kor. 14: 40, 33. De gemeente moet zich zelf regels stellen en Paulus stelt ze haar ook, op allerlei wijze. Hij eist deze orde9, waar ze ontbreekt, hij prijst haar waar ze aanwezig is, Kol. 2: 5 en hij wil, dat de gemeente zich daaraan onderwerpt, 1 Kor. 16: 16; Eph. 5: 21. Ieder beroep hiertegen op de vrijheid van de Geest is misplaatst, want het charisma, dat van God is, verdraagt zich niet met wanorde, 1 Kor. 14. Terecht is gezegd, dat Paulus zijn leven lang de willekeur van de charismatici heeft bestreden en hun grenzen gesteld heeft op grond van het gezond verstand, de zede, de liefde, het kruis van Christus en daarmee juist ook de charismata onder de vrijheid en de tucht van Christus en zijn Geest heeft gesteld, als de grond en de kracht van een waarlijk geordende kerk10. En niet minder ter zake is tegen de spiritualistische opvatting van de gemeente en van hetgeen daarin te gelden heeft aangevoerd, dat men op deze wijze voor het normale aanziet, wat Paulus in 1 Kor. 12 en 14 als gevaarlijk bestrijdt of tenminste beperkt11.

De apostel beperkt zich dan ook niet tot het geven van bepaalde „adviezen”, die hij als zodanig ter overweging aanbiedt (zoals bijv. in 1 Kor. 7: 612), maar zijn voorschriften dragen in dit opzicht het karakter van bevelen13, 1 Thess. 4: 2; 1 Tim. 1: 18, vgl. vs. 5; 1 Kor. 7: 10; 11: 17; 1 Thess. 4: 11; 2 Thess. 3: 4, 6, 10, 12; 1 Tim. 1: 3; 4: 11; 5: 7; 6: 13, 17 of, met een ander, voor dit verband typerend woord, van verordeningen14, 1 Kor. 7: 17; 11: 34; 16: 1; Tit. 1: 5. Evenzo


9 τάξις.
10 E. Käsemann, Amt und Gemeinde im N.T., in: Exegetische Versuche und Besinnungen I, 1960, p. 127.
11 R. Bultmann, Theologie des Neuen Testaments3, 1958, p. 444.
12 κατὰ συγγνώμην, οὐ κατ᾽ ἐπιταγήν: „bij wijze van advies, niet bij wijze van bevel.”
13 παραγγελία; παραγγέλλειν.
14 διατάσσειν, διατάσσεσθαι.

|198|

kan het, meestal in algemeen pastorale zin gebezigd, woord „vermanen”15 soms ook de meer kerk-ordelijke betekenis hebben van: opdragen, verordenen; zeer duidelijk bijv. in 1 Tim. 2: 1, vgl. 6: 2; Tit. 2: 15; echter ook met deze connotatie in Rom. 16: 17; 2 Kor. 8: 6; 9: 5; 2 Thess. 3: 12. Maar ook zonder deze speciale terminologie treedt dit verordenings-karakter van Paulus’ uitspraken soms zeer duidelijk naar voren, bijv. in 1 Kor. 14, waar ook in de vorm van deze voorschriften een zekere stereotypiteit valt op te merken: in de voorzin wordt telkens een bepaalde situatie of mogelijkheid gesteld, waarop in de nazin dan „im dekretaler Jussiv”16 de verordening van Paulus volgt, 1 Kor. 14: 13, 28, 30, 35, 37.

Verordeningen als deze, regels voor het gemeentelijk leven, vindt men incidenteel in de meeste van Paulus’ brieven, niet systematisch, maar al naar daarvoor aanleiding of noodzaak was. In 1 Kor. geschiedt dit blijkbaar ook als antwoord op bepaalde tot hem gekomen vragen, 1 Kor. 7: 1 over het huwelijk, 1 Kor. 8: 1 over de houding die men tegenover het afgoden-offervlees moest aannemen, 1 Kor. 12: 1 over de charismata. Maar hij spreekt ook in verordenende zin over de wijze, waarop de vrouw zich in de gemeente moet gedragen, 1 Kor. 11: 2 e.v., over de rechte avondmaalsviering, 1 Kor. 11: 17 e.v., elders over de plicht degenen, die anderen onderrichten in het Woord, levensonderhoud te verschaffen, Gal. 5: 6; 1 Kor. 9: 14, vgl. Rom. 15: 27; over de waakzaamheid tegenover tweedracht teweegbrengende leringen en de plicht mensen, die dergelijke leer verspreiden, uit de weg te gaan, Rom. 16: 18; anderzijds om degenen, die zich voor het evangelie inspannen in ere te houden en zich door hen te laten gezeggen, 1 Kor. 16: 15 e.v. Dit alles dient om de gemeente haar eigen karakter te doen bewaren, haar tot een stijlvolle en verantwoorde gemeenschappelijke dienst van God te brengen, haar voor dwalingen en scheuringen te bewaren.

Van bijzonder belang zijn ook de voorschriften voor de onderlinge en kerkelijke tuchtoefening. Hierbij geldt niet alleen het onderling vermaan in het algemeen17, Rom. 15: 14; Kol. 3: 16; 1 Thess. 4: 18, waarbij men moet trachten de ongeregelden terecht te brengen, 1 Thess.


15 παρακαλεῖν.
16 Käsemann, Sätze heiligen Rechtes im N.T., N.T. Studies, 1954/55, p. 254.
17 Zie hierover uitvoerig R. Bohren, Das Problem der Kirchenzucht im N.T., 1952, p. 91 e.v.; F.W. Grosheide, Wat leert het N.T. inzake de tucht?, 1952, p. 8 e.v.

