nr. 3458
18-06-1944

Het tuchtrecht der Synodes (II)

Het zwaartepunt van den kerkelijken strijd, die thans onze Kerken zoo fel in beroering brengt, dreigt zich te verleggen van het dogmatische geschil inzake het Genadeverbond naar het Kerkrechtelijk geschil over de bevoegdheid der Synode. En ligt daarin, zooals mijn hooggeachte mederedacteur, Prof. Grosheide, die met zooveel bereidvaardigheid en bekwaamheid voor een groot deel mijn taak heeft overgenomen, terecht opgemerkt, ongetwijfeld een gevaar, aangezien daardoor de aandacht wordt afgeleid van hetgeen voor ons Kerkelijk leven toch de hoofdzaak is en blijven moet, nl. de eenheid in belijdenis op grond van Gods Woord. Niet de Kerkenorde maar de belijdenis is de grondslag van onze Kerkelijke eenheid en wanneer die eenheid verbroken werd, zou scheuring onvermijdelijk zijn. Vraagstukken zooals: of volgens Artikel 50 K.O. de Synode om de drie jaar vergaderen moet, en of volgens Artikel 70 K.O. alleen een Kerkeraad een predikant schorsen mag, maar een Synode niet, zijn, hoe belangrijk ze uit kerkrechtelijk oogpunt mogen wezen, toch van zeer ondergeschikt belang, vergeleken met voor heel de prediking en opvoeding der jeugd zooveel gewichtiger vragen, hoe we op grond van Schrift en belijdenis te denken hebben over het Genadeverbond en over den Doop onzer kinderen. Waar nu ten opzichte van de dogmatische uitspraken, die onze Synode van 1905 en daarna die van 1942 deed, zooveel oppositie verwekt is, die voor een goed deel op misverstand berust van wat de Schrift en onze belijdenis desaangaande ons leeren, is ’t dubbel nodig dat een pers, die ons Gereformeerde volk voorlichten wil in goeden zin, die misverstanden wegneemt en de waarheid handhaaft. Ons Gereformeerde volk, dat buigen wil voor Gods Woord, zal dan door de nevelwolken, die zijn opgerezen, zich niet laten misleiden en de waarheid zal overwinnen. Zoolang mij zelf de kracht daartoe geschonken was, heb ik getracht dit te doen en ben dankbaar dat Prof. Grosheide thans met zooveel beleid die taak van mij overnam en voortzet.

Maar al moet dit dogmatisch geding het middelpunt blijven, toch behoeft het Kerkelijke vraagstuk daarom niet te blijven rusten. Het gaat thans toch niet langer om de interpretatie van enkele artikelen in de Kerkenorde maar, zooals de Synode zelf terecht schreef in haar voorlaatste Toelichting om het Goddelijk recht der Synode. Reeds jaren lang is Prof. Greijdanus, eerst in „De Reformatie” en daarna in „De Wachter”, het Goddelijk recht en het gezag dat aan de Synodes toekomt, bestreden. Het zaad, daardoor gezaaid, heeft vruchten gedragen. De indepentistische strooming, die, zooals ik in mijn vorig artikel schreef, in onze Kerken werd gevonden als nadeining van den Doleantiestrijd, waarbij het ging om de rechten der plaatselijke Kerken te handhaven tegen een hiërarchische Synode, werd daardoor gevoed en gesterkt. Heeft de voorgaande Synode reeds meermalen tegen deze revolutionaire richting onze Kerken moeten waarschuwen, ze nam nu vormen aan, die onduldbaar zijn en op kerkontbinding zouden uitloopen, indien de Synode niet met kracht daartegen op zou treden. Wat de Synode in haar jongste schrijven aan de Kerkeraden, dat we in ons blad opnemen, daarvan zegt, is niet te sterk. Toestanden, zooals thans zich voordoen, dat men een geheim georganiseerde actie heeft met een financieel kantoor te Voorburg waardoor allerlei „schandaleuze pamfletten”, zooals men ze oudtijds noemde, als een stortvloed over de Kerken worden uitgestrooid, pamfletten, vol lasterlijke beschuldigingen tegen de Synode, en dienende om tot een algemeen verzet te prikkelen, waren tot dusver in onze Kerken onbekend. Het is, alsof in ons Avondmaalsformulier niet het oordeel wordt uitgesproken over degenen, die tweedracht, secten en muiterij in de Kerken willen aanrichten, als een zeer ernstige zonde tegen het vierde gebod. Heeft God de Here niet getoond in de straf over Korach, Dathan en Abiram gebracht, hoe Hij zulk een muiterij in Zijn gemeente tegen het door Hem ingestelde gezag haat en straft? Werd zelfs Miriam Mozes’ zuster niet met melaatsheid geslagen, omdat ze Mozes verweet met een Kuschietische vrouw getrouwd te zijn (Numeri 12)? En heeft Michael, de Aartsengel, zooals de Apostel Judas in zijn zendbrief vers 9 zegt, toen er gestreden werd om het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen de satan durfde in te brengen? Hoeveel te minder past het dan op zulk een schandelijke wijze als Prof. Greijdanus zich veroorlooft, tegen een wettige Synode, waarin zijn Christenbroeders zitten, zulk een oordeel uit te spreken.

