19
nr. 28
14-04-1939

Twee beteekenisvolle studies

De Heer T. Wever te Franeker gaf dezer dagen twee geschriften in het licht, die hier reeds spoedig eene korte vermelding mogen vinden. 

Het eene is Melchizedek, de koning van Salem, door J.H. Kroeze, en bevat de leerrijke artikelen, die voor kort in „De Reformatie” verschenen zijn. Zij verdienden ook in boekvorm uit te komen, en zullen ongetwijfeld wederom hun lezers vinden. Dr J.H. Kroeze behandelt hierin een belangrijk persoon uit de Heilige Schrift, op degelijke, goed te volgen, inzicht gevende wijs.

 

Het tweede is van Dr J. van Lonkhuyzen: Is het nieuwe kerkrecht niet een ernstige dwaling? Ik hoop er later op terug te komen. Doch reeds nu wil ik er de aandacht op vestigen en het ter goede bestudeering aanbevelen. Telkens stuit men toch op onjuiste voorstelling van wat Dr van Lonkhuyzen in dezen leert, en van de quaestie, waarover het in dit kerkrechtelijk dispuut gaat. Vgl. ook Aantekening 2 op blz. 9 en 10. Zoo schrijft nu Dr M. Bouwman in „De Heraut” van 2 april jl, waarin hij blijk geeft, deze brochure van Dr van Lonkhuyzen reeds te bezitten, aangaande de meening van degenen, ook Dr van Lonkhuyzen, die hij bestrijdt: „de meerdere vergadering zou mogen verklaren en besluiten dat iemand afgezet moet worden”, hoewel Dr van Lonkhuyzen in zijne geschriften duidelijk genoeg gezegd heeft, dat de meerdere vergadering ook kan opdragen, en hij in deze jongste brochure nog schrijft: „Het verschil bij de bondsvergaderingen of samenkomsten van regeeringen en de meerdere vergaderingen der kerken, is – wat het confoederatief karakter betreft – dat de samenkomsten bij de kerken niet op willekeur, maar op goddelijk onderwijs rusten (Hand. 15). Vandaar de plicht zich te onderwerpen aan de besluiten, blz. 29.

Men lette op dezen laatsten zin.

De quaestie is, welke de grond en welke de geaardheid en omvang zijn van de macht der meerdere vergaderingen.

Is het Gereformeerde kerkverband eene confoederatie, of eene hiërarchie? Hebben de meerdere vergaderingen een eigen gezag, niet afgeleid van de kerken, maar een rechtstreeks door God haar gegeven gezag over de kerken om deze zelfstandig te mogen gebieden, over haar kerkeraden en leden zelfstandig censuur te oefenen door schorsing en afzetting?

Wanneer zal men eens de rechte, de eigenlijke quaestie bespreken, en dat op de rechte wijze, om ook te trachten het noodige schriftbewijs voor de meening, dat de meerdere vergaderingen eigen autoriteit hebben, bij te brengen, en de gedachten van hen met wie men het niet eens is, juist weer te geven?

S. GREIJDANUS.