66
nr. 38,796-799
22-06-1991

|796|

Christenen en rechtspraak (II)

Enkele opmerkingen naar aanleiding van 1 Korinthe 6: 1-11

In het vorige artikel werd de vraag opgeworpen of wij als christenen naar de rechter mogen stappen met onze meningsverschillen. Op grond van de gevonden gegevens over ‘Romeinen en rechtspraak’ kon toen geconstateerd worden dat ook als gemeenteleden in Korinthe een conflict aan een rechter wilden voorleggen, waarschijnlijk in verreweg de meeste gevallen het Romeinse recht van toepassing was.

6. Procesrecht

Als twee Romeinen een conflict wilden laten beslissen door een rechter, op welke manier ging dat dan? Het gedeelte van het recht dat dit regelt heet het procesrecht. Wat was dat Romeinse procesrecht in Korinthe in de tijd van Paulus nu precies?
- In het oude Rome kende men van ouds de legis actioprocedure. Dit hield in dat je niet zomaar kon procederen als je vond datje onrecht was aangedaan, zoals wij dat tegenwoordig gewend zijn, maar je mocht en kon in principe alleen procederen als je een actio, een recht tot procederen, had. Dat waren bepaalde gevallen waarvoor de praetor, een hoge ambtenaar, het procederen toestond. Voor al die wettelijke akties (legis actiones) gold, dat ze tot stand kwamen door een reeks formele handelingen. Beide partijen moeten hun stellingen mondeling en heel precies in nauwkeurig vastgelegde rituele bewoordingen formuleren.16 Door het uitspreken van een verkeerd woord kon je het recht om een procedure te voeren al verliezen. Alleen Romeinse burgers konden procespartij zijn. Na deze eerste fase kwam de tweede fase voor een door de preator aangewezen iudex privatus, een gewone Romeinse burger, die dan moest beoordelen of de partijen hun stellingen waar konden maken.17
- Vermoedelijk al vanaf het begin van de Romeinse republiek komt er naast deze toch wel lastige procedure een nieuwe procesvorm op gang: de procedure per formulier (het formula-proces). Het bijzondere aan deze procedure is naast de vereenvoudiging, dat ook niet-burgers aan dit proces deel konden nemen. Voor deze processen met niet-burgers werd in 242 voor Christus een speciale functie in het leven geroepen: de praetor peregrinus.18 Deze procedure wordt tussen 140 en 120 voor Christus wettelijk erkend als procedure die ook tussen burgers onderling gebruikt kon worden.19 De formula-procedure verdringt de oude legis-actio procedure op den duur volledig. In het jaar 17 voor Christus wordt deze dan ook door keizer Augustus afgeschaft. De procesvorm per formula wordt nu officieel voor geschillen van iedere aard toegelaten.20 In de eerste eeuwen van onze jaartelling blijft dit het normale proces. Nog in de tijd van de bekende Romeinse juristen Papinianus en Ulpianus (ca. 200 na Christus) wordt het als de normale rechtsgang beschouwd.21 Ook Gaius, die in het jaar 161 een leerboek over het Romeinse burgerlijk recht schrijft, beschouwt het als de normale pro­cesgang.22 Naast de normale rechtsgang was het ook nog mogelijk de beslissing van een bestaand geschil over te laten aan één of meer scheidsrechters. Dat moest dan wel apart overeengekomen worden. Er moest een arbitrage­overeenkomst of compromis gesloten worden. De uitspraak van deze scheidsrechter(s) was wel wat anders dan een vonnis van een rechter. Men kwam dus samen overeen een eventueel conflict aan een scheidsrechter voor te leggen. Deze overeenkomst hield onder andere in, dat partijen over en weer beloofden een boete aan elkaar te zullen betalen voor het geval zij niet aan de uitspraak van de scheidsrechter zouden voldoen. De uitspraak van een scheidsrechter kon dus niet afgedwongen worden, maar in plaats daarvan was het voor de in het gelijk gestelde partij mogelijk om via een gewone formula-procedure een boete af te dwingen. De gewone rechtsgang moest dan dus nog een keer worden doorlopen.23

