19
nr. 39
30-06-1939

Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman over het oude, Gereformeerde, kerkrecht (V)

„In de Nederlanden is het kerkverband der Gereformeerde Kerken tot stand gekomen ongeveer op dezelfde wijze waarop het 15 eeuwen vroeger oorspronelijk in de Christenheid is gevormd: door vrijwillige confoederatie der plaatselijke kerken zelve”, blz. 188.

„In landen, waar de Overheid de Hervorming tegenstond en haar geweldig zocht te onderdrkken … kon er slechts een nieuw kerkverband komen, doordat de plaatselijke kerken, na van zich te hebben weggedaan, wat zij naar Gods Woord misbruiken achtten, waaronder de heerschappij der bestaande hoogere besturen en der van hen uitgegane kanonische wetten behoorde, en na zich plaatselijk te hebben gereconstitueerd, weer met elkander in verbinding traden, door in Classen en Synoden samen te komen, wel niet in haar geheel, maar dan toch door lasthebbers; welke nieuwe verbinding dan geheel vrijwillig geschiedde, alleen door inwendigen drang en uit motieven van geestelijken aard”, blz. 189.

Dus: die nieuwe verbinding geschiedde geheel vrijwillig. Zij was eene vrijwillige confoederatie der kerken.

De kerken konden niet in haar geheel samenkomen in Classis en Synode, maar door afgevaardigden.

En deze afgevaardigden waren lasthebbers, lasthebbers van hen afvaardigende kerken.

„Op die wijze is het in de Nederlanden dan ook toegegaan”, blz 190. Hiervan geven deze Auteurs dan voorbeelden ten bewijze.

„Door dit kerkverband werden nu niet alle de Gereformeerden in de Zuidelijke Nederlanden” — over welke tevoren gehandeld was — „tot één groot genootschap vereenigd. Ieder Gereformeerde was en bleef lid van zijne plaatselijke kerk; en het waren deze kerken (niet de individuen waaruit zij bestonden), die het kerkverband hadden aangegaan. Daardoor ontstond er dan ook geenszins een nieuw soort van kerk: men bleef, blijkens de stukken, altijd spreken van „de kerken” (in het meervoud). Er kwam geen centraal bestuur; de regeering der kerken was en bleef bij de kerkeraden, die haar plaatselijk permanent uitoefenden, en voorts tezamen slechts gedurende enkele dagen over de gezamenlijke kerken, terwijl er tusschen de Synoden in weer niets anders was dan de plaatselijke kerkeraden. Ook waren de gemeenschappelijk gemaakte bepalingen slechts verbindend door de gemeene toestemming der kerken zelve. En, rechtskundig gesproken, kon natuurlijk iedere kerk zich ten allen tijde weer aan dat verband onttrekken”, blz. 192 v.

Derhalve: geen nieuwe kerk door de verbinding der kerken in classicale en synodale vereeniging, geen classicale, provinciale, landelijke kerk als institutair geheel.

Geen centraal bestuur.

De regeering der kerken bleef bij de kerkeraden. De classicale en synodale vergaderingen geen permanente lichamen. In den tijd tusschen die meerdere vergaderingen was er „weer niets anders dan de plaatselijke kerkeraden”.

En de gemeenschappelijk gemaakte bepalingen slechts verbindend door de gemeene toestemming der kerken zelve.

Dus niet, omdat eene synode als synode die uitgevaardigd had.

Eene synode had geene eigene macht los van en boven of over de kerken. Zij vormde geen centraal bestuur.

„Volkomen hetzelfde zien wij, reeds ten deele in denzelfden tijd, maar vooral eenige jaren later, ook in de provinciën van het tegenwoordige Nederland geschieden. Zoo handelden de enkele kruiskerken, die, zij het ook tijdelijk, hier en daar geformeerd werden. En diezelfde beginselen werden ook gevolgd bij de voorbereidende samenkomst van Gereformeerden uit de Nederlanden, die in October, of althans tot 3 November 1568 te Wezel gehouden werd”, blz. 103.

Zij wijzen er dan op, dat reeds in de voorrede gesproken werd „van de gemeyne toestemminge van de Dienaren Gods in Nederlant”, halen een paar artikelen aan, en ook weer Art. 19 van hoofdstuk V, en handelen dan over de brieven van Marnix, die deze bijeekomst bijgewoond heeft, en waarin hij in beoordeeling van hem gezonden artikelen van den kerkeraad der Nederlandsch gemeente te Londen, opkomt voor de vrijheid der afzonderlijke kerken om in bepaalde gevallen andere kerken te beoordeelen en te verwerpen. Zij citeeren die brieven om in het licht te stellen „hoedanig een kerkverband hij daarmede bedoelde”, dat hij „alle de gemeynten der Nederlanden tot éénen lichaeme in te lyven”, zocht, blz. 194v.

En stellen die Londensche artikelen: „De dienaren der kerk hebben de macht en het gezag om ordinantiën en voorschriften te geven, en die met de andere gebruikelijke ordinantiën der algemeene kerk (indien zij ten minste in de Heilige Schrift haren grond hebben) te handhaven en te beschermen tegen al wie ze veroordeelen, afwijzen of overtreden, Voorts, daar het vaststaat, dat de dienaren van Christus, wanneer zij zóó handelen, noch het gezag van Christus, den Heer, in eenigerlei opzicht verminderen, noch aan de Christelijke vrijheid in het minst tekort doen …”, dan critiseert Marnix het eerste met o.a. te zeggen dat het een recht fondament der papistischer tyrannye” is, en het laatste, door te zeggen, dat het gebrekkig is omdat daarin ontbreekt „het onderscheyt van billick ende onbillick”, blz. 195v.

