44
8,619-621
01-10-2005

|619|

 

Kerkenraad, Classis, PS, GS...

Er zijn van die termen die duidelijk horen bij wat we wel het kerkelijk ‘jargon’ noemen; ze worden door diverse personen en met regelmaat gebruikt, en iedereen gaat er maar van uit dat de ander weet wat hij ermee bedoelt. Daar hoeft de kerk zichzelf op zich niet voor te schamen: iedere organisatie, in of buiten de kerk, heeft zo zijn of haar eigen stijl en woordenboek. Ik schaam me er niet voor hier te erkennen dat ik tot voor 1½ jaar nog niet bewust van een POP had gehoord. Misschien heb ik het verdrongen, maar toch! Inmiddels weet ik hoe belangrijk zo’n POP is: het is een persoonlijk ontwikkelingsplan, en het is een belangrijk middel om werknemers in een organisatie daar neer te zetten, waar ze het meest tot hun recht komen én om hun ontwikkeling ook zó bij te houden, dat ze tot in lengte van jaren met vrucht hun werk kunnen doen, zonder vast te roesten of anderszins vast te lopen.

Welnu, bij de redactie kwamen van diverse kanten signalen binnen om eens uit te doeken te doen hoe de verschillende vergader- en beslissingsniveaus in elkaar zitten. Voor de een zal dat ‘gesneden koek’ zijn, maar voor anderen is het dat niet. Voor hen is dit artikel dus bedoeld. Tevens wil ik iets aangeven over de juiste behandeling van inhoudelijke onderwerpen op de diverse vergaderingen, om zo zicht te krijgen op de wijze waarop de kerkelijke vergaderingen zich tot elkaar verhouden.

 

Kerkenraad

Een term die waarschijnlijk geen toelichting nodig heeft, is die van de kerkenraad. Ieder kent hem, en kent de bemanning ervan. Eens per drie of vier weken (afhankelijk van de grootte van de gemeente) komt de raad bijeen om de zaken te bespreken die het heil van de gemeente dienen. Met de laatste woorden wil ik de inhoud van de vergaderingen van de kerkenraad meteen op het geestelijke niveau brengen dat erbij hoort. In onze kerkorde staat het zo (art. 30): ‘In deze (kerkelijke, Quant) vergaderingen zullen geen andere dan kerkelijke zaken behandeld worden. Dat dient op kerkelijke wijze te gebeuren’. Wat is dat anders dan dat het op geestelijke wijze gebeurt, onder een open bijbel, met het oog op het heil van de gemeente? Met minder mag een kerkenraad niet tevreden zijn.

Het is niet voor niets dat deze vergadering het eerst genoemd wordt. Onze kerkrechtelijk principe van kerk-zijn heet met een duur woord: presbyteriaal-synodaal. Met gewone woorden wil dat zeggen dat de voorrang ligt bij en de nadruk ligt op de plaatselijke kerkenraad (presbyters zijn immers ouderlingen). Daar klopt het hart van het kerkelijk leven. Daar vinden ook de meest belangrijke beslissingen plaats, al komen die niet of nauwelijks in de kranten. Op de kerkenraad dienen alle zaken van plaatselijk belang, met name pastorale en diaconale zaken, de gemeenteleden betreffende. Daar wordt ook de vraag beantwoord op welke wijze de gemeente opgebouwd zal worden om te beantwoorden aan haar hoge roeping: bruid van Christus zijn.

 

Classis

Een plaatselijke gemeente realiseert zich dat zij niet alleen is in haar geloven en belijden. Zij is dat in gemeenschap met andere gemeenten van de Here Jezus

|620|

Christus. Daarom gaan plaatselijke kerkenraden samen in volle vrijheid (!) een kerkverband aan, of (zoals onlangs nog op Urk gebeurde) zij sluiten zich bij een kerkverband aan. Dat kerkverband wordt bij uitstek zichtbaar op de vergadering van de classis. Daar voegen kerkenraden die in elkaars nabijheid werken zich bij elkaar en bespreken — meestal twee keer per jaar — zaken waarvoor zij elkaar nodig hebben. Daarmee is is de andere ‘poot’ van ons kerkelijk samenleven (‘synodaal’) getypeerd: wij heersen niet over elkaar, onze kerkelijke vergaderstructuur is niet hiërarchisch gestempeld (zoals in de Rooms-Katholieke kerk bijvoorbeeld). Onder ons spreekt men bewust van meerdere, en niet van hogere vergaderingen. Meerder in de zin van: een wijdere kring betreffend, met meerdere broeders uit andere gemeenten. Zo ontstaan de classes. In onze kerken tellen wij er dertien, drie in het Zuiden, Westen en Oosten van ons land, en vier in het Noorden. Om een voorbeeld te noemen: in de classis Apeldoorn (in het Oosten) komen kerkenraden samen die daar ‘in de buurt’ hun gemeente leiden; die buurt is soms erg dichtbij (Arnhem), maar soms ook een behoorlijk eind weg (Enschede). Maar ja, zóveel gemeenten tellen de Chr. Geref. Kerken nu eenmaal niet…

