nr. 3456
04-06-1944

Het Goddelijk recht der Synodes (II)

Zoo bleek, dat onze nationale Synode te Dordt, die de beroemdste onzer Gereformeerde Kerken is geweest, wier leerregels nog altoos voor ons gelden als belijdenisgeschrift en onder wier Kerkenorde we leven, nadat ze de leergeschillen had behandeld, de door haar geciteerde Remonstrantsche predikanten heeft afgezet en verklaard heeft, dat zij dit deed uit Gods Woord zich bewust zijnde, dat Christus haar hiertoe de macht had gegeven ze daarom uit Gods Naam te hebben aan geroepen, dit vonnis uitsprak in Zijn Naam. Van eenig raadplegen of medewerking vragen van de Kerkeraden, waaraan de predikanten verbonden waren, gelijk men nu als eisch stelt op grond van Artikel 79 K.O., was daarbij geen sprake, en evenmin daarvan, zooals men thans ook wel als eisch verneemt, dat hun zaak eerst langs de Kerkelijken weg, d.w.z. na door den Kerkeraad behandeld te zijn, via de Classis en Particuliere Synode door appél op de Generale Synode gebracht te zijn gelijk bijv. het geval was bij dr. Geelkerken, want de Synode had juist uitdrukkelijk bepaald, dat de door haar te citeren Remonstrantsche predikanten nog niet in Kerkelijke behandeling geweest zijn. Indien het nu juist was, wat Prof. Greijdanus in zijn aan de Kerkeraden toegezonden schrijven beweert, dat zulk een tuchtvonnis door de Generale Synode uitgesproken buiten de Kerkeraad om niet alleen illegaal en onwettig is, wijl in strijdt met Art. 79 K.O., maar bovendien het toppunt van hiërarchie, dan geldt de aanklacht evenzeer de Dortsch Synode. En zelfs zou haar handelswijze nog te ergerlijker zijn, omdat ze beweerde daartoe de macht uit Gods woord ontvangen te hebben en die handeling na gebeden te hebben in Gods naam verricht had. Schandelijker misbruik van het gebed en het beroep op Gods Woord, om daarmede haar illegale hiërarchische daad te dekken zou wel niet denkbaar zijn geweest. Prof. Greijdanus die zijn felle aanklachten richt tegen de Synode van Utrecht moge toezien of hij daarmee evenzeer het zwaarste vonnis uitspreekt over de Dortsche Synode, die nog steeds aan haar geloofstrouw de volle liefde van ons volk had. Ook met te zeggen: wat de historie leert, heeft voor mij geen waarde, ik heb alleen met de Kerkenorde te maken, kan men zich zulk een beroep op wat de Dortsche Synode deed, die zelf dezen Kerkenorde vaststelde, niet afmaken.

