nr. 3197
30-04-1939

Engelsche Gereformeerden en Independenten in Nederland voor Drie Eeuwen (IX)

Het standpunt van Voetius in zake het synodale excommunicatierecht is nu wel duidelijk. De Independenten oordeelen: de synoden mogen bij wanbestuur een uitspraak doen omtrent de tucht – echter nooit zelf excommuniceren, of het tuchtvonnis in de particuliere kerk voltrekken; weigert de particuliere kerk om zelf het gestreken tuchtvonnis ten uitvoer te leggen, dan moeten de zusterkerken het verband met haar verbreken. Neen, antwoordt Voetius, bij hardnekkig wanbestuur moet de synode ingrijpen in de plaatselijke kerk, en zoo de corrupte, dit is verdorven elementen eruit verwijderen, door den corrupten kerkeraad eventueel met vele corrupte gemeenteleden door afkondiging van het synodale banvonnis in het vergadergebouw der gemeente af te snijden; pas wanneer de corruptie de heele gemeente heeft aangetast, en daardoor de voltrekking van het banvonnis door de synodale deputaten in de plaatselijk kerk niet op stichtelijke wijze kan geschieden, pas dan kan dit nagelaten worden, en kan men nu overgaan tot het tuchtmiddel, waar de Independenten terstond klaar mee staan: de zusterkerken kunnen nu het verband met zulk een geheel gedeformeerde kerk verbreken. Met nadruk wijs ik erop, dat dit buiten-het-verband-sluiten van een kerk door de synode, waaronder zij ressorteert, volgens Voetius niet kan geschieden, zoolang in die kerk nog een gezond deel overig is; dan moeten de synodale deputaten het tuchtvonnis ten overstaan van dit gezonde deel voltrekken, waardoor de kerk zelf voor het verband behouden blijft.

Doch nu een wondere gril der historie! Men heeft in de laatste decenniën bij het herleving van de Voetius-studie vraag 22, waarin Voetius dit alles uiteenzet meermalen niet goed gelezen. Men heeft Voetius’ weergave van het standpunt der Independenten: de synoden mogen bij wanbestuur omtrent de excommunicatie een besluit nemen, maar moeten de voltrekking overlaten aan de particuliere kerk, voor Voetius’ eigen overtuiging gehouden! En zich vervolgens daarbij aangesloten! Dat wil zeggen, dat via vraag 22 een independentisch gedachtencomplex bij sommige van onze Gereformeerde theologen ingang gevonden heeft. Zoo zijn Goodwin en Nye, die als ballingen heden drie eeuwen geleden op onzen Nederlandschen bodem vertoefden, uit hun graven opgestaan, en hebben deze „onreine vogels” – een betiteling der Independenten die van Baillie afkomstig is – met hun independentische opvattingen deze theologen geïnfecteerd. Feit is, dat men soms heden ten dage als Voetiaansch, en goed Gereformeerd voordraagt, wat in wezen independentisch is, terwijl men zich daarvoor soms ook nog, doch ten onrechte op Voetius beroept.

Laat ik dit met enkele citaten aantonen. Typeerend kenmerk van het standpunt dezer gematigde Independenten is de onderscheiding bij het synodale tuchtrecht in geval van wanbestuur tusschen besluit en uitvoering, tussen uitspraak en voltrekking; tot het eerste zijn de synoden wel gerechtigd, tot het laatste niet.

Men hoore nu een der onzen: „ge kunt besluiten, dat een kerkeraad „waardig is afgezet te worden”, of „behoort afgezet te worden”, en gij zijt nog binnen de lijn, maar één stap verder en „zet af” als meerdere vergadering, en, het is onze stellige overtuiging, gij zijt buiten de lijn. Zij, de kerk, moet het doen”.1

Deze auteur schreef dit in 1926, en in 1939 doet hij voor ditzelfde standpunt een beroep op Voetius’ beschrijving van de beschouwing der gematigde Independenten, en dicht hij Voetius de gedachte toe: „dat de synode wel de excommunicatie door een besluit kan „voorbereiden”, maar dat de excommunicatie zelve niet aan de synode toekomt, doch aan de plaatselijke kerk en háár gelaten moet worden”.2 En dat wordt beweerd ondanks het feit, dat de Hoofdredacteur van ons blad reeds in no. 2832 Voetius’ bedoeling in vraag 22 duidelijk heeft uiteengezet: „De Synode moet dan het excommunicatievonnis vaststellen en door middel van hare deputaten in een gemeente-vergadering hiertoe saamgeroepen afkondigen. En dat is dan, zooals Voetius zegt, een formeele excommunicatie”. Ook schrijver dezes heeft in zijn proefschrift Voetius over het Gezag der Synoden aan vraag 22 een breede verhandeling gewijd, en daarin aangetoond, dat Voetius daar het independentische standpunt van Goodwin en Nye, door dezen auteur op gezag van Voetius aangehangen, uitdrukkelijk verwerpt.3 En nu is er op mijn proefschrift heel wat critiek geoefend, over de waarde waarvan ik mij nog wel elders hoop uit te spreken, maar op dit punt heeft geen enkele criticus tot dusver geprobeerd mijn conclusies te bestrijden.