7. Het formula-proces ook in Korinthe?

Hoewel het gebruik van het formula-proces in Rome dus vaststaat, wil dat nog niet zeggen dat het in alle provincies gegolden heeft. Want sinds Augustus komt in sommige provincies nog een andere procesvorm op gang. Het cognitie-proces. Hier doet de rechter-ambtenaar zijn intrede. Zowel het onderzoek als de beslissing zijn in een hand. Uit de litteratuur komt het volgende beeld naar voren:
In Rome en Italië was het formula-proces normaal, net als in de senaatsprovincies. Het formula-proces werd buiten Rome met de rechtsgang in Rome als voorbeeld gevolgd. Wat de keizerlijke provincies betreft is het beeld minder duidelijk. In enkele ervan zal het formula-proces wel gebruikt zijn, in andere heeft het waarschijnlijk nooit gefunctioneerd. Het is met name in deze provincies waar dat cognitie-proces opkwam.24 Nu was de provincie Achaia, waar Korinthe de hoofdstad van was, ten tijde van Paulus een senaatsprovincie (sinds het bewind van Augustus). Daarbij moet wel bedacht worden dat deze procesvorm naar het voorbeeld van die in Rome werd gehanteerd en dat er in een groot wereldrijk als het Romeinse rijk wel eens verschillen in de uitvoering en andere details konden optreden.Op grond van het voorgaande valt te concluderen dat het normale proces dat in Korinthe gevoerd werd in de tijd dat Paulus zijn brief aan de gemeente daar schreef, het formula-proces is geweest. Dit is aannemelijk vanwege het grote aantal Romeinen (Romeinse staatsburgers)25 in de stad, de wijze waarop hun recht werd toegepast tegenover niet-burgers en het openstaan van deze procesvorm voor niet-burgers onderling.

8. Gang van zaken tijdens het formula-proces

Nu we kunnen stellen dat het forrnula-proces het gangbare proces in Korinthe moet zijn geweest, zal ik proberen een korte schets te geven van de normale gang van zaken tijdens die procedure. Als er ergens een meningsverschil over rees, dan riep de partij die het rechtsgeding wilde beginnen de andere op om het rechtsgeding te komen voeren. Beide partijen (de ander werkte wel mee, want de straffen op het niet meewerken waren zwaar) gingen vervolgens naar een bevoegde ambtenaar om hun geschil in een formulier vast te leggen en een rechter uit te kiezen. In het oude Rome kon dit in het begin alleen de praetor zijn, maar later werd deze bevoegdheid om praktische re­denen steeds meer gedelegeerd aan lagere ambtenaren. Zo waren er de aediles curules, die op de markt rondliepen en dan in de meeste gevallen een rechtszaak al dan niet toe konden staan.26
Voor de senaatsprovincies (en dus ook voor Korinthe) geldt dat de rol van de praetor was overgenomen door de proconsul, die deze rol dan ook weer voor een deel delegeerde.27 In hoeverre dit het geval was, zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met de persoon van de proconsul. Vermoedelijk bestonden er in de provincie naast de in Rome gebruikelijke organen ook andere op dit punt.28 De gang naar de ambtenaar hoefde dan ook in de meeste gevallen geen problemen op te leveren. Het kon in de letterlijke betekenis van het woord een formaliteit zijn. Toch was het wel van belang, wilde de overheid haar medewerking verlenen aan de ten uitvoerlegging van een vonnis. Als op deze manier het meningsverschil met goedkeuring was vastgelegd in een formulier, ging men naar de rechter die was uitgekozen of bij een blijvend meningsverschil door het lot was aangewezen.29 In het normale geval was dit een particulier, in een enkel bijzonder geval een college van particulieren.30 De vrijheid van de rechter was voor een groot deel bepaald door de inhoud van het formulier.31 Het rechterschap was een publieke plicht, die vervuld kon worden door iedere vrije volwassen man, die geen bepaalde geestelijke of lichamelijke gebreken had.
Men kon zich slechts met moeite aan het rechterschap onttrekken.32 Het vonnis dat de rechter uitsprak was vormloos, wat wil zeggen dat er geen speciale formele eisen werden gesteld aan de manier waarop uitspraak werd gedaan en de vorm waarin dat gebeurde. Er werd veroordeeld tot betaling van een som geld of er werd vrijgesproken.33

