15
nr. 36,20-31 (mei 1992)
01-05-1992

De Vereniging van 1892: kerkrechtelijke aspecten

I.

‛Wij worden zoo dikwijls op dat gereformeerde kerkrecht en de beginselen ervan gewezen, dat het bijna begint te walgen.’
Het is eind 1883. In de Nederlandse Hervormde Kerk is in het begin van dat jaar de nieuwe proponentsformule van kracht geworden. In april is te Amsterdam de conferentie van gecommitteerde kerkeraadsleden gehouden. In het najaar heeft Kuyper zijn Tractaat van de Reformatie der Kerken doen verschijnen. Kerkrechtelijke beschouwingen hebben een grote plaats ingenomen in De Heraut. Wie lucht in de hier geciteerde woorden zijn hart? Een hervormde opponent, ethisch, modern? De openhartige verklaring is afkomstig uit Kampen; van hem die daar zelf het gereformeerde kerkrecht doceert: Helenius de Cock, zoon van de vader van de Afscheiding.1

De afgescheidenen, teruggekeerd tot de gereformeerde belijdenis en kerkorde, zoals die was vastgesteld op de synode van Dordrecht (1618/1619), krijgen van Kuyper kritiek te horen niet alleen op de Acte van Afscheiding of Wederkeering van Ulrum en op de beweging van de Afscheiding, maar ook op het collegialisme bij hen, waardoor ‛sommigen ook onder hen het gescheiden kerkgenootschap zich denken als hoofdidee, en de plaatselijke kerken als van dat genootschap de compartimenten’. ‛Dit is ongereformeerd en zal door de heerschappij van het gereformeerd beginsel ook uit deze kerken allengs worden uitgedreven’, verzekert Kuyper in zijn Tractaat.2

We maken even een sprong; het is eind 1892. Nu, na de Vereniging, heeft De Cock kerkrechtelijk nog iets op z’n hart. Hij heeft er eerder over gezwegen, om het streven naar vereniging niet te bemoeilijken. De uit de Doleantie voortgekomen kerken hebben in totaal vier (‛voorlopige’) synode gehouden. Als praeses van de tweede, de derde en de vierde synode heeft één en dezelfde persoon gefungeerd, dr. A. Kuyper, emeritus-predikant. Kerkrechtelijk was het onjuist dat dezelfde persoon driemaal achtereen de leiding kreeg, bovendien was het onjuist dat bij herhaling een emeritus-predikant naar de synode werd

|20|

afgevaardigd.3 Hierop werd onmiddellijk gereageerd door F.L. Rutgers, het wordt een maandenlange discussie, waarin De Cock volhoudt.4 Dat na 1892 de kerkrechtelijke inzichten in alle opzichten harmonieus waren geworden, zal niemand kunnen volhouden. Maar op grond van de eenheid in belijdenis en kerkorde is die verheugende harmonie tot stand gekomen die de naam Vereniging draagt.

 

II.

De twee belangrijkste obstakels die vóór de vereniging van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitse Gereformeerde Kerken uit de weg moesten worden geruimd, waren van onderscheiden aard, maar hadden beide met het kerkrecht te maken. Bij de christelijke gereformeerden leefde het bezwaar dat de verhouding van de Nederduitse Gereformeerde Kerken tot de Hervormde Kerk niet voldoende helder afgebakend was. Van Nederduitse Gereformeerde zijde werd de eis gesteld dat het Reglement van 1869 zou vervallen. Er waren nog andere belangrijke kwesties, bijv. die van de opleiding, maar de twee juistgenoemde zaken wogen ’t zwaarst.

Het tekort aan duidelijkheid in de positie van de Nederduitse Gereformeerde Kerken ten opzichte van de Hervormde Kerk was een gevolg van het Doleantie-standpunt. De Doleantie wilde geen tweede Afscheiding zijn, maar beoogde kerkherstel door afwerping van het juk der onrechtmatig opgelegde besturen. Het Gereformeerd Kerkelijk Congres dat van 11 tot 14 januari 1887 te Amsterdam werd gehouden, vermeldde als doel: ‛eene algemeene beweging te wekken en te leiden, om al onze Kerken onder het juk der Synodale Hiërarchie uit te brengen, en aan Christus, haren Koning te hergeven’.

