19
nr. 41
14-07-1939

Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman over het oude, Gereformeerde, kerkrecht (VII)

De Auteurs zeggen verder: „Zoo leert ook Voetius, dat de Classen en Synoden tegenover de enkele kerk geen afdoende dwingende macht hebben, doch slechts eene afgeleide, zoodat de kerken wel alles moeten aannemen en uitvoeren wat de Synode bepaalt omtrent de leer en andere kerkelijke zaken, doch altijd … voor zoover de naleving of het dulden daarvan niet strijdt met Gods Woord “, blz. 39 v.v.

Over Voetius’ meening inzake de verhouding van plaatselijke kerk en classis zie blz 41v. in de noot, en „De Reformatie”van 13 Mei 1938.

„Hoogstens kon de Synode dezen band doorsnijden, en dus de weerbarstige kerk berooven van de aan het bondgenootschap verbonden voordeelen … De Synode kon natuurlijk eene zich verzettende kerk van het kerkverband uitsluiten. Maar haar bestaan als wezenlijke en volledige kerk kon zij niet vernietigen. Zij had slechts eene afgeleide, haar opgedragen macht”, blz. 44 in de noot.

De Synode heeft dus maar eene haar opgedragen, eene afgeleide, macht, geene eigene macht boven de kerken met hare kerkeraden en leden, en kan hoogstens den band met weerbarstige kerken doorsnijden, eene zich verzettende kerk van het kerkverband uitsluiten.

„Hing de eenheid der kerken van hare voortdurende samenwerking en samenstemming af, dan was niet alleen de band, die haar verbond, vrij los, maar kon er ook moeilijk onderdrukking van den een door den ander ontstaan, behalve in de locale kerk zelve, omdat de richting, die daar in den kerkeraad de overhand wist te verkrijgen, tevens en aansluitend het gebruik had van de kerkelijke goederen en fondsen. Vandaar de buitengewone zorg om alle dienaren door persoonlijke en schriftelijke onderteekening te binden aan Gods Woord en de belijdenisschriften; want die onderteekening was eigenlijk de eenige waarborg, dat de kerk in beginsel bleef wat zij was”, blz. 52.

Zij wijzen dan verder op de overheidsbemoeiïng, ook in gedeeltelijke bezoldiging der prediklanten, en schrijven vervolgens: „Let men op deze feiten, dan is het duidelijk, waarop de in theorie niet te betwisten zelfstandigheid der kerken in de praktijk neer moest komen. Elke kerk op zich zelve mocht zich verzetten tegen de Synode; hare zelfstandigheid handhaven, zoodra men haar iets wilde opdringen, dat zij in strijd achtte met Gods Woord; maar dan, indien zij de Overheid niet op hare hand had, ten koste van al wat zij bezat; ten koste van kerkegoed en tractement”. Blz. 54 v.v.

„Maar in den rechtstoestand bracht deze feitelijke verhouding geen wijziging. Onveranderlijk bleef in alle provinciën het beginsel gelden, dat geene kerk mocht bedrijven of toelaten, wat zij zelve in strijd achtte met Gods Woord”, blz. 60.

Herhalen en cursiveeren wij de woorden: wat zij zelve in strijd achtte met Gods Woord.

„Uit het voorgaande blijkt alzoo, dat gedurende de Republiek … 4e. de kerken ook in andere opzichten groote zelfstandigheid hadden, en geenerlei bestuur boven zich erkenden; 5e. de kerkeraden de voornaamste kerkelijke colleges waren en de gemeente vertegenwoordigden … “, blz. 62 v.v.

In de resumtie van hun geschrift schrijven Dr Rutgers en Jhr Mr de Savornin Lohman dan nog o.a.: „In de streken, welke thans het Koninkrijk der Nederlanden uitmaken, aanvaardden reeds ten tijde der vervolging die kerken, welke later de Gereformeerde Kerken genaamd zijn, als zelfstandige lichamen, vrijwillig, zonder eenige medewerking der overheid, enkel daartoe gedreven door het goddelijk recht, een ander verband” — nl. dan de pauselijke hiërarchie —, „dat zij oordeelden overeenkomstig de Heilige Schrift te zijn …

In dat verband wordt de kerkeraad een college, dat samengesteld uit de Opzieners, de predikanten daaronder begrepen, de gemeente vertegenwoordigt … 

Geen eigenlijk bestuur, allerminst een hooger bestuur of eene Overheid, is in deze organisatie bestaanbaar. Elke kerk is, als instituut, een volkomen geheel, en als zoodanig in beginsel van alle andere kerken onafhankelijk …

Niettemin onderhouden de kerken, naar den eisch der Heilige Schrift onderling een nauw verband. Zij komen daartoe op geregelde tijden in classen en synoden bijeen. Wel niet door het samenkomen van gansche kerkeraden, maar van hare daartoe van lastbrieven voorziene afgevaardigden. Wat in deze „meerdere” vergaderingen door de gezamentlijke kerken wordt vastgesteld, is, onder strak te noemen voorbehoud, bindend voor alle …

De aard van dat verband is, uit juridisch oogpunt beschouwd, contractueel. De gezamentlijke kerken maken niet een bestuur of overheid uit; niemand is aan haar als aan eene overheid gehoorzaamheid schuldig, maar, krachtens de oorspronkelijke overeenkomst, wordt wat in de „meerdere” vergaderingen besloten wordt als datgene beschouwd, wat ieder, die zich verplicht acht, in het verband te blijven, heeft te volgen …, blz. 177 v.

