19
nr. 40
07-07-1939

Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman over het oude, Gereformeerde, kerkrecht (VI)

„Maar als de kerk zelfstandig was, moest zij allereerst de bevoegdheid hebben oppermachtig te beslissen, wie tot haar behooren zou. Die bevoegdheid nu bezat zij zonder eenigen twijfel”, blz. 22.

„Men behoeft slechts even een blik te slaan in de een of andere Kerkenordening vóór deze” — 19e — „eeuw, om getroffen te worden door de wijze, waarop daarin de kerkeraden of consistoriën op den voorgrond treden. Letterlijk in alle zaken is de kerkeraad de hoofdpersoon”.

„De eenheid nu van die kerken bestond allereerst, ja eigenlijk alleenlijk, in de gemeenschappelijke belijdenis… Men zeide … gemeenschappelijke onderwerping om de belijdenis is voor ons geheele kerkverband het ééne onmisbare; de eenheid van kerkelijke vormen is dan wel wenschelijk, maar het kan toch ook wel als die ontbreekt”, blz. 25v.

„Die verbinding evenwel was niet enkel inwendig, doch ook uitwendig. Zij openbaarde zich in de insteling van de vierderlei kerkelijke tezamenkomsten; de kerkeraad, de Classicale vergaderingen, de particuliere Synodes en de nationale of generale“ (art. 29 Dordsche Kerkenord. van 1619).

Maar die samenkomsten waren geen „kerkbesturen”. De Classicale Vergaderingen bestonden uit genabuurde kerken, die … een of meer dienaars en ouderlingen met behoorlijke credentie en lastbrief afgevaardigden, zoodat het mandaat van deze afgevaardigden dan ook met het scheiden der samenkomsten was afgeloopen”, blz. 27.

Dus geen komen tot meerdere vergadering krachtens het ambt, maar krachtens afvaardiging.

De Synoden debuteerden eenige harer leden om voor de volgende samenkomst alles wat de Synode geordonneerd had, te verrichten bij de respectieve classen …, en de Classes stelden eenige dienaren aan, die toezicht op de kerken hadden te houden, en de nalatigen in tijds broederlijk te vermanen. „Verder ging hunne bevoegdheid niet”, blz. 28v, hoewel er „wel eens deputaten geweest zijn, die zich inbeelden, dat zij bevoegd waren „de zaken gaande te houden”, of als „bestuursleden” op te treden, en die er op uit waren, zelven eenig „gezag uit te oefenen”; maar het – door Prof. M. A. Goossen ter bestrijding aangevoerd – „verhaal leert ons voorts, hoe men in de 17e eeuw zulke aspirant-hiërarchen op hun nummer wist te zetten”, blz. 30, noot 1.

Voor blz. 32 en 33 inzake de vraag of de kerkelijke macht bij „wanbestuur en ongeneeslijk bederf aan de synodale vergadering der kerken toegekend en door haar uitgeoefend”, zie men „De Reformatie” van 19 Mei jl.

Of de classis de bevoegdheid tot initiatief van een kerkelijk vonnis had, wanneer kerkeraad en leeraar het niet eens waren, „blijkt niet. Het is in allen gevalle twijfelachtig”, blz. 31. En „waren de kerkelijke dienaren… verplicht, zich te onderwerpen aan de bestaande Kerkenordening”, dan was dit „niet omdat zij zich daartoe aan anderen buiten hunne kerk verbonden hadden, maar omdat zij verbonden waren aan hun eigen kerk, welke in gemeen accoord met andere kerken de Kerkenordening hadden aangenomen, zoodat deze, zoolang dat accoord niet verbroken was, ook hen bond”, blz. 33v.

Inzake de bepaling in art. 31 K.O. „Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen Gods Woord, of tegen de artikelen in deze generale Synode besloten, zoolang als dezelve door geene andere Synode veranderd zijn”, schrijven zij: „Ons dunkt, dat de uitdrukking niets anders kan betekenen dan dit: men is gebonden, tenzij men voor zich zelven bewezen achte, dat Gods Woord de naleving van hetgeen goed gevonden is, verbiedt. Het was immers op dienzelfden grond, dat de Gereformeerden hun verzet tegen de Roomsche hiërarchie, zonder een besluit van een Concilie af te wachten, en ook tegenover Roomsche conciliën, volkomen gerechtvaardigd achtten”, blz 35 in de noot.

Het gaat hierbij om de woorden: tenzij men voor zichzelven bewezen achte.

Op de vraag, of „daardoor de eenheid zelve, die immers evenzeer een fundamenteel begrip was als de zelfstandigheid der kerk in geloofszaken, niet verloren” ging, antwoorden zij: „Schijnbaar voorzeker. Want de band, die allen verbond, was veel meer van zedelijken, van geestelijken, dan van juridischen aard. Natuurlijk waren de overige kerken op haar beurt bevoegd, op denzelfden grond de gemeenschap af te breken met haar weerbarstige bondgenoote, en daardoor zich te hoeden voor hetgeen zij ketterij achtten, zonder haar hoofdbeginsel, nl. dat het Woord Gods in alles richtsnoer is en gaat boven menschelijke verordening, te laten varen. Er was nu eenmaal geen hiërarchie meer, noch kerkelijken overheid, doch alleen samenwerking en overeenstemming.

Had men, ten aanzien der gemeenschappelijke belijdenis, de overeenstemming vervangen door het beginsel van overeenstemming, dan ware er een nieuwe hiërarchie in de kerk ontstaan, en alle waarborg, dat in alles de consciëntie getoetst aan Gods Woord zou beslissen, in strijd met art. 7 der belijdenis verdwenen”, blz 36v.

Hier worde herhaald en gecursiveerd: Er was nu eenmaal geen hiërarchie meer, noch kerkelijke overheid, doch alleen samenwerking en overeenstemming.

„Dat de kerkeraad, die zich niet aan de beslissing der meerdere vergadering onderwerpen wilde, in rechtskundigen zin wel vrij moest blijven, ligt zoozeer in den aard der zaak, dat men zich zelfs geene procedure kan denken, om hem te dwingen anders te handelen Alleen de locale kerk bezat de goederen; niemand had eene actie om haar daaruit te ontzetten … de kerk werd vertegenwoordigd door den kerkeraad. Alzoo moest, zoolang er geen middel was dezen te verwijderen, de beslissing van den kerkeraad, zoowel tegenover de leden als tegenover de gezamentlijke kerken, in juridischen zin gelden als hoogste wet”, blz. 37. 

S. GREIJDANUS.