Het is daarom roeping en plicht om voor het wettelijk gezag en het Goddelijk recht der Synode op te komen, zooals onze Canonici en Theologen reeds hebben gedaan, met name in hun strijd met de Remonstranten en de Indepedenten. Aan de rechten der plaatselijke Kerk wordt daarmede allerminst te kort gedaan. Er is wel niemand, die daardoor beslister in het krijt is getreden dan Voetius. En evenmin, zooals de Synode alsnog met nadruk verklaarde, wordt aan critiek, mits deze binnen behoorlijke perken blijft en den aangewezen Kerkelijke weg bewandelt, het zwijgen opgelegd. Het gaat alleen daarover, of aan een wettige Synode naar Gods Woord deze macht toekomt. Niet de Kerkenorde heeft dit uit te maken, die door de Synode zelf vastgesteld wordt, Maar de rechtsgrond kan alleen de getuigenis der Heilige Schrift zijn. Waarom dan ook al onze Theologen, zooals Voetius met nadruk zegt, dien rechtsgrond alleen gesteld te hebben in de Schrift ons zegt in Handelingen 15 aangaande de Apostolische practijk door den Heilige Geest ons voorbeeld beschreven.

De Independenten, al gaven ze wel toe, dat uit dit Apostolisch voorbeeld bleek, dat het behouden van zulke conferenties, zooals zij het noemden, naar de bedoeling van Christus was, ontkenden echter zoo beslist mogelijk, dar het Apostelconvent met onze Synodes ook maar iets te maken had, evenzeer als ze betwistten, dat het bindend gezag, hetwelk door dit Apostelconvent was uitgeoefend, thans ook aan de Synodes zou toekomen. De argumenten die zij daarvoor aanvoerden en die men bij Voetius vinden kan, heb ik in mijn vorige artikel genoemd. Voetius heeft deze argumenten uitvoerig weerlegd in zijn „Politica Ecclesiastica” t. IV, pag. 132, 161, 162, 178 en 227 (ed. Rutgers pag. 269, 282, 283, 295 en 331). Het zijn dezelfde argumenten, welke ook thans nog worden aangevoerd door degenen,die van zulk een Goddelijk recht der Synodes niet weten willen, zooals men o.a. zien kan bij Dr. D. Jacobs „De verhouding tusschen plaatselijke en algemene Kerk”, 1927. Al gaat het hierbij in hoofdzaak om exegetische vraagstukken, waarvan ik de behandeling liever aan Prof. Grosheide overlaat, toch moge ik althans mededeelen, wat door Voetius is aangevoerd om deze argumenten der Indepedenten te weerleggen.