Een ander hooggeleerd theoloog, die moeite heeft met de erkenning van het synodale gezag, schrijft: „Eene stelling tout court zonder eenige nadere bepaling of aanwijzing: „De meerdere vergaderingen mogen geen kerkeraden afzetten”, is geene stelling van mij. Reeds dadelijk zou bij haar vraag moeten opkomen: wat meent dat woord afzetten? Beteekent het alleen: een oordeel uitspreken over wat behoort te geschieden? Of bedoelt men er de uitvoering, doorzetting, feitelijke verwerkelijking van zulk een oordeel?”.4 En zijn ambtgenoot, die in zijn blad kolommen liet opnemen tegen de schorsing van kerkeraadsleden door de meerdere vergadering in een geval van wanbestuur, schrijft: „ook is een uitspraak over de wenschelijkheid van schorsing iets anders dan de schorsing zelf”.5

Of men het zich bewust is of niet, er loopt een directe verbindingslijn van Cotton, Goodwin en Nye naar…. Dr. van Lonkhuyzen, Prof. Greijdanus en Prof. Schilder, want van hen zijn de uitspraken zooeven door mij geciteerd. En men behoort deze familieverwantschap niet te loochenen. Deze gematigde Independenten kenden in geval van wanbestuur aan de synoden bevoegdheid toe of autoriteit; zij mochten besluiten nemen omtrent de tucht, die toegepast moest worden, een oordeel vellen; zij mochten de kerken vermanen, haar gelasten en opleggen of ook opdragen – hetgeen natuurlijk ook inhoudt, dat de particuliere kerk dan ook tot de uitvoering gehouden was – maar hiermee was het einde van het synodale gezag bereikt! Zelf het oordeel voltrekken mochten de meerdere vergaderingen niet, dan moest bij onwilligheid der kerk het verband met zulk een zich bezondigende kerk verbroken worden. Die splitsing der Independenten tusschen besluit en uitvoering ligt aan al deze uitspraken ten grondslag. Wel het tuchtvonnis voorbereiden, niet uitvoeren, oordeelt Dr. van Lonkhuyzen. Dat de meerdere vergadering een oordeel uitspreekt omtrent de afzetting van een kerkeraad beoordeelt Prof. Greijdanus gunstiger dan de uitvoering, doorzetting, feitelijke verwerking van zulk een oordeel. „Een uitspraak over de wenschelijkheid van schorsing” van kerkeraadsleden door de meerdere vergadering kan genade vinden in Prof. Schilders oogen meer dan „de schorsing zelf.”

Al deze uitspraken stemmen als twee druppels water overeen met Goodwin en Nye, die zeggen, dat de synoden na de beoordeeling van zulk een geval „de formele actie van deze censuur aan dat gezag moeten overlaten, dat alleen haar kan voltrekken, hetwelk door Christus in die kerken zelf gevestigd is.”

Hoe men dit wende of keere, men kan den independentischen trek in dit „oude kerkrecht” niet loochenen. Maar men erkenne dit dan ook. Wetenschappelijke eerlijkheid gebiedt dit. De Gereformeerde canonici hebben in den bloeitijd der Reformatie aan de synoden het recht toegekend om bij wanbestuur haar tuchtvonnissen in de plaatselijke kerk te voltrekken, tot en met de excommunicatie of afzetting van den kerkeraad toe. En zij deden dit met een beroep op de H. Schrift en de nog altijd bestaande kerkenordening. Geen hunner heeft daar ooit aan getornd. Dat is dus het nog altijd vigeerende kerkrecht, indertijd door de Independenten bestreden. Is men het daarmee niet eens, dan zou ik dat betreuren, maar het zij zoo, mits men dan den juisten weg volgt. Men toone dan aan uit de H. Schrift, dat de schriftuurlijke basis, door onze vaderen aan het Gereformeerde kerkrecht ten grondslag gelegd, niet te handhaven is. Men diene vervolgens zijn bezwaren in tegen de bestaande kerkenordening, o.a. art. 31 en vooral ook art. 36, om nu van art. 79 maar te zwijgen.6