|199|

5: 11, 14; Gal. 6: 1, 2 e.a., maar ook een kerk-ordelijk of kerk-rechtelijk optreden tegen degenen, die zich daaraan niet gelegen laten liggen of door grove afdwaling niet langer als lid van de gemeente geduld kunnen worden. Zonder thans in allerlei bijzonderheden te kunnen treden, valt hier te wijzen op plaatsen als 2 Thess. 3: 6 e.v.; 1 Kor. 5: 1 e.v.; Tit. 3: 10. Hierbij treedt ook een duidelijke differentiatie in de aan de gemeente voorgeschreven tuchtoefening naar voren. In 2 Thess. 3: 14 is sprake van een „mijden” en „tekenen” van de ongeregeld wandelende broeder, met het doel hem tot inkeer en beschaming te brengen. Dit alles speelt zich nog binnen de gemeentelijke verhoudingen af. Veel scherper optreden wordt in 1 Kor. 5 geëist. De gemeente wordt berispt, dat zij het in zware ontucht levende lid nog niet uit haar midden heeft verwijderd. De apostel gelast niets minder dan een formele uitbanning uit de gemeente, waarbij zij zich de voltrekster moet weten van de volmacht des Heren om de zondaar over te geven uit Christus’ heilrijke heerschappij aan het machtsgebied van de satan, vgl. Gal. 1: 4; Kol. 1: 13. Echter ook hier met het doel, dat door hetgeen hem daarin aan tijdelijk onheil te wachten staat („het verderf van het vlees”) zijn geest zal mogen worden behouden. In het vervolg van 1 Kor. 5 wordt deze eis tot zuiver-houden van de gemeente nog uitgebreid met het oog op anderen, die, al heten ze broeders, zich aan allerlei zonden overgeven. Het daarbij uitdrukkelijk geciteerde uitbannings-gebod uit Deut. 17: 7, vgl. 19: 19; 22: 21, 24; 24: 7 geeft duidelijk te kennen, dat hier de heiligheid van de gemeente als volk Gods in geding is, al wordt daarbij de bekering van de zondaar steeds mede als doel gesteld. Een uitdrukkelijke procedure wordt tenslotte in Tit. 3: 10 genoemd, waar van een „eerste en tweede vermaning” gesproken wordt, die aan de verwijdering uit de gemeente moet voorafgaan. Hier ligt een duidelijk reminiscentie aan Matth. 18: 15-17 en wellicht mede aan de synagogale tuchtpraktijk18. Zover is het er vandaan, dat bij Paulus kerk en recht, Geest en kanon, het charismatische en het regulatieve zich niet met elkander zouden verdragen.

Hoewel deze regel- en orde-scheppende bepalingen, als ook de naar een kerkelijke procedure tenderende voorschriften voor de zuiverhouding van de gemeente zich moeilijk voor een systematische


18 Vgl. Strack-Billerbeck, Kommentar zum N.T. aus Talmud und Midrasch IV, 1, 1928, p. 298, 309.

|200|

behandeling lenen, omdat zij in Paulus’ brieven slechts incidenteel aan de orde komen en aansluiten bij hetgeen reeds bekend wordt verondersteld, kan men niet zeggen, dat er te dien aanzien een diepgaand of principieel verschil zou bestaan tussen de Pastorale brieven en het overige corpus paulinum. Met name moet hier de tegenstelling worden afgewezen, als zouden de in de oudere brieven gegeven verordeningen direct aan Christus en zijn Geest zijn toe te schrijven en als zoude Geest in de brieven aan Tim. en Tit. fungeren als de Geest van een bepaald principe, nl. als de macht van de heilige en apostolische traditie19. Er is wel een verschil, in die zin, dat Paulus in de Pastorale brieven via zijn medewerkers „beveelt” en algemene voorschriften opstelt, 1 Tim. 1: 3, 18; 4: 11; 5: 7; Tit. 2: 1, 15 e.a. (hoewel daarvoor trouwens ook in de oudere brieven parallellen zijn aan te wijzen, vgl. bijv. 2 Kor. 8: 6 e.v.), terwijl hij in de oudere brieven meer op grond van een bepaalde situatie tot een meer directe positiebepaling komt. Dat daardoor het persoonlijke en situatieve in de Pastorale brieven meer op de achtergrond treedt en zich een patroon van meer gefixeerde voorschriften en verordeningen ontwikkelt, ligt voor de hand. Ten aanzien van de inhoud van deze voorschriften maakt dit echter op zichzelf nog geen wezenlijk verschil. Wanneer bijv. in 1 Tim. 2: 1 — 3: 13 bepaalde voorschriften worden gegeven voor de samenkomsten en inrichting van de gemeente en men hier wel van „de oudste kerkorde” heeft gesproken20, draagt dit toch wezenlijk geen ander karakter dan wat Paulus bijv. in 1 Kor. 14 verordent met het oog op de gemeentevergadering en nog nader belooft te zullen regelen, wanneer hij zal gekomen zijn, 1 Kor. 14: 34. Het gaat er in beide gevallen om, dat men zal weten, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, 1 Tim. 3: 15. En deze voorschriften hebben in de Pastorale brieven niet minder een uit het wezen der gemeente voortvloeiend en aan de heilsgeschiedenis gerelateerd karakter, dan in de oudere brieven het geval is, vgl. 1 Tim. 2: 3 e.v.; 3: 15 e.v.; Tit. 2: 11 e.v.; 3: 4 e.v., terwijl Paulus in deze laatste, wanneer daartoe aanleiding bestaat, evenmin in details schroomt af te dalen als in de Pastorale brieven, vgl. bijv. 1 Kor. 14 passim, 16: 2; 1 Tim. 5: 9 e.v.

 

Van belang is voorts ook de vraag bij wie deze bevoegdheden in de


19 Zo Käsemann, Exeg. Versuche I, p. 255.
20 J. Jeremias, Die Briefe an Timoetheus und Titus (NTD), 1949, p. 13.

|201|

gemeente berusten en door wie de kerkrechtelijke orde moet worden gehandhaafd. Wij staan hier voor een enigszins gecompliceerd vraagstuk; het loont de moeite er iets dieper op in te gaan.

Reeds zagen wij in het tot nu toe behandelde een duidelijke tweevoudige tendens. Enerzijds is het de gemeente zelf die zich verantwoordelijk moet weten voor de orde en de tucht in haar midden. Anderzijds moet zij zichzelf daaraan ook onderworpen weten en daaraan gehoorzamen als aan een door God haar gegeven orde.

Wat het eerste aangaat valt te wijzen op het belangrijke feit, dat de apostel in zijn brieven steeds de geméénte aanspreekt, slechts met uitzondering van Phil. 1: 1, waar ook de episcopen en de diakenen in het adres voorkomen (en de Pastorale brieven). Nergens richt hij zich over de gemeente heen tot de ambtsdragers. Zelfs bij een zo ingrijpend tuchtgeval, als in 1 Kor. 5 bedoeld, verwijt hij de geméénte, dat zij niet is opgetreden en wil hij ook, dat de tuchtoefening alsnog zal plaats vinden „wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onze Heer Jezus Christus” etc., 1 Kor. 5: 4. Hoewel de uitlegging van deze uitspraak voor bepaalde moeilijkheden plaatst21, blijkt wel duidelijk, dat de gemeente hier samen met de apostel uitvoerster is van het vonnis tegen de zondaar, waartoe Paulus reeds het besluit had genomen, vs. 3; tevens, dat deze uitvoering niet alleen geschieden moet met een beroep op het door Christus eens gegeven bevel, maar ook in het bewustzijn van Christus’ eigen presentie in de gemeente en aldus van het gezag en de geestelijke volmacht, die de gemeente dientengevolge bekleedt.

