nr. 3448
09-04-1944

Prof. Greijdanus en ons Kerkrecht (III)

Niet ten onrechte werd mij dezer dagen van bevoegde zijde de opmerking gemaakt, dat bij den strijd, die thans in onze kerken gevoerd wordt, het niet alleen gaat om dogmatische geschillen, maar evenzeer om het kerkrechtelijk vraagstuk, welk gezag aan de Synode toekomt. Te verwonderen behoeft dit niet, want de historie toont, hoe dit telkens het geval was. Indien men zag of voorzag, dat op een Synode in zake de leergeschillen een beslissing zou genomen worden, die lijnrecht inging tegen wat men zelf wilden, dan lag het voor de hand, dat men de wettigheid van zulk een Synode op bepaalde gronden betwisten ging of aan haar besluiten geen bindend karakter toekende. Reeds bij de oude Conciliën zijn dergelijke strijdvragen aan de orde gekomen en niet minder weet onze eigen kerklijke geschiedenis daarvan. Toen de staten-Generaal in 1618 de Nationale Synode na lang bidden en smeeken saamriep, hebben de Remonstranten, die ter Synode geciteerd waren, aanvankelijk niet anders gedaan dan met hunne exceptien en bezwaren de autoriteit der Synode aan te vallen. Het zou de moeite loonen om aan de hand der Acta na te gaan, wat de Remonstranten wenschten en welke exceptiën ze tegen een beslissing door de Synode inbrachten, omdat dan zou blijken hoeveel overeenkomst er is tusschen hetgeen de oppostitie thans wenscht en beweert en hetgeen de Remonstranten aanvoerden. Wat de Remonstranten wilden, was, dat er geen definitieve beslissing zou genomen worden, over de toen opgekomen leergeschillen, maar dat men komen zou tot een accommodatie; de geschilpunten waren van zoo subtiele aard, dat men over en weer elkaar daarin vrij moest laten. In de tweede plaats, zoo hielden ze staande, mocht in geen geval de Synode over deze geschillen een bindende uitspraak doen, want dat kwam aan de Synode niet toe, maar alleen aan de plaatselijke kerken. En in de derde plaats beweerde ze, dat in geen geval de Synode van Dordt, zooals deze was saamgesteld, het recht had een uitspraak te doen, omdat de afgevaardigden naar de Synode in den partijstrijd hadden gestaan en zelfs reeds bij de hangende processen de Remonstranten veroordeeld hadden. Al erkenden ze, dat de buitenlansche theologen buiten deze geschillen stonden, van de Nederlandsche gold dit niet. Een onpartijdige rechtbank waren deze theologen dus niet. Indien nu een der grondregels van het recht is, dat niemand in eigen zaak rechter mag wezen, dan konden deze afgevaardigden dus niet als onbevooroordeelde rechters optreden. Er is, vooral in de 24e en 25e sessie over deze door de Remonstranten ingebrachte bezwaren ampel en breed genoeg gehandeld; aan de buitenlandsche afgevaardigden is hun oordeel gevraagd, maar voor die bezwaren uit den weg gaan, deed de Synode niet. En toen de Remonstranten desniettegenstaande weigerden zich te voegen, schoot er niet anders op over dan de hulp in te roepen van de politieke Commissarissen ten einde de Remonstranten te dwingen hun gevoelens omtrent de vijf in geding zijnde leerpunten op schrift te brengen. Dat de Remonstranten, wat hun kerkrecht betreft, voorloopers van de Independenten waren, in zooverre zij aan de Synode alle autoriteit en gezag ontzegden, is dus duidelijk genoeg. Des te opmerkelijke is het daarom, dat, toen de Synode haar arbeid verricht had en de leerregels had vastgesteld, ze in het voorbericht uitdrukkelijk verklaarde, dat ze uit Gods Woord zich volkomen bewust van de macht, die Christus haar had toegekend over de leden Zijner Kerk, alle predikanten gelastte en beval deze leer nu te verkondigen en daarna, dat ze evenzeer op dienzelfden grond de geciteerde predikanten uit hun ambt afzette. Van een dergelijke, zoo besliste, uitspraak als deze meest gezag hebbende van alle Gereformeerde Synodes deed, kon men zich niet afmaken met te zeggen, dat zelfs Synodes wel eens dwalen kunnen.