Intussen, de vraag blijft over, met welk recht de Synode van Dordt kon verklaren, dat ze zich bewust was uit Gods Woord de macht te hebben van aldus te handelen en dat deze macht door ambtsdragers en leden der Kerk haar door Christus geschonken was. De Synode hoefde op die vraag zelve niet het antwoord te geven, omdat er toen niemand was die deze bevoegdheid der Synode om tucht te oefenen ontkende. Ze kon daarom volstaan door te wijzen op het feit, dat alle oude en nieuwe wettige Synodes van de eerste tijden der Kerk af deze macht gebruikt hadden, en wie had deze macht ooit aan een wettige Synode ontzegt? Er mocht in de dagen van Reformatie verschil van inzicht zijn tussen Protestanten en Roomschen zijn ontstaan ook ten opzichte van de Synodes of Concilles, een verschil, dat vooreerst daarover liep, of de Synodes samengesteld mochten zijn uit Bisschoppen of hoogere ambtsdragers en geleid worden door de Paus als opperherder, dan wel afgevaardigden, die de Kerken vertegenwoordigden en evenzoo in de tweede vraag, of de besluiten dezer Synodes evenals die van het Apostelenconvent te Jeruzalem, onfeilbaar waren en de consciëntie bonden dan wel of die geloovigen het recht hadden die besluiten te toetsen aan Gods Woord, omdat zelf een Concilie dwalen kan, maar niet daarover, dat de Synodes door God waren verordend als middel om de Kerk te regeren in Christus naam en ze daartoe de macht van den Heere ontvangen hadden, macht ook om tucht te oefenen over leden en ambtsdrager die zich misgingen. Dit Goddelijk recht der Synodes stond inzonderheid voor de Gereformeerden vast, veel meer dan voor de Luthersche Kerk, die met haar landsheerlijk regiment over de Kerk aan de Synodes weinig plaats gunde. Het was juist de zelfstandigheid der Kerk tegenover dit landsheerlijk regiment te handhaven, dat de Gereformeerden het synodaal regime invoerden, zooals in Frankrijk, Nederland, Schotland, Duitschland, Hongerije enz. Al behoorde dit synodaal regime niet tot het wezen der Kerk – een Kerk als Genève, die op zichzelf stond, toch was een ware Kerk — voor het welwezen der Kerk was dit synodaal regime het door Gods Woord aangewezen middel om de eenheid der Kerken te handhaven in belijdenis, liturgie en Kerkenorde en om op elkander toezicht te houden en tucht te oefenen, opdat alles zou geschieden tot Gods eer en naar Zijn Woord. Van Calvijn af, die op zijn commentaar van de Handelingen der Apostelen bij het 15e hoofdstuk er reeds op gewezen had, dat de Heilige Geest in het zogenaamde Apostelconvent, waarin de afgevaardigden van Antiochië samen kwamen met de Apostelen en ouderlingen te Jeruzalem, om gezamenlijk te beslissen over de vraag, of de Christenen of de Heidenen aan de wet van Mozes en de belijdenis moesten onderworpen zijn, ons het voorbeeld had gegeven hoe de Kerken onder zulke omstandigheden hadden te handelen hebben alle Gereformeerde dogmatici en canonici zonder één uitzondering het recht der Synodes op wat zij noemden deze Apostolisch praktijk gegrond. Ze gingen en terecht, vanuit van de gedachte, dat Christus alleen Koning was in den absoluten zin des Woords, Koning, Wetgever en Rechter en in Zijn Kerk geen ander zelfstandig gezag kon bestaan. Wel oefent Christus nu Hij ten hemel is gevaren niet rechtstreeks uit, maar door ambtsdragers in Zijn naam, doch de wijze waarop dit geschieden moet is, gelijk onze Geloofsbelijdenis zegt in Artikel 30, door Hem Zelf in Zijn Woord ons voorgeschreven. Dit geldt niet alleen voor de plaatselijke Kerk met hare ambtsdragers, waarover dit Artikel handelt, maar zeker in niet mindere mate voor het verband, waarin deze Kerken saam hebben te leven, voor de vergaderingen, waarin ze samenkomen, en voor de macht, die ze uitoefenen. Elke voorstelling, alsof dit kerkelijk verband der Kerken onderling, het saamkomen in meerdere vergaderingen, dus het houden van Synodes en de macht, die aan deze Synodes toekomt, berusten zou niet op een Goddelijke aanwijzing in Zijn Woord maar een instelling van de Kerken zelve zou wezen, moet daarom zoo beslist mogelijk worden afgewezen, want ze tast de grondslag van ons Kerkelijk saamleven aan en stelt de deur open voor willekeur en anarchie. Het is daarom volkomen terecht, dat Voetius als hij over de meerdere enkele vergaderingen en met name over de Synodes handelt, niet één maal maar herhaaldelijk er allen nadruk op legt, dat de Synode en de macht, die haar toekomt, berust op wat hij noemt het Goddelijk recht, gelijk dit, zooals hij erop volgen laat, door alle Gereformeerde Theologen geleerd wordt, van Builinger af, die het eerst onder de Reformatoren over de Synodes een tractaat schreef, terwijl hij dan verder verwijst naar Hyperius, Danaeus, Zepperus, Parker enz., waaraan nog toegevoegd zou kunnen worden Hoornbeek, Spanheim Jr., à Marck, De Moor, Turrettini.