Dit gezichtspunt, dat de gemeente zich niet als een onmondige of onzelfstandige schare onder de autoriteit van boven haar gestelde gezagsdragers heeft te voegen, maar de macht en de roeping heeft zichzelf op te bouwen, is principieel voor het rechte inzicht in het paulinische begrip van de gemeente en van de orde en het recht, die in haar midden moeten gelden. En waar de gemeente dit niet beseft en zich niet als in Christus „volmaakt”, maar als beginnelingen en onmondigen gedraagt, maakt Paulus haar daarvan een verwijt; in het bijzonder wanneer men zich tegenover elkander op hem of Apollos beroept, alsof


21 Met name geldt dit van het „samenkomen” van de gemeente met „de geest” van de apostel. Allerlei uitleggingen zijn beproefd, zie bijv. bij Lietzmann-Kümmel, An die Korinther4, 1939. O.i. zal men, gelet ook op vs. 3, hieronder een (wel zeer) aanschouwelijke spreekwijze moeten verstaan, waarmee Paulus zijn gezag en medewerking met betrekking tot het te volvoeren vonnis tot uitdrukking brengt.

|202|

dezen iets anders zouden zijn dan het middel, waardoor de gemeente tot bekering is gekomen. Daarom moet zij zich niet het werk van Paulus of Apollos weten, noch zich naar hen noemen en moeten nog veel minder de partijschappen in de gemeente zich met hun autoriteit trachten te dekken. De gemeente is Gods bouwwerk, een tempel, waarin God woont. Haar roem en autoriteit ligt niet daarin, dat zij zich op mensen kan beroepen. Alles is het hare, óók Paulus, óók Apollos, óók Cephas ... en zij is van Christus, 1 Kor. 3: 1 e.v., 21 e.v.

Het tweede gezichtspunt is echter niet minder duidelijk en belangrijk: de gemeente is zelf ook onderworpen aan het gezag en aan de orde, die in haar midden geldigheid hebben en is daaraan gehoorzaamheid verschuldigd. En dit niet slechts bij wijze van onderlinge afspraak en als akkoord van kerkelijke gemeenschap, maar omdat dit het gezag en de orde is, die van Christuswege boven haar gesteld is. Ook is dit gezag en deze orde niet een abstractum, maar het neemt concrete gestalte aan in de personen, die in de gemeente met deze geestelijke volmachten zijn bekleed en in de zeggenschap, die zij uitoefenen.

Dat Paulus zich bewust is zèlf dit gezag te bekleden en op grond daarvan van de gemeente gehoorzaamheid eist aan zijn verordeningen, is ons reeds voldoende gebleken. Maar hij beperkt dit gezag niet tot zichzelf. Hij kent het ook toe aan degenen, die krachtens de hun geschonken charismata of hun aanvangspositie in de gemeente, leiding geven en vooraanstaan. Hoe weinig gefixeerd zich ook de omtrekken van het ambt in zijn vroege brieven aftekenen, reeds in de eerste brief aan de pas gestichte gemeente te Thessalonica wijst hij zijn lezers op degenen, die men moet erkennen en hoogschatten, 5: 12 e.v. En in dezelfde brief aan Korinthe, waarin hij alle gaven en bedieningen in het organische verband van het lichaam van Christus doet verstaan, staat ook het woord, dat de gemeente zich moet onderwerpen, d.w.z. de orde moet eerbiedigen22, welke door diegenen wordt vertegenwoordigd, die zich ten dienste van de heiligen stellen, zich voor haar inspannen en arbeiden, 1 Kor. 16: 16, 18; vgl. Phil. 2: 29. Er is dus een tweeërlei verhouding, waarin de gemeente zowel subject als object is. Zij, die zelf van God geleerd is, zelf de draagster is van de door Christus haar verleende gaven, bedieningen en volmachten, is teven het object van dit gezag. En dit tweeërlei aspect — men zou misschien kunnen zeggen:


22 ὑποτάσσεσθαι.

|203|

deze wederkerige afhankelijkheid — bevat geen innerlijke tegenstrijdigheid, maar vloeit voort uit het wezen van de nieuwtestamentische gemeente en kan met name verstaan worden als men de betekenis van het lichaam van Christus in het oog vat. Want het is in deze communicatie, in deze corporatieve gemeenschap tussen Christus als het Hoofd en de gemeente als zijn lichaam, dat alle charismata, bedieningen, ambten aan de gemeente geschonken worden. Zij zelf is er draagster van en al deze gaven functioneren niet buiten of boven, maar in het lichaam en behoren mede tot de geledingen en verbindingen, die het lichaam samenhouden en voeden, Eph. 4: 16. Het is dus God, het is Christus, het is de Geest, die apostelen, profeten, leraars in de gemeente „stelt”, „geeft”, „toebedeelt”, „toevertrouwt”, 1 Kor. 12: 24; Rom. 12: 6; Eph. 4: 7, 8, 11; Rom. 12: 9; Gal. 2: 7 e.a. Zij zijn Gods bouwlieden, wijngaardeniers, huisbezorgers, 1 Kor. 3: 6 e.v., 10; Rom. 15: 20; 1 Kor. 4: 1, 2; Tit. 1: 7. Het is de bediening van de Geest en de inwoning van Christus in zijn lichaam, die daarin zichtbaar wordt. Daarom is de bekleding van het ambt en het functioneren van gaven en krachten in de gemeente nooit alleen onderlinge dienst van de leden der gemeente aan elkander en de tucht nooit alleen onderling opzicht. Het is de gave van Christus, het is de waarheid en het recht des Heren, het zijn de volmachten van Christus, die daarin bediend en bekleed worden. Zo is het gezag en zijn zij, die het bekleden, door Christus gegeven, tot opbouw van de gemeente en zo heeft de gemeente die ook  te erkennen, te eren, zich eraan te onderwerpen en hen te gehoorzamen.

Maar niet minder wezenlijk is, dat in deze toerusting van de gemeente met charismata, bedieningen en volmachten niet een instantie of een niveau wordt geschapen, die zich tussen de gemeente en haar Heer zouden kunnen stellen. Want wat de gemeente ook door middel van de haar geschonken apostelen, profeten, leraars van Christuswege moge toekomen, hetzij onderwijzing, hetzij vermaning, hetzij tucht, hetzij troost, het komt haar altijd toe als het lichaam van Christus, in de gemeenschap waarvan ook alle ambtelijke gaven en volmachten functioneren. Er is geen volmacht of ambt zonder de gemeente; ook bevatten deze in zichzelf niets, wat aan de gemeente zelf zou zijn onthouden. De vraag, of de gemeente subject is dan wel object van de volmachten, die in haar midden door bepaalde personen worden bekleed, valt eigenlijk weg, zodra men de gemeente als het corpus Christi in het oog vat. De gemeente werkt en strijdt samen met hen, in waken en bidden, 2 Kor.

