42
nr. 9
10-03-1944

Voetius over het gezag der meerdere vergaderingen en over eventueel conflict daarmee

Pol. Eccl. IV p. 122-123; editie Rutgers p. 252-253

„Het gezag of de macht” — nl. der meerdere kerkelijke vergadering — „wordt beschouwd òf meer in orde tot de werkzaamheden of zaken, die te behandelen zijn, òf meer in orde tot de kerken, òf in orde tot beiden.
In orde tot de te behandelen zaken wordt die macht omschreven en beperkt door de gesteldheid van het verschuldigde en overeenkomstige — of betreffende — object…; vervolgens door de concessie en het mandaat der Kerken, welke die Classis of Synode samenstellen; en daarin deels in de eerste plaats, algemeen, en ingewikkeld, deels bizonder en nader uitgewerkt, in betrekking tot dze of die bizondere werkzaamheden, in brieven van opdracht en geloof” — d.i. geloofs- of credentiebrieven — „waarmee de gedelegeerden voorzien tot visitatie, of tot de gewone of de buitengewone vergaderingen komen.
In orde tot de Kerken is die macht door de Kerken omschreven krachtens den grondslag van het Goddelijk recht nl. dat zij” — d.w.z. die meerdere vergaderingen — „die niet gebruiken tegen de Schrift, de fundamenteele kerkelijke wetten” — d.i. dus de Kerkorde —, „de kerken en die haar principalen delegeeren, maar voor haar” — d.i. ten behoeve of nutte van haar.

„Bijaldien anders zou geschieden, nemen de Kerken haar besluiten niet aan, en geven die niet over ter uitvoering, maar laten die in het midden, of verscheuren ze; ja, indien zij dat door alle, of althans de meeste stemmen zouden kunnen verkrijgen, verbeteren zij de besluiten der vorige samenkomst door eene nieuwe samenkomst uit alle kerkeraden (indien dat ten minste geschieden kan), of althans uit andere gedelegeerden samengesteld.
Zóó, dat deze macht en dit gezag van Classes en Synoden uit gedelegeerden saamgesteld, is: 1. niet wat betreft een voortdurend bezit, maar slechs wat de uitvoering betreft; 2. en wel niet volstrekt, maar beperkt; 3. niet heerschend, maar dienend; 4. niet de hoogste, maar lager, wanneer wij alle gedelegeerde kerken of hun voorgangers — of ouderlingen — in het oog vatten, als zij tegelijk samen kwamen en stemden; 5. niet oorspronkelijk, maar afgeleid en opgedragen; 6. niet zoozeer krachtens een praerogatief van rechtspraak, als van waardeering en eerbied.

Wat betreft de macht van alle classical of Synodale delegeerende kerken is zij geene andere, dan die van gelijk recht (echter niet van regeermacht, zooals tusschen ouders en kinderen, heeren en slaven, vorsten en onderdanen) tot gemeenschap van wederzijdse hulp, zonder schending van de vrijheid en gelijkheid: zooals het recht is tusschen broeders, vrienden, collega’s, bondgenooten, medeburgers. Daarom kan hier geenerlei ondergeschiktheid, onderwerping, gehoorzaamheid, eigenlijk gezegd imperium tusschen de Kerken in ééne Classis of Synode verbonden, gesteld worden, maar slechts wederzijdsche en gelijke afhankelijkheid, tot het bieden van wederkeerige raad en hulp.

Alle broederlijk bestuur echter door beslissing en rechtspraak, analogisch of kerkelijk zoo genoemd (want in eigenlijken en strengen zin gesproken, volgens het gemeene en rechterlijk gebruik van dat woord in het staatsleven, is er bij de Kerk geen jurisdictie) hetzij door gedelegeerden der Kerken in Synode, hetzij door alle delegeerende Kerken geschied, en wel „per resumtie” — d.i. wanneer de zaak opnieuw behandeld wordt — „of per revisie” — n.l. bij beroep op eene meerdere vergadering — „dat geen Kerk meer of verder verplicht wordt tot het goedkeuren en aannemen der besluiten, dan de beslissingen eener plaatselijke Kerk of van een kerkeraad, buiten alle classicale verbinding gesteld” — of beschouwd - „verplicht(en) elk lid n.l. wanneer, en voorzoover overeenkomt met Gods Woord wat opgelegd wordt om te gelooven, of te belijden, of te doen. Bijaldien het bevonden wordt te strijden met Gods Woord, en de kerk of het kerkelijk verband de goedkeuring en aanneming daarvan aandringt met de tucht, moet men vrijwillig de gemeenschap van die plaatselijke ker, bovendien van het classicaal en synodaal verband, verlaten, of de uitsluiting uit die gemeenschap liever met een kalm gemoed dragen, dan dat wij strijden tegen Gods Woord en onze consciëntie wonden. Want op alle Keren en hare verbanden moet toegepast worden wat de onzen op alle concilies (ook de oecumenische) en kerkelijke uitspraken en excommunicaties toepassen.” — Bedoeld zal zijn Hand. 5: 29 — „…Bij aldien datgene, wat tegen het Woord van God bepaald is, zoodanig is, dat het veeleer te dragen schijnt, indien althans de anders denkenden ons dulden willen, dan dat de plaatselijke gemeenschap of het classicaal verband verlaten, of de uitsluitong gedragen wordt: dan moet in elk geval aan de waarheid en de broederlijke gemeenschap en vrede gegeven worden, wat God wil dan aan beide gegeven wordt.”