En men spreke daarbij uit, dat de Gereformeerde vaderen het op dit punt in hun strijd tegen het Independentisme mis hadden, en dat men hier de lijn der Independenten moet volgen. Want Dr. van Lonkhuyzen, Prof. Greijdanus en Prof. Schilder kunnen niet loochenen, dat zij op dit punt independentische tendenzen hebben. Als historische qualificatie zullen zij dit moeten aanvaarden.7

Hiermee beëindig ik deze reeks. Wij hebben ons bezig gehouden met enkele Engelsche Gereformeerden en Independenten, die drie eeuwen geleden de Hollandsche gastvrijheid genoten hebben. Wij zagen tevens, dat de in hun rust gestoorde schimmen dezer oude Independenten heden nog om ons waren. Voorloopig zullen wij ze nog wel niet kwijt zijn. Men bespare ons evenwel independentischen import uit het Westen, zoo goed als doorperschen import uit het land van Calvijn (Barth).8

M. Bouwman. 

 

noten:

1) Dr J. van Lonkhuyzen, Een Ernstige Fout, 1926, blz. 78.
2) Dr J. van Lonkhuyzen, Is het nieuwe kerkecht niet een ernstige dwaling?, blz. 9.
3) Uitgave S.J.P. Bakker, Amsterdam 1937, blz. 340-360.
4) Prof. Dr S. Greijdanus in De Bazuin van 22 October 1937.
5) Prof. Dr K. Schilder in De Reformatie van 29 April ’38.
6) Zie over het synodale tuchtrecht en de kerkenordening mijn Voetius over het Gezag der Synoden, hoofdst. 7, afd. III.
7) Dr Van Lonkhuyzen heeft gemeend zijn geestelijke verwantschap met het oude Independentisme te kunnen loochenen. En Prof. Greijdanus heeft in dien zin in De Ref. van 14 April ’39 voor hem opgenomen, en gezegd, dat ik een onjuiste voorstelling gaf van wat Dr v. L. in dezen leert. Dit is evenwel niet juist. 1. De uitspraak van Dr v. L. in Een Ernstige Fout, blz. 78, door mij geciteerd, stemt volkomen overeen met wat Amesius en Parker — de laatste op dit punt Independent – leeren omtrent de excommunicatie. v. L. toch zegt, dat de meerd. verg. mag besluiten, dat een kerkeraad waardig is afgezet te worden, afgezet behoort te worden, en Parker en Amesius leeren, dat de synode verklaren en besluiten mag wie geexcommuniceerd behoort te worden. 2. Dr v. L. zegt wel, dat de meerdere vergadering een kerkeraad opdragen kan om een censuur te herzien, of toe te passen, of om een besluit, strijdig met Gods Woord of de kerkenordening, te herzien („is het nieuwe kerkrecht niet een ernstige dwaling?”, blz. 8 en 9); maar tegen zulk opdragen hadden de gematigde Independenten al evenmin bezwaar. Ook zij zeggen, dat de synode een particuliere kerk gelasten en opdragen aan (to injoyn), of opleggen (to impose). 3. De overeenstemming komt verder hierin uit, dat noch Dr v. L., noch de Independenten in tegenstelling met de Gereformeerden er van willen weten, dat de synode haar tuchtvonnis in de particuliere kerk voltrekken mag.
Prof. Greijdanis kondigt Dr v. L.’s brochure „Is het nieuwe kerkrecht niet een ernstige dwaling” voorts aan als een „beteekenisvolle studie”. Heeft de klinkende titel hem tot deze uitspraak verleid? Hij vergelijke eens de vertaling van Voetius, door Dr v. L. gegeven op blz. 40-42, met den tekst van Voetius. Mij dunkt, Prof. Greijdanus is een te goed latinist, om dan zijn approbatie en aanbeveling van deze studie niet terstond met een: non tali auxilio (met deze hulp niet gebaat) terug te nemen, of om althans Dr v. L. niet den raad te geven, dit geschrift maar uit den handel te nemen.
8) Het recht der synoden om bij wanbestuur haar censuur-besluiten in de plaatslijke kerk te mogen voltrekken, is niet in strijd met de zelfstandigheid der plaatselijke kerk; want bij zulk een tuchtoefening worden immers zoodra mogelijk nieuwe ambtsdragers gekozen, die in volle vrijheid naar eisch van hun ambt de kerk wel te regeeren hebben. Alsof de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerk hierin zou bestaan, dat de gemeenteleden het juk van het wanbestuur van een zich misdragenden kerkeraad moeten blijven dragen, of gedwongen zijn om de gemeenschap der kerk te verlaten!