nr. 3192
26-03-1939

Engelsche Gereformeerden en Independenten in Nederland voor Drie Eeuwen (IV)

„Ik begin nu kennis te maken met de godgeleerden, en hoop U op deze wijze beter van dienst te kunnen zijn. Men verzekert mij hier ten stelligste, dat D. Voet de auteur is van den Brittannischen Blixem en Donderslach, en dat volgens erkentenis van zijn eigen vrienden.” – Aldus gaat Harris voort in den brief aan den Engelschen gezant, waaruit ik de vorige week citeerde. Hij schreef dien brief in Juni 1643 des daags nadat hij voor het eerst als lid der classis de vergadering ervan had bijgewoond. De cursiveering, die ik in dit citaat aanbracht, is van Harris zelf. Men ziet dat Harris een bijoogmerk heeft, wanneer hij connecties aanknoopt met de leidende figuren van kerkelijk Utrecht, waarvan een theoloog van internationale faam als Voetius de spil vormt. Het is zijn uitgesproken bedoeling om Boswell inlichtingen te verschaffen omtrent hetgeen er op kerkelijk en theologisch gebied te Utrecht gebeurt.

Heeft de Engelsche geant daarvoor belangstelling gehad, dan zal hem zeker Harris’ opmerking geïnteresseerd hebben, dat Voetius de schrijver was van de twee blauwboekjes „Den Brittannischen Blixem of Subyte Verwerringhe in Engelandt” en „Den Brittannischen Donderslach”. Het zijn populaire geschriftjes; in den vorm van een samenspraak handelen zij over de wending op kerkelijk gebied bezig zich in Engeland te voltrekken. Beide pamfletten verschenen in 1643. Van het eerste zag zelfs een Engelsche vertaling het licht; in het laatste, uitgedijd tot een werkje van 88 bladzijden wordt, hetgeen in den Brittannischen Blixem zeer duidelijk tot waarschuwing vertoond was, nader „geballanceert door een getrouw liefhebber van sijn Vaderlandt ende Godts dier gekochte Kerkcke” (Knuttel, Catalogus van Pamfletten, no. 4964-4966, 4967, 4971, 4972). Het is niet onmogelijk, dat Harris’ opmerking juist is. De geschriftjes bevatten althans niets dat Voetius onwaardig is. Wij hebben hier dan weer een bewijs van Voetius’ veelzijdige belangstelling, en van zijn groote productiviteit op litterair gebied.

Twee maanden later richt Harris opnieuw en thans een persoonlijk en vertrouwelijk schrijven aan Sir Boswell. Hij is weer op zoek geweest naar de disputaties van Voetius, maar er zijn sindsdien geene verschenen, dan een „Over de Schepping”. Dan maakt hij een opmerking over de te verwachten verschijning van een strijdschrift van den Franschen wijsgeer Descartes, die in Holland gastvrijheid had gevonden, en wiens rationalistische filosofie door Voetius bestreden werd. Vervolgens handelt hij in zijn brief over de actie van de Zeeuwsche godgeleerden.

Dit verdient nadere toelichting. Met name de Zeeuwsche Gereformeerden onderhielden in die dagen betrekkingen met de Gereformeerden of Prebyterianen in Engeland en Schotland. Als predikant van het Engelsche garnizoen te Veere fungeerde destijds een Schot, William Spang, en deze Spang was een neef van den hoogleeraar Baillie, die mede de Schotsche kerk ter Westminster-synode vertegenwoordigde. Baillie nu heeft aan Spang heel wat brieven geschreven, waarin hij zijn indrukken weergeeft van de Westminster-synode en van het gebeuren in Engeland. Men meene echter niet, dat Baillie zijn schrijflust botviert alleen om Spang met den gang van zaken op de hoogte te houden. De correspondentie tusschen Baillie en Spang vormde een belangrijke verbindingschakel tusschen de Zeeuwsche Gereformeerden en de Presbyterianen in Engeland. Telkens weer vraagt hij in zijn brieven om den moreelen steun der Gereformeerden van het vasteland voor de zaak van het Presbyterianisme.

Dien steun hebben de Zeeuwen in rijke mate gegeven. In 1643 richtte een Zeeuwsche synode een brief aan de deputaten van de generale synode der Schotsche kerk. De Schotten waren met dit schrijven zoo ingenomen, dat zij het terstond in het Latijn en in het Engelsch lieten drukken. Huns inziens brachten de Zeeuwsche classen en kerken in dien brief tot uiting: 1. haar medegevoel met den tegenwoordigen staat der kerken van Ierland en Engeland, 2. haar hoogachting voor en genegenheid tot de kerk van Schotland, 3. haar ijver voor de Reformatie van de kerk van Engeland, in kerkregeering en ceremoniën, en voor de bewaring van de religie aldaar, tegen den trotsch van het papisme van dezen tijd, 4. haar wensch om eenheid in de religie en uniformiteit op het stuk der kerkregeering in Zijner Majesteits gewesten.

