nr. 3195
16-04-1939

Engelsche Gereformeerden en Independenten in Nederland voor Drie Eeuwen (VII)

Wat hebben nu de classen of synoden volgens de Independenten Cotton, Goodwin en Nye te doen in geval zich oneenigheid of wanbestuur voordoet in de particuliere kerk? Goodwin en Nye gaan voort met de opvatting van Cotton in de voorrede voor diens „Sleutelen van het Koninkrijk der hemelen” aldus te omschrijven:

„Alleen maar, in zijn begrenzing en beschrijving van deze macht – der classen of synoden, M.B. – beweert hij, dat zij ten eerste, wat haar aard en hoedanigheid betreft, slechts een dogmatische of leermacht is (hoewel zij het merk draagt van een bedienend gezag als een instelling van Christus), hetzij bij het beoordeelen der geloofsgeschillen (wanneer zij den vrede der particuliere kerken verstoren, en deze ze zelf te moeilijk voor ze achten om ze op te lossen), hetzij in het beslissen van feitelijke kwesties, en welke censuur daarbij noodig is; maar niet gewapend met gezag en macht om hetzij gemeenten hetzij de leden ervan te excommuniceeren, of aan satan over te leveren. Maar nadat zij in zulke gevallen de natuur van de zonde, die aanstoot wekte, verklaard en beoordeeld hebben, en de zich bezondigende kerken vermaand hebben, en beslist, wat zij behooren te doen met hun aanstoot gevende leden, moeten zij de formele acte van deze censuur aan dat gezag overlaten, dat alleen haar kan voltrekken, hetwelk door Christus in die kerken zelf gevestigd is; en wanneer zij weigeren dit te doen, of in haar wangedrag volharden, dan moeten zij besluiten zich aan de gemeenschap met haar te onttrekken”.1

Bij de beoordeling van deze independentische theorie kan heel wat op haar creditzijde worden toegeschreven. In de eerste plaats toch beschouwen zij de synode als een instelling van Christus. Wel wilden zij er niet van weten, dat de synoden geregeld zouden samen komen: maar wanneer zich moeilijkheden voordeden, en er dus een concrete aanleiding voor bestond, moest toch naar den wil van Christus zulk een synodale vergadering gehouden worden. Dat is naar het gebod des Heeren in de Schrift geopenbaard. Cotton zegt: „Wanneer de synoden goed worden ingericht, erkennen wij ze als een instelling van Christus.” (De Sleutelen, p. 23). Men kan dus zeggen, dat zij in zulke gevallen het positieve goddelijke recht der synoden niet ontkenden of ze voor een instelling van bloot menschelijk recht hielden. – In de tweede plaats kenden zij aan de synoden macht of gezag toe. En in overeenstemming met de Gereformeerden noemen zij dat een dienend gezag; want immers Christus is de Koning der Kerk, en daarom mogen kerkelijke besluiten niet in strijd zijn met Gods Woord, op straffe van hun bindende kracht te verliezen. – In de derde plaats gaan zij met de erkenning van dat gezag vrij ver: de synoden kunnen meer dan adviseren in geval van wanbestuur of oneenigheid. Zij kunnen ter oplossing der kwesties besluiten nemen, over het geval een uitspraak doen, en de particuliere kerk vermannen haar op te volgen. Zij mogen haar dat zelfs gelasten en opleggen. Cotton zelf zegt omtrent het geval dat een kerk in een toestand van verwarring verkeert: „Nu is een synode van kerken of haar afgevaardigden het eerste subject van die macht en dat gezag, waardoor de dwaling gerechtelijk wordt vastgesteld en veroordeeld, en de weg der waarheid en des vredes wordt verklaard en aan de kerken opgelegd.” (De Sleutelen, p. 47).

Met dit alles konden de Gereformeerden het van harte eens zijn.

