46
6,80-83
01-11-1998

|80|

 

Ambtsgeheim

“Dit vertel ik alleen aan u, hoor! Anderen hoeven het niet te weten. Er wordt al genoeg over me gekletst. En ik mag er toch van uitgaan dat u dat niet doet? U hebt toch uw ambtsgeheim?”

Nou, eigenlijk niet. Officieel kennen de Gereformeerde Kerken geen ambtsgeheim. De formulieren die bij de bevestiging van ambtsdragers worden gebruikt noemen allerlei taken en verplichtingen, maar geheimhouding staat er niet bij. Ook moeten de ambtsdragers een formulier ondertekenen waarin ze beloven te zwijgen over hun eventuele persoonlijke bezwaren tegen de gereformeerde belijdenis, maar geen formulier waarin geheimhouding over andere zaken wordt opgelegd.
De kerkorde spreekt wel over een zwijgplicht, maar dan niet speciaal voor ambtsdragers. Art. 74: “Geheime zonden mogen niet aan de kerkenraad worden bekendgemaakt, als de zondaar na persoonlijke, broederlijke vermaning of na vermaning met een of twee getuigen tot berouw komt”. Geen zwijgplicht voor ambtsdragers, maar voor gemeenteleden.
Sterker nog: De ambtsdragers, verenigd in de kerkenraad, krijgen in dit verband juist de bevoegdheid om in bepaalde gevallen niet te zwijgen, maar de zaak aan de gemeente bekend te maken. Zo in art. 75: Het is mogelijk dat de kerkenraad op de hoogte wordt gesteld van een geheime zonde, de zondaar daarover vermaant, hem zover krijgt dat hij zich bekeert en schuld belijdt, en vervolgens toch besluit om hiervan mededeling te doen aan de gemeente. Of in art. 77: Voordat een kerkenraad overgaat tot excommunicatie van een zondaar, moet de gemeente van de hardnekkigheid van de zondaar op de hoogte worden gebracht. In plaats van een ambtsgeheim lezen we dus over een mededelingsplicht!
Alles goed en wel, zal iemand zeggen, maar toch zijn er heel wat zaken waar een ambtsdrager bij de uitoefening van zijn ambt wel over hoort, maar toch echt niet over spreken mag. Denk bijvoorbeeld weer aan de uitoefening van de kerkelijke tucht: De kerkenraad mag op de weg naar de excommunicatie niet eerder de naam van de zondaar aan de gemeente bekendmaken, dan wanneer de classis daar toestemming voor heeft gegeven. Daarvóór is er dus de plicht tot geheimhouding. Of denk aan het werk van de diaken: Het mag dan nergens officieel zijn vastgelegd, maar als zij gaan strooien met de financiële gegevens van behoeftige gemeenteleden, gaan ze toch echt hun boekje te buiten. Noem het dan geen ambtsgeheim, als het maar geheim blijft!
En natuurlijk is dat allemaal waar. Toch denk ik dat het om een aantal redenen waardevol is, dat de Gereformeerde Kerken

|81|

geen ambtelijk geheim als vaste regel hebben ingesteld.

Christenplicht

1. Het is zojuist al genoemd: De kerkorde kent in art. 74 geen speciale zwijgplicht voor ambtsdragers, maar wel voor gemeenteleden. Het is een uitvloeisel van het negende gebod (Catechismus zondag 43), en daarom plicht voor iedere christen, dat hij zorgvuldig omgaat met alles wat hij weet over zijn naaste. Dat geldt voor ambtsdragers, maar niet alleen voor hen.
Het is een veeg teken als iemand zijn zorgen niet wil delen met andere gemeenteleden, maar alleen met de ambtsdrager, omdat die een ‘ambtsgeheim’ zou hebben.
Het spreken over een speciaal ‘ambtsgeheim’ kan de indruk wekken dat niet-ambtsdragers loslippiger mogen zijn dan zij die wel tot het ambt werden geroepen. En dat is beslist onjuist. Wel is het zo, dat de plicht tot zorgvuldigheid bij ambtsdragers extra zwaar weegt, zoals elke zonde die door ambtsdragers wordt bedreven, extra veel schade doet aan de naam van Christus. Maar zonde blijft zonde, ook als niet-ambtsdragers zich eraan schuldig maken.

