19
nr. 35
02-06-1939

Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman over het oude, Gereformeerde, kerkrecht (I)

In 1886 en volgende jaren betwistten velen aan de leiders der Doleantie het recht om op kerkelijk gebied te handelen en aan te raden, zooals zij deden. Men kwam met allerlei argumenten aan: historische, staatkundige, kerkrechtelijke e.a. Toen hebben Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman en Dr F.L. Rutgers het goed recht der Doleantie tegen dergelijke bezwaren verdedigd in een geschrift: De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken. In een tweede, veel vermeerderde, uitgaaf hebben zij ook uitvoerig op de bestrijding van hun geschrift door Ds E. César Segers, Dr H.G. Kleyn, Prof. M.A. Goossens e.a. geantwoord. Uit dit geschrift kunnen wij duidelijk zien, evenals uit „Heraut”-artikelen in die jaren van Dr A. Kuyper, welke de beschouwingen waren van de Doleantieleiders over de rechtsverhouding der plaatselijke kerken tot wat wij noemen de meerdere. kerkelijke vergaderingen; welke de beginselen volgens hen waren van de samenleving der Gereformeerde kerken hier te lande sedert de Reformatie. En welke dus de kerkrechtelijke beginselen zijn van de Reformatie. Het zal bij het nagaan van dit geschrift wel spoedig duidelijk kunnen worden, hoe het nieuwe kerkrecht in kerkrechtelijk opzicht feitelijk stelt aan den kant van de bestrijders der Doleantie wat nl. betreft de verhouding van plaatselijke kerken en meerdere kerkelijke vergaderingen, en tegen de opvattingen desbetreffend van de groote leiders der Doleantie, Dr F.L. Rutgers, Dr A. Kuyper e.a.

In dit geschrift behandelen de Schrijvers in eene eerste § den toestand der kerkelijke goederen vóór de Hervorming, in een tweede § den toestand na de Hervorming, daarna in eene derde § dien van 1795-1816, vervolgens in eene vierde § dien sedert 1806. In eene vijfde § handelen zij over de verbreekbaarheid van kerkelijk verband. Daarna volgen nog een paar §§ resumtie en slot, en vier bijlagen. In het begin komen eerst algemeene opmerkingen en het voorstellen van de quaestie.

Zij stellen de vraag, waarover het in 1886 op kerkelijk gebied bij de Doleantie ging, aldus: „Is er ééne Nederlandsche Hervormde Kerk, wel is waar verdeeld in locale afdeelingen met een zeker zelfbestuur, doch alzoo, dat die afdeelingen onafscheidbare deelen zijn van de geheele corporatie, wier leden derhalve de individuen zijn, die, waar dan ook, behooren tot genoemde Kerk;
Dan wel, zijn er onderscheidene plaatselijke kerken, wel is waar vereenigd tot een geheel met zeker gemeenschappelijk bestuur, doch alzoo, dat dit geheel slechts de samenvoeging is van deelen, die eigenlijk ieder op zich zelf een geheel zijn, welk plaatselijk geheel hervormd wordt door de individuen, die op die bepaalde plaats tot de Hervormde Kerk behooren?
M.a.w.: is er een genootschap, dat zich over het geheele land uitstrekt en dat uit individueele personen bestaat; of wel: is er eene vereeniging van locale kerken, waarin deze hare eigene macht tezamen brengen, en waaraan, wat de rechtsverhouding aangaat, elke kerk zich ten allen tijde weer onttrekken kan?”, blz. 3/4.

 

Wij zien het: de groote quaestie was volgens hen de verhouding van plaatselijke kerken en meerdere vergaderingen. Zijn die plaatselijke kerken zelfstandige kerken, dan wel zijn zij feitelijk afdeelingen van een grooter geheel, van een classicale, provinciale, landelijke, kerk, wel „met een zeker zelfbestuur”, maar als afdeelingen toch onder de hiërarchisch opklimmende hoogere besturen van classis, provinciale of particuliere, en generale synode. En zijn die meerdere vergaderingen metterdaad meerdere vergaderingen, tot stand komende door vrijwillige, ofschoon van Godswege verplichte, vereeniging van gelijke, zelfstandige kerken, welke zich ook, van menschenkant bezien „ten allen tijde weer onttrekken” kunnen, of zijn die meerdere vergaderingen hoogere vergaderingen met opperbestuur over deze kerken, wier zelfstandigheid dan feitelijk niet bestuur, maar die dan slechts „een zeker zelfbestuur” hebben, haar gelaten of toegekend, voorzoover en voorzoolang die meerdere vergaderingen of hoogere besturen dat goedvinden.

Welk is het karakter der meerdere kerkelijke vergaderingen, welk is het karakter van het Gereformeerde kerkverband?

Is dit laatste eene confoederatie, of is het eene hiërarchie?

Zijn die meerdere vergaderingen hoogere vergaderingen, opperbesturen, met een eigen, boven de plaatselijke kerken staand, Goddelijk gezag, of zijn het slechts samenkomsten van kerkelijke afgevaardigden, die formeel, d.i. afgezien van de vraag, of hare besluiten materieel in overeenstemming zijn met Gods Woord, slechts zooveel gezag over elkander hebben, als zij onderling bij hare confoederatie overeenkomen, en vastleggen in de door haar te zamen bepaalde en aangenomen kerkenordening?

 

Dat was volgens Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman toen de vraag.

En dat is ook nu de vraag met alle verschillen in het bijkomende, die hier het wezen niet veranderen.

Zooals wij zullen zien, betoogden genoemde geleerden in hun geschrift op historische gronden, dat het Gereformeerde kerkverband dezer landen van den beginne was geweest, en tijdens de Republiek was, eene confoederatie van zelfstandige plaatselijke kerken, en dat de meerdere vergaderingen geen hoogere besturen waren, maar samenkomsten van kerken door middel van hare afgevaardigden, welke vergaderingen met het einde der samenkomst niet meer bestonden, en dan dus ook geen gezag meer hadden, en dat de plaatselijke kerken geene afdeelingen waren van grootere, classicale en synodale eenheden van eene classicale, provinciale, landelijke, kerk. Het was hen te doen om uit de historie in het licht te stellen de rechtsbevoegdheid der plaatselijke kerken dezer landen. 

S. GREIJDANUS.