En opmerkelijk is ook in die brieven de geheele voorstelling, die Marnix geeft van de kerkregeering, en de waarschuwing (bijna een profetie), die hij daar bijvoegt tegen de overheersching der kerken voor reglementmakende kerkbestuurders, die daarbij „de eene de eerbaarheyt, de ander de stichtinghe, de derde de ordentlickheyt voorwenden”, blz. 196.

„Geheel dezelfde beginselen, die door Marnix, en in het algemeen door de Wezelsche conferentie in 1568 gehuldigd waren, lagen ook ten grondslag aan het werk van „de Emdensche Synode der Nederlandsche kerken onder het kruis en in de verstrooiïng gehouden den 4en October 1571 en vervolgens”, blz 197.

„Het was er dan ook ver van af, dat men op die Synode zou gemeend hebben, dat nu de Nederlandsche Gereformeerde Kerken, die er reeds waren of die daarna zouden geconstitueerd worden, rechtens verplicht waren de gemaakte kerkenordening aan te nemen en stiptelijk na te leven. Dat hebben hare leden en dat hebben de kerken zelve blijkbaar geheel anders begrepen”, blz. 198. Hiervan geven zij dan voorbeelden ten bewijze, b.v. wat classisvorming betreft. „Bij zoodanige beslissingen hadden de kerken zonder twijfel te rekenen met hare geestelijke en zedelijke verplichtingen. … Maar die verplichting was alleen zedelijk; er was geen uitwendige dwang”, blz. 202. 

„Dat die plaatselijke kerken, bij al hare vrijheid en zelfstandigheid, zich tot een kerkverband vereenigd hebben, is voor wie hare belijdenis kent, waarlijk geen wonder; evenmin als het vreemd is, die bijna ieder individu, bij al zijne vrijheid en zelfstandigheid, zich toch aansloot bij het kerkverband zijner plaatselijk kerk. Maar ook in het kerkverband bleef toch, geheel in overeenstemming met zijn oorsprong, ieders recht en ieders vrijheid onverkort. Daarom juist was men ook daarna zo afkeerig van al wat maar eenigszins op hiërarchie geleek, en wilde men geen kerkelijke bestuurscolleges buiten de kerkeraden. Classen en Synoden waren slechts tijdelijke samenkomsten van die eeniglijk gedulde bestuurscolleges; en die namen zelven zouden zelfs niet meer passend zijn, als men permanente hoogere besturen wil. 

Daarom juist hield men ook daarna zoo uitdrukkelijk vast, dat de afgevaardigden der kerken lastbrieven moesten hebben, en wel zooveel mogelijk van iedere plaatselijke kerk in het bizonder. Eene andere regeling is wel minder omslachtig, zegt Voetius …, maar minder veilig en zou eerder tot oligarchie kunnen leiden, terwijl juist bizonder gewaakt moet worden tegen hen, die zulke oligarchie, en als gevolg daarvan eene soort van bisschoppelijke regeering in den zin hebben”, blz. 203.

Dus ook waken tegen oligarchie. En daarom ook niet telkens dezelfde afgevaardigden ter synode. Daarom evenmin steeds in dezelfde handen allerlei deputaatschappen in dezelfde handen, en deze deputaten dan nog bovendien stemhebbende leden ter synode. Er moet niet zijn een beoordeelen van en rapporteeren en beslissen over eigen werk; althans zoo weinig mogelijk.

Daarom juist bleef men ook daarna altijd spreken van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken (in het meervoud) … en betoogde Voetius …, dat door het kerkverband niet een nieuwe vorm van kerk werd ingevoerd, en dat die gezamenlijke kerken dan ook eigenlijk niet „kerk” (in het enkelvoud) konden genoemd worden”, blz. 203. Men denke hierbij aan eene bekende dissertatie, die het vlak anders zegt. „Daarom juist werd ook daarna erkend, dat het gezag van Classen en Synoden voor de kerken gold, uit kracht van de vrijwillige toetreding tot de correspondentie … en dat het kerkverband rechtens zijn grond had, niet in kerkelijke bepalingen, noch …, noch …, noch…, maar eeniglijk en alleen, in abstracto en in het algemeen: in Gods bevel; en concreet in Gods bevel; en concreet bij de bijzondere toepassing: in vrijwillige toestemming en verdrag der kerken”, blz 204v.

Iets hervan verdient herhaald en onderstreept te worden: Daarom juist werd ook daarna erkend, dat het gezag van Classen en Synoden voor de kerken gold, uit kracht van de vrijwillige toetreding tot de correspondentie. En dat het kerkverband rechtens zijn grond had … in abstracto: in Gods bevel – en concreet bij de bijzondere toepassing: in vrijwillige toestemming en verdrag der kerken.

„Daarom juist werd ook daarna gehandhaafd, dat rechtens geene kerk zich ook voor het nageslacht tot een kerkverband kan verbinden, doch ook de volgende geslachten hierin vrij zijn, en evenmin als degenen, die het kerkverband aangingen, als dienstbaar en redeloos vee te beschouwen zijn”, blz. 205.

S. GREIJDANUS.