Zorgvuldigheid

2. Met opzet gebruikte ik al enkele malen het woord ‘zorgvuldig’ en ‘zorgvuldigheid’. Beter dan ‘geheimhouding’ geeft dit woord weer wat ons in het negende gebod door de Here wordt opgedragen: geen kwaadspreker of lasteraar te zijn, maar de eer en goede naam van onze naaste zoveel wij kunnen te verdedigen en te bevorderen. Dat doe je immers niet door stelselmatig te zwijgen: soms is spreken de opdracht.
Het past ook beter bij de procedures die de kerkorde regelt rond de tuchtoefening. Wanneer art. 75 de kerkenraad de vrijheid geeft om de gemeente in kennis te stellen van de schuldbelijdenis over een geheime zonde, dan is dat een vrijheid die gegeven wordt ten dienste van de zorgvuldigheid: laat de kerkenraad per geval mogen afwegen wat dienstig is voor de betrokken zondaar en voor de gemeente. Geen verplichte geheimhouding, en ook geen verplichte mededeling, maar ruimte voor een zorgvuldig en verantwoord beleid.
Of bij art. 77: Het past in een beleid van zorgvuldige omgang met de goede naam van de naaste, juist ook wanneer hij de weg van de zonde is opgegaan, dat de informatie over zijn hardnekkigheid gefaseerd naar de gemeente wordt toegebracht en dat voor de meest cruciale informatie — de mededeling van de naam van de zondaar — toestemming van de classis is vereist. Geen absolute geheimhouding, ook geen opengooien van de beerput, maar zorgvuldige mededeling, op gepaste tijden.
‘Zorgvuldigheid’ is natuurlijk wel een wat ongrijpbaar woord. Bij ‘ambtsgeheim’ weet je precies waar je aan toe bent: mondje dicht. ‘Zorgvuldig’ kan van alles inhouden: soms spreken, soms zwijgen. Het legt meer verantwoordelijkheid bij degene die het hanteren moet. Maar dat is typisch kerkelijk: dat we niet volgens botte regels met elkaar omgaan, maar met toepassing van de liefde die Christus ons leerde, volgens de wijsheid van zijn Heilige Geest.
Met ‘zorgvuldigheid’ bestrijk je bovendien een groter terrein dan met ‘geheimhouding’. Neem bijvoorbeeld de stukjes die de predikant in het plaatselijk kerkblad

|82|

schrijft, en waarin hij ten dienste van het onderling meeleven allerlei persoonlijke moeiten van gemeenteleden publiceert. In strijd met zijn ambtsgeheim? Nee, zo wordt dat toch meestal niet gezien. Maar evenmin heeft de predikant het recht om zomaar alle gegevens in dat blaadje aan ieder bekend te maken, tot aan de medische details van de laatste ziekenhuispatiënten toe.

Dienaar van het licht

3. Het is niet toevallig dat de kerkorde gemeenteleden in bepaalde gevallen oplegt om te zwijgen, maar de kerkenraad de taak geeft om bekend te maken. Want dat is het ambt dat we van Christus hebben ontvangen: niet om de dingen te verheimelijken, maar om geheimenissen bekend te maken, door de publieke verkondiging van het evangelie. “Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken” (Matt. 10: 27). Dat reikt verder dan het meedelen van bepaalde heilsfeiten, getuige het vers dat voorafgaat: “Er is niets bedekt, of het zal geopenbaard worden, en verborgen, of het zal bekend worden”. Het ziet vooruit naar de dag waarop Christus zelf in al zijn heerlijkheid verschijnen zal. Die verschijning is tegelijk een oordeel over alle mensen. Immers wordt dan voor ieder duidelijk dat Jezus de Christus is, maar ook wordt voor iedereen duidelijk welke mensen door hun trouw aan de Christus de heerlijkheid mogen binnengaan, en welke mensen door hun verzet tegen de Christus zullen worden buitengesloten. Huichelaars worden ontmaskerd, mensen die hun zonden krampachtig verborgen probeerden te houden, moeten dan hun geheimen prijsgeven. Dat is de boodschap die we als ambtsdragers uitdragen: de dag komt, die alles aan het licht zal brengen (I Kor. 3: 13, 4: 5).
Ambtsdragers mogen zich er daarom niet voor lenen dat ze een asiel worden voor personen die het sensationele verhaal over hun persoonlijke zonden wel eens een keer kwijt willen, maar de consequenties er niet van willen dragen: de ambtsdrager wordt in vertrouwen genomen, maar — ambtsgeheim! — hij mag het vooral niet verder vertellen. Paulus zegt daarvan: “Neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag” (Efez. 5: 11-13).
Daarmee is niet gezegd dat ambtsdragers alle zonden die ze ontdekken, meteen op straat moeten gooien. Maar wel zul je als ambtsdrager duidelijk moeten maken aan de persoon die jou in vertrouwen neemt om te vertellen over zijn zonden, dat hij daarmee nog niet klaar is. “Belijdt elkander uw zonden” zegt Jakobus in zijn brief (5: 16). Maar niet op de manier van de Roomse biechtpraktijk: voor het oor van een onzichtbare en anonieme ambtsdrager je geweten ontlasten, zonder werkelijk voor de consequenties van je misdaden in te willen staan. De manier die Jakobus bedoelt is die van ‘de verloren zoon’: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u”. Je maakt het weer in orde, met God, en met degene die door je zonden is bedrogen. Dat signaal mogen ambtsdragers afgeven, die in vertrouwen worden genomen over iemands persoonlijke zonden: je moet nu verder. Ik als ambtsdrager heb je niets te vergeven. Dat zal God zelf moeten doen; belijd je zonden dus ook voor