Voor de plaatselijke afwerping van dit juk werden twee reeksen gedrukte concept-formulieren verkrijgbaar gesteld. De ene reeks stond ten dienste van kerkeraden die tot afwerping van het juk wilden overgaan. De andere reeks was bestemd voor plaatsen waar een minderheid uit de kerkeraad tot daden zou moeten komen, of waar de reformatie tot stand zou moeten worden gebracht alleen door het ambt der gelovigen.5

|21|

Zoals blijken zou, en ook wel te verwachten was, bestond er meer behoefte aan de tweede reeks dan aan de eerste. Maar langs welke weg de reformatie ook tot stand kwam, principieel ging men ervan uit dat de gemeente na de afwerping van het juk dezelfde was gebleven. Een onwillige kerkeraad werd vervangen, de gemeente bleef gelijk. In eerste instantie werden derhalve zeer hoge ledentallen opgegeven, ook van dolerende kerken waar de gehele kerkeraad de afwerping van het juk geweigerd had en waar de reformatie tot stand was gekomen door een gering aantal leden krachtens het ambt der gelovigen. In sommige gevallen werden dan globale getallen vermeld van hen die gerekend werden tot de gemeente. Zo berichtte de dolerende kerk te ’s-Gravenhage dat haar zielental 62.000 was, en vermeldde de dolerende kerk te Kampen dat zij 12.000 leden telde.6

In de gegeven situatie nam de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk, Leeuwarden 1891, enige belangrijke beslissingen. De kerk- en rechtsbeschouwingen van de Doleantie liet zij voor rekening van de uit de Doleantie voortgekomen kerken. ‛Wat de verhouding tot de Ned. Herv. Kerk betreft’ diende echter wederzijds te worden uitgesproken, ‛dat de verbreking van de Kerkelijke gemeenschap met de besturen van de Ned. Herv. Kerk niet alleen, maar ook met de leden in corporatieven en plaatselijken zin, door Gods Woord en de Geref. Belijdenis geboden en dus noodzakelijk is’. Hierop liet zij nog volgen, dat ‛geen personen als leden der Verenigde Kerken mogen worden erkend, dan die instemming betuigen met de Geref. Belijdenis en Kerkenorde en dienovereenkomstig wenschen te leven’.7

Van nederduitse gereformeerde zijde werd hierop een antwoord ontvangen dat tot de conclusie leidde dat hier geen obstakel meer lag.8 De ledentallen die thans van Nederduitse Gereformeerde Kerken werden vermeld, vormden meer dan eens slechts een fractie van de eerder genoemde getallen. In feite was de positie van deze kerken ten opzichte van de Hervormde Kerk in ons land

|22|

vrijwel gelijk geworden aan die van de Christelijke Gereformeerde Kerk.

Wat de tweede zaak, het Reglement van 1869, betreft, memoreren we dat in dit jaar de vereniging plaats vond van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk met de Gereformeerde Kerk (de ‛kruisgemeenten’), waarbij als gezamenlijke naam werd aangenomen: de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Om te voldoen aan de wet van 10 september 1853 tot regeling van het toezicht op de kerkgenootschappen, werd bij de hoge overheid een ‛Reglement van de Inrichting en het Bestuur der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland’ ingediend, bestaande uit zes artikelen. Hierbij werd teruggegrepen naar een in 1854 ingediend Reglement, dat enigszins gewijzigd werd.9 Reeds vóór de Doleantie was op het Reglement veel kritiek geoefend met name door Kuyper. Op het Gereformeerd Kerkelijk Congres van januari 1887 kwam het weldra ter sprake. Eén van de vragen daar gesteld was: kunnen onze kerken attestaties afgeven aan ‛de Christelijke Gereformeerden’? Het antwoord luidde: ‛Dat kan niet, zoolang zij hun genootschappelijk Statuut van 1869 handhaven’. Ook werd gevraagd: ‛Kunnen onze Kerken met de hunnen ineensmelten?’ Hierop werd geantwoord: ‛Ja, en dit moet zelfs’, maar hier verbond men één bindende voorwaarde aan: eerst moest het ‛Statuut’ van 1869 worden afgeschaft; ‛anders raakt men weer onder een genootschap’.10 Hieraan werd vastgehouden door het Synodaal Convent van 1887 en de daarop volgende voorlopige synoden. Het Reglement moest verdwijnen, ‛nadien de beginselen van dit Reglement in meer dan één opzicht anders zijn dan die van onze Kerkenordening’.11 Als belangrijkste verschilpunten werden genoemd: 1. Volgens het Reglement is de Christelijke Gereformeerde Kerk een landelijk instituut, met gemeenten als onderdelen; de gereformeerde kerkorde spreekt van plaatselijke kerken, die confederatief samenleven. 2. Volgens het Reglement is men lid van het landelijk instituut; de kerkorde kent slechts leden van de plaatselijke kerken. 3. Het Reglement spreekt van besturen, laat het bestuur over een gemeente uitoefenen door een kerkeraad, over een groep van gemeenten door classicale en provinciale vergaderingen, en over heel de kerk door de algemene synode; de kerkorde kent slechts één bestuur, de kerkeraad, en

