nr. 3447
02-04-1944

Prof. Greijdanus en ons Kerkrecht (II)

Het breede citaat, dat Prof. Greijdanus uit Voetius’ Pol. Eccl. t. IV, p 121, 122 aanhaalt in zijn schrijven aan de Synode, geeft behalve een enkele onjuistheid, waarop ik wees, Voetius’ gevoelen over de macht der Synodes weder. Dat die macht niet onbeperkt is, maar gebonden aan Gods Woord, spreeks voor ieder Protestant van zelf; het geldt, zooals Voetius zelf dan ook opmerkt, niet alleen ten opzichte van de besluiten ener Synode, maar evenzoo van den Kerkeraad. Wat onze belijdenis zegt, dat alleen de H. Schrift regel is voor ons geloof en leven en geen Concilies of wat ook ons tegen Gods Woord binden kunnen, wordt door ons dan ook van harte beaamd. Artikel 31 onzer Kerkenorde, waarin de gebondenheid der Kerken aan de besluiten der meerdere vergaderingen wordt bepaald, maakt dan ook uitdrukkelijk een uitzondering voor het geval men bewijzen kan, dat de beslissingen dezer vergadering tegen Gods Woord ingaan. De moeilijkheid schuilt echter hierin, dat bij zulk een conflict, de meerdere vergadering evenzeer de overtuiging kan hebben, dat, wat ze besliste, wel met Gods Woord overeenkomt en daarom haar uitspraak niet terugnemen kan. Een toestand nu als waarin iedere Kerkeraad en ieder ambtsdrager zou kunnen verklaren: dit besluit of deze leeruitspraak acht ik in strijd met Gods Woord, om dan aan dit besluit geen gevolg te geven, zou het individualisme ten top voeren en alle kerkelijk samenleven onmogelijk maken. De eenige juiste weg, die ook Artikel 31 aanwijst, en nader geregeld wordt in Artikel 39, is, dat de bezwaarde in beroep gaat bij een nog meerdere vergadering, waarbij dan de Generale of Nationale Synode de einduitspraak heeft te doen. Wil men ook bij de einduitspraak der Nationale Synode zich niet neerleggen, dan acht Voetius, als de zaak van hoog gewicht is, een beroep op de Kerkeraden als degenen, bij wie de kerkelijke macht oorspronkelijk berust, de uitweg, dien nem nog kan inslaan of dat een nieuwe Synode saamkomt, waarin andere personen afgevaardigd worden. Hij zelf geeft echter, zooals ik aantoonde, de meest afdoende argumenten om, toen Arminius dezen weg voorsloeg, de onuitvoerbaarheid daarvan aan te tonen. De eenige juiste uitweg zou wezen, zooals dan ook bij het conflict met de Remonstranten gevolgd is, om de medewerking van buitenlandsche Kerken te vragen, of zoo men wil, een oecumenische synode saam te roepen. Intusschen, zoo lang deze oecumenische synode geen uitspraak heeft gedaan, hebben de bezwaarden zich aan de uitspraak der Synode te houden, zooals dit dan ook terecht door onze Synode wordt geëischt. Wie meent, om der consciëntie-wil, dit niet te kunnen doen, voor hem, zegt Voetius aan het slot, blijft geen andere uitweg over dan het kerkverband te verbreken of, als de Synode met disciplinaire straffen optreedt, deze met gelatenheid te dragen. Dat men, in het kerkverband blijvende en als ambtsdrager zijn ambt waarnemende, toch weigeren zou aan de besluiten der Synode zich te onderwerpen, is dus een mogelijkheid, die Voetius niet een onderstelt.

Als Voetius dan ook verder in dit tractaat over de saamkomsten, handelt over de besluiten der Synode, maakt hij een scherp onderscheid tusschen synodale adviezen en synodale besluiten. De synodale adviezen, zooals de uitspraken van vroede mannen, geven aan wat veiliger is, of meer dient tot den vrede en tot opbouwing; hetzij, dat die door de Kerken gemeenschappelijk of door eenige Kerk, ambtsdrager of geloovige geschieden of niet geschieden moet, zooals het bijleggen van geschillen langs den weg van accommodatie, welke niet zelden door de Synodes ontworpen en aan de strijdende partijen aangeraden worden.