9. Terug naar 1 Korinthe 6: 1-11

Tegen de achtergrond van wat hiervoor is gevonden, is het zinvol om de woorden die Paulus schrijft eens nader onder de loep te nemen. Omdat ik weet dat ik mij als niet-theoloog op glad ijs begeef bij het doen van uitspraken over de tekst, wil ik me voor verreweg het grootste deel houden aan twee commentaren, namelijk de Engelstalige ICC, waarvan het commentaar op 1 Korinthe is geschreven door Robertson en Plummer, en het bekende Bottenburg-commentaar, in dit geval geschreven door dr. F.W. Grosheide.34 Uit de beide commentaren komt het volgende beeld naar voren:
De apostel Paulus spreekt de gemeente aan over de misstand, dat als het ene gemeentelid iets met de ander heeft, men heel gemakkelijk recht zoekt bij ongelovigen. Dat is de zaak die centraal staat (vs. 1). Uit de manier waarop Paulus de zaak aanpakt, blijkt dat hij de gemeente in Korinthe eerst wilde laten zien waarom het zondig is wat ze doen, en hoe ongepast dat wel niet is vergeleken met de hoge plaats die zij als gemeente van Christus mag ontvangen. Met name de verzen 2, 3 en 4 moeten de gemeente hiervan overtuigen en hen de ongerijmdheid ervan doen inzien. De gemeente moet zich leren schamen voor iets dat eerder in hun ogen blijkbaar heel normaal was; met kleine conflicten die in het dagelijks leven naar voren kwamen liep men heel makkelijk naar ongelovige rechters, die dan maar over de zaak moesten oordelen (vers 4 en 5a).
Als het hier door Paulus geschetste beeld gelegd wordt naast de hiervoor getrokken conclusie dat het Romeinse formula-proces het normale proces in Korinthe moet zijn geweest, dan blijkt dat deze beide gegevens elkaar niet uitsluiten, maar elkaar eerder bevestigen:
- uit het hiervoor geschetste beeld van het formula-proces volgt immers dat het uitermate geschikt was om efficiënt een grote hoeveelheid zaken snel aan een rechtsgang te onderwerpen. Dat dit ook inderdaad veelvuldig voorkwam, blijkt mijns inziens ook uit de instelling van de hiervoor besproken aediles curules, die juist bevoegd waren rechtszaken al dan niet toe te staan met betrekking tot de alledaagse zaken, en zo een snelle loop van het recht (bijvoorbeeld op de markt) mogelijk maakten.
Naast het feit dat Paulus de gemeente in Korinthe duidelijk maakte hoe het met betrekking tot de rechtspraak niet moet en waarom dat zo is, geeft hij vanuit de positie die de gemeente van Christus ten opzichte van de wereld ook aan hoe men wél met elkaar om dient te gaan:
Omdat de gemeenteleden in Korinthe in de naam van Christus onschuldig verklaard zijn tegenover God, is het

|798|

des te erger dat sommige van hen hun eigen broeders onrecht aan doen. Zij moeten echter goed weten dat onrechtvaardigen (het woord spreekt hier boekdelen) geen deel zullen hebben aan het koninkrijk van God (vers 8 en 9). Dit is de ene kant. De gemeente wordt op deze manier vermaand elkaar rechtvaardig te behandelen. Paulus pakt het kwaad echter ook nog van de andere kant aan: ook zij die onrechtvaardig behandeld worden moeten leren dat zij niet voor alles voor hun eigen rechten op moeten komen. Het is immers onwaardig voor de gemeente van Christus om rechtsgedingen met elkaar te voeren! Het is beter om onrecht te verdragen en zich te laten benadelen, dan dat men tot schade van de gemeente rechtsgedingen met elkaar voert (vers 7). Op deze manier pakt Paulus de oorzaken van de misstand van twee kanten aan.
Helaas is het in de praktijk niet altijd mogelijk om eventuele conflicten binnen de bovengenoemde perken te houden. Ook hier houdt Paulus rekening mee, hoewel hij duidelijk aangeeft dat het elkaar rechtvaardig behandelen en terwille van de gemeente onrecht lijden de voorkeur verdient. Verder heeft hij met het voorgaande niet willen zeggen dat de gemeente grof onrecht dan maar moet laten bestaan. Ook dat kan de naam van de gemeente immers aantasten:
In deze gevallen moet men een wijs man uit de gemeente aanwijzen, die over de zaak moet oordelen en een vonnis kan vellen (vers 5).35 Door op deze manier met een kwestie om te gaan wordt de naam van de gemeente van Christus immers het meest gespaard.
Ook deze aanwijzing van Paulus sluit het van toepassing zijn van het formula-proces zeker niet uit. Het aanstellen van de eigen rechter door de partijen is immers juist één van de kenmerken van deze procesvorm. Dit heeft het bijkomende voordeel dat er na zo’n uitspraak van het aangewezen gemeentelid niet weer een zelfde procedure voor het zelfde geval gevoerd zal kunnen worden. Dit zal dan immers geweigerd worden door degene die daarover zal moeten beslissen. Ook is het mogelijk dat er op deze manier een scheidsrechter binnen de gemeente wordt aange­wezen. Of Paulus er ook moeite mee heeft dat er nog een overheidspersoon moet toestemmen in het voeren van het rechtsgeding is niet direkt uit de tekst op te maken. Wel kan vanuit de beginselen die hij aanreikt een antwoord op die vraag worden gegeven. Het feit dat er een uitspraak moet komen in een bepaald geval is immers al beschamend voor de gemeente.36 Voorkomen is dan ook beter. Maar moet er een uitspraak komen, dan niet kiezen voor een ongelovige rechter, maar een wijs man uit eigen midden aanwijzen. Deze wijze man kan als scheidsrechter optreden, of als de situatie dat noodzakelijk maakte ook eventueel als rechter. Dit kon juist zo makkelijk omdat het rechtssysteem dat mogelijk maakte. Als dat niet het geval was geweest, dan hield het voor de gemeente op als de beide partijen niet tot overeenstemming konden komen. Maar juist omdat ook de gang binnen de gemeente een volwaardige rechtsgang was, konden veel zaken aan het oog van de wereld onttrokken blijven, en werd er dus niet onnodig een smet op de gemeente geworpen. Op deze manier gebruikt Paulus juist het Romeinse rechtssysteem in dienst van het evangelie.37