|23|

voorts meerdere vergaderingen, die wel bindende besluiten kunnen nemen, maar geen besturen zijn. 5. Het Reglement laat de bestuursmacht tenslotte uitlopen in een synodale commissie, bestaande uit drie leden, met bevoegdheden die moeilijk in overeenstemming te brengen zijn met de kerkorde.12 De Christelijke Gereformeerde Kerk heeft dus — naar van Nederduitse Gereformeerde zijde haar werd voorgehouden — behalve de gereformeerde kerkorde van 1618/19 een collegialistisch reglement in de sfeer van de staat, dat daar de betekenis van een statuut heeft. De meeste christelijke gereformeerden wisten zelfs niet van het bestaan van het Reglement, maar de aandacht ervoor werd hoe langer hoe groter, met het geval dat er nu ook bezwaren rezen in de Christelijke Gereformeerde Kerk zelf. Deze uit eigen kring ingebrachte bezwaren vormden het uitgangspunt van het besluit dat door de synode van Leeuwarden 1891 werd genomen ‛ook afgezien van de Vereniging’. De strekking was, dat de Dordtse kerkorde de plaats van het Reglement zou innemen en de dienst ervan vervullen. Een commissie zou ter zake de toestemming der gemeenten moeten verzoeken, en na verkregen instemming de nodige stappen bij de regering moeten ondernemen.13 Nadat alle gemeenten op één na (Waddinxveen) hun goedkeuring hadden te kennen gegeven en de nodige démarches bij de Hoge Overheid waren gedaan, werd op 14 januari 1892 door de minister van justitie bevestigd, dat de regering voortaan ‛alleen met de Dordtse Kerkenordening als de Bepalingen der Christelijke Gereformeerde Kerk rekenen’ zou.14 Het Reglement was vervallen. Aan de enige voorwaarde, die de synode van de Nederduitse Gereformeerde Kerken ’s-Gravenhage 1891 voor de vereniging nog stelde, was voldaan.

 

III.

Betekende het verdwijnen van het Reglement tegelijk het einde van collegialistische opvattingen in de Christelijke Gereformeerde Kerk? In het begin van dit artikel citeerden we Kuyper, die ongereformeerd noemde de bij hen voorkomende

|24|

zienswijze dat de Kerk een landelijk instituut was, waarvan de plaatselijke kerken compartimenten waren. Maar deze opvatting deed zich reeds in 1834 voor. ‛Van den beginne af,’ zo bracht Helenius de Cock in 1887 in herinnering, ‛sprak men van de kerk als het geheel van de gemeenten’.15 Daar waren geen kerkrechtelijke studies aan voorafgegaan, men volgde eenvoudig de ziens- en spreekwijze waaraan men gewoon was geraakt in de Hervormde Kerk. Hieraan was verbonden dat een lid van een gemeente lid was van de kerk — ook dat was gewoon. (Helenius de Cock merkte aan het adres van J.J.A. Ploos van Amstel op, dat een lid van de gemeente te Reitsum óók lid was van die te Amsterdam.)16 De gemeente wordt bestuurd door de kerkeraad, de kerk wordt bestuurd door de algemene synode — ook die voorstelling leefde voort. Van de Hervormde Kerk werd ook overgenomen de figuur van de synodale commissie. De inhoud van de Reglementen van 1854 en 1869 was niet in tegenspraak met de in christelijke gereformeerde kring levende opvattingen, maar vormde er een weerspiegeling van. Er was hier een gedachtengoed waarin elementen van de bestaande structuur van de Hervormde Kerk voortleefden, maar na 1834 werden verbonden met de Dordtse Kerkorde, voorzover haar bepalingen na ruim twee eeuwen van toepassing waren.

