nr. 3193
02-05-1939

Engelsche Gereformeerden en Independenten in Nederland voor Drie Eeuwen (V)

Een andere theoloog van groote reputatie, die evenals zoovelen uit Engeland verdreven, zijn graf in de Nederlanden gevonden heeft, is Rober Parker, geb. ± 1564. Door een geschrift over het teeken des kruises, waarin hij scherp de Anglicaansche ceremoniën bestreed, haalde hij zich den toorn der geestelijkheid op den hals, en op lijfsbehoud bedacht vluchtte hij naar Holland. In 1610 kwam hij naar Leiden, waar destijds een Brownistische of separatistische Engelsche gemeente bestond, waarvan de vermaarde Robinson predikant, en W. Brewster ouderling was. Hier had Parker ook omgang met de gematigde Independenten Amesius en H. Jacob. In 1613 vinden wij hem in Amsterdam. Paget, de predikant der Gereformeerde Engelsche kerk aldaar, deelt mede, dat hij woonde in hetzelfde huis als hij, en lid was van zijn kerkeraad en van de classis. Paget heeft volgens zijn eigen zeggen zelfs geprobeerd om van de Amsterdamsche burgemeesters gedaan te krijgen, dat Paker naast hem tweede predikant zou worden van de Engelsche kerk, maar die toestemming werd niet verleend, omdat de beroeping van dezen strijdvaardigen Puritein Engeland niet aangenaam zou zijn. Daarop vertrok Parker in 1613 naar Doesburg, waar hij predikant werd van het Engelsche garnizoen, doch reeds het volgende jaar overleed op ongeveer vijtigjarigen leeftijd.

Twee jaar na zijn dood verscheen zijn beroemdste werk; op het titelblad ervan lezen wij: „Drie boeken over de hierarchische kerkinrichting en die van Christus daaraan tegenovergesteld, auteur de Engelschman Robert Parker, te verkrijgen te Frankfort bij Godefridus Basson, 1616.”

Men moet echter niet meenen, dat Parkers nagelaten papieren naar de Duitsche stad Frankfort zijn gezonden, om aldaar gedrukt te worden. Basson toch was boekdrukker te Leiden, en het voorwoord, waarin de ontslapen Parker herdacht wordt, is geschreven door Amesius, die destijds ook te Leiden woonde. Voorts heeft de evenzeer te Leiden gevestigde Robinson aan Parkers boek een „waarschuwing tot den lezer uit zijn naam en uit naam der zijnen” toegevoegd, waarin hij enkele critische opmerkingen door Parker over de Brownisten of separisten gemaakt, die zijns inziens niet juist waren, recht zet.

Basson had er een goede reden voor om als plaats van verschijning Frankfort en niet Leiden op te geven. Want van 1617-1619 beschikte Robinsons ouderling Brewster te Leiden over een geheime drukpers. Daar werden toen verschillende werken gedrukt, die gericht waren tegen de Anglicaansche ceremoniën en de bisschoppelijke hiërarchie, en deze boeken, op clandestiene wijze Engeland binnengesmokkeld en daar verspreid, misten hen uitwerking niet. Dat was voor de Engelsche regeering niet aangenaam, en zoodra zij na eenigen tijd wist, waar deze verboden lectuur vandaan kwam, remonstreerde het Engelsche gezantschap. De magistraat te Leiden moest ingrijpen, de pers werd in beslag genomen, en daarmee was het bedrijf beeindigd. Om de aandacht van zijn bedrijf af te leiden zal Basson wel op het titelblad hebben doen drukken Frankfort in plaats van Leiden. Want de uitgave van Parkers meesterwerk in 1616 mag wel als de inleiding van de activiteit der zoogenaamde Pilgrim Press van 1617-1619 beschouwd worden. Zijn „Drie Boeken over de Hierarchische Kerkinrichting” vormen een doorlopende bestrijding van de bisschoppelijke hiërarchie, die hij als antichristelijk verwerpt. Met vlijmscherpe critiek bestrijdt hij de verdedigers van het episcopale kerkrecht, en slaat hij hun alle argumenten uit de hand. Zoowel de Gereformeerden als de Independenten waren met dit werk later zeer ingenomen, en toen het onderlinge conflict tusschen hen in een acuut stadium kwam, werd „de groote Parker”, zooals de Schotsche theoloog Gillespie hem noemt, van beide zijden ijverig bestudeerd en vaak geciteerd, onder anderen door Voetius, die hem zeer geprezen heeft.