Hun hoofdargument was natuurlijk, dat de samenkomst te Jeruzalem een geheel ander karakter droeg dan onze Synodes, wat daaruit blijkt, dat deze bestaan uit predikanten en ouderlingen, afgevaardigd door verschillende Kerken, terwijl daarentegen de vergadering, die te Jeruzalem samenkwam, slechts bestond uit één enkelen Kerkeraad, n.l. de Kerkeraad aldaar, bestaande uit de Apostelen en ouderlingen, waar dan nog bijkwamen de gedelegeerden uit Antiochië, die echter niet eens gewone dienaren te Antiochië waren. Hun tweede argument was, dat het doel, waarmede Paulus en Barnabas naar Jeruzalem waren gegaan, niet was om hun eigen gevoelen inzake de vrijheid der heidenen-Christenen, n.l. dat ze niet besneden hoefden te worden noch de wet van Mozes te hadden onderhouden, aan het oordeel der Apostelen te onderwerpen, wat in strijd zou geweest zijn met hun eigen onfeilbaar leergezag, maar alleen om met de Apostelen te spreken en den mond te stoppen van hun beschuldigers, die beweerden door de Apostelen gezonden te zijn, opdat er geen wantrouwen zou wezen, of Paulus leerde hetzelfde als de andere Apostelen. En in de derde plaats, dat voor zoover de besluiten van het Apostelconvent met bindend gezag aan de Kerken in Syrië en Cicilië werden opgelegd, dit alleen geschiedde krachtens hun Apostolisch leergezag en hun onfeilbaarheid, maar dat, aangezien op onze Synodes zulke Apostelen niet meer zijn, aan onze Synodes dan ook een zoodanige de Kerken bindende macht niet toekomt.

In hetgeen de Independenten aanvoerden, ligt een zekere clement van waarheid in zooverre onze Synode, waar alle Kerken door een getrapte verkiezing saamkomen, zeker een ander karakter vertoond dan het Apostelconvent te Jeruzalem. Voetius erkend dit ook, maar wijst er op, dat men onderscheid moet maken tusschen vorm en wezen Het wezen is, dat de Kerken wanneer zulk een geschil ontstaat als in Antiochië, hetwelk heel de Kerk raakte, of wil men, de Kerken in het gemeen, dan ook krachtens den gemeenschappelijken band deze Kerken bijeenkomen moeten om over zulk een geschil gemeenschappelijk te beslissen. Of dit alle Kerken zijn, dan wel twee of voorts de hele Kerkeraad aanwezig is, dan wel of deze door gedelegeerden vertegenwoordigd is, en of zulk een vergadering onfeilbaar bezit of niet, dat alles raakt niet het wezen, maar alleen den vorm zegt Voetius (pag. 132 en 161) 

Wat hun tweede argument betreft, dat de Apostel Paulus zeker niet naar Jeruzalem is gegaan om zijn gevoelen aan dat de andere Apostelen te onderwerpen, aangezien dit aan zijn eigen onfeilbaar gezag zou te kort gedaan hebben, zoo ligt ook daarin zeker een element van waarheid, waarop reeds Calvijn met nadruk wees in zijn Commentaar. Uit Galaten 2, waar de Apostel zelf mededeelingen doet over hetgeen bij deze samenkomst te Jeruzalem zijn doel was geweest en welke houding hij daar had aangenomen, blijkt wel genoegzaam, hoe Paulus volkomen zijn zelfstandigheid tegenover de andere Apostelen bewaard heeft, zooals hij later aan de Galatiërs zelf schreef, toen de wetdrijvers, ook daar optraden, dat zoo wie een ander Evangelie bracht, zelfs al was het een Engel uit de hemel, dan hij hun gepredikt had, vervloekt was (Gal. 1: 9) Te meer valt er daarom nadruk op wat Paulus in Gal. 2: 2 meedeelt, dat hij na Jeruzalem was opgegaan ingevolge eener Goddelijke openbaring, hem door Christus geschonken. De gemeente te Antiochië had hem wel afgevaardigd, maar dat hij naar Jeruzalem ging was, omdat deze Goddelijke openbaring hem aanwees, dat dit het middel was om aan de strijd in Antiochië een einde te maken. Een bewijs te meer, dat deze samenkomst te Jeruzalem door Christus gewild is en daarin een aanwijzing ook voor ons ligt, hoe Kerken te handelen hebben als zulke geschillen de gemeenten in beroering brengen. Maar al is het juist, dat Paulus een onfeilbaar leerambt bezat en daarom zelf wist, hoe hij in de geschil handelen moest en geen decisie van de andere Apostelen hoefde af te wachten, dit neemt niet weg, zooals Voetius terecht opmerkt (pag. 161 ed. Rutgers 282), dat hij en Barnabas te Jeruzalem gekomen nadat ze het geschil aan de gemeente aldaar hadden voorgesteld, deel hebben genomen aan de vergadering der ouderlingen en Apostelen, en met dezen een besluit hebben genomen, waaraan zij evenzeer als de anderen hebben onderworpen en dit besluit daarna aan de Kerken hebben opgelegd (Hand. 16 vs. 4). Dit argument door Voetius aangevoerd spreekt te sterker, omdat het Apostelconvent, of laat me liever zeggen, deze Synode te Jeruzalem, zooals onze Theologen het steeds noemen, wel een besluit nam, dat de heidenen-christenen niet gebonden waren om de wet van Mozes te onderhouden, zooals Paulus reeds gepredikt had, maar hun toch een viertal geboden oplegde van dingen, waarvan zij zich te onthouden hadden, n.l. van hetgeen den afgoden geofferd was, van bloed, van het verstikte en van hoererij. Het voorstel om de heidenen-christenen te gebieden zich van deze dingen te onthouden, was niet van Paulus zelf, ook niet van de andere Apostelen, maar van Jakobus, die voorzitter was van den Kerkeraad te Jeruzalem, uitgegaan. Het was een bemiddelingsvoorstel, om voor de Joodsch-christenen den omgang met de heiden-christenen gemakkelijker te maken. Het had daarom slechts een tijdelijk karakter, behalve wat het laatste verbod betreft. Het verbod daarentegen van bloed en van het verstikte heeft de Christelijke Kerk later dan ook niet als een gebod beschouwt, dat nu nog voor Christenen geldig zou zijn, en wat het verbod betreft omtrent het eten van hetgeen den afgoden geofferd was, zoo weet ieder wel, hoe de Apostel zelf daarover zij eigen meening had, zooals blijkt uit 1 Cor. 8.