Tussen de Afscheiding en de Doleantie in, deed zich een belangrijke ontwikkeling voor. Had C. Hooijer zich reeds verdienstelijk gemaakt door zijn werk over de oude kerkordeningen,17 en was vervolgens o.m. een begin gemaakt met de uitgave van de werken der Marnix-vereniging,18 tot grondige bestudering van het klassiek-gereformeerde kerkrecht zette zich aan de Vrije Universiteit F.L. Rutgers, die veel aandacht besteedde aan de vraag, hoe het verband tussen de Nederlandse gereformeerde kerken ontstond en voortbestond in de zestiende

|25|

eeuw en werkd gehandhaafd in de moeilijkheden van het begin der zeventiende eeuw. Al in 1882, dus vóór de verschijning van Kuypers Tractaat wijdde Rutgers tweemaal een rede aan de aard van het kerkverband van destijds.19 Hij wees er o.m. op, dat voor het kerkverband dat in de zestiende eeuw tot stand kwam en vervolgens bevestigd werd, van allesbeheersende betekenis was de kwestie van de grondslag. Deze grondslag was ‛in volstrekten zin, de gemeenschappelijke erkenning van het onvoorwaardelijk gezag van Gods Woord, d.i. van de Heilige Schrift, en de gemeenschappelijke belijdenis van de daarop gegronde artikelen en stukken der leer’. Tussen de kerken die plaatselijk gevormd werden, zowel onder het kruis als in de verstrooiing, was er de band van het geloof, zelfs nog vóór de vereniging in een kerkverband kon plaatsvinden. Zodra de weg daartoe geopen was, kwam dat verband er bijna vanzelf, verenigd als men was in Christus, in éénzelfde Geest, door de kracht van het geloof. Het toetreden tot dit verband was eis van Gods Woord: geen kerk mag op zichzelf blijven staan. Kerkrechtelijk kon de toetreding echter niet afgedwongen worden, zoals ook niemand gedwongen kan worden zich te voegen bij de kerk. Het verband was confederatief, de kerken — men bleef in het meervoud spreken — vormden samen een kerkenbond. Iedere kerk bleef ecclesia completa, en werd geen pars ecclesiae. Zij had geen macht boven zich dan die van Christus alleen. Met deze uitgangspunten kwam ook de gereformeerde kerkorde tot stand, die slechts één kerkelijke bestuursinstantie kent: de kerkeraad.

Wat nu opvalt in de periode 1882-1892 is de toenadering in Christelijke Gereformeerde kring van hetgeen door Rutgers naar voren werd gebracht. Eveneens in 1882 kwam van de jonge H. Bavinck de opwekking: ‛Wij zijn een bond van vrije gereformeerde kerken — dat vergete men nooit!’20 Zelfs Helenius de Cock, de verdediger bij uitstek van de Afscheiding, haar beginselen en kerkrechtelijke gedachten, vertoont toenadering.21 En wanneer in 1891 de deputaten van de nederduitse gereformeerde synode

|26|

aan de commissie van de Christelijke Gereformeerde Kerk schrijven, dat zij met vreugde ontwaren ‛dat het wel wezenlijk Uw toeleg is, tot niets anders te komen dan tot een Bond van Gereformeerde Kerken, Classikaal en Synodaal in één kerkverband levende, en als zoodanig eene eenheid vormende, die noch genootschap noch landsinstituut wil zijn’,22 is het antwoord van christelijke gereformeerde zijde bevestigend. ‛Onze kerken behooren in de sfeer van den Staat te wezen, wat ze waarlijk zijn, nl. een bond van geref. Kerken naar de Kerkenorde van Dordrecht’.23 De plaatselijke kerken samen: een bond. Ook naar christelijke gereformeerde opvatting.