Een dergelijke stijd, zij het dan ook op kleiner schaal, is in onze eigen kerken weer gevoerd, toen de Synode van Assen in 1927 bijeenkwam om over de leer van Dr van Geelkerken te oordeelen. Ook nu trad het kerkrechtelijk probleem weder op den voorgrond. Het citeeren van ambtsdragers voor de Synode heette een ongeoorloofde aantasting van de persoonlijke vrijheid. Dat zoowel de professoren, die reeds advies hadden gegeven in deze zaak, als de afgevaardigden, die daarover hun meening hadden uitgesproken, en op de Synode uitspraak zouden doen, was, zei men, in strijd met alle rechtsbegrippen. En vooral de tuchtmaatregelen, die de Synode nam zoowel ten opzichte van de predikanten als van de andere ambtsdragers, heetten in lijnrechten strijd met het Gereformeerde Kerkrecht. Op de Synode zelf bleek maar één praedviseerend lid en één afgevaardigde die kerkrechtelijke bezwaren te deelen. Maar na afloop der kerkelijke procedures hield de strijd niet op. Dr van Es zette dien strijd voort tegen Ds Jansen, die het voor de Synode opnam. Dr van Lonkhuyzen kwam zelfs uit Amerka over en liet zich hier beroepen om deze strijd tegen het zoogenaamde „nieuwe kerkrecht” des te beter te kunnen voeren. Vooral echter, toen Dr M. Bouwman zijn dissertatie schreef om aan te toonen, hoe Voetius over het gezag der Synode geoordeeld had, werd dit kerkrechtelijk vraagstuk weer in het midden geplaatst; Prof. Greijdanus, die reeds te Assen zijn protest had doen hooren, trad van nu af als strijder tegen het „nieuwe kerkrecht”, zooals men het noemde, in „De Reformatie” op. Eigenaardig is echter, dat Prof. Schilder, die in ’27 tegen de aanvallen van Dr van Lonkhuyzen op de Synode te Assen opkwam en haar kerkrechtelijk standpunt verdedigde, nu de batterij heeft omgekeerd en aan de zijde van zijn collega Greijdanus kwam te staan. Ook volgens hem is de Synode niet de vergadering der kerken, die door middel van haar afgevaardigden uitspraak doen, maar van afgevaardigden, waarom de eigenlijke beslissing daarna nog door de kerken zelf moet genomen worden. Hetzelfde eigenaardige verschijnsel doet zich hier bij Prof. Schilder voor als ten opzichte van de leergeschillen zelf. Terwijl hij vroeger in „De Bazuin” tegenover Ds Jongeleen en andere bestrijders in de Christelijke Gereformeerde Kerk het opnam voor de uitspraken, door de Synode van Utrecht gedaan en de juistheid en Schriftmatigheid daarvan verdedigde, wil hij nu van die leerbeslissing niet weten en is hij het met de critiek van Christelijke Gereformeerde zijde eens. Een verandering van positie, waarvan we Prof. Schilder geen verwijt maken. Wie inziet, dat hij gedwaald heeft, is een dwaas, wanneer hij in die dwaling volhardt, maar er dient dan toch wel openlijk uitgesproken te worden, waarin die dwaling bestond en waarom men van meening veranderd is.