10. Conclusie en evaluatie

Als we achteraf het geheel van de gevonden gegevens overzien, dan valt het volgende te concluderen:
- Ten tijde van Paulus was het formula-proces in Korinthe de normale procesvorm.
- De gegevens die in 1 Korinthe 6: 1-11 naar voren komen sluiten daar goed bij aan.
- Paulus geeft in 1 Korinthe 6 de volgende regels met betrekking tot de houding die Christenen aan moeten nemen ten aanzien van de eventuele rechtspraak tussen broeders:
a. Het is in strijd met de waardigheid van de gemeente van Christus om over dagelijkse zaken rechtsgedingen te voeren. Het is beter elkaar rechtvaardig te behandelen of terwille van de gemeente dan maar onrecht te lijden. Hierbij moet echter wel bedacht worden dat de naam van de gemeente van Christus centraal dient te staan. Het dient dus niet gelezen te worden als een opdracht om ook grof onrecht dan maar te laten bestaan.
b. Er zijn situaties waarin er toch een uitspraak gedaan moet worden. Hetzij omdat het niet mogelijk is partijen tot elkaar te brengen, hetzij omdat het onrecht juist vanwege de naam van de gemeente van Christus niet geduld mag worden. Voor deze situaties dient men zoveel mogelijk binnen eigen kring uit te kijken naar capabele mensen, die over deze zaak kunnen oordelen. Daarbij moeten ook wij niet bang zijn om ons rechts systeem te gebruiken in dienst van het evangelie, net zo min als Paulus dat was.38
Aan deze conclusies willen we de volgende twee evaluerende opmerkingen verbinden:
- Binnen ons huidige kerkrechtelijke systeem worden mensen niet met het oog op hun kennis van zaken in civiele conflicten in kerkelijke vergaderingen benoemd; andere kwaliteiten zijn daarvoor meer bepalend. Niet elk lid van een kerkelijke vergadering heeft bijvoorbeeld voldoende verstand van het arbeidsrecht om een goed oordeel te kunnen geven in een conflict tussen de koster en de kerkeraad over het aantal vakantiedagen of het salaris. Daarom zullen juist in dit type conflicten de leden van de kerkelijke vergaderingen niet de meest aangewezen personen zijn om een inhoudelijke uitspraak te doen. Tevens dient daarbij bedacht te worden dat ook Paulus niet specifiek de oudsten van de gemeente aanwijst als degenen die in dit type conflicten recht moeten spreken, maar er moet gezocht worden naar een wijs man. Er moet dus naar andere oplossingen worden gezocht.
Een wijze kerkeraad kent zijn grenzen. Bij twijfel is het beter niet te oordelen dan verkeerd te oordelen. Het gaat immers om het nemen van een juiste beslissing. De naam van de gemeente van Christus is in het geding. Laten we er zuinig op zijn.
Dit wil echter niet zeggen dat er geen tussenweg mogelijk

|799|

is. Met name bij een conflict dat de kerk rechtstreeks als kerk raakt, zoals bijvoorbeeld een conflict tussen een koster en een kerkeraad, is betrokkenheid van kerkelijke vergaderingen nodig en nuttig. Alleen zal op de gepaste momenten zo’n vergadering moeten terugtreden en zich van een oordeel onthouden. Bij dit alles zullen de mogelijkheden die ons rechtssysteem ons biedt betrokken moeten worden. We kunnen dan bijvoorbeeld denken aan een (al of niet) bindend advies of arbitrage.
- Het kan voorkomen dat een bepaalde zaak niet binnen de eigen kring op een goede en rechtvaardige manier kan worden opgelost, omdat de daarvoor vereiste capaciteiten in onvoldoende mate aanwezig zijn. In dat geval moeten we terug naar het uitgangspunt: de naam van de gemeente van Christus. Het is dan waarschijnlijk beter de gewone rechtsgang te volgen dan met gevaar voor een door onkunde of onrechtvaardige uitspraak de naam van de gemeente van Christus in diskrediet te brengen.