Aan deze laatste alinea schenke men goed zijne aandacht.

„Zoowel elke kerkeraad als alle kerkeraden tezamen zijn in de eerste plaats gebonden aan Gods Woord, waaronder verstaan wordt de Heilige Schrift …

Hoezeer, naar eisch van Gods Woord, het samengaan der kerken plicht is, moet naar den eisch van datzelfde beginsel hij, die oordeelt, dat de ambtsdragers Gods Woord ter zijde stellen, zich aan dat verband onttrekken …

Bij onttrekking aan zoodanig verband hebben de gezamentlijke kerken evenmin dwangmiddelen tegenover een enkele kerk, als de kerk die heeft tegenover een enkel lid. Wel mag de classis of synode kerkeraadsleden ontzetten van hun ambt zoolang de kerk in het verband staat; maar als de kerk dat vonmnis niet erkent, verblijft aan de gezamentlijke kerken geen ander verweermiddel dan om deze kerk van het verband af te snijden ... “, blz 178 v.

Op blz 54 wordt in eene noot nog betreffende Dr H.G. Kleyn , die de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerken in theorie niet betwistte en erkende dat die tegenover andere kerken in den aanvang de Reformatie niet belemmerd werd, maar zeide, dat dit alleen gold van de kerken onder het kruis, gezegd: „Door die laatste woorden nu wordt wel ingewikkeld te kennen gegeven, dat de latere belemmering een gevolg was van de Overheidsbemoeiïng. Maar uitgesproken wordt dat toch niet. En daarentegen wordt beproefd door een zeer uitvoerig „historisch” betoog … den lezer duidelijk te maken, dat de classen en synoden uit zich zelve dwingende macht hebben over de kerken; waarbij dan de lezer ook wel denken kan aan eene macht, die gehandhaafd kon worden, niet door administratieve Overheidsbemoeiïng, maar in rechten, door de uitspraak van den burgerlijke rechter. Jammer slechts, dat het met die menigte aldaar aangehaalde „feiten”, en dan met alle zonder uitzondering, geheel anders gesteld is dan Dr Kleyn het voorstelt”.

Zij wijzen dan aan, waar zij in hun geschrift de door Dr Kleyn genoemde feiten bespreken, en voegen er dan nog allerlei bij, om op blz. 57 te schrijven: „Inderdaad echter hebben de Classen en Synoden zelve in den hier bedoelden tijd niets geweten van een recht, dat zij tegenover onwilligen zouden gehad hebben. Wel hebben zij in zulke gevallen zich niet altijd bepaald tot bloot zedelijken drang; maar ook zelfs waar zij de Overheid te hulp riepen, waren de gronden, die zij aanvoerden, nooit van juridischen aard, alsof zij in rechtmatige aanspraken moesten gehandhaafd worden, maar uitsluitend van zedelijken aard, ten einde den steun te ontvangen van administratieve Overheidsbemoeiing.

Classes en Synodes hebben zich dus in den vroegeren tijd „niet altijd bepaald tot bloot zedelijken drang”. Met het aanvoeren van allerlei gevallen uit de historie kan men daarom op zichzelf niet volstaan. Toch kwam men ook tegen de Doleantie op met allerlei „feiten”, die echter door Dr Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman niet als juist noch ter zake doend erkend worden. Doch zij schrijven: „Inderdaad echter hebben de Classen en Synoden zelve in den hier bedoelden tijd niets geweten van een recht, dat zij tegenover onwilligen zouden gehad hebben”.

Zoo is het duidelijk, welk het karakter van het Gereformeerd kerkverband in de 16e eeuw in ons land was volgens Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman, nl. geene hiërarchie, maar eene vrijwillige naar Gods wil aangegane confoederatie. De meerdere vergaderingen waren geene hoogere vergaderingen, noch hoogere besturen, en hadden geen eigene macht, doch slechts eene van de kerken afgeleide. Er was geen institutaire classicale, provinciale, landelijke kerk. De plaatselijke kerken waren geen afdeelingen van deze landskerk of provinciale of classicale kerk.

Uit dit alles is ook duidelijk het Doleantierecht. Dat stemt met dit oude Gereformeerde kerkrecht overeen. En daaruit kan gezien worden, dat net nieuwe kerkrecht van gansch anderen aard is. 

S. GREIJDANUS.