Wat nu het kerkrechtelijk vraagstuk betreft, dat hier weer in al zijn scherpte op den voorgrond is getreden, zoo behoeft het toch heusch wel geen betoog, dat het Synodale kerkrecht, zooals dit zoowel door de Asser Synode als door de Synode van 1942 en 1943 gehandhaafd is, geen nieuw kerkrecht ism aar niet anders dan het recht, dat door onze Synodes steeds is toegepast en zoowel door onze dogmatici van Calvijn af ontwikkeld is als bevestigd door onze Canonici, zooals Voetius. Er is noch na noch voor Voetius een Canonicus geweest, die zoo tot in de fijnste puntjes ons kerkrecht heeft uiteengezet als Voetius dit gedaan heeft in de vier lijvige kwartijnen van zijn Politica Ecclesiastica. Het is dan ook wel te begrijpen, dat, toen bij den strijd in de Doleantie het kerkrechtelijk vraagstuk weer in al zijn scherpte op den voorgrond trad en het ging om het zelfstandig recht der plaatselijke gemeente om het kerverband te verbreken, wanneer het kerkverband dwingen wilde tegen Gods Woord te handelen, zoowel Dr A. Kuyper als Prof. Dr F.L. Rutgers zich vooral op Voetius beriepen. Ook in zijn Kerkelijke Adviezen, die Prof. Rutgers aan de kerken deed, is een beroep op wat Voetius schreef, schering en inslag. Of daarnaast niet minstens evenveel, zoo niet meer gezag moet worden toegekend aan wat onze Nationale Synodes zelf in de 15e en 16e eeuw hebben gedaan en vastgesteld, is een vraag, die ik thans rusten laat. Synodes zijn feilbaar; het beroep op de historie heeft geen normatieve kracht, zegt men. Maar men moet zich toch evenzeer wachten voor een philosofisch Hegeliaansch kerkrecht, waarbij men uitgaat van enkele grondgedachten, of wat men dan noemt, beginselen, om daaruit het Gereformeerde Kerkrecht op te bouwen, waarbij men de historische ontwikkeling van het kerkrecht geheel op zijde schijft of eenzijdig uit één maxime afleiden wil, hoe juist dit maxime ook zijn moge. Het is de fout van de Independenten geweest, dat zij, uitgaande van de zelfstandigheid der plaastelijke gemeente of liever nog van de congregaties, die naar willekeur zich vormden, van gezag, dan aan de synodes toekwam, niet weten wilden; ze hielden wel vergaderingen van afgevaardigden haarer Congregaties, zooals in het Savoypaleis, maar de besluiten waren voor de congregaties niet bindend en vooral van een jurisdictie door de Synode te oefenen wilden zij niets weten. De sleutelen des hemelrijks waren door Christus aan de plaatselijke gemeente gegeven en een Synode mocht daarom geen tucht oefenen.