Op 15 juni 1892 valt de definitieve beslissing over de naam van de kerken. De Gereformeerde Kerken in Nederland zou de naam van de gezamenlijke kerken zijn. En iedere plaatselijke kerk zou de naam dragen: De Gereformeerde Kerk te ... Het besluit inzake het gebruik van het meervoud in de naam van de gezamenlijke kerken kostte de Christelijke Gereformeerde broeders aanzienlijk minder moeite dan het verdwijnen van het woord ‛Christelijke’ in de naam. Hun voorstel om na de vereniging samen de naam te voeren: De Christelijke Gereformeerde Kerken werd echter door de synode van de Nederduitse Gereformeerde Kerken afgewezne als ‛voor geen inwilliging vatbare voorslag’.24 Aanvaard werd wederzijds nog een nadere bepaling inzake de naam. Zij luidt: ‛Evenals dit altijd geschied is, kan ook voortaan, in allerlei anderen, mits niet in institutairen zin (noch in eigen boezem, noch daarbuiten), gesproken worden van de Nederlandsche kerk, de Gereformeerde Kerk in Nederland, enz.’.25 De ruimte voor dit gebruik van het enkelvoud werd dus scherp begrensd. De Gereformeerde Kerken in Nederland zijn samen geen kerk in institutaire zin. In die zin zal men voor het geheel van de samenlevende kerken nooit het woord ‛kerk’ in het enkelvoud mogen gebruiken. Noch intern, noch extern mag dat gebeuren. ‛Noch in eigen boezem, noch daarbuiten.’ Het betreft hier — zo verklaart een toelichting vooraf — een gereformeerd kerkrechtelijk grondbeginsel. Iedere plaatselijke kerk is een ecclesia completa, een volledige kerk. Zij is geen pars ecclesiae, geen deel van een groter institutair geheel. Wanneer — zo wordt verklaard — ‛onze vaderen’ uitdrukkingen gebruikten als ‛de kerk van Nederland’,

|27|

of ‛de Gereformeerde kerk’ in het enkelvoud, deden zij dit uitsluitend in dogmatische, oratorische of geografische zin. ‛Nooit kerkrechtelijk, d.w.z. nimmer als het er op aan kwam, om de eenheid van de ecclesiae formatae als zoodanig uit te drukken.’26

De Gereformeerde Kerken in Nederland: geen kerk in institutaire zin, maar een bond van plaatselijke kerken. Een zienswijze die van meetaf aan van kracht was geweest in de Nederduitse Gereformeerde Kerk, en die veld had gewonnen in de Christelijke Gereformeerde Kerk.

 

IV.

Met de juistgenoemde beslissing inzake de naam van de kerken is het terrein betreden van de vele regelingen die voor het goede verloop van de vereniging en de organisatie van de toekomstige kerkelijke samenleving getroffen moesten worden. Wat op dit gebied in een paar maanden tijd tot stand werd gebracht kan verbazingwekkend worden genoemd. Van grote betekenis was de intensieve en zorgvuldige arbeid van de tien deputaten (vijf van elk van de beide synoden). Als resultaat van hun besprekingen stelden zij op 4 maart 1892 een Memorie vast die werd toegezonden aan de kerken, opdat zij zich zouden kunnen beraden en uitspreken over de onderwerpen in deze missive genoemd. Zij betroffen: 1. De grensregeling der plaatselijke kerken; 2. Roeping onzer kerken tegenover de gereformeerden die nog niet met ons verenigd zijn; 3. Ineensmelting der plaatselijke kerken; 4. Samenvoeging der kerken in classen en provinciën; 5. Huishoudelijke bepalingen; 6. Naam der verenigde kerken; 7. Officieel orgaan; 8. Opleiding van predikanten; 9. Zending; 10. Algemene bezittingen; 11. Mandaat der afgevaardigden ter synode. De deputaten onthielden zich hierbij van enige oordeel of advies, maar voorzagen ieder punt van een korte toelichting. Op korte termijn werd op deze Memorie gereageerd, waarna de deputaten met betrekking tot de genoemde onderwerpen adviezen en voorstellen formuleerden. Deze werden door beide synoden in de maand juni besproken, waarop vervolgens door de beide voorzitters een geunificeerde redactie werd opgesteld die door de twee synoden aanvaard en vastgesteld werd.27

We kunnen van deze bepalingne slechts enkele zaken hier aanstippen. Inzake de grenzen van de plaatselijke kerken werd de regeling, voor zover dit nodig

|28|

zou blijken, overgelaten aan de classes. Uitgangspunt zou moeten zijn de burgerlijke grensindeling, en waar deze moeilijkheden zou opleveren zou moeten worden teruggegaan op de historisch-kerkelijke indeling, zo echter dat rekening werd gehouden met de velerlei eisen van het praktische leven. Aangaande de roeping tegenover achtergeblevenen werd onder meer vastgelegd dat niemand als lid erkend zou worden, dan nadat 1. de kerkeraad zich verzekerd had van zijn instemming met de gereformeerde belijdenis en van zijn christelijke levenswandel, en 2. door de betrokkene verklaard werd, dat hij 'onze ambten en diensten erkent, en zich met ons schaart onder de Dordsche Kerkenordening'.

