66
3,56-58
20-10-1990

|56|

 

De kerkelijke positie van gereformeerden in de verstrooiing (II)

Als kerkleden voor een aantal jaren ergens in het buitenland gaan werken, komen ze vaak in een kerkelijk geïsoleerde positie terecht. In het eerste artikel hebben we enkele bezwaren genoemd tegen de dikwijls voorkomende praktijk, dat verstrooide gereformeerden in bijvoorbeeld Zuid-Oost-Azië of Centraal-Afrika lid blijven van de Nederlandse thuisgemeente. De voornaamste achtergrond daarvan zal wel liggen in de wens om in het isolement contact te onderhouden met en steun te krijgen uit de vertrouwde omgeving via preekbandjes en briefwisseling.

Toch speelt er m.i. vaak ook een andere faktor in mee, waarop ik even nader wil ingaan. Ik bedoel de gedachte, dat er buiten onze en de officieel met ons verbonden corresponderende kerken eigenlijk geen volwaardig en voor de Here verantwoord lidmaatschap van een gemeente mogelijk is. Met zo’n visie zitten we op verkeerd spoor. Ze leidt tot een tekort doen aan de wereld-wijdheid van Gods werk.

 

De kerk is katholiek

We mogen heel dankbaar zijn voor wat de Here ons hier in Nederland in de vergadering en bewaring van de kerk geschonken heeft. Hier kan dan ook geen gereformeerd christen zich met een goedgeweten bijvoorbeeld aansluiten bij een hervormde of evangelische gemeente. Maar gaat de Here niet met elk land en volk zijn eigen weg? En heeft de kerk in elk land niet haar eigen historie?

Het evangelie is in vele delen van de wereld doorgedrongen. Het is niet overal even Schriftgetrouw verkondigd. Toch zijn er gemeenten ontstaan, waar de hoofdzaak van de leer de, Schriften wordt gepredikt en waar mensen in oprecht geloof hun zaligheid in de Here Christus zoeken en vinden. Het past ons niet om wanneer wij met zulke gemeenten in aanraking komen, ze vanuit een typisch Nederlandse situatie zonder meer te veroordelen en links te laten liggen. Wij belijden toch de katholiciteit van de kerk? Wat blijft daarvan over, als we het kerk-zijn overal in de wereld gaan afmeten aan het al of niet onderhouden van correspondentie en contact met de Gereformeerde Kerken in Nederland?

Wie voor een aantal jaren naar het buitenland gaat, zal zijn gereformeerde overtuiging en belijdenis niet prijs mogen geven. Integendeel, hij moet die met bescheiden beslistheid vasthouden en ook uitdragen. Maar tegelijk zal hij ook oog moeten hebben voor het katholiek karakter van de kerk. Hij zal niet krampachtig aan het lid zijn van een Nederlandse kerk vast moeten houden, alsof je overal in de wereld alleen maar op de Nederlandse manier en via de vaderlandse kanalen kerklid kunt zijn. Maar hij zal de moed moeten hebben om op de plaats waar de Here hem stelt, een eigen voor God en mensen verantwoorde kerkelijke weg te vinden.

 

Onttrekking?

Het komt onder ons voor, dat men het vertrek van gelovige en niet-gecensureerde broeders en zusters naar een plaats waar geen gemeente is die met onze kerken een relatie heeft, wil zetten onder de noemer van ‘onttrekking’. Ik ben van mening, dat men daarmee — bedoeld of onbedoeld — feitelijk verklaart, dat de betrokkenen op de plaats waar ze heen gaan géén kerklid zullen zijn. Onttrekking betekent toch: je staat buiten de kerk, je plaatst je buiten het vergaderingswerk van de Here Christus. Een dergelijke visie is echter onhoudbaar. En ze doet ook geen recht aan wat er feitelijk gebeurt.