Welk kerkrechtelijk standpunt neemt Parker nu in? Moet hij tot de Gereformeerden of tot de Independenten gerekend worden? Die vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden. Want Parker is voor alles bestrijder van de hiërarchie; hij is een geharnast polemicus, we worden van hem meer gewaar hoe de kerkinrichting niet moet zijn, dan hoe ze wel moet wezen. Bovendien is hij midden in zijn arbeid door den dood overvallen, zijn werk is onvoltooid gebleven; slechts drie van de vijf boeken, die hij had willen schrijven, konden worden uitgegeven. Volgens Paget oordeelde Parker aanvankelijk, dat de synoden slechts adviseeren konden, maar door zijn invloed zou hij van opvatting veranderd zijn, en toen aan de synoden een beslissend gezag hebben toegekend. Dan moeten wij niet vergeten, dat Independenten als Amesius en Robinson Parkers litteraire nalatenschap hebben verzorgd. Dit kan de oorzaak zijn, dat Parker, op een zeer bepaald punt althans, overhelt naar de independentische opvatting van Amesius: het betreft het excommunicatie-recht der synoden, dit is de bevoegdheid der meerdere vergaderingen om den zondaar met den ban van de gemeenschap der kerk af te snijden.

Hiermee raken wij aan een actueel kerkrechtelijk probleem. In de 17e eeuw toch is er tusschen de Gereformeerden en de Independenten een belangrijke strijd gevoerd over het tuchtrecht der meerdere vergaderingen, waarbij het debat in hoofdzaak ging over het even genoemde punt, de excommunicatie. En nu is dit probleem op zich zelf wel niet actueel, omdat bij de verzwakking van het kerkelijk besef de afsnijding heden ten dage slechts zelden plaats vindt, en er dus ook voor een synodale excommunicatie geen aanleiding is; in onzen tijd stelt men een ander onderdeel van het synodale tuchtrecht disputabel, nl. de bevoegdheid tot het afzetten van ambtsdragers. Echter bij beide kwesties, excommunicatie en afzetting, doen zich verwante problemen voor. Daarom is het van beteekenis om na te gaan, hoe oudtijds over de excommunicatie gedacht is. Men zal zien, dat heden ten dage over het afzettingsrecht precies dezelfde meeningen ten beste gegeven worden, als vroeger over de afsnijding. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Men goochele niet met de woorden als „nieuw kerkrecht” en „oud kerkrecht”, waarbij dan de voorstelling gewekt wordt, dat het „nieuwe” doublé zou zijn, en het „oude” beproefd oud goud. Het „oude kerkrecht” der 20e eeuw kan inderdaad op respectabelen ouderdom bogen, want het stamt linea recta af van dat der Independenten der 17e eeuw. Maar het „nieuwe” is nog ouder! Men gebruike de juiste termen: Independentisch en Gereformeerd kerkrecht.

Zie hier dan het Independentische!

Amesius: „Vraag. Wie de macht hebben om uyt te bannen? Antw. 1. Recht en macht daartoe eygentlijk by die Gemeente is, welker lidtmaat de persoon is die verdient heeft uytgebannen te worden.” „2. Nochtans, volgends order, de bediening der bestraffinge tot de Oversten der Gemeente behoort, die geroepen worden tot de regeeringe der Kercke, welker minste deel niet en is de oeffening van tucht. 3. Kerken-zamingen van een gewest ofte heel lantschap (Classen en Synoden) komet toe, met gemeene raad te verklaaren en beslichten, welcke moeten uyt de Gemeente gedaan worden.” (Vijf Boeken van de Conscientie, IV, 29, 21-23).

Tot hetzelfde gevoelen neigt Parker: „Ten slotte kan terecht gevraagd worden, of de synode wel daadwerkelijk excommuniceert: zij schijnt slechts te verklaren, wie terecht door de particuliere kerken geëxcommuniceerd is, of geëxcommuniceerd moet worden” (Pol. Eccl., lib. III, p. 398).

Deze opvatting is duidelijk: de particuliere kerk, waartoe de zondaar behoort, heeft het excommunicatie-recht; de bediening ervan berust bij de ambtsdragers dier kerk; dus bezit de meerdere vergadering dit recht niet; zij kan alleen verklaren! in moeilijke gevallen, als haar raad ingewonnen wordt vóór de excommunicatie verklaard en besluit ze, wie geëxcommuniceerd moet worden, en na de excommunicatie in geval van appèl, kan zij weer verklaren of de excommunicatie terecht geschied is.

Dit nu zijn bekende klanken. In den laatsten tijd hebben sommigen onder ons hetzelfde standpunt ingenomen ten aanzien van de afzetting: de meerdere vergadering zou mogen verklaren en besluiten, dat iemand afgezet moet worden, verklaren dat iemand afzettingswaardig is, over de afzetting een uitspraak mogen doen, maar zelf daadwerkelijk afzetten? neen!

Een hunner heeft dezer dagen een brochure het licht doen zien, waarin hij het klassieke Gereformeerde kerkrecht, in dit blad verdedigd, poogt te bestrijden als „een ernstige dwaling” (sic!!), en schrijver dezes noemt „den jongen vader van het nieuwe kerkrecht”. Deze auteur moge bedenken, dat zijn eigen uitspraken omtrent de afzetting schier woordelijk overeenkomen met hetgeen Parker en Amesius zeggen omtrent de excommunicatie. Hij bevindt zich in het gezelschap van edele mannen; beiden hebben als ballingen uit Engeland gevlucht in de gastvrije Nederlanden hun graf gevonden. Maar op dit punt waren zij independentisch, zooals ik in een volgend artikel nog nader hoop aan te toonen.

M.B.