|204|

1: 11; Eph. 6: 18; Phil. 4: 3; Kol. 4: 3; 1 Thess. 5: 25; 2 Thess. 3: 1 e.a. De gemeente heeft zich te stellen onder de geestelijke volmachten, de tucht, het ambt. Maar omgekeerd staan deze alle ook onder de beoordeling van de gemeente. Paulus zegt dit uitdrukkelijk met het oog op de profeten. Niet alleen moeten de geesten der profeten aan de profeten zelf onderworpen zijn in zelfkritiek, maar ook moeten de andere profeten oordelen, als één spreekt, 1 Kor. 14: 32, 29. Bevoegde kritiek, maar dan toch kritiek! En dat geldt niet alleen van de mede-profeten, maar van heel de gemeente. Zo min zij de profetie mag verachten en de Geest mag uitblussen, zo zéér moet zij óók alles toetsen en het goede behouden, 1 Thess. 5: 19 e.v., vgl. 1 Joh. 4: 1. Ook zijn hier niet alleen de niet-ambtelijke charismata in geding, doch evenzeer de ambtelijke. Want daartussen is geen principieel verschil. In de Pastorale brieven staat duidelijker dan ergens elders het institutair karakter van bepaalde diensten op de voorgrond en het „Gegenüber” van het ambt t.a.v. de gemeente. Maar nergens worden de voorwaarden voor het ambt ook uitvoeriger en dringender aangewezen dan daar; voorwaarden, die niet alleen de ambtsdrager zelf in zijn bediening moet respecteren, maar die ook zij moeten stellen en blijven stellen, die de opzieners en diakenen verkiezen en tot het ambt roepen.

 

Intussen wordt door anderen de vraag gesteld of, althans in zijn oudere brieven, bij Paulus wel reeds van het „ambt” in de institutionele zin van het woord gesproken kan worden en of in de onder zijn invloed staande hellenistische gemeenten al deze bijzondere werkzaamheden ten gunste en in dienst van de gemeente, niet veel langer een vrij en niet-geregeld karakter hebben gedragen, dat dan met name door het door Paulus zo bij voorkeur gebruikte woord charisma zou zijn aangeduid.

Nu is het ongetwijfeld waar, dat in de plaatsen waar van de toerusting en de zelfopenbaring van de gemeente als een ordelijk geheel gesproken wordt, naast het woord dienst, het begrip charisma een grote rol speelt, vgl. Rom. 12: 6; 1 Kor. 1: 7; 12: 4, 9, 28, 30, 31; 1 Tim. 4: 14; 2 Tim. 1: 6. Daarbij dient echter wel de ruime inhoud van dit, voor Paulus inderdaad zeer kenmerkende spraakgebruik23 in het oog gehouden. Weliswaar gebruikt hij charisma soms


23 Vgl. ook Käsemann, Exeg. Versuche etc. I, p. 109 e.v.: ... „wir (dürfen) mit gröszter Sicherheit behaupten, ... erst Paulus habe ihn (het begrip charisma) technisch gebraucht und in die theologische Sprache eingeführt”.

|205|

in de speciale zin van „gave van genezing”, 1 Kor. 12: 9, 28, 30, en onderscheidt hij tussen „charismata”, „bedieningen” en „werkingen”, 1 Kor. 12: 4-6, maar in hetzelfde verband betekent charisma toch ook alles wat Christus in de gemeente werkt tot haar opbouw en vervulling, vs. 31. En elders staan alle diensten en werkzaamheden ten gunste van de gemeente onder de noemer: charismata, Rom. 12: 6, gelijk in Eph. 4 de overeenkomstige (aan Ps. 68: 19 LXX ontleende) woorden „geven” en „gaven” („domata”) eveneens op al wat Christus aan de gemeente tot haar opbouw wil schenken („apostelen, profeten” enz.) van toepassing zijn. Hieruit blijkt duidelijk — en hierover heerst in de desbetreffende litteratuur thans ook wel eenstemmigheid —, dat men het begrip charisma zeker niet mag beperken tot het bijzondere en spectaculaire, als het doen van genezingen, het spreken in tongen, het verkeren in een toestand van ecstase enz. „Nicht das fascinosum der Übernatürlichkeit, sondern die Erbauung der Gemeinde legitimiert sie”24. „Pneumatisch” en „charismatisch” is niet slechts datgene wat zich buiten het normale en controleerbare stelt, hetzij aan tekenen en krachten in de gemeente, hetzij aan ervaringen in de innerlijkheid van het religieuze leven. Charisma is alles wat de Geest gebruiken wil en ten dienste stelt voor de goede functionering van de gemeente als lichaam van Christus, zowel wat tot lering en vermaning alsook tot het onderlinge dienstbetoon of de doeltreffende besturing en regering van de gemeente kan dienen. Heel de onderscheiding tussen charismatische en niet-charismatische diensten laat zich met de paulinische opvatting van charisma dan ook niet verenigen25. Het is juist de strekking van heel het „charismata”- (of „pneumatica”-) hoofdstuk 1 Kor. 12 om iedere hiërarchische onderscheiding tussen hetgeen in de gaven en diensten in de gemeente àl dan niet of meer en minder „pneumatisch” zou zijn, af te wijzen. Want het is „dezelfde Geest” en „dezelfde Heer”, die alles in allen werkt, 1 Kor. 12: 4, 5.

Op dezelfde grond en met dezelfde kracht dient nu echter ook de tegenstelling tussen charisma en instituut (ambt) te worden afgewezen, waarbij onder het eerste dan de in concreto werkzame gave van Christus zou zijn te beschouwen in onderscheiding van de door de geméénte geïnstitutioneerde ambten en diensten. Meermalen wordt, óók van de zijde 


24 Käsemann, a.w., p. 112.
25 Zie tegen deze door Harnack ingevoerde onderscheiding ook E. Schweizer, Gemeinde und Gemeindeordnung im Neuen Testament, 1959, p. 164 e.v.

|206|

dergenen, die zich tegen de eenzijdige spiritualistische opvatting van de gemeente en de gemeenteopbouw keren, de stelling geponeerd, dat de paulinische opvatting van het charisma zich met een institutionele structuur van ambten en diensten in de kerk ten principale niet zou verdragen. Men maakt dan een scherp onderscheid zowel tussen Paulus en de (wèl institutioneel georganiseerde) oerchristelijke gemeente te Jeruzalem26 alsook tussen Paulus en de latere ontwikkeling, zoals men die met name in de Pastorale brieven en de geschriften van Lucas zou aantreffen27.