Van de belangrijke bepalingen betreffende de ineensmelting der plaatselijke kerken citeren we het eerste artikel: ‛Eerst dan zal de vereeniging ten volle beslag hebben erlangd, zoo ook de ineensmelting der plaatselijke Kerken tot stand is gekomen. Hierbij echter dient groote omzichtigheid gebezigd, om geen onoverkomelijke moeilijkheden voor de toekomst te scheppen, en blijft alle dwang van zelf uitgesloten. Latere indeeling van grootere Kerken in parochiën wordt door de ineensmelting niet uitgesloten’. Ook wordt o.m. uitgesproken, dat waar de ineensmelting nog niet aanstonds tot stand kan komen, de zusterkerken in eenzelfde plaats van meetaf goede correspondentie met elkaar dienen te houden, en als dat raadzaam blijkt, tot combinatie dienen over te gaan. Naar uit de definitieve opgaven zou blijken, bestonden er bij de Vereniging in toaal 700 kerken. In 472 plaatsen was er één kerk. In 112 gevallen bestond ter plaatse meer dan één kerk (in vier plaatsen bestonden er drie kerken, ingevolge ontwikkelingen in de kerken van de Afscheiding). Voor de aanduiding van de twee (of drie) kerken in dezelfde plaats werd bij de naam de toevoeging A resp. B (eventueel C) gebruikt, waarbij A gold voor de langst bestaande kerk. De regel dat deze toevoeging een kerk uit de Afscheiding betrof had twee uitzonderingen (Dieren en Grijpskerke).28

Veel werk bezorgde de indeling avn de kerken in classes; er werd een regeling getroffen die met oude indelingen rekening hield, en waarbij ook de als kerkdorpen vermelde plaatsen vermeld werden.

Wat de zgn. huishoudelijke bepalingen betreft: alle bepalingen die in elk der beide kerkengroepen tot dusver werden genomen tot uitvoering van de Dordtse kerkorde, kwamen te vervallen, voorzover zij niet eensluidend waren. Daarnaast werden voorshands nog enige andere bepalingen van kracht verklaard. De te

|29|

houden generale synode zou drie deputaten benoemen tot het verzamelen en ordenen van de gelijkluidende bepalingen, en tot gelijkmaking van de beiderzijds uiteenlopende bepalingen, voorzover spoedige regeling daarvan nodig zou zijn. We tekenen hierbij aan, dat het rapport van het bedoelde deputaatschap behandeld werd door de synode van Dordrecht 1893, die diverse bepalingen vaststelde.

Met betrekking tot de opleiding van dienaren des Woords was men reeds tot overeenstemming gekomen zowel wat de eigen inrichting aanging (Kampen) als wat de ‛vrije studie’ betrof; voorshands zouden alle regelingen voor de Theologische School te Kampen én inzake het kerkelijk verband van de Theologische faculteit van de Vrije Universiteit van kracht blijven. Na de aanvaarding van alle bepalingen door beide synoden stond niets meer het bijeenkomen in verenigde zitting in de weg. In de eerste, eendaagse generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 17 juni 1892 gehouden te Amsterdam, gaf Rutgers o.m. nog aan wat de classes van juli en de provinciale synoden van augustus 1892 in ieder geval hadden te doen (resp. 18 en 11 punten). De synode stelde verscheidene deputaatschappen in. Over de figuur van kerkelijke deputaten bleken in de kerken enige vragen te rijzen. Rutgers liet er zijn licht over schijnen in een uitvoerige reeks artikelen in De Heraut.29 Aan de hoge overheid werd van de Vereniging kennis gegeven in een schrijven dat ook de volgende passage bevatte: ‛dat, wat aangaat de regelen voor inrichting en bestuur, deze Kerken thans alle samenleven onder de vigeur van de Gereformeerde Kerkenordening, gelijk die laatstelijk op de Synode te Dordrecht in 1619 bevestigd is; altoos met die noodzakelijke exceptiën, waarvan de Regeering te zijner tijd door onderscheidene Kerken, en met name door de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk, bij missive van 15 december 1891, mededeeling is gedaan’.30

De bedoelde uitzonderingen werden in het contact met de regering aangegeven door het aanbrengen van haakjes in de tekst van de kerkorde. De synode van Dordrecht 1893 verklaarde hetgeen tussen haakjes was gezet voor definitief vervallen.31

