19
nr. 38
23-06-1939

Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman over het oude, Gereformeerde, kerkrecht (IV)

Men heeft in den jongsten tijd van den kant van hen, die het nieuwe kerkrecht propageeren, gezegd: art. 85 (vroeger 84) K.O. zegt wel dat geen kerk over andere kerken … eenige heerschappij voeren zal, maar dat geldt van de eene kerk of dienaar ten aanzien van de eene of den andere, doch niet van eene vergadering van kerken als classisvergadering of synode. De kerken in classis of synode vergaderd, hebben te zamen wel over eene kerk en hare dienaren en leden oppermacht van beschikken, bevelen, schorsen, afzetten. 

Ik heb gevraagd, vanwaar zij die macht hadden. En ik heb dat ook uitgedrukt op deze wijze: wanneer en hoe 10 of 25 x 0 meer werd dan 1 x 0. Dat is echter eigenlijk geene wijsheid van mij. Dr F.L. Rutgers drukt diezelfde gedachte in negatieven vorm met het oog op de regeling van de emeriti-verzorging uit, als hij schrijft: „Een rechtsgrond, waarop steunen zou, dat eenige kerk voor de finantiëele verplichtingen eener andere kerk mede aansprakelijk zijn zou, op zichzelf niet bestaande, kan ook niet worden in het leven geroepen door een eventueel besluit eener Generale Synode. Deze toch is bij de Gereformeerde Kerken geenszins een bestuurscollege, dat als zoodanig eene eigene macht over de kerken zou hebben, maar alleen eene vergadering van de kerken zelve, waarin deze haar eigene macht, althans voor een bepaald gedeelte, bijeenbrengen; en wanneer nu ieder van die kerken op zichzelven niets te zeggen heeft over de geldmiddelen eener andere kerk, kunnen zij gezamenlijk te dien aanzien evenmin eenig zeggenschap hebben”, Acta van de Synode te Utrecht, 1905, blz. 214.

Dus: bij de Gereformeerde Kerken is eene Generale Synode geenszins een bestuurscollege. 

En zij heeft geene eigene macht over de kerken. En: „wanneer nu ieder van die kerken op zichzelven niets te zeggen heeft over de geldmiddelen eener andere kerk, kunnen zij tezamen evenmin eenig zeggenschap hebben”.

En wat van de geldmiddelen geldt, geldt toch evenzeer van al het andere van eene of van elke kerk eener classicale of synodale vereeniging van kerken. 

Zoo heeft Dr F.L. Rutgers het uiteen gezet en geleerd in het rapport betreffende art. 13 K.O. Want hij was de steller van dat rapport. En de Synode van 1905 heeft dat rapport met zijn voorstellen na enkele kleine wijzigingen aangebracht te hebben, aangenomen; welke wijzigingen geene betrekking hebben op het hier aangehaalde. „Deze Synode besluit derhalve, 1. het rapport van de deputaten der Synode, nadat de navolgende wijzigingen en aanvullingen zijn aangebracht, in zijn geheel over te nemen”, Acta, blz 72, art. 131. En de Commissie, die prae-advies over dit rapport had uit te brengen, zeide, dat „daarin zoo schoon de beginselen zijn ontwikkeld, die aan Art. 13 K.O. ten grondslag liggen”, Acta, blz. 219.

Wij hebben hier dus uitspraken van Dr F.L. Rutgers uit 1905, en door de Synode te Utrecht overgenomen. Toen was het reeds een 20 jaar na den aanvang der Doleantie. Mocht Dr Rutgers dus in 1886 in de hitte van den strijd soms over de zelfstandigheid der plaatselijke kerken en het vrijwillig, hoewel van Godswege verplicht, confoederatief verbond onzer Gereformeerde Kerken iets gezegd of geschreven hebben, dat minder juist moest heeten, nu, in 1905 was die strijd reeds een kleine 20 jaar achter den rug. Toch leerde hij nog evengoed:
eene Generale Synode is geenszins een bestuurscollege;
zij heeft als zoodanig geene macht over de kerken;
heeft de eene kerk op zichzelve niets te zeggen over hetgeen van eene andere kerk is, dan hebben de kerken te zamen dat evenmin.

En dat heeft toen, 20 jaar na den aanvang der Doleantie, niet alleen Dr F. L. Rutgers geleerd, maar ook zijn mede-deputaten.

Ja, dat is overgenomen als haar overtuiging en besluit door de Synode te Utrecht in 1905.

Door de Synode te Utrecht.

 

Maar dat was in dezen niets anders dan het Convent te Wezel reeds aannam: „Nochtans staan wij de Classicale Vergaderingen hier in geen regt toe over eenige Kerke ofte hare diensten; ten zij dezelve dat van zelfs zullen toestemmen; opdat de kerke niet tegens haar dank berooft werde van haar recht ende gezag”. Zie vorig nummer van „De Reformatie”.

En nu gaat men beweren: art. 85 heeft geene betrekking op de meerdere vergaderingen. De gezamenlijke kerken mogen wel heerschappij voeren over de plaatselijke kerken en hare dienaren. Dat wordt door Art. 85 K.O. niet uitgesloten!

Dat zou dan geen nieuw kerkrecht zijn, noch verloochening van de beschouwingen van Dr F.L. Rutgers en Dr A. Kuyper en van de kerkrechtelijke beginselen der Doleantie. Zulk eene principieele en algemeene verandering van kerkrechtelijke beschouwing, en dat in zoo betrekkelijk luttele jaren.

 

Trouwens, op het gebied van de principiën beleeft men meer vreemde dingen. In 1905 was bovengenoemd rapport inzake de regeling van Art. 13 K.O. geprezen als „zoo schoon de beginselen” ontwikkelend die aan dat artikel ten grondslag liggen. Maar reeds een paar jaar later begon men eene regeling in te voeren, waarvan men zeide, dat zij met het te Utrecht aangenomene in wezen overeenkwam, en waarvan nog onlangs gezegd werd, dat wij in dezen niet naar Prof. Rutgers terug moeten, omdat wij nooit van hem weg gegaan zijn, hoewel Dr Rutgers zelf in 1909 van een dergelijke regeling o.m. dit schreef: „Hoe is het dan nu mogelijk, dat thans, zoo kort daarna” – d.i. na 1905 — „eene regeling wordt voorgesteld en in eene Classicale Vergadering wordt aangenomen, althans voorloopig, welke zoowel principieel als practisch lijnrecht ingaat tegen dat rapport en dat Synodaal besluit, en dat zulke regeling dan nog bovendien voorgesteld wordt als daarmede geheel overeenkomende, en als eene goede uitvoering van dat beskuit …”, Kerkelijke adviezen, I, blz. 93 v. 

 

Nu bracht Prof. M. A. Goossen tegen de aanvoering en bizondere drukwijze van bovengenoemde Wezelsche afspraak door Dr Rutgers en Jhr Mr de Savornin Lohman in, dat zij in geen enkele kerkenordening overgenomen was, blz 193, noot 1. Daarop antwoordden deze Schrijvers: „Hetgeen in de aangehaalde artikelen van het Wezelsche ontwerp werd uitgesproken, is een grondbeginsel van ons kerkrecht gebleven, al werd het later in de kerkenordeningen ook niet meer geformuleerd met bewoordingen, die voor eene handleiding (als het Wezelsche ontwerp wilde geven) passende waren”, blz. 194 aan den voet der pagina.

S. GREIJDANUS.