Op die classicale vergaderingen worden díe zaken behandeld die een kerkenraad niet in eigen verantwoordelijkheid afkan. Ook dat is weer een belangrijk element van ons kerkelijk samenleven. Of je al dan niet uit de berijming-1967 zingt, is een zaak die een kerkenraad best alleen af kan, maar of een predikant al dan niet geschorst moet worden (of zelfs erger), is een zaak die de raad deelt met de andere, genabuurde kerkenraden; het is slechts een voorbeeld. Het hart van de classicale vergadering wordt gevormd door een altijd terugkerend agendapunt: de vraag naar de welstand van de plaatselijke gemeenten, met daaraan gekoppeld de vraag of zij op een of ander gebied, of in enige zaak, hulp van de classis nodig hebben. Die vraag naar de welstand kan op twee manieren gesteld worden: via het zogenaamde verslag naar art. 41 K.O. (in dat artikel wordt de voorzitter van de classicale vergadering opgedragen naar de goede voortgang van het gemeentelijk leven te informeren, en daar komt vaak een breed, schriftelijk antwoord op) of via het verslag van de twee kerkvisitatoren. Dat zijn twee ambtsdragers (waarvan ten minste één predikant is) die door de classis zijn aangewezen om een plaatselijke kerkenraad te bezoeken (één maal per jaar) en die kennis nemen van de stand van het gemeentelijk leven.

Het spreekt voor zichzelf dat het slecht werkt, wanneer complete kerkenraden op een classis verschijnen. We hebben een afvaardigingssysteem: twee of drie per kerkenraad; de predikant (bij een vacature een ouderling), een ouderling en — soms — een diaken.

 

Particuliere synode

Genoeg over de classis. We gaan over naar de volgende ring in het kerkelijk leven. Hierboven schreef ik dat de classis ligt in een bepaalde windstreek. Welnu, de classes die tot een bepaalde windstreek behoren, hebben hun zogenaamde particuliere synode (PS). Werd hierboven de classis Apeldoorn genoemd in het Oosten, nu kan gezegd worden dat in het Oosten ook de classes Amersfoort en Utrecht te vinden zijn. Eén keer per jaar vaardigen die classes drie predikanten, drie ouderlingen en één diaken af naar de vergadering van hun particuliere synode (en zo gebeurt het ook in de andere windstreken). De agenda van de particuliere synode

|621|

wordt bepaald door zaken waarvan de classes zeggen: dat kunnen wij niet alleen af, daar hebben we meer hulp bij nodig, en door rapporten van landelijke permanente commissies (dat noemen wij met een duur woord deputaatschappen) waar leden in zitten die door de particuliere synoden benoemd zijn.

Bij het eerste is o.a. te denken aan een deputaatschap dat de particuliere synoden speciaal hebben samengesteld om de classicale vergaderingen bij moeilijke situaties van dienst te zijn. Dat heet het deputaatschap naar art. 49 K.O., omdat in dát artikel van de kerkorde haar werkzaamheden geregeld zijn. Classes vragen de hulp van deze deputaten o.a. bij toelating van een kandidaat tot het predikantschap, bij losmaking of afzetting van predikanten, bij emeritering van predikanten, bij classicale toestemming voor plaatselijke samenwerking met een andere kerk van gereformeerd belijden. Het hoeft geen betoog dat hier sprake is van soms ingewikkelde zaken, waar dan ook predikanten in worden benoemd waarvan men mag verwachten dat zij veel geestelijke wijsheid hebben en een goede kennis van het kerkelijk leven, niet het minst in kerkrechtelijk opzicht.

Bij het tweede kunt u denken aan deputaatschappen als het curatorium (dat de zorg voor de Theologische Universiteit heeft), deputaten voor de buitenlandse zending, evangelisatie en nog enkele andere. Maar in het jaarboek (dat bezit u toch wel?) kunt u het allemaal opzoeken.

 

Generale synode

De breedste ring van de kerkelijke structuur is die van de generale synode (GS). Zij beslaat het gehele kerkverband en vergadert gewoonlijk één maal in de drie jaar, bemand door 4x13 gekozen afgevaardigden uit de particuliere synoden. Allerlei rapporten van door haar ingestelde deputaatschappen passeren de revue en deze deputaatschappen krijgen nieuwe opdrachten mee; kerken van gereformeerd belijden (uit binnen- en buitenland) melden zich met het verzoek om voortgang in de contacten; kerken die zijn voortgekomen uit de zendingsarbeid laten van zich horen. Waar nodig benoemt de generale synode een hoogleraar; verder krijgt zij te maken met verzoeken uit de kerken om bepaalde zaken anders te regelen of opnieuw te regelen (we noemen dat ‘instructies’). Ten slotte — maar dat is niet het meest aangename gedeelte van het werk van de synode — is het haar taak om situaties van onvrede rond beslissingen van de ‘mindere’ kerkelijke vergaderingen te beoordelen. Dat zijn de zogenaamde ‘appèlzaken’,  die gelukkig niet in erg grote hoeveelheden op de tafel van de synode liggen, maar die wel vragen om een uiterst zorgvuldige behandeling.

U begrijpt hieruit (als ik het duidelijk genoeg uit de doeken heb gedaan), dat onze synoden alleen die zaken behandelen (geheel in overeenstemming met art. 30 K.O.) die niet in een ‘minder’ stadium (dus dat van de classis of de PS) konden worden afgehandeld of die zaken betreffen waarvan we hebben vastgesteld: dat is van algemeen kerkelijk belang (onze predikantenopleiding bijvoorbeeld). De kerken bepalen dus sámen de agenda van de synode.