Wat de synodale beslissingen betreft, zoo zijn het dezulken, aan welke allen, wien ze aangaan, zich hebben te conformeren, indien ze n.l. rechtvaardig en op wettige wijze gemaakt zijn, of althans aan de orde heeft plaats te geven en zich te onderwerpen heeft, zelfs indien men in zijn consciëntie oordeelt, dat ze slecht en op onwettige wijze gemaakt zijn. Het zijn beslissingen van generalen aard, die gerezen zijn met betrekking tot geloofsartikelen of de wet des Heeren, of van particulieren aard, die raken hetgeen in gevallen der consciëntie geoorloofd of ongeoorloofd is; en ten slotte aangaande strijd- en andere zaken, die door appel op de Synode gebracht zijn (t. IV blz. 217, 218). Men ziet, dat Voetius hier dus wel degelijk van een sujectie of onderwerping aan de beslissingen der Synode spreekt en deze verplicht acht, zelfs als men in zijn consciëntie oordeelt dat de beslissing der Synode onjuist of onwettig is.

Ook in dit verband komt Voetius dan weer op de vraag terug, hoe men handelen moet, als de Synode iets voorschrijft, waaraan men zich te houden heeft op straffe van anders gecensureerd te worden, hetzij deze censuur dan bestaat in afhouding van het Avondmaal en excommunicatie hetzij van schorsing en afzetting uit het ambt.

Indien de Synode daarbij eischt, dat de ambtsdrager door een uitgedrukte belofte, verklaren moet te zullen doen wat hij met een goede consciëntie niet doen kan, dan onthoude hij zich van een dergelijke belofte en onderwerpe zich aan de synodale verordening door lijdzaam te dragen, wat de Synode op onrechtvaardige wijze tegen hem bepalen zal. Onrecht, ons aangedaan, te dragen, is, zegt Voetius, geen ongerechtigheid of onrecht (blz. 218).

Men ziet uit deze beide citaten, hoe voorzichtig men moet zijn met zich op Voetius te beroepen. Terwijl Voetius in het door Prof. Greijdanus aangehaalde citaat uitdrukkelijk zegt, dat er van geen subordinatie, geen sujectie of onderwerping sprake kan zijn bij de Kerken in de Synode vergaderd, maar alleen van onderlinge afhankelijkheid, om elkander met raad en hulp te dienen, wordt hier in den meest stelligen vorm van de ambtsdragers geëischt, dat zij aan de uitspraken der Synode zich wel onderwerpen zullen, zelfs al zouden deze verkeerd en op onwettige wijze gemaakt zijn. Dat dit bij Voetius volstrekt niet alleen berust daarop, dat er ook in de kerkelijke samenleving orde moet zijn en die orde niet kan bestaan, als er geen synodale macht is, waaraan men zich heeft te onderwerpen, zelfs al zou men meenen, dat die synodale macht misbruikt werd, blijkt genoegzaam daaruit, dat Voetius dit gezag der Synodes volstrekt niet allen grondt op de Kerkenorde of op de afvaardiging door de Kerken zelve van deputaten naar de Synode met volmacht om uit haar naam te handelen — wat alleen een kerkelijk recht is — maar op Gods Woord. Voetius wordt, als hij in zijn strijd met de Independenten voor het gezag der Synodes opkomt, niet moede telkens weer er op te zijzen, dat de Synodes berusten op Goddelijke instelling en haar macht haar door God is geschonken. Dat is, wat hij noemt, het positieve Goddelijke recht der Synodes. Het bewijs daarvoor door Voetius — en niet alleen door hem, maar door alle Gereformeerde dogmatici van zijn tijd — aangehaald, is hetgeen in de Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 15, ons meegedeeld wordt aangaande de samenkomst te Jeruzalem, gehouden door Paulus en Barnabas met de Apostelen en ouderlingen te Jeruzalem. Reeds Calvijn had in zijn Commentaar op dit Apostolische voorbeeld gewezen als aanwijzing door den Heiligen Geest, hoe in zulke gevallen door de Kerken te handelen is. Evenzeer nu als in het besluit van het Apostelconvent of, zooals Voetius het noemt, de eerste Synode, uitdrukkelijk gezegd wordt, dat aan de Christenen uit de heidenen geen andere last opgelegd wordt dan zicht te onthouden van offermaaltijden, van bloed en gestikt vleesch en van hoererij en deze besluiten door Paulus en Barnabas als bindende verordeningen naar de Kerken gebracht worden (Hand 16: 2), zoo hebben ook nu onze Synodes, zegt hij, de macht van God ontvangen om zulke bindende besluiten te maken (t. IV, blz. 838).