De heer Van Bekkum was t.t.v. het schrijven van dit artikel bijna afgestudeerd als jurist aan de Rijksuniversiteit te Groningen.


16 Kaser/Wubbe, a.w., p. 377.
17 Kaser/Wubbe, a.w., p. 378.
18 Misschien is het formula-proces ook wel ontstaan uit de behoefte ge­schillen tussen burgers en niet-burgers te regelen. Zie ook: Kaser/Wubbe, a.w., p. 379/380, Kaser, Zivillprozessrecht, p. 117, p. 125, Enzyclopädie der Rechts und Staatswissenschaft, a.w., p. 525, J.E. Spruit, a.w., p. 32.
19 J.E. Spruit, a.w., nr. 129.
20Leges Juliae iudidorum privatorum en publicorum, Kaser/Wubbe, a.w., p. 380, Kaser, a.w., p. 115.
21 J.H.A. Lokin, Prota, p. 82.
22 Gaius, institutiones, vierde commentaar.
23 Kaser/Wubbe, a.w., p. 228.
24 Ik volg hier Max Kaser, die in zijn Zivillprozessrecht ook verdere literatuurverwijzingen geeft. Kaser, a.w., p. 119 e.v.
25 Ten overvloede moet hierbij nog worden opgemerkt dat dit niet uitsluit dat het Grieks de voertaal van de Korintiërs is geweest. Het Romeinse staatsburgerschap impliceert immers niet dat men ook daadwerkelijk uit Italië afkomstig was.
26Enzyclopadie der Rechts und Staatswissenschaft, a.w., p. 526, J.E. Spruit, a.w., nr. 59, Kaser, a.w., p. 126.
27 Kaser, a.w., p. 130.
28 Kaser, a.w., p. 127, met litteratuurverwijzingen.
29 Kaser/Wubbe, a.w., p. 389/390.
30 Formeel waren er drie mogelijkheden. 1. de iudex privatus, 2. de arbiter en 3 de recuperatores, het college van particulieren. De nummers 1 en 2 zijn practisch gelijk op wat minimale verschillen na. Het derde geval deed zich alleen voor in spoedeisende gevallen waarmee de openbare orde gemoeid was. Enzyclopädie der Rechts und Staatswissenschaft, a.w., p. 526, Kaser/Wubbe, a.w., p. 390.
31Enzyclopädie der Rechts und Staatswissenschaft, a.w., p. 531.
32 Kaser/Wubbe, a.w., p. 389/390, J.H.A. Lokin, a.w., p. 63.
33 J.H.A. Lokin, a.w., p. 77.
34Kommentaar op het Nieuwe Testament, dl. VII, De eerste brief van den apostel Paulus aan de kerk te Korinthe, door Dr. F.W. Grosheide, Amsterdam (H.A. van Bottenburg) 1932, p. 192-208; en The International Critical Commentary, First Epistle to the Corinthians, Robertson/Plummer, Second Edition, Edinburgh 1914, p. 108-120.
35 Ik volg hier Grosheide niet, die op p. 199 aangeeft dat het om een bij elkaar brengen van de partijen zou gaan. Volgens mij ontbreekt de grond voor deze conclusie. Het gebruikte woord (diakrinai) betekent immers beoordelen, een vonnis vellen.
36 Het bij elkaar proberen te brengen van partijen valt volgens mij onder de eerder genoemde uitgangspunten van onrecht lijden terwille van de naam van de gemeente van Christus en het elkaar recht doen dan onder de vers 5 genoemde mogelijkheid. Het tot elkaar brengen van partijen brengt immers met zich mee dat minimaal één van hen zijn (onverzoenlijke) standpunt (gedeeltelijk) zal moeten laten varen.
37 Uit de manier waarop Paulus met zijn staatsburgerschap om is gegaan bleek ook al dat hij het Romeinse rechtssysteem goed wist te gebruiken.
38 Dit is temeer van belang naarmate zaken verder van de kerken als instituut afstaan, en dus niet meer zonder meer onder de bescherming van de in Artikel 2 boek 2 van het Burgerlijk Wetboek genoemde eigen rechtssfeer van de kerken vallen.