Bij zo’n onttrekkings-redenering maakt men minstens drie fouten. In de eerste plaats oordeelt men daarmee zonder deugdelijk onderzoek ter plekke, dat daar geen kerkvergaderingswerk van de Here Christus is. Ik vind dat een lichtvaardig oordeel. Wordt er dan op het secretariaat van onze deputaten voor buitenlandse kerken even voor alle plaatsen van Gods heerschappij uitgemaakt, of Christus er al of niet een gemeente bijeenbrengt? Is er buiten de lijst van kerken waarmee wij de afspraak hebben om over en weer attestaties af te geven, geen enkel serieus kerk-zijn mogelijk? Niemand zal dat toch in

|57|

ernst willen beweren?

In de tweede plaats vergeet men, dat de Here ook daar waar geen officieel geïnstitueerde gemeente (onder wat voor naam ook) bestaat, toch nog wel zijn gelovigen kan hebben, bij wie de Nederlandse broeder of zuster zich moet en kan aansluiten. Art. 27 NGB spreekt toch ook over een kerk die verborgen en als tot niet gekomen is, zoals de 7000 in de tijd van Achab?

En in de derde plaats: wanneer een of twee of drie gelovigen zich vestigen temidden van alleen maar heidenen, hebben zij dan de kerk verlaten? Zijn zij dan niet zelf het begin van een nieuwe gemeente in die plaats en zal Christus daar niet heilbrengend en kerkvergaderend in hun midden zijn?

Een onttrekking doet trouwens ook — tenzij de betrokkene het zelf zo wil — geen recht aan wat er feitelijk gebeurt. Hij wil immers helemaal liet de kerk verlaten. Hij wil integendeel ook in zijn nieuwe woonplaats zich onder de verkondiging van het evangelie stellen en de gemeenschap der heiligen zo goed mogelijk beoefenen. Dat gaat gebeuren in een situatie die bij zijn vertrek nog niet te overzien is. We weten alleen maar, dat hij zich niet bij een bekende gereformeerde kerk kan voegen. Of we horen, dat hij zich tijdelijk zal aansluiten bij een ginds bestaande niet-gereformeerde kerk. Maar dat is toch niet werkelijk hetzelfde als een onttrekking?

Kortom, wie zulke situaties als hier aan de orde zijn, wil plaatsen onder het hoofdstuk ‘onttrekking’, zit er helemaal naast. En behalve uit on-katholieke motieven zou dat ook wel eens kunnen voortkomen uit een zeker krampachtig formalisme. Men kent dan maar drie vormen van vertrek uit de gemeente: vertrek naar een zusterkerk, afsnijding of onttrekking. En dan wil men elke situatie beslist in een van die drie vormen persen. We kunnen echter voor de hier besproken gevallen beter een andere handelwijze volgen, die recht doet aan wat er werkelijk gebeurt.

 

Vertrek met een ‘open attest’

In veel gevallen zullen zij die naar het buitenland vertrekken niet al bij voorbaat kunnen vertellen, van welke kerk ze lid zullen worden. Dat moeten ze vaak ter plekke zelf nog onderzoeken en beslissen. Maar het kan ook zijn, dat ze op grond van informatie van anderen al wel bijna zeker weten, dat ze zich willen aansluiten bij een bepaalde niet met onze kerken corresponderende gemeente.

In beide gevallen doet een kerkeraad er m.i. het beste aan om hun bij het vertrek een speciaal, in het Engels gesteld attest mee te geven. Het zou niet juist zijn dit een ‘reisattest’ te noemen. Ook ‘verblijfsattest’ is geen toereikende term. Je kunt beter spreken van een ‘buitenlands attest’ of een ‘open attest’ (d.w.z. niet geadresseerd aan een bepaalde kerk).

Dr. F.L. Bos heeft in zijn boek De orde der kerk uit 1950 voor een dergelijk attest het volgende model gegeven, dat ook voor ons nog wel bruikbaar is1:

The consistory of the Reformed Church at ... herewith declares, that N.N., born ..., through the holy baptism belongs to the Reformed Church at ... and has been admitted to the Lord’s supper.
The aforesaid consistory requests any church congregation, which accepts the holy scripture as the word of God and administers the sacraments in accordance with the institution of Jesus Christ, to receive the aforesaid brother in its community.