|83|

Hem, met berouw en belofte van bekering. En belijd je zonde ook voor je naaste, die door jou onrecht is aangedaan, zodat ook hij je kan vergeven. Dan hoef je namelijk niet bang te zijn voor de grote dag, die alles in het licht zal stellen.
Het lijkt me daarom onjuist om een ambtsgeheim te promoten dat vergelijkbaar zou moeten zijn met het Roomse biechtgeheim. Want juist op dit punt is er een diepgaand verschil: het vertrouwelijke gesprek met de ambtsdrager is geen doofpot voor zonden, maar een venster op de vrijspraak van zondaren door Jezus Christus, in alle eerlijkheid en openheid.

Gezamenlijk optreden

4. Het is tenslotte nog van belang dat de kerkorde in art. 75 en 77 de beslissing om bepaalde zaken naar buiten te brengen, niet legt bij de individuele ambtsdrager, maar bij de kerkenraad als geheel. Ambtsdragers werken samen; door het onderlinge beraad wordt de gemeenschap met Christus zuiver gehouden. Die interne beraadslagingen worden gediend door een sfeer van vertrouwelijkheid; je durft gemakkelijker te spreken als je weet dat je inbreng niet morgen in de supermarkt over de tong zal gaan. Ook is het goed wanneer het interne overleg leidt tot een gemeenschappelijk geluid naar buiten toe; losse ambtsdragers moeten dat niet frustreren door voortijdig de nieuwtjes rond te strooien.
Te gemakkelijk wordt de term ‘ambtsgeheim’ een code om alle zaken binnen de kerkenraad te houden en daar ook te laten: individuele ambtsdragers doen er geen mededelingen over — ambtsgeheim! — maar de kerkenraad als geheel ook niet. Het is echter een slechte manier van leiding geven wanneer een kerkenraad de gemeente alleen meedeelt wat ze doen of laten moet, en geen inzage geeft in zijn eigen beleidsvorming, of in zijn motivatie voor bepaalde besluiten.
Een ‘lekke’ kerkenraad is een vervelende zaak, vooral voor de ambtsdragers zelf: het samenwerken in goed vertrouwen wordt erdoor ondermijnd. Maar de beste remedie tegen ‘lekken’ is niet dat alles potdicht wordt afgesloten; de beste remedie is wel dat de kerkenraad zelf een actief beleid voert in openheid naar de gemeente toe, op het passende moment, met betrouwbare en zorgvuldige berichtgeving, en met liefdevolle aandacht voor de betrokken personen. Een gemeente die dat weet te waarderen zal des te minder behoefte hebben aan ambtsdragers die graag interessant willen doen door hun mond voorbij te praten.

Geen gewichtige geheimzinnigheid

Taal laat zich moeilijk dwingen. Het spreken over ‘ambtsgeheim’ is zo ingeburgerd dat het niet gemakkelijk te vervangen is. Het zit trouwens ook niet vast op een woord. Belangrijker is de instelling van de ambtsdrager zelf: niet gewichtig schermen met ambtelijke geheimzinnigheid, maar in christelijke zorgvuldigheid de leden van Christus’ gemeente heenleiden naar de dag waarop de boeken opengaan.