Naar onze overtuiging is deze tegenstelling tussen het charismatische en institutionele in de grond der zaak even vals als tussen charismatische en niet-charismatische diensten in de zin van Harnack28. Ongetwijfeld is het waar en heeft het zijn betekenis, dat in de opsommingen in Rom. 12, 1 Kor. 12, Eph. 4 niet het institutionele, maar het kwalitatieve van de door Christus aan de gemeente geschonken charismata (Rom. 12, 1 Kor. 12) of domata (Eph. 4) op de voorgrond staat. Er wordt daarin niet


26 Zie hiervoor m.n. K. Holl, Der Kirchenbegriff des Paulus in seinem Verhältnis zu dem der Urgemeinde, 1921, opgenomen in diens Gesammelte Aufsätze zur Kirchengeschichte II, 1928, p. 44-67.
27 Zie voor deze tegenstelling, behalve de reeds genoemde oudere opvatting van Holl e.a., ook Käsemann, a.w., p. 126 e.v., die o.m. met grote beslistheid ontkent, dat de paulinische gemeente ten tijde van de apostel reeds een presbyterium zou hebben gekend (p. 128) en die de ontwikkeling, zoals die in de Pastor. brieven aan de dag treedt als een (door de omstandigheden geboden!) loslating van de „paulinische Konzeption einer Gemeindeordnung vom Charisma aus” kenschetst, p. 129. Ook Schweizer acht bij Paulus en ordinatie, in het algemeen een aanstelling aan het begin van een bepaalde dienst, een onmogelijkheid, a.w., p. 71. Een zodanige aanstelling of ordinatie zou bij hem „nur als nachträgliche Anerkennung eines schon vorher Geschenkten Dienstes denkbar” zijn, p. 188. Ook hier valt alle nadruk op het charisma en de dienst als gebeuren (Ereignis), p. 90, 188. Zie voor deze zelfde actualiserende ambtsopvatting ook Käsemann, a.w., p. 125: „Der Apostel hat Ordnung eben nicht statisch auf Ämtern, Institutionen, Ständen und Würden aufgebaut, sondern Autorität allein dem konkret geschehenden Dienst zuerkannt, weil allein im Akt des konkreten Dienstes der Kyrios seine Herrschaft und Präsenz bekundet”. ook H. von Campenhausen, Kirchliches Amt und geistliche Vollmacht in den ersten drei Jahrhunderten, 1953, is van oordeel, dat zoal bepaalde regelingen in acht genomen werden, niettemin iedere dienst, die in de gemeente vervuld werd, voor Paulus niet op zulke menselijke regelingen berustte, maar „die Betätigung ist einer Gabe, die der Geist schenkt”, p. 73. Bij v. C. speelt hierbij vooral de tegenstelling tussen Geest en „wet” een grote rol, vgl. p. 60 e.v., 69. Zie voor heel deze problematiek ook J.L. Leuba, Institution und Ereignis, 1957.
28 Zie ook Ph. Menoud, l’Église et les ministères selon le Nouveau Testament, 1949, p. 12; ook Bultmann, Theologie, p. 443 e.v.

|207|

gesproken van presbyters, episcopen of diakenen, wèl van het charisma om leiding te geven, te helpen, barmhartigheid te bewijzen etc., Rom. 12: 7, 8; 1 Kor. 12: 28. Evenzo wordt in Eph. 4 behalve van apostelen, profeten en evangelisten, wel van herders en leraars, maar niet van het voor de bekleding van deze herders- en leraarsdienst geïnstitutionaliseerde ouderlingen-ambt gesproken. Dit wijst er op, ook wanneer met sommige van de hier bedoelde charismata toch ook reeds de diensten van ouderlingen en diakenen bedoeld zijn29, toch niet het ambtelijk-institutionele als zodanig, maar de inhoudelijke betekenis van het ambt op de voorgrond wordt gebracht. Maar wie hier een tegenstelling ziet tussen het institutionele en het charismatische, draagt een onderscheiding in de tekst in, die niet aan Paulus, maar aan een moderne, actualistische wijze van denken ontleend is. Want vooreerst rekent Paulus zijn eigen ambt onder de charismata en domata, die Christus aan de gemeente heeft gegeven, 1 Kor. 12: 28; Eph. 4: 11. En wel is het apostel-ambt van alle andere ambten en diensten daarin onderscheiden, dat de dragers ervan onmiddellijk door Christus Zelf en niet door de gemeente zijn aangesteld. Maar niettemin blijkt uit dit ambt, met hoe weinig recht er een tegenstelling is te maken tussen ambt en charisma, tussen instituut en Geest en met welke inadequate categorieën men werkt als men het actuele, concrete, „Ereignis”-achtige als een kenmerk van het charisma tegenover het continuele en regelmatige van het ambt zou willen stellen.

Maar voorts zien wij in Paulus’ brieven ook naast het bijzondere ambt van de apostelen op allerlei wijze de duidelijke tekenen van stabiliteit, institutionaliteit, geordendheid van bepaalde diensten en charismata in de gemeente. Behalve hetgeen nog in meer details over de onderscheidenheid daarvan gezegd kan worden, ligt in de algemene kwalificatie van „dienst” reeds een duidelijke stabiliserende tendens. Hier enkel aan incidenteel en concreet dienstbetoon te willen denken is niet alleen een onnatuurlijke opvatting van de werkelijkheid, maar ook in strijd met het paulinische spraakgebruik, waar „dienst”, óók al heeft het nog niet de speciale betekenis van „diakonaat”, een bepaalde „vaste” werkzaamheid in de gemeente kan aanduiden, die door bepaalde personen wordt vervuld30. Paulus spreekt dan ook niet alleen


29 Hetgeen o.i. zeer waarschijnlijk is, zie beneden.
30 „Die Ausbildung bestimmter Obliegenheiten in der Gemeinde”, Beyer, TWB II, p. 88. Behalve op de „dienst” van de apostelen (het apostel-ambt), Rom. ➝

|208|

van het charisma van het besturen, 1 Kor. 12: 28, maar ook van „de leiders” der gemeente, Rom. 12: 8, aan wie gezag toekwam en onderdanigheid verschuldigd was. Men denke in dit verband ook aan „de eerstelingen”, Rom. 16: 5; 1 Kor. 16: 15, mensen die op een bepaalde plaats of een bepaald gebied het eerst tot het geloof gekomen waren en dientengevolge een bepaalde vertrouwenspositie genoten. Dat dit alles slechts op zedelijke en niet op „ambtelijke” autoriteit zou wijzen of dat uit deze bepaalde charismatische begaafdheden of persoonlijke gezagsposities a posteriori bepaalde bevoegdheden om als leider op te treden zouden zijn voortgevloeid31, kan wel de historische gang van zaken aangeven, maar toch niet het ambtelijke en institutionele kwalitatief van het charismatische doen onderscheiden of zelfs een tegenstelling tussen beide wettigen. Want het ligt in de aard van bepaalde charismata, dat zij niet slechts incidentele, maar continuele betekenis hebben en dus als vanzelf ook op voortgaande en ge-regel-de erkenning aanspraak mochten maken (reden, waarom de charismata ook niet alleen als krachten etc., maar ook als personen worden aangeduid, vgl. 1 Kor. 12: 28; Eph. 4: 8, 11). Het charisma tendeert dus naar het institutionele en bestaat mede daarin, dat de gemeente niet slechts hic et nunc, maar, voorzover dit nodig is, ook een vaste instrumentering en „geleding” ontvangt, zoals Paulus, wederom met een beeld aan het lichaam ontleend, de gezonde functionering van de met de gaven van Christus begiftigde gemeenschap beschrijft, Eph. 4: 16, vgl. vs. 11, 12. Daarom is het, wederom, een valse tegenstelling het charismatische en institutionele als „geestelijke volmacht” en „menselijke regel” tegenover elkander te stellen32. Want niet alleen staat deze „menselijke regel,” waar zij, als bijv. in de Pastorale brieven, ordinerend en institutionaliserend werkzaam is, met het charisma en de „geestelijke volmacht” in het nauwste verband, vgl. 1 Tim. 4: 14; 1: 18; 2 Tim. 1: 6; 1 Tim. 3: 1 e.v.; Tit. 1: 6 e.v.; 2 Tim. 2: 24, maar ook wordt bij heel deze tegenstelling tussen „menselijk” en „geestelijk” het „geestelijk” karakter van de gemeente en van de van haar uitgaande keuze, aanstelling, ordinatie van bepaalde personen uitgeschakeld of over het hoofd gezien; een zienswijze,