On behalf of the aforesaid consistory,
praeses/scriba

Een dergelijk attest betekent, dat de kerkeraad niet — zoals bij een normale attestatie — de betrokkenen op hun verzoek overdraagt aan de herderlijke zorg van een met name genoemde andere kerkeraad. Hier fungeert het attest alleen als een algemene verklaring van lidmaatschap en een open verzoek om de mensen die het betreft christelijk te ontvangen. De kerkeraad die deze verklaring afgeeft kan de consequenties van de kerkkeus in het land van vestiging niet overzien en neemt daar ook geen direkte verantwoordelijkheid voor. En zelfs wanneer men kritisch staat tegenover het voorgenomen verblijf in het buitenland, verklaart een kerkeraad hier niets wat een gereformeerde kerkeraad niet met een goed geweten zou mogen verklaren.

De hier geschetste procedure kan m.i. dienen als een verdere uitwerking van de volgende kerkelijke uitspraken:

Voorlopige synode Leeuwarden 1890 (dolerend) (Acta art. 24): ‘Waar in andere landen zulk eene (gereformeerde) kerk niet te vinden is, zoeke men gemeenschap met eene zusterkerk, bijv. eene Luthersche die hare belijdenis handhaaft, mits zulks zonder verloochening van eigen Gereformeerde belijdenis kunne geschieden’. Deze uitspraak heeft onder ons geen kerkrechtelijke geldigheid, maar duidt wel aan, hoe men in de dagen van A. Kuyper en F.L. Rutgers over deze dingen dacht.2

Generale synode Groningen 1927 (Acta art. 161): ‘kerken kunnen aan hunne leden, die naar buitenlandsche kerken vertrekken, ten allen tijde attestatiën afgeven, welke behooren ingediend te worden bij die kerken, die in belijdenis


1 F.L. Bos, De orde der kerk toegelicht met kerkelijke besluiten uit vier eeuwen (’s-Gravenhage 1950) 326-327. Vertaling: De kerkeraad van de Gereformeerde Kerk te … verklaart hierbij, dat N.N., geboren …, door de heilige doop behoort tot de Gereformeerde Kerk te … en is toegelaten tot het avondmaal van de Here. Genoemde kerkeraad verzoekt iedere kerkelijke gemeente die de Heilige Schrift als het Woord van God en de sacramenten bedient overeenkomstig de instelling van Jezus Christus, de genoemde broeder in haar gemeenschap te ontvangen. In opdracht van voornoemde kerkeraad (volgt ondertekening).
2 Ook in a.w. 323.

|58|

en kerkregeering aan de gereformeerde kerken in Nederland het naast verwant zijn’. Deze uitspraak behoort tot de onder ons geldende bepalingen.3

Wat moet er in zulke gevallen aan de gemeente worden afgekondigd? Niets anders dan wat er feitelijk gebeurt. Evenals bij andere kerkleden die vertrekken, kunnen er twee afkondigingen plaatsvinden.

De ene zondag wordt meegedeeld, dat — zeg maar - broeder en zuster Van Houten een ‘buitenlands attest’ hebben aangevraagd wegens vertrek naar Quattador.

En op de zondag voor het vertrek: dat br. en zr. Van Houten ‘deze week’ met een ‘buitenlands attest’ hopen te vertrekken naar Quattador. Tegelijk mag in de eredienst van die laatste zondag de voorbede voor hen niet ontbreken! Wat is het goed, als zij bij deze grote verandering in hun leven en bij alle verantwoordelijkheden die op hen af komen, een biddende thuiskerk achter zich weten te staan!

Wie met zo’n ‘open attest’ uit de gemeente vertrekken, zijn van die gemeente geen lid meer. Maar ze zijn ook niet ‘als de heiden en de tollenaar’. Integendeel, ze aanvaarden bij hun vertrek voor God en voor de gemeente de volle verantwoordelijkheid om ook in hun nieuwe woonplaats zo goed en trouw mogelijk christen en kerklid te zijn.4


3 H. Bouma ed., Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland (Groningen 1983) III-Art.63-4.
4 Er zijn misschien situaties, waarbij mensen zo volstrekt geïsoleerd terechtkomen, dat contact met andere christenen voor langere tijd uitgesloten is. In dat geval zou men voorlopig ‘uitwonend’ lid kunnen blijven van de gemeente in Nederland.