Eén en andermaal hebben we de hoogleraar dr. F.L. Rutgers genoemd. We sluiten ons gaarne aan bj de woorden die dr. D. Nauta over hem schreef: ‛De

|30|

totstandkoming van de Doleantie is mede onder zijn leiding geschied en de organisatie van de daaruit voortgekomen Nederd. Ger. Kerken (dolerende) is vooral aan hem te danken, gelijk hij ook daarna zijn stempel heeft gezet op de inrichting van de Ger. Kerken en haar kerkrechtelijke praktijk’.32 Laten wij eindigen met een woord van Rutgers zelf, met volledige instemming overgenomen door zijn Kamper collega D.K. Wielenga, docent in het kerkrecht,33 en door P. Biesterveld en H.H. Kuyper in het opnieuw uitgegeven Kerkelijk Handboekje.34

Een woord over de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw: ‛Toezicht was er, zeer stipt en zeer streng, dat de grondslag van het kerkelijk samenleven, d.i. de belijdenis, werd gehandhaafd.’ Ten aanzien van de kerkorde werd een kleine afwijkign daarvan wel gedoogd, vooral vanwege de omstandigheden in de verschillende provincies, ‛telkens wanneer één van tweeën onvermijdelijk was: óf aan de Overheid iets toegeven, óf alles in de waagschaal stellen’. ‛Altijd echter onder ééne voorwaarde, nl. dat de Kerken één bleven in belijdenis en tezamen onderworpen aan Gods Woord. Dat wordt altijd ondersteld; daarop rust de bruikbaarheid van de gansche ordening; en zóór geheel is zij daarop ingericht, dat zij bij een anderen toestand wel niets anders dan ontbindend kan werken. Maar wel verre van een bezwaar te zijn, is dit juist haar voordeel. Zij bevordert die eenigheid, juist doordat zij haar onderstelt en vereischt’.35 Een woord van blijvende betekenis en waarde.