➝ 11: 13; 2 Kor. 4: 1; 6: 3 e.v.; 11: 8 valt te wijzen op Kol. 4: 17, vgl. 1 Tim. 1: 12; 2 Tim. 4: 5, 11. Voor het apostolaat wordt ook οἰκονομία gebruikt, dat wellicht het dichtst bij ons: ambt komt, vgl. 1 Kor. 9: 17; Eph. 3: 2; Kol. 1: 25.
31 Zoals Schweizer het stelt, zie boven, noot 27.
32 Zoals Von Campenhausen doet, zie boven, noot 27.

|209|

die met Paulus’ opvatting van het karakter en de bevoegdheid van de gemeente zeker niet in overeenstemming is, vgl. 1 Kor. 3: 21, 22 e.a. Hoe opvallend het daarom ook moge zijn, dat in de opsomming van 1 Kor. 12: 28; Eph. 4: 11 geen presbyters en diakenen voorkomen, dat zij in de paulinische gemeenten er nochtans wáren bewijst niet alleen de mededeling van Lucas in Hand. 14: 23, maar ook de aanspraak van Paulus zelf in Phil. 1: 1. Houdt men daarbij in het oog, dat verschillende van de in Rom. 12; 1 Kor. 12; Eph. 4 genoemde gaven en personen een nauwkeurige omschrijving zijn van de ouderlingen en diakenen en van de inhoud van hun ambt, dan is slechts één conclusie mogelijk, nl. dat het ambt, verre van als „institutionele aangelegenheid” onderscheiden te moeten worden van de „geestelijkheid” van het charisma, naar paulinische opvatting juist zelf tot de charismata behoort33, waarmee Christus zijn gemeente wil toerusten en waarin de door Christus gegeven volmachten bekleed worden.

 

Overigens zal men voor wat het op de voorgrond treden van ambtsdragers in de oud-christelijke gemeenten betreft, met verschillende situaties en gradaties in de zelfstandigheid der gemeenten en met meer of minder geconsolideerde toestanden rekening moeten houden. Terwijl de meeste brieven zich direct tot de gemeenten zelf richten, zijn het in de Pastorale brieven Paulus’ naaste medewerkers, die in zijn opdracht met ordenende bevoegdheden moeten optreden, ouderlingen moeten aanstellen, waar dezen nog ontbreken, Tit. 1: 5, orde op zaken moeten stellen, waar misstanden dreigen, vgl. bijv. 1 Tim. 5: 5 e.v. Dat de toenemende gevaren, die de gemeente van de zijde der heresie bedreigden, ook een krachtige reden zal hebben gevormd voor een strengere orde en strakkere opbouw van de gemeente, zal mede uit deze brieven mogen worden afgeleid. Daarentegen is de opvatting, dat wij in deze apostolische gedelegeerden (die dan, bij wijze van „inkleding” als


33 Vgl. ook Bultmann, Theologie, p. 450: „Nach paulinischer Anschauung sind nun auch die Aufgaben und Betätigungen im Kreise des Gemeindelebens (die verschiedene διακονίαι, die ἀντιλήμψεις und κυβερνήσεις 1 Kr 12, 5, 28) Gaben des Geistes. Insofern mag man die Ämter der Presbyter und Episkopen als „charismatisch bezeichnen, musz aber beachten, dass das wohl dem spezifisch paulinischen Verständnis entspricht, nicht jedoch dem ältesten Sprachgebrauchs des hellenistischen Christentums”, vgl. ook p. 153. Zo ook Kümmel in Lietzmann-Kümmel, An die Korinther4, 1949, p. 188: „für Paulus tragen alle Gemeindefunktionen charismatischen Charakter.”

|210|

Timotheüs en Titus worden „voorgesteld”) een tussenschakel zouden hebben te zien tussen het apostolaat en het monarchisch episcopaat, waarin zich dan de apostolische successie zou demonstreren34, op allerlei wijze in strijd met de werkelijke en als historie op te vatten situatie, die in de Pastorale brieven beschreven wordt. Timotheüs en Titus doen daarin dienst als tijdelijke leiders van de gemeenten te Epheze en op Creta, vgl. 1 Tim. 1: 3; 3: 15; 2 Tim. 4: 9 e.v.; Tit. 1: 5; 3: 12 e.v. De bedoeling van hun optreden en van de aan hen gerichte zendbrieven is juist om de gemeente en het daarin tot ontwikkeling komende ambt tot meerdere zelfstandigheid te brengen, met het oog op Paulus’ afwezigheid en naderend levenseinde en hun eigen aanstaand vertrek. De aan hen gerichte brieven moeten dan ook in de samenkomsten der gemeente zelf worden voorgelezen, zoals o.m. uit de slotzegen blijkt en zijn dus ook voor deze als apostolische paradosis bedoeld en als zodanig in de kanon opgenomen. En wel wordt aan Tim. en Tit. de bevoegdheid gegeven ambtsdragers aan te stellen, 1 Tim. 5: 28; Tit. 1: 5, maar dit wil niet zeggen, dat dit zonder medewerking of aanwijzing door de gemeente geschiedde en dat zijzelf reeds een „tussen-niveau” tussen het apostolaat en de „leken” zouden vertegenwoordigen. Timotheüs zelf wordt telkens herinnerd aan zijn eigen ordinatie, die hem niet alleen vanwege de apostel, maar ook vanwege de gemeente was geworden, vgl. 2 Tim. 1: 6 en 1 Tim. 5: 14; 6: 12. Voorts wordt hij op allerlei wijze bemoedigd zich niet al te bescheiden te gedragen, zich niet voor zijn jeugd te schamen, zijn vorderingen in het hem opgedragen werk te tonen etc., vgl. 1 Tim. 4: 11, 15 e.a. Van een beginnende hiërarchische orde of „apostolische successie” ontbreekt hier ieder spoor. Evenmin kan de door hen aan te stellen episcopus worden geïnterpreteerd als primus inter pares, die op zijn beurt dan weer de beginnende hiërarchie zou vertegenwoordigen35. Met hoeveel duidelijker contouren de gemeente-ordening in deze brieven ook gemarkeerd wordt dan in de oudere, principiële verschuivingen zijn hier niet te vinden, die de kwalificatie van (overgang naar het) „vroeg-katholicisme” zouden rechtvaardigen of die zouden bestaan in de overgang van de vrijheid van de Geest naar een traditie- en legitimiteits-principe36. Want enerzijds


