19
nr. 36
09-06-1939

Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman over het oude, Gereformeerde, kerkrecht (II)

Beide geleerden zeggen, dat de vraag opgeworpen kan worden of de „Nederlandsche Hervormde Kerk” inderdaad een kerk is. Maar zij laten die vraag rusten, en schrijven: „Wij bepalen ons tot het recht der locale kerken, onverschillig welke hare gezindheid zij”, blz. 8.

Dan eerst teruggaand tot den toestand vóór de leervorming, zeggen zij: „Het is ontwijfelbaar, dat van den aanvang af de Christelijke kerk, ofschoon één in belijdenis, bestaan heeft uit verschillende kerken, die, hoezeer ook onderling verbonden, toch elk afzonderlijk een geheel zelfstandig bestaan leidden. Zij werden geconstitueerd door de apostelen en diegenen, die door hen en na hen daartoe onder medewerking der gemeente geroepen werden. Die gemeenten of kerken hadden haar eigen besturen en bezittingen”.

Even verder gaan zij dan voort: „Duizenden feiten getuigen het”. Maar op een enkel getuigenis wijzen zij dan. In een daar aangehaald boek uit de oudheid „wordt medegedeeld, dat in vele testamenten òf de Heere Jezus Christus, òf een der aartsengelen, òf der eerbiedwaardige martelaren tot erfgenaam worden ingesteld, en bepaald, dat, in zoodanig geval, als eigenaar in rechtskundigen zin niet de geheele, maar altijd eene of andere bepaalde, in de wet aangeduide kerk als erfgenaam moet beschouwd worden. Die verschillende kerken, zoodra zij als rechtspersonen erkend werden konden dan ook tegen elkander procedeeren en met elkaar handelen. Hieromtrent kan moeilijk verschil van gevoelen bestaan”, verklaren zij, blz. 9/10.

Maar daarnaast staat ook eene tweede zaak evenzeer vast.

Er was niet alleen de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. „Even onbetwistbaar is het feit, dat die kerken, hoe zelfstandig ook, samen toch weer een geheel vormden, en wel door hare gemeenschappelijke belijdenis. Hare stichters toch stamden, in geestelijken zin, allen af van de apostelen, die de verkondigers waren van den Heere Jezus Christus en van de leer, waarin hun geloof zich uitsprak.Er was dus een geestelijke band tusschen al de kerken. Op zichzelf is dit voor het recht zonder belang, want enkel geestelijke gemeenschap brengt geene rechtsgevolgen te weeg”, blz. 10.

 

Laat ons dit laatste even goed vastleggen en iets ervan cursiveeren. „Er was dus een geestelijke band tusschen al die kerken. Op zich zelf is dit voor het recht zonder belang, want enkel geestelijke gemeenschap brengt geene rechtsgevolgen te weeg“. 

Maar toen kwam de hiërarchie en de overheidsbemoeiïng, die deze geestelijke gemeenschap ook deden werken op rechtsgebied.

„Dat de gebondenheid of eenheid der zelfstandige kerken ten nauwste samenhing met Staatsbemoeiïng kan o.a. hieruit blijken, dat, zoodra de wereldlijke overheid haar machtigen steun onthield, schisma’s mogelijk werden. Men denke b.v. aan het schisma, waarbij de Grieksche kerk ontstond. Zoodra de wereldlijke macht zich tegen de pauselijke oppermacht verklaarde, was de eenheid verbroken. Maar geenszins hielden daarom de locale kerken op te bestaan. Integendeel bleef alles op den ouden voet. De eigendommen veranderden niet van bezitter. Niets werd gewijzigd, dan het toezicht. En ditzelfde zien wij bij de Reformatie in de 16e eeuw gebeuren”, blz. 12.

Aan den voet der pagina schrijven zij dan in eene noot tegen Dr H.G. Kleyn: „Ook wij vermelden uitdrukkelijk, dat de deelen onafscheidelijke deelen waren van het geheel, niet evenwel van de Roomsche, maar van de Christelijke of Katholieke kerk. Voor de rechtsbeslissing is dit feit hoofdzaak, dat de locale goederen niet in eigendom behoorden aan de Algemeene kerk, zelfs niet aan een Bisschoppelijke kerk, maar aan de locale kerk, en dat de Bisschoppen wel toezicht, geen eigendomsrecht hadden. Alzoo kon de rechter aan de kerk haar eigendomsrecht niet ontzeggen, ook al week zij in geestelijken zin van haar plicht af, dus ook als zij zich afscheidde van andere kerken, tenzij hij òf de geestelijkheid, met den Paus aan het hoofd, als hoogsten rechter beschouwde òf wel de beweerde ketterij van de locale kerk aan de kerkelijke belijdenis had willen toetsen, iets waarvan hij zich om goede redenen onthield”.

Zij komen dan tot de bespreking van den toestand na de Hervorming. En zij zeggen dan: „In elke stad, in elk dorp waar de Hervorming doordrong, verwierp de oude, bestaande gemeente datgene, wat zij voor dwaling hield; beschouwde zich als de oude, voortbestaande, doch nu gereformeerde kerk en bleef in het bezit van de haar toekomende (of voor haar bestemde) goederen, terwijl zij als haren vertegenwoordiger eenig en alleenlijk haar eigen leeraar of leeraars en opzieners, d.i. haren kerkeraad, beschouwde. Onderworpenheid aan priesters van hoogeren rang, van welken aard ook, werd verworpen; de rechtmatigheid van elke priesterlijke hiërarchie, de bevoegdheid van hoogeren geestelijken om kerkelijke besturen te ontslaan, uit beginsel en geloofsovertuiging ontkend. Soms ging de pastoor met de gemeente over, soms ook niet; maar in alle streken waar de Gereformeerde Overheid haar macht kon doen gelden, werd de opvatting gehuldigd, dat de oude gemeente of kerk, nu gereformeerd naar den Woorde Gods, was blijven bestaan”, blz. 12/13.

Geen priesterlijke hiërarchie dus, geen hoogere geestelijken.

Maar wel classicale en synodale hiërarchie, en wel hoogere classicale en synodale besturen?

Evenmin, zooals wij zullen zien.

Maar geholpen of gedwongen door de overheid, hebben de meerdere vergaderingen toch wel eens droeve dingen uitgehaald.

In eene noot maken zij dan tegen Dr Kleyn en Ds César Segers nog de opmerking, dat zij in het bovenstaande „niet een stukje kerkgeschiedenis gaven, maar (gelijk er nadrukkelijk bij staat) eenvoudig „de gevolgen beschreven, welke in ons land de Hervorming op den rechtstoestand van de kerken en van hare goederen heeft uitgeoefend”; waarbij het volkomen onverschillig was en is, op welke wijze en door welke middelen „de Hervorming in eenige stad of in eenig dorp was doorgedrongen”. Wij deden niets anders dan de rechtsbeschouwing teruggeven, welke gedurende de Republiek ten aanzien der goederen gold, en in het oog der Gereformeerden hun bezit tegenover de Roomsche aanspraken rechtvaardigde”, blz. 13, noot 2.

S. GREIJDANUS.