Evenwel deze medaille heeft haar keerzijde. Want het gezag door deze Independenten met nadruk aan de synoden toegekend, wordt tegelijk zeer scherp begrensd, en die beperking raakt de oefening van het gezag of de uitvoering der besluiten. In het wezen der zaak is het uitsluitend een leergezag en geen tuchtrecht. Omtrent tuchtgevallen en bij oneenigheden mag de synode daarover een oordeel uitspreken, de natuur van de zonde verklaren, haar beslissing aan de kerken opleggen …. maar dat is ook het laatste. Eén zaak blijft aan de bevoegdheid der synode onttrokken: zelf mag zij de censuur niet voltrekken in de particuliere gemeente, zij mist het recht om haar besluiten in de particuliere kerk door te voeren. Dat mag alleen de particuliere kerk zelf, en wil deze dat niet, dan kunnen de zusterkerken niets anders doen dan het verband met zulk een onwaardig lid der kerkelijke gemeenschap verbreken. Maar daarmee wordt het gezag der synoden in geval van conflict in wezen weer illusoir; haar besluiten blijven in feite een adviseerend karakter dragen; ten finale beslist de particuliere kerk zelf of zij aan het besluit van de synode der zusterkerken gevolg wil geven, dan wel hierin nalatig blijven, en dit zal zij rustig doen, wanneer het synodale besluit haar niet naar den zin is, zoodat verwarring en scheuring daarvan het gevolg is.

Dit hebben de Gereformeerden van meent af begrepen. Op de independentische synodale vergadering te Rotterdam gehouden, waar over de moeilijkheden tusschen Bridge en Ward een beslissing werd genomen, werd gezegd, dat geen kerk zich ontslagen mag achten van haar verplichting om rekenschap af te leggen aan, en tucht aan te nemen van de zusterkerken rondom haar (An Apologetticall Narration, p. 21). Maar de scherpzinnige Presbyteriaan A. Steuart heeft in zijn „Enkele Opmerkingen en Aanteekeningen bij de Apologetticall Narration (1643)”, dit geestig en juist aldus gecritiseerd: „Deze wijze van regeeren is een macht, waarbij de partij geoordeeld wordt, wanneer zij wil, en zoo wordt het oordeel der rechters gesuspendeerd door het oordeel van de partij die berecht wordt, hetgeen allerbelachelijkst is en zonder eenig voorbeeld in kerkelijke of wereldlijke regeeringen: een oordeel niet geheel ongelijk aan hetgeen verteld wordt van een grappenmaker, die zei, dat hij de beste en meest gehoorzame vrouw van de heele wereld had, omdat, zooals hij zei, zij niets wil dan wat ik wil, en toen alle menschen zich daarover verwonderden, omdat zij wisten dat zij de meest rebelsche vrouw was, zei hij: Beslist! maar eerst moet ik willen wat zij wil, anders wil zij niets van wat ik wil” (p. 39).

Hier nu lag in de 17e eeuw de tegenstelling tusschen Gereformeerden en de Independenten. De Gereformeerden kenden aan de meerdere vergaderingen een verder strekkende bevoegdheid toe, dan dat zij in geval van wanbestuur en oneenigheid in de plaatselijke kerken hieromtrent een verklaring mochten afleggen, een besluit mochten nemen, en dit besluit aan de particuliere kerken opleggen. Zij wilden er niet van weten, dat de zusterkerken reeds het verband moesten verbreken met een kerk, die daartoe onwillig zou zijn. De synode had huns inziens ook het recht om zelf haar genomen besluiten ten uitvoer te leggen, en met name was zij bevoegd om in ernstige gevallen ook een tuchtvonnis in de particuliere kerk te voltrekken. Het was voor hen een vaststaand axioma, geldig zoowel op het gebied van het kerkrecht als op dat van het wereldlijk recht, dat de instantie, die bevoegd is om in eenige zaak een beslissing te nemen of een vonnis te vellen, evenzeer bevoegd is om daaraan uitvoering te geven: cuius est judicare, eiusdem est etiam judicium suum exequi!. Deze stelregel is in meer dan een kerkrechtelijk geschrift van beteekenis is vinden, en nooit heb ik eenig Gereformeerd auteur in de 17e eeuw ontdekt, die daarop captie heeft gemaakt.

Omdat men op dit punt aan Voetius tot in onze dagen wel getwijfeld heeft, hoop ik in een volgend artikel aan te toonen, dat deze stelregel ook bij Voetius te vinden is. Dit brengt ons meteen tot de Independenten Goodwin en Nye terug.

M.B. 

 

noten:

1) Zie voor den Engelschen tekst van dit citaat: M. Bouwman, Voetius over het Gezag der Synoden, blz. 336 en 337.