34 Zo Käsemann, Exeget. Versuche enz. I, p. 129.
35 Zoals C. Spicq, Les Epitres Pastorales, 1947, p. 86 e.v., 232, aannemelijk tracht te maken.
36 Zo Käsemann, a.w., p. 130. Zie tegen dit „modern-protestantischer ➝

|211|

vindt ook reeds in de oudere brieven heel het gezag en de orde in de gemeente zijn norm in (het „principe” van) de apostolische traditie en anderzijds is moeilijk te zeggen, in welk opzicht de summiere ouderlingen- en diaken-„spiegels” in de Pastorale brieven iets zouden bevatten, dat nog niet zou hebben gegolden voor „de leidinggevenden” etc. in de voorafgaande brieven. Deze voorschriften zijn immers zo algemeen en, in zekere zin, zo primitief gesteld, dat van een ook maar enigszins uitgewerkte ambtelijke instructie of legitimering nog geen sprake is, om van een zich doorzettende (onder)scheiding tussen clerus en leken nog maar geheel te zwijgen.

Ook de in de Pastorale brieven vermelde ordinatie („oplegging der handen”), 1 Tim. 4: 14; 5: 22; 2 Tim. 1: 6, kan voor zulk een ontwikkeling in hiërarchische richting niet als bewijs dienen. Zoals ook elders in het Nieuwe Testament blijkt, vgl. bijv. Hand. 13: 3, is de handoplegging hier niet (als bij de Joden37) te denken als het overdragen van ambts-genade en het aldus indragen in een on-onderbroken successie, die zich via deze ordinatie voortzet; zij is veeleer los van zulk een ononderbroken reeks te denken, als de aanwijzing en toerusting tot een bepaalde dienst of ambt. Zij schept geen boven de gemeente staand instituut, maar stelt iemand in dienst van de gemeente, mede op haar aanwijzing, 1 Tim. 1: 28; 4: 14 en met haar medewerking, 1 Tim. 5: 22, om aldus ook de volmachten te bekleden, die aan de gemeente geschonken zijn. Daarom vertegenwoordigt deze handoplegging niet een van Paulus principieel verschillend stadium van gezag en ambt in de oud-christelijke gemeente, ook al wordt in de overige brieven van zulk een ordinatie niet uitdrukkelijk gesproken.

Samenvattend kunnen wij dus zeggen, dat alle bevoegdheden en ordeningen, die in de gemeente gesteld zijn tot opbouw en zuiver-houden van het lichaam van Christus, haar van Christus wege zijn geschonken en als zodanig onderwerping en gehoorzaamheid vereisen van de zijde der gemeente; tevens, dat deze volmachten worden bekleed door degenen, die daartoe in de gemeente gesteld en aan de gemeente gegeven zijn. Ook in de personen, die met deze charismata en diensten


➝ Vorurteil”, die in iedere kerkelijke orde, die niet tegelijk onder een uitdrukkelijk (alles weer op losse schroeven zettend) voorbehoud gesteld wordt, een aanslag ziet op de vrijheid van de Geest en van het soevereine Woord Gods, ook Von Campenhausen, Bindung und Freiheit in der Ordnung der Kirche, 1959, p. 18 e.v.
37 Vgl. Strack-Billerbeck, a.w. II, p. 647-661.

|212|

zijn begiftigd, rust Christus de gemeente toe. Maar deze toerusting geschiedt niet buiten haar eigen medewerking, voorzover nl. degenen, die het gezag van Christus in de gemeente bekleden, dit op haar aanwijzing of althans onder haar toezicht en beoordeling doen. Het ambt, zo kan men het bovenstaande onder één formule samenvatten, is uit Christus en door de gemeente.

 

Is dus in de organisatie van de plaatselijke gemeenten bij Paulus pas een geleidelijk zich voltrekkende overgang op te merken van het apostolische naar het gemeentelijke en gemeentelijk-presbyteriale stadium, nog sterker geldt dit van het onderling verband der plaatselijke gemeenten.

Langs statistische weg laat zich gemakkelijk aantonen38, dat „ecclesia” bij Paulus meestal de plaatselijke kerk aanduidt. Dit wil uiteraard niet zeggen — men denke slechts aan Kol. en Eph.! — dat Paulus „in plaatselijke gemeenten zou denken” en het geheel van de kerk als iets secundairs zou beschouwen; de oorzaak van dit verschijnsel is hierin te zoeken, dat hij het in de praktijk vooral met afzonderlijke gemeenten en de zich daarin voordoende vragen en problemen te doen had.

Dit neemt echter niet weg, dat hij op allerlei wijze de plaatselijke gemeenten ook hun gemeenschap onder elkander doet beseffen en een zo groot mogelijke overeenstemming van handelen onder hen bevorderen wil. Telkens wijst hij de gemeenten op wat elders geschiedt. Zij moeten zich van de kosmische („oecumenische”) verbanden, waarin het evangelie haar opneemt, bewust zijn, Kol. 1: 6, 23; 1 Tim. 3: 16; vgl. Eph. 1: 10. Wat in andere gemeenten geschiedt moet hun volle belangstelling hebben, vgl. 2 Kor. 9: 2 e.v.; Kol. 4: 16, zij moeten deelnemen in hetgeen elders wordt ondernomen, 1 Kor. 16: 1 e.v., zij moeten zich door een en dezelfde gedragslijn laten leiden. Paulus legt er dan ook de nadruk op, dat hij in alle gemeenten dezelfde richtlijnen geeft, 1 Kor. 7: 17; 4: 17; 14: 33; hij wil, dat zij zich aan elkanders kerkelijke regels gelegen laten liggen en bestraft de Korinthiërs om hun individualiserende en independente houding: „Of heeft het Woord Gods soms van u zijn loop begonnen? of heeft het u alléén bereikt?”, 1 Kor. 14: 14, 3639.

