nr. 3102 (4 juli 1937)
04-07-1937

Voetius over het gezag der Synoden

J.l. vrijdag 25 juli is Ds M. Bouwman, predikant bij de Gereformeerde Kerk te Nieuwendam, aan de Vrije Universiteit gepromoveerd tot Doctor in de Heilige Godgeleerdheid, en wel met de eervolle bijvoeging cum laude, na verdediging van zijn proefschrift en daarbij gevoegde stellingen, welk proefschrift handelt over Voetius en zijn opvatting van het gezag der Synoden. Het is mij bijzonder aangenaam, dit proefschrift van mijn leerling, als wiens promotor ik optrad, om daarmede mijn actieven dienst aan de Vrije Universiteit te eindigen, in de Heraut te mogen aankondigen. Want hoe men ook over de conclusies, waartoe Dr. Bouwman kwam, moge denken, aan de grondigheid van zijn wetenschappelijk onderzoek en den ernst, waarmede hij zijn taak heeft opgevat, zal wel niemand lof onthouden. Uit methodologisch oogpunt is deze dissertatie zeer goed opgebouwd. Eerst behandelt Dr. Bouwman de verschillende kerkrechtelijke stelsels en laat zien, hoe het vraagstuk van de kerkelijke macht stond in Voetius’ tijd. Daarna wordt in hoofdstuk II behandeld, wat volgens Voetius het subject is van de kerkelijke macht n.l. de eenheid van de Synodaal verbonden kerken; vervolgens in hoofdstuk III wat de grondslag volgens Voetius is van de Synodale macht, n.l. het Goddelijk recht en de wederzijdsche toestemming der kerken; in hoofdstuk IV wordt dan uiteengezet wat Voetius over het karakter en de eigenschappen van de kerkelijke macht dacht, terwijl de drie laatste hoofdstukken gaan over de deelen en objecten der kerkelijke macht en hoe ze volgens Voetius moet worden uitgeoefend, waarbij dan uitvoerig wordt gehandeld over de drie deelen der kerkelijke macht, de leer- de regeer- en de tuchtmacht der meerder vergaderingen.

Het is de groote verdienste van dit proefschrift, dat waar vaak ook in onzen kring verschil bleek te bestaan over wat Voetius over deze Synodale macht leerde, thans door dit grondig onderzoek van alles wat Voetius in zijn werken en adviezen daarover gezegd heeft, door Dr. Bouwman is bijeengevoegd, om dan daaruit telkens de conclusies te trekken. Dr. Bouwman heeft Voetius niet willen bezien door een gekleurden bril, maar hem zelf willen laten spreken en daardoor menige misvatting, die omtrent Voetius opvattingen bestond op afdoende wijze weerlegd. Inzonderheid heeft hij als trouw paladijn Voetius gezuiverd van de blaam door Dr. Vos, Dr. Kleyn e.a op hem geworpen, alsof hij independentische denkbeelden omtrent de Synodale macht zou gehad hebben. Door een uitvoerige studie van de betrekkelijk zeldzame geschriften van de Independent4en en hun tegenstanders in Engeland, de Presbyterianen, kon hij aantonen, dat al heeft Voetius zeker wel den invloed der Independenten ondergaan, waaronder zeer vrome mannen waren, die hij hoogachtte en te winnen zocht, toch die invloed nooit daartoe geleid heeft, dat hij ontrouw is geworden aan hetgeen onze Kerken op grond van de Schrift en onze beste Theologen aangaande de Synodes en haar macht geleerd hebben. Dat Dr. Bouwman daarbij ook meermalen correctie moest aanbrengen op hetgeen in onze eigen kringen aangaande deze Synodes en haar macht geleerd was, niet zelden met een beroep op Voetius, was noodig, want gelijk hij in zijn eerste stelling het uitgedrukt: het gevoelen van Voetius omtrent het gezag der Synodes is in de laatste halve eeuw schier nimmer juist weergegeven, een stelling, die hij niet alleen poneert maar op afdoende wijze in zijn proefschrift bewijst, al erkent hij zelf, dat er gelukkig uitzonderingen bestaan. Zoo is deze dissertatie niet alleen een kostelijke bijdrage om ons Voetius’ kerkrechtelijk standpunt beter te doen verstaan,

Maar kan ze ook dienen als tegenweer tegen independentistische strevingen in onze Kerken. Er is altoos gevaar, dat na een sterke actie tegen hierarchie de slinger doorslaat naar den tegenovergestelden kant en de macht, die naar Gods Woord toekomt aan de meerdere vergaderingen, wordt ontkend. Zoo was het ook in de dagen der Reformatie, toen na den strijd met Rome het independentisme opkwam in Frankrijk en daarna tegenover de Episcopaalsche kerk in Engeland. En zoo is het ook in onze eigen kerken gegaan na onzen strijd met de hierarchie in de Hervormde Kerk. Prof Rutgers heeft meermalen, inzonderheid in zijn Kerkelijke adviezen, tegen dit independentisme in onze kerken gewaarschuwd. En al blijft elk menschelijk stelsel, ook dat van Voetius’ altoos appellabel aan Gods Woord, toch hebben we met eerbied te luisteren naar en winst te doen voor wat ons eigen kerkelijk leven aangaat met wat de beste onzer Canonici uit den bloeitijd onzer Gereformeerde theologie op grond van Gods Woord ons geleerd heeft. En het is de groote verdienste van deze dissertatie dat Dr Bouwman ons den echten Voetius uit zijn geschriften, waarin hij zelf spreekt, heeft doen kennen. Voor onze predikanten en inzonderheid voor degenen, die het kerkrecht bestudeerden, heeft dit proefschrift daarom blijvende waarde, waarom we het dan ook van harte aanbevelen. Aan den jongsten doctor theologie onzer Universiteit brengen we daarom onzen gelukwensch met dezen arbeid door hem volbracht en hopen, dat hij op den ingeslagen weg zal voortgaan. Er is meer dan ten opzichte van dit Synodaal gezag, dat als independentistisch in onze kerken moet worden besteden.