Wat hun derde en laatste argument betreft, dat het beroep op Handelingen 15 niet opgaat, omdat daar uit het bindend gezag van de besluiten onzer Synodes af te leiden, aangezien dit daarop berustte, dat de Apostelen een onfeilbaar leergezag hadden en de ambtsdragers op onze Synode niet, zoo dient natuurlijk volmondig te worden toegegeven, dat onze Synodes zulk een onfeilbaar leergezag niet bezitten. De Roomschen mogen aan de Concilies zulk een onfeilbaar, de consciëntie bindend gezag toekennen, de Protestanten hebben dit nooit gedaan en het recht gehandhaafd van ieder geloovige, om de besluiten van de Synodes te toetsen aan Gods Woord, dat de eene absolute regel voor ons geloof en leven is, zooals onze belijdenis in Artikel 7 zegt. Maar al moet dit worden toegegeven, de consequentie, daaruit door de Indepedenten getrokken, dat onze Synodes dus geen gezag zouden hebben en haar besluiten ons niet zouden binden, weerlegt Voetius t. IV p. 173 (ed. Rutgers p. 295) met de afdoende opmerking, dat dan ook de Kerkeraden geen de gemeenteleden bindende besluiten zouden mogen nemen, omdat zij niet als de Kerkeraad te Jeruzalem Apostelen in hun midden hebben. Een onfeilbaar gezag moet er zijn of anders is er geen gezag, is een dilemma dat niet deugd. Aan onze overheid, aan den vader in het gezin, aan ieder ambtsdrager in de Kerk komt gezag toe, al is dit geen onfeilbaar gezag. Dat dit bindend gezag onzer Synode echter thans alleen geldt voor die Kerken, die zich vrijwillig bij het Kerkverband hebben aangesloten en wier afgevaardigden op de Synode aanwezig zijn, terwijl de Synode te Jeruzalem hare besluiten nam voor de Kerken in Syrië en Cicilië, welke op deze Synode niet vertegenwoordigd waren, verklaart Voetius met Parker, een bekend Engels Canonicus, daaruit, dat de Apostelen een ander ambt hadden voor de Kerk in haar geheel, en dus voor alle Kerken verordeningen konden geven, die bindend waren, wat echter onze Synodes niet kunnen doen (t. IV p.173. ed. Rutgers p. 292). Aan deze argumenten van Voetius mag ik, hoewel ze op zichzelf afdoende zijn, nog wel toevoegen, wat de grote Geneefsche dogmaticus F. Turretinus dienaangaande opmerkt in zijn „Institutio Theologiae Elencticae”, tom. III p. 219, 320, n.l. dat de Apostelen op de Synode te Jeruzalem, wel onfeilbaar waren, maar dat de decreten van deze Synode niet genomen werden door de Apostelen alleen en op hun gezag aan de Kerken werden opgelegd, maar dat dit geschiedde door de Apostelen en door de ouderlingen op grond van het ook aan dezen toekomende gezag, zoals uitdrukkelijk in het decreet zelf gemeld wordt, Hand. 15: 23 en evenzo Hand. 16: 4; al zijn de apostelen weggevallen, de ouderlingen zijn gebleven en de macht, die deze op de samenkomst te Jeruzalem uitoefenden over alle Kerken. Terwijl hij in een ander verband er nog op wijst, dat op de Synode te Jeruzalem wel door den Apostel Petrus het eerst het woord gevoerd is en argumenten zijn aangevoerd, evenals daarna door Paulus en Barnabas om de heiden-christenen vrij te stellen; dat echter de leiding niet van Petrus is uitgegaan, maar van Jakobus, die geen Apostel was, doch als voorganger te Jeruzalem blijkbaar het praesidium voerde en dat hij het was, die het besluit formuleerde, waarbij hij, om aan de Joodschgezinden enigszins tegemoet te komen, de vier bekende verbodsbepalingrn opnam. Die bepalingen waren dus niet van de Apostelen zelf afkomstig en ook niet krachtens hun onfeilbaar leergezag gegeven, al hebben zij ze goedgekeurd (a.w. III, p. 176) Het gaat daarom niet aan van het Aposteldecreet te spreken, alsof het van Apostelen afkomstig zou zijn en aan hen alleen hun gezag zouden ontleend hebben. Het decreet was niet van de Apostelen afkomstig, maar van Jakobus, doch kreeg gezag toen heel de vergadering, dus niet alleen de Apostelen, en Paulus en Barnabas, maar ook de ouderlingen er gezag aan verleend hadden.