Nu handhaaft Voetius daarnaast evenzeer, wat hij moemt het jus permissivum divinum, d.w.z. het toelatend Goddelijk recht, waarbij het de Kerken zelve zijn, die door afvaardiging van deputaten de Synode doen saamkomen en deze macht om te handelen, haar mede te delen. In dien zin genomen is deze macht der Synoden niet origineel, maar ontleend aan de Kerken zelve. Om duidelijk te maken hoe dit Goddelijk recht der Synode toch saam kan gaan met de opdracht door de Kerken aan hare deputaten gebruikt Voetius dan telkens drie vergelijkingen. Vooreerst van het huwelijk. De macht van den man in het huwelijk is door God ingesteld en berust dus op een Goddelijke ordinantie. Maar het huwelijk zelf is een vrijwillige daad van de vrouw, waardoor ze dan tegelijk aan de macht van den man zich vrijwillig onderwerpt. Al kan men zulk een vergelijking niet in alle onderdeelen doortrekken, het voorbeeld is duidelijk genoeg. Het tweede voorbeeld, door Voetius telkens aangehaald, is de machtspositie der overheid in een republikeinschen staat, zooals Nederland zelf was. Het Overheidsgezag berust op Gods ordinantie, maar het zijn de burgers, die door de Overheid te kiezen deze macht aan de Overheid opdragen. Een voorbeeld, dat even duidelijk is als het laatste, dat Voetius geeft en aan het kerkelijk leven ontleend is, n.l. het gezag, dat aan de ambtsdragers in de gemeente toekomt. Dat gezag is door Christus geschonken. Maar het zijn de gemeenteleden, die door hun verkiezing deze personen in het ambt zetten.

Laat me hieraan nog mogen toevoegen, dat niet alleen Voetius dit Goddelijk recht en gezag der Synodes leert en al onze Dogmatici van Calvijn af daarmede instemmen, maar dat, wat meer zegt, de Synode van Dordt, toen ze de Remonstranten veroordeelde en de rechtzinnige leer vaststelde, in de declaratie die aan de Leerregels voorafgaat, uitdrukkelijk verklaarde, dat zij krachtens de autoriteit, waarvan zij zich uit Gods Woord bewust was, dat zij die over al de leden van haar Kerk had, aan alle predikanten gelastte en oplegde in Christus' naam om de zuivere leer, door de Synode vastgesteld, te leeren en ongeschonden te bewaren. Dat er geen Synode van Dordt geweest zou zijn, wanneer de Kerken geen afgevaardigden hadden gezonden en aan deze volmacht hadden gegeven om over de leergeschillen te oordeelen, spreekt van zelf. Maar de macht van de Remonstranten te veroordeelen en de zuivere leer uit Gods Woord vast te stellen en deze aan de predikanten op te leggen, had de Synode, zooals ze zelf verklaarde, niet van de Kerken of van de Overheid, maar van God door Zijn Woord ontvangen. Het is daarop, dat ook Voetius uitdrukkelijk wijst (t. IV, p. 791). Er is in Christus' kerk geen macht, dan die door Christus is verleend.

Natuurlijk weet Prof. Greijdanus dit alles zeer wel. Maar zooals hij vroeger in „De Reformatie” verklaarde, onderscheidt hij tusschen twee Voetiussen. Met den éénen Voetius is hij het roerend eens, van den anderen, die voor het Goddelijke recht der Synode opkomt, wil hij daarentegen niets weten. Of het dan echter wel geoorloofd is zich op zulk een gehalveerde Voetius te beroepen?

H.H.K.