***

Hiermede leert Voetius duidelijk, dat door de kerkeraden en de geloovigen er over geoordeeld moet worden, of hetgeen door de meerdere vergaderingen besloten is, overeenkomt met Gods Woord.

Dat, wanneer zij bevinden (deprehendere), dat dit niet zoo is, zij dat beslotene niet behoeven, nog mogen, goedkeuren en opvolgen of uitvoeren.

Dat zij dan een beroep mogen doen op de Kerken, om zoo mogelijk te verkrijgen, dat eene andere Synode samenkome, hetzij van afgevaardigden van alle Kerken, hetzij in elk geval van andere personen dan die de meerdere vergadering samenstelden, die die veroordeelenswaardig geachte besluiten nam, opdat deze nieuwe vergadering over de bezwaren oordeele.

Dat men, wanneer die noodig geachte revisie niet te verkrijgen is, òf vrijwillig kan heengaan, òf zich maar met kalm gemoed moet laten uitbannen, en dat men nimmer zijn consciëntie moet wonden, maar steeds Hand 5: 29 bedenken.

Dat Synoden nu evengoed kunnen dwalen en verworpen moeten worden, als in vroeger en de vroegste eeuwen, zelfs oecumenische concilies.

 

Hieruit volgt, dat de kerkeraden van Kampen en Giessendam-Nederhardinxveld kerkrechtelijk volkomen in hun recht waren, nu zij oordeelden, dat de Generale Synode van 1943 hun oplegde wat tegen Gods Woord streed, daaraan geen gevolg te geven en dit bij de classicale vergaderingen ter sprake te brengen.

En dat Prof. Dr K. Schilder met volkomen recht zich van de bepalingen dezer Generale Synode mocht beroepen op de kerkeraden, om zoo mogelijk aldus tot revisie dier bepalingen te komen.

En dat het volkomen onjuist is, dat dezelfde personen telkens maar weer oordeelen over bezwaren die tegen door hen genomen besluiten zijn in gebracht: Dan moeten andere personen afgevaardigd worden. Natuurlijk moeten dan ook de Professoren, die steeds een vast en groot en invloedrijd deel van elke Generale Synode uitmaken, niet ter nieuwe vergadering komen. Dan moet alle kerken door afgevaardigden samenkomen, of, kan dit niet, in elk geval andere personen afgevaardigd worden ter Classis en Synode.

Dat ligt trouwens ook in den aard der zaak.

Anders wordt het niets dan steeds weer een oordeelen over eigen werk en zaak, hoe men het ook kleure of inkleede.

Daaruit blijkt ook, dat het met de Synode van 1943/44 in dezen veelszins niet juist is. De meesten van hare leden zijn dezelfde personen, als die de Synode van 1939-1942 vormden. En de Professoren zijn veelal de mannen, die de in geschil zijnde zaken, en waartegen bezwaarschriften zijn ingebracht, weer behandelen, en ten aanzien der besluiten handelen en uitvoerders zijn. Men kan dan wel geheele redeneeringen opzetten. Maar de zaak is, dat men in eigen denkbeelden zoo opgesloten zit, dat men er niet van loskomen kan, en de zaak niet onbevangen beoordeelen, en dat men onwillekeurig zijn eigen eer in eens genomen besluiten handhaven wil.

Voetius doet echter betere dingen kennen.

Maar men schijnt Voetius niet te kennen, noch hem te lezen, en hem zelfs niet goed te kunnen lezen, zooals vóór enkele jaren in een proefschrift over Voetius een groote blunder in dezen blijkbaar ook door den Promoter niet was opgemerkt. Het is, of men zich om ons Nederlandsche Gereformeerde kerkrecht en Voetius weinig bekommert, om, naar de gelegenheid, er maar wat op los te improviseeren, ook al raakt dat kant noch wal, zooals het spreken van „groote en kleine restrictie, of tenzij”, en van „ostentatief”, bij art. 31 K.O., en de verklaring van art. 50 K.O., kunnen doen weten. Zoo kwam de Redacteur van De Heraut opnieuw met de bewering, dat toen in den Hervormingstijd hier wel predikanten van plaatsen, waar nog geen kerkeraad gevormd had kunnen worden, ter classisvergadering kwamen, zij dat deden krachtens hun ambt, en niet als vertegenwoordigers van hunne gemeenten; alsof dus een predikant uit een geheel andere streek van het land ook als gewoon en gerechtigd en stemhebbend lid van die classisvergadering had kunnen en mogen optreden, immers krachtens zijn ambt.

Daar is een zeggen: Wie wel onderscheidt, leert wel.

Maar wanneer dat „wel onderscheiden” ook bij leiders blijkt te ontbreken, mag wel gevraagd worden, wat er van ons kerkelijk leven moet terecht komen.

Kampen.

S. GREIJDANUS.