1. De Bazuin, 31 no. 51 (21 dec. 1883).
2. Tractaat van de Reformatie der Kerken, Amsterdam 1883, 199v.
3. De Bazuin, 40, no. 50 (2 dec. 1892).
4. Het laatste antwoord van De Cock aan Rutgers in: De Bazuin, 41, no. 14 (17 apr. 1893). Het eerste antwoord van Rutgers, gepubliceerd in: De Bazuin, 40, no. 51 (9 dec. 1892), is opgenomen in: F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen, I, Kampen 1921, 291-296.
5. Voor bijzonderheden betreffende deze reeksen, alsmede met betrekking tot andere zaken die in dit korte artikel slechts kunnen worden aangestipt, moge ik verwijzen naar mijn bijdrage ‛Het Doleantiekerkrecht en de Afgescheidenen’, in: D. Deddens en J. Kamphuis (red.), Doleantie — Wederkeer. Opstellen over de Doleantie van 1886, Haarlem 1986, 57-150.
6. Gegevens over de Ned. Geref. Kerken vindt men in het Handboekje ten dienste der Ned. Geref. Kerken, waarvan de eerste jaargang, voor het jaar 1889, verscheen te Middelburg z.j. (1888). Daarin ook opgave op welke wijze de reformatie in iedere plaats tot stand kwam: ‛door den kerkeraad’, of ‛krachtens het ambt der geloovigen’, of bijv. ‛krachtens het ambt der geloovigen met medewerking van drie kerkeraadsleden’.
7. Handelingen van de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, Leeuwarden 18-29 Aug. 1891, 87-93.
8. De tekst van het antwoord in: Handelingen van de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, Amsterdam 7-17 juni 1892, Bijlagen, 10v. De conclusie van deze synode in deze Handelingen, 9v.
9. Zie het in nt. 5 genoemde art., Doleantie — Wederkeer, 99-115; J. van Gelderen, ‛‛Scheuring’ en Vereniging — 1837-1869’, in: W. Bakker e.a. (red.), De Afscheiding van 1834 en haar geschiedenis, Kampen 1984, 113-115; H. Bouma, ‛Het Reglement van 1869’, in: Handelingen van de Synoden der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nderland 1872-1892, II, Kampen 1988, bijlage C.
10. Gereformeerd Kerkelijk Congres. Adviezen der zakelijke sectiën, Amsterdam 1887, 28v.
11. Acta van het Synodaal Convent van Nederduitsche Gereformeerde Kerken (Doleerende) in Nederland, Rotterdam 28, 29, 30 juni en 1 juli 1887, 31.
12. De bezwaren werden nog eens opgesomd en toegelicht door A. Kuyper in zijn artikelen ‛Het Statuut van 1869’, in: De Heraut, nos. 546-548 (10, 17 en 24 juni 1888). Een opsomming eveneens in: Memorie van toelichting bij de Concept-acte van ineensmelting van de Christ. Geref. Kerk en de Ned. Geref. Kerken, Leiden 1889, 43-45.
13. Handelingen Synode Leeuwarden 1891, 93v.
14. Na brief van minister van justitie dd. 7 jan. 1892. Het rapport van de commissie in: Handelingen Synode Amsterdam 1892, Bijlagen, 28-31. Bijzonderheden over het werk achter de schermen in: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen 1966, 70-74. Briefwisseling na het resultaat met deputaten Synode Nederd. Geref. Kerken in: Acta der Vierde Voorloopige Synode van Nederduitsche Gereformeerde Kerken, Amsterdam 1892, 98-101.
15. De Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerenden) in hunne overeenstemming en in hun verschil, Groningen 1887, 24. Hel. de Cock over de tijd tussen de Afscheiding te Ulrum en de synode te Amsterdam 1836: ‛Van afgescheidene gemeenten kon er toen sprake zijn, doch van eene afgescheidene Kerk eerst in 1836’, Kort overzicht van de geschiedenis der Chr. Afg. Geref. Kerk tot op den tegenwoordigen tijd, Kampen 1866, 13.
16. Open brief aan den Weleerw. Zeergel. Heer J.J.A. Ploos van Amstel, Groningen 1887, 10-14.
17. Oude Kerkordeningen der Nederlandsche Hervormde Gemeenten (1563-1638) (—) verzameld en van inleidingen voorzien, Zaltbommel 1865.
18. Hierover J.C. Rullmann, ‛De Marnix-Vereeniging en haar werken’, in: A.R. Staatkunde. Driemaand. orgaan, 6 (1932), 73-110. De eerste serie begon met A. Kuyper, Kerkeraadsprotocollen der Hollandsche Gemeente te Londen 1569-1571, Utrecht 1870. Van de oude kerkorden werd een betere bewerking dan die van Hooijer nodig geoordeeld. J.J. van Oosterzee die deze had willen leveren stond zijn plaats af aan Rutgers, omdat hij de taak ‛niet zoo goed als dr. Rutgers dit vermocht’ zou hebben vervuld, F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, Utrecht 1889, Voorbericht.
19. ‛Hoedanig was het kerkverband van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken, toen de organisatie van 1816 haar werd opgelegd?’, in: F.L. Rutgers en A.F. de Savornin Lohman, In hoeverre heeft de genootschappelijke band, die sedert 1816 aan de Nederl. Gereformeerde Kerken is opgelegd, voor de bijzondere kerken die daarin geplaatst zijn, eene bindende kracht?, Amsterdam 1882; Het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen kerkeraad in den aanvang der 17e eeuw (rectorale rede), Amsterdam 1882.
20. ‛Synodale Kerkinrichting’, in: De Vrije Kerk, 8 (1882), 321-338; opgenomen in: H. Bavinck, Kennis en leven, Kampen z.j., 68-77 (het citaat op p. 77).
21. Zie het in nt. 5 genoemde art., Doleantie — Wederkeer, 108v.
22. Acta der Derde Voorloopige Synode van Nederduitsche Gereformeerde Kerken, ’s-Gravenhage 1891, 89v.
23. Ibid., 91.
24. Acta Synode Amsterdam 1892, 160.
25. Handelingen Synode Amsterdam 1892, 102v.; Acta Synode Amsterdam 1892, 173v.
26. Acta Synode Amsterdam 1892, 134.
27. Alle teksten in: Handelingen Synode Amsterdam 1892 en Acta Synode Amsterdam 1892, met weergave van besprekingen in beide synoden.
28. Opgave met verbeteringen door F.L. Rutgers, De Heraut, no. 759 (10 juli 1892).
29. Opgenomen in Rutgers, Kerkelijke Adviezen, I, 310-370.
30. Acta Generale Syode der Gereformeerde Kerken in Nederland, Amsterdam 17 juni 1892, art. 12.
31. Acta Generale Synode Dordrecht 1893, 181, 231-243.
32. Christelijke Encyclopedie2, 5, 697.
33. ‛Het gezag der Dordtsche Kerkenorde’, in: Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie, 8 (1901), 134.
34. Utrecht 1905. XXVII, XXIX.
35. De Geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, Amsterdam 1890, 41-44. Opnieuw uitgegeven met inleiding van J. Kamphuis, Amsterdam 1871.