Ter zelfder tijd ongeveer werd een „Aanspraak der Zeeuwsche classen en kerken tot de Engelsche kerken nu door den burgeroorlog verward” gericht. Dit schrijven der Zeeuwsche kerken, nu voor Engeland bestemd, ademt denzelfden geest als dat aan de Schotten. Ook hier wordt een pleidooi gevoerd voor de afschaffing van de Anglicaansche ceremoniën en van de bisschoppen, en voor de uniformiteit in liturgie en kerkregeering met Schotland. Tevens wordt hier medegedeeld, dat den Staten van Zeeland gevraagd zal worden een vasten- en bededag uit te schrijven.

Hierbij hebben de Zeeuwen het echter niet gelaten. Zij hebben ook de Gereformeerden in anderen provinciën opgewekt om evenals zij de Presbyterianen in Engeland te steunen. En het spreekt van zelf, dat zij toen een zoo belangrijk centrum als Utrecht niet konden overslaan.

Het punt komt op de classis Utrecht ter sprake, en Harris laat zich daarover nu als volgt uit:

„Omtrent de theologen van Zeeland kan ik mij nog niet ten volle op de hoogte stellen, maar ik zal dit eerstdaags doen. Er moet iets aan de hand zijn, omdat onze classis zich de vorige week er zoo ernstig over beraden heeft, hoe zij de Staten voorstellen zou kunnen doen ten behoeve van de in nood verkeerende protestanten in Engeland en Ierland: 1. Dat er voor hen een plechtige biddag zou gehouden worden; 2. dat er maatregelen zouden worden genomen om hen te ondersteunen, hetzij dáár, hetzij voor het geval dat zij over zouden komen naar hier; 3. dat zij verlof zouden bekomen om hun brieven van troost te zenden; 4. aan wie dan hun brieven gericht moesten worden. „Over deze punten werd bij wijze van rondvraag ieders raad in het bijzonder gevraagd. Toen ik aan de beurt kwam (de laatste van de godgeleerden uit de stad en voor die van het platteland), vormde ik dit antwoord: Wat de eerste twee punten aangaat, ik bedankte hen zeer voor hun uitingen van genegenheid jegens onze kerk en ons volk. Wat de twee laatste punten betreft, die wat meer verdacht leken, oordeelde ik dat dit een zaak was, die nog nadere overweging verdiende, en dat, wijl hun synode binnenkort bijeen zou komen (de volgende week), het advies daarvan behoorde te worden ingewonnen in zulk een publieke aangelegenheid als deze. Dit zei ik deels om alle verplichtingen af te wijzen, deels om in geen enkel opzicht argwaan te wekken omtrent mijn gevoelens. Maar toch stemden de meesten van allen, die na mij kwamen met mij in. Hoe het nu op de synode zal afloopen, zal ik wel vernemen, en ik zal U er kennis van geven.”

Men ziet, dat het Boswell er om te doen is om de bemoeiingen der Zeeuwen ten bate van de Presbyterianen in Engeland tegen te werken. Of hij daarmee succes gehad heeft, zullen wij thans niet nagaan. De weinige brieven van Harris aan Boswell, nog overgebleven, en waaruit ik breedvoerig citeerde, zijn op zichzelf merkwaardig genoeg. We leeren den Engelschen predikant te Utrecht eruit kennen als een gewillig werktuig in de handen van Sir Boswell, en als een man van veel geringere beteekenis dan de vurige, bestudeerde non-conformist Paget te Amsterdam.

Voorts, welk een verschil tusschen de politieke belangstelling voor godsdienstig-kerkelijke en theologische kwesties drie eeuwen geleden en thans! Zeker, het kerkelijk vraagstuk, met name dat der kerkregeering, was destijds voor Engeland ook een politiek vraagstuk van het hoogste belang; en het spreekt van zelf dat dit thans op verre na niet meer in die mate het geval is. Maar toch blijft het merkwaardig, dat de Britsche gezant zich academische disputaties van buitenlandsche theologen liet toezenden, zich liet inlichten over anonyme brochures, en interesse had voor hetgeen er ter classis en ter synode van Utrecht voorviel. Men stelle zich eens voor, dat de Engelsche gezant te Den Haag zich abonneeren zou op onze kerkelijke pers: De Bazuin, De Heraut enz., polemische geschriften alsmede de getypte en gedrukte collegedictaten der hoogleeraren zou ontvangen, en door zijn theologischen spionnagedienst werd voorgelicht over onze kerkelijke vergaderingen. Dat is heden ondenkbaar. De tijden veranderen, en wij met hen!

M.B.