Dat de Gereformeerde Kerken die tuchtoefening door de Synode wel geschieden lieten, was volgens hen Papisme; het was lijnrecht in strijd met wat de Gereformeerde Kerken zelf leerden, dat geen kerk over de andere kerk heerschen mocht. Aan de Synodes kwam wel toe een potestas caritative, zooals zij het noemden d.w.z. zooals broeders onder elkaar uitoefenen, door elkaar te vermanen, mar geen macht om beslissingen te nemen en deze onder bedreiging met straf op te leggen. Wat men ook thans weer hoort, dat een Synode geen recht zou hebben om tucht te oefenen, zelfs niet over de door haar aangestelde ambtsdragers aan de Theologische Hoogeschool, maar dit zou moeten overlaten aan de plaatselijke kerk, waaraan zulk een ambtsdrager verbonden is, is niet anders dan het zuiverste Independentisme en is lijnrecht in strijd met wat onze Nationale Synodes in de 16e en 17e eeuw hebben gedaan. De Synode van Dordt, die de geciteerde Remonstrantsche predikanten afzetten en verklaarde dit te doen krachtens de bevoegdheid, die uit Gods Woord haar toekwam, heeft wel getoond, hoe ver ze van dit independentisme afstond. Heeft bovendien niet van meet af aan in onze Kerkenorde gestaan, dat de afzetting van predikanten aan de Classis toekwam, zoodat het nogal eigenaaridg is, waar men op de Kerkenorde als akkoord van gemeenschap zooveel nadruk legt, dat men daar het recht, om een predikant af te zetten, alleen aan den Kerkeraad toeschrijft. Het was heusch niet overbodig, dat de Synode van Sneek-Utrecht, evenals de thans vergaderende Synode, telkens tegen dit insluipend independentisme waarschuwde. En des te meer reden is daarvoor, wanneer degenen, die dit independentisme min of meer voorstaan, met citaten komen, aan Voetius ontleend, die op den niet-kenner van Voetius grooten indruk maken, zooals nu weer met het citaat, aan Voetius’ Pol. Eccl., t. IV, 122, 123 ontleend door Prof. Greijdanus, maar dit is feielijk niet anders dan het bekende citatenspel, waarmede men een auteur feitelijk alles kan laten zeggen, wat men wil. Het eert Prof. Greijdanus, dat hij wel niet nu, maar dan toch voreger in „De Reformatie” ronduit verklaard heeft, dat bij Voetius al van uitlatingen voorkomen — ik gaf daarvan reeds enkele voorbeelden — die niet met zijn (Greijdanus’) Kerkrecht stroken, waarom hij dan ook slechts den gehalveerden Voetius als leidsman aanvaarden wil. Of zulk een gehalveerde leidsman nu erg betrouwbaar is, laat ik in het midden. Voetius wilde de Scylla van de hiërarchie vermijden evenals de Charibdis van het Independentisme. Hij moet daarom wel met groote behendigheid het scheepke tusschen de draaikolken heen sturen, nu eens het roer naar links, dan weer naar rechts wendende. Wie dat uit het oog verliest en alleen zich beroept op Voetius, als deze tot het uiterste toe zijn strijd voert tegen de hiërarchie der Roomsche Kerk en daarbij zoover uitbuigt, dat hij het Independentisme schijnt te naderen, loopt gevaar Voetius geheel, tegen diens zin en bedoeling in, tot een patroon van het Independentisme te maken.

Wil men Voetius recht laten wedervaren, dan heeft men duidelijk te laten uitkomen, dat, wat het Synodaal regime betreft, Voetius niet zijn uitgangspunt neemt daarin, dat de kerken afgevaardigden naar de Synode zenden, die namens de kerken handelen, maar zoowel de instelling der Synode als het gezag van hare decreten grondt op Gods Woord. Het jus divinum positivum is voor Voetius het fundament, waarop zijn leer van de Synodes is gegrond, waarbij Voetius zich dan bovenal beroept op Hand. 15 en II Cor. 8, waarbij dan als tweede fundament bijkomt de onderlingen overeenstemming der kerken om op grond van eenheid in de belijdenis het kerkverband aan te gaan. Dit laatste is vrijwillig, evenals het aangaan van een huwelijk, maar het eerste de Goddelijke instelling, die blijkt uit de Apostolische practijk (Hand. 15) en uit wat Paaulus meedeelt in II Cor. 8, waaruit blijkt, dat er meer zulke vergaderingen zijn gehouden, is beslissend en wel niet alleen voor de instelling der Synodes zelve, maar evenzeer voor het gezag, dat haar decreten hebben (Pol. Eccl., t. IV, p. 119, 120 en 129, 130). Zooals Voetius op de laatst aangehaalde plaats er aan toevoegt, leiden alle Christelijke Theologen het wettig gebruik en de autoriteit der Synode uit Hand. 15 af. Voetius handhaaft hier ten opzichte van de Synodes en het haar toekomende gezag het grondbeginsel, dat ook onze Belijdenis in Artikel XXX uitspreekt, d.w.z. we gelooven, dat de ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord. Daarop komt het voor ons Gereformeerde Kerkrecht aan. En dat een zoo belangrijk deel van ons kerkelijke regime als de meerdere vergaderingen alleen zou beruten op een zekere overeenkomst door de kerken gesloten, maar niet op een Goddelijk voorschrift ons in de Apostolische practijk geschonken, is daarom voor Voetius ondenkbaar. Trouwens, zelfs de Independenten hadden op hun eerste samenkomst in het Savoypaleis uitdrukkelijk verklaard, dat het houden van Synodes naar de bedoeling van Christus was. Niet om het instituut, maar om het gezag der Synodes ging de strijd. En al de argumenten, door de Independenten aangevoerd, om te betwisten, dat zulk een gezag, als de Synode te Jerusalem had uitgeoefend, ook aan onze Synoes zou toekomen, werden dan ook breedvoerig door Voetius weerlegd. En men verbaasd zich er over, wanneer men ziet, dat diezelfde argumenten tegen het gezag der Synode en van hare decreten, alsof ze niet reeds door Voetius en andere theologen afdoende waren weerlegd, opnieuw ten tooneele worden gevoerd.