Laat me na dit betoog van Voetius en Turrettinus te hebben weergegeven, zelf er nog aan mogen toevoegen, dat wanneer in het decreet der Jeruzalemsche Synode met nadruk gezegd wordt, dat het „den Heiligen Geest en ons heeft goedgedacht hun geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen” (Hand 15: 28) daaruit zeker blijkt, dat de Apostelen en ouderlingen overtuigd waren, dat de Heilige Geest in hun midden was, en hun besluiten aan Zijn leiding te danken waren.de bijzondere leiding des Heiligen Geestes, die de Apostelen hadden, stond daarvoor borg, want deze leiding van den Heiligen Geest was onfeilbaar. Maar al hebben onze Synodes zulk een onfeilbare leiding des Heiligen Geestes niet, daarom kan toch niet gezegd worden, dat zij deze leiding des Heiligen Geestes geheel missen en we bij hen alleen te doen hebben met menschelijk oordeel. Christus heeft beloofd, dat waar twee of drie in Zijn Naam bijeen zijn, dat Hij daar in hun midden zou zijn met Zijnen Heilige Geest en Zijne Kerk, in de waarheid leiden zou. Bij alle kerkelijke vergaderingen, want daarop doelt het: in Zijn Naam vergaderen, bidden we daarom, dat „Christus naar Zijne belofte in het midden van onze tegenwoordige vergadering zijn wil men met Zijnen Heiligen Geest. Die ons in alle waarheid leidde.” Geldt dit voor elke kerkelijke vergadering, hoeveel temeer dan niet, wanneer niet twee of drie, maar zoovele ambtsdragers uit heel Zijn Kerk te saam vergadert zijn.

Die leiding des Heiligen Geestes moge dan niet een onfeilbare zijn, d.w.z. zoo dat deze ambtsdragers niet dwalen kunnen, maar ze zal toch te sterker wezen naarmate zulk een vergadering, Kerkeraad of Synode, zich gebonden weet aan Gods Woord en ze zal vooral daaruit blijken, zooals op de Synode te Jeruzalem, wanneer de besluiten met zoo groote eenstemmigheid genomen worden.

H.H.K.