Het tweede fundament, waarop volgens Voetius dit Synodale regime berust, is het toelatende of permissieve Goddelijk recht en de onderling overeenstemming der Kerken. Zonder onderlinge overeenstemmingen der Kerken kan een Synode niet saamkomen, want een Synode is een vergadering der Kerken zelve door middel van hare afgevaardigden, die daartoe hun mandaat van de Kerken moeten ontvangen. De schrift geeft echter, dat is Voetius bedoeling, alleen de hoofdlijnen, wil men, de beginselen aan, maar de nadere uitwerking daarvan wordt aan de Kerken zelve overgelaten en in haar Kerkenorde vastgesteld, zooals wie als afgevaardigden zullen worden gezonden, welke mandaten en instructies ze zullen meenemen, hoeveel van deze vergaderingen zullen gehouden worden, (Classis. Particuliere Synode, en Generale Synode) enz. Dit alles zegt Voetius, is echter een menschelijk recht, maar geen Goddelijk recht. Ik mag voor de bewijsplaatsen, die ik aanhaal, naar de uitgave die Rutgers bezorgde van enkele tractaten uit Voetius’ Politica eccelesiastica, omdat deze gemakkelijker te krijgen is, dan het grootte werk van Voetius zelf En dan zal ik mij tot enkele sterk sprekende voorbeelden beperken Zoo zegt hij reeds in de aanvang van zijn tractaat over de Kerkelijke vergaderingen: „Het fundament daarvan is dubbel, n.l. van de eerste en de tweede institutie. Het eene is het Goddelijk recht ons geopenbaard in de regels en voorbeelden van de Apostolische kerkregeering, waarbij dan gewezen wordt naar Handelingen 15 en II Cor. 8. Het andere is de onderlinge overeenstemming der Kerken tot zodanige correspondentie en confoederatie, die voortvloeit uit den plicht om onderlinge gemeenschap te oefenen” enz. (blz 250) en wederom kort daarop volgende: „Het synodale regime berust op het positief Goddelijk recht; het natuurrecht en het permissieve Goddelijk recht. Het positieve Goddelijk recht wordt ons openbaar in de practijk en het exempel van de Apostolische Kerkregeering, welke goedgekeurd en dien tengevolge ons voorgeschreven is door de Heiligen Geest (Hand, 15: 1-34), waaruit alle Christelijke theologen het wettig recht en de macht der Synodes afleiden. Voeg daarbij II Cor. 8: 1, 4, 16 met Rom 15: 26

Op het natuurrecht behoef ik hier niet in te gaan. Wel op wat Voetius daarna volgen laat over het Goddelijk toelaten recht. Dit bestaat daarin, dat de schrift nergens verwerpt de combinaties van grootere of kleine ressorten of eenige particuliere wijziging en toepassing van het Kerkelijk regime enz., maar veel meer in het algemeen dit alles zonder nadere bepaling en ingewikkeld als middelen, die geschikt zij voor het doel aanbeveelt en voorschrijft en de nadere bepaling en instelling, naar gelang van het plaatsen, lijden, zaken en personen aan de vrijheid en macht der Kerken toestaat, mits deze bijkomstige dingen de hoofdzaak niet wegnemen” (blz. 258). En om nog een derde citaat aan te halen: op blz. 380 maakt Voetius weer hetzelfde onderscheid in een polemiek met de Indepedente, die zeiden dat deze vereeniging der Kerken slechts menschelijk recht was,waarop Voetius weer wijst op het onderscheid tusschen dezer vereeniging der Kerken en hare macht in het algemeen genomen en de toepassing daarvan tot bepaalde Kerken. Het eerste zegt hij, is van positief Goddelijk recht zooals bewezen is uit de tafelen van het Goddelijk recht, die de Heilige Schrift geeft.

Het zal thans naar ik hoop wel duidelijk zijn geworden met welk recht de Dortsche Synode zoowel haar leerregels vaststelde en de dienaren des Woords beval zich daaraan te houden als haar afzettingsvonnis over de Remonstrantsche predikanten uitsprak. De bevoegdheid daartoe ontleende ze niet aan de door haar zelf vastgestelde Kerkenorde ook niet aan het mandaat dat haar afgevaardigden van de Kerken hadden gekregen maar aan het Apostolische voorbeeld in Handelingen 15 ons als regel voor het Kerkelijk leven door den Heilige Geest voorgeschreven.

En evenzeer zal men nu begrijpen waarom zoowel in onze als in de Fransche credentiebrieven uit de zestiende eeuw met zooveel nadruk gesproken wordt van de heilige Synode, die vergaderen zal. Heilig is de huwelijkse staat, omdat hij door God ingesteld is.Heilig is het ambt in Christus Kerk omdat het door Christus Kerk is verordend en zoo is ook de Synode heilig, omdat haar instelling en haar gezag berust op het Goddelijk recht.en het loont wel, hoe ver men van dit standpunt onzer Vaderen is afgeweken, dat men zich veroorlooft op de felste wijze onze Synode aan te vallen, haar hiërarchie ten laste te leggen en zelfs haar met het Sanhedrin te vergelijken, dat Christus onschuldig veroordeelde, zooals Prof. Greijdanus doet. Toen Paulus voor het Sanhedrin stond, de Hogepriester, wat onrecht was, beval hem op den mond te slaan en Paulus daarop zeide: God straffe u gij gewitte wand, heeft hij, zoodra men hem erop wees, dat het de Hogepriester was, die voor hem stond, zich terstond verontschuldigde en gezegd: Ik wist niet dat het de Hogepriester was, want in de wet staat geschreven: gij zult de oversten uws volks niet vloeken. 

H.H.K.