De grond voor dit onderling verband ligt niet enkel in de praktische


38 Vgl. bijv. TWB III, p. 507 e.v.
39 Vgl. ook H. Von Campenhausen, Bindung und Freiheit, p. 14 e.v.

|213|

wenselijkheid of noodzakelijkheid van samenwerking, uitwisseling van gedachten, onderling hulpbetoon of broederlijk advies, maar vóór alles in het wezen van de kerk, waarvan de eenheid niet het produkt is van de samenstellende delen, maar aan die laatste juist ten grondslag ligt40. In de plaatselijke gemeente openbaart zich de ene en algemene kerk van Christus. Daarin ligt enerzijds haar zelfstandigheid, anderzijds de noodzakelijkheid zich mede door andere gemeenten te laten bepalen en gezeggen. Want zoals het beeld van de veelheid van de leden en het ene lichaam, Rom. 12; 1 Kor. 14 een richtlijn vormt voor het verkeer in de plaatselijke gemeenten, zo niet minder voor de verhouding van deze gemeenten onderling. Want Christus heeft niet vele lichamen, maar het ene lichaam van Christus moet zich in de eenheid en samenstemming van heel de kerk, plaatselijk en generaal, openbaren, vgl. Eph. 4: 1-6.

Voorlopig is het ook hier de apostel zelf, die aan dit onderling verband leiding geeft. Het apostolaat vertegenwoordigt niet alleen het fundament, maar ook de eenheid en het oecumenisch karakter van de kerk. Maar in dezelfde zin, waarin in de plaatselijke gemeenten de apostolische volmachten van bestuur en toezicht zich voortzetten in de eigen bevoegdheid, mondigheid en zelfstandigheid van de gemeenten zelf en in het bestuur van de aan haar gegeven en door haar aangewezen leiders, zal ook de gemeente in haar grotere verbanden haar eenheid moeten bewaren, de haar geschonken autoriteit van Christus moeten uitoefenen en zich daaraan hebben te onderwerpen. De grondstructuren van de gemeente als lichaam van Christus vormen ook hier de duidelijke richtlijnen voor heel de kerk. Daarom ontstond er met het wegvallen van de laatste apostel geen vacuüm en vallen de plaatselijke gemeenten niet als afzonderlijke „lichamen” uiteen, maar hebben zij het onderlinge verband en gezag te bewaren, overeenkomstig het wezen en de roeping der kerk als het lichaam van Christus.

Paulus’ brieven (en heel het Nieuwe Testament) geven daarvoor nog minder gedetailleerde voorschriften dan voor de organisatie der plaatselijke gemeenten. Daarin wordt niet voorzien door apostolische successie of door het begin van een daarmee overeenkomende hiërarchische opbouw. De „successie”, indien daarvan al te spreken is, ligt in de gemeenten zelf en in de haar gegeven apostolische paradosis. Dit


40 Zie ook Bultmann, Theol., p. 442.

|214|

betekent echter voor de kerk in het algemeen, evenmin als voor de plaatselijke gemeenten zelf, niet, dat in dit onderling verband geen rechtsregels en geen ordening van het aan de kerk geschonken gezag zou gelden. Evenmin, dat dit buiten het verband der plaatselijke slechts het karakter zou dragen van een charismatisch of ethisch gezag, in de zin van de „tweeërlei organisatie” van Harnack41. Ook hier is iedere tegenstelling van het pneumatisch-charismatische èn het kerkordelijk-institutionele in strijd met het wezen der kerk en ligt het juist in de lijn van hetgeen ons t.a.v. de plaatselijke opbouw der gemeenten bleek, dat de gemeenten zelf er voor moeten instaan om, voor zover dit nodig en met het wezen der kerk in overeenstemming is, het gezag van Christus ook in de bredere verbanden in kerkordelijke zin tot uitdrukking te brengen en te doen functioneren.

Daar in het Nieuwe Testament geen nieuwe apostelen de eersten opvolgen en ook geen bepaalde ambten worden gecreëerd om de kerk in haar bredere verbanden te regeren, is het het meest in overeenstemming met de in Paulus’ brieven (en in het Nieuwe Testament) zichtbare ontwikkeling, dat de kerk ook voor haar bredere verbanden in bepaalde, door de afzonderlijke gemeenten zelf aangewezen, organen de regering ontvangt, die zij nodig heeft. Hoe men zich zodanige kerkelijke organen nu denken wil, hetzij, zoals in eerste instantie wel het meest voor de hand ligt, als kerkelijke vergadering, vgl. Hand. 15, Gal. 2, hetzij ook anderszins, hoofdzaak is, dat zij door de gemeenten zelf worden aangewezen om, naar analogie van de regering der plaatselijke gemeente, het haar van Christus wege geschonken gezag ook in de ruimere kerkelijke verbanden te bekleden42.

Hierbij kan de wijze, waarop Paulus zelf zijn gezag over de plaatselijke gemeenten uitoefent, een duidelijke richtlijn vormen. Hij weet zich van Christus wege met gezag en bevoegdheid bekleed, maar hij schroomt niet te zeggen: „Alles is uwe ..., hetzij Paulus, hetzij Apollos”. Hij handelt daarom, óók wanneer zij zelf in gebreke blijft, niet buiten haar en zonder haar, maar wekt haar veeleer op om zich van haar eigen roeping en gezag bewust te zijn, haar eigen zelfstandigheid en mondigheid te kennen, 1 Kor. 5: 5; Rom. 15: 14, 15. Maar tevens treedt hij handelend op, wanneer zij in ongeestelijke toegevendheid of passiviteit


41 Zie boven, noot 5.
42 Zie ook mijn opstel De apostoliciteit van de kerk volgens het Nieuwe Testament in de bundel De Apostolische Kerk, 1954, p. 39-97, t.z. p. 93 e.v.

|215|

haar roeping als gemeente verzaakt, om haar te zuiveren van de vreemde smet en haar „het nieuwe deeg” te doen zijn, overeenkomstig haar toebehoren tot Christus, het pascha, dat voor haar is geslacht, 1 Kor. 5: 3, 7. Want het is dit heilige en christelijke karakter der gemeente, dat boven alles gaat en dat ook dan om bewaring en handhaving vraagt, wanneer de daartoe eerst aangewezenen hun roeping zouden verzaken.

Hoewel het, overeenkomstig het aanvangskarakter van de gemeente, tot welke Paulus zich richt en gezien de eigen betekenis van zijn geschriften als brieven, aan een systematische uiteenzetting van kerkordelijke voorschriften ontbreekt, bevatten deze brieven een menigte van motieven en richtlijnen, die voor het rechte inzicht in de inrichting, het verband en het bestuur van de Christelijke Kerk en aldus voor haar organisatorische opbouw als volk Gods en lichaam van Christus, van de allergrootste, blijvende betekenis zijn43. Een theologie, die zich, zoals die van Berkouwer, in dienst van heel de kerk wil stellen, betekent daarom óók ten aanzien van de kerk-ordelijke en kerk-rechtelijke aspecten: terugkeer naar de bronnen.


43 Zie bijv. ook Von Campenhausen, Die Begründung kirchlicher Entscheidungen beim Apostel Paulus, 1957.