Al mag er bij Voetius, althans wat de besluiten der Synode in kerkelijke zaken betreft, zekere aarzeling bestaan, of de kerken daaraan steeds gebonden zijn, wat daaruit voortvloeide, dat onze Synodes onder pressie der Overheid wel eens te veel hadden toegegeven ten opzichte van de feestdagen, het patronaatsrecht enz., wat de doctrinalia betreft, zooals Voetius ze noemt, d.w.z. de leerbeslissingen aarzelt Voetius niet. Wat de leeruitspraken betreft, zegt hij, dat geen particuliere kerk of haar kerkeraad, geen classis en geen predikant het tegendeel publiek leeren mag, hetzij met het levende woord, hetzij in geschrift. En indien iemand meent, dat in de publieke leerformulieren iets tegen Gods Woord is vastgesteld of de Synodes hebben gedwaald, dan behoort hij niet tegen de orde in op de beslissing vooruit te loopen, maar de orde te volgen, welke wordt aangewezen door de onderteekeningsformule, vastgesteld voor de predikanten, ouderlingen en professoren.

Evenzoo wijkt men geheel van het door Voetius geteekende spoor af, wanneer men thans telkens hoort beweren, dat een Synode over een Kerkeraad geen zeggenschap zou hebben, want dat de kerkelijke macht eigenlijk alleen bij de plaatselijke kerk zou berusten. Nu heeft Voetius zeer zeker gezegd, dat de kerkelijke macht van alle afvaardigende kerken grooter is dan van de Synode, waar de afgevaardigden saamkomen, maar het gaat niet aan nu daaruit af te leiden, dat ook de macht van ééne plaatselijke kerk grooter is dan van een Synode en de plaatselijke kerk daarom niet zou onderworpen zijn aan de uitspraken der Synode. Uitdrukkelijk geeft Voetius toch op de vraag, of de macht der meerdere vergaderingen niet grooter is dan van een plaatselijke kerk, ten antwoord; ja, zij het dan onder reserve, terwijl hij dan verwijst naar de bekende uitspraak van Hiëronymus, dat de macht van heel de wereld grooter is dan één stad (t. I. p. 226). De macht van een meerder vergadering is niet een andersoortige macht dan van de plaatselijke kerk, maar de kerken, die hier saamkomen, brengen haar macht mede en deze macht is daarom niet kleiner, maar grooter dan van eene plaatselijke kerk, zooals tien mannen — het voorbeeld is van Voetius — meer macht hebben dan één man. Trouwens, onze Kerkenorde in Artikel 36 verklaart uitdrukkelijk, dat de Synode dezelfde zeggenschap heeft over de particulier Synode als deze over de Classis en de Classis over de Kerkeraad. In welken zin dit bedoeld is, kan wel het best blijken uit het antwoord, dat de Synode van Middelburg, 1581, gaf op de vraag: of de groote kerken zich niet behoorden te onderwerpen aan het besluit der Synode en der Classis zoowel als de herders er zich daarnaar hebben te reguleeren. Het antwoord luidde: dat alle kerken, zoowel groote als kleine, even gelijk aan de Classes enz. onderworpen zijn, gelijk de Classis aan de Particuliere Synode en de Particuliere aan de Generale Synode (p. 29).

H.H.K.