nr. 3191
19-03-1939

Engelsche Gereformeerden en Independenten in Nederland voor Drie Eeuwen (III)

De argumentatie van Paget, waarmee, zooals ik aantoonde canonici van het formaat als de Londensche Predikanten, en een dogmaticus als van Mastricht hun instemming hebben betuigd, verdient nog in onze dagen volle aandacht.

Want Paget handhaaft eenerzijds de zelfstandigheid der plaatselijke kerk, en vergeet geen ogenblik het beginsel van art. 84 (tegenwoordig art. 85) der Dordtsche Kerkenordening, dat geen kerk over een andere kerk heerschappij hebben zal. Maar daarnaast komt hij anderzijds even sterk op voor het gezag der meerdere vergaderingen, en verdedigt hij met name het recht der classis, om het beroep door een kerk uitgebracht op een ongeschikten predikant, die niet aan de voor het ambt te stellen eischen voldoet, te vernietigen, in dier voege dat het in dienst treden van den betrokkene onmogelijk is.

Nu zijn er onder ons, die tegenwoordig van een recht der meerdere vergaderingen om de besluiten der mindere vergaderingen te vernietigen, niet weten willen. En waar de theologen uit den bloeitijd der Reformatie, die zich over de kwestie van het synodale gezag hebben uitgelaten, allen het recht van cassatie hebben verdedigd, of althans uitspraken hebben gedaan, waaruit deze bevoegdheid der meerdere vergaderingen oogenblikkelijk voortvloeit (zoo om niet meer te noemen: Voetius, Hoornbeek en Apollonius), daar oordelen zij, dat bij deze theologen twee met elkaar tegenstrijdige lijnen zijn aan te wijzen. Het recht van cassatie, en wat daarmee samenhangt zou hiërarchisch zijn, en met het door deze theologen zelf uitgesproken beginsel der plaatselijke zelfstandigheid in strijd. Zij zouden zich uit de windselen der hiërarchie, waarin de kerk vroeger gebonden lag, nog niet ten volle hebben bevrijd.

Dezulken mogen bedenken, dat oudtijds het recht van cassatie nooit door de Gereformeerden, maar uitsluitend door de Independenten als in strijd met de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerk en met art. 84 is veroordeeld. Wanneer men het recht van cassatie bestrijdt, verdedigt men een independentische stelling. Er is echter geen enkele reden, waarom wij op dit punt van kerkrecht van de Gereformeerde paden zouden afwijken, en op het independentische spoor zouden overgaan. Want de oefening van het recht van cassatie is om zoo te zeggen een negatieve daad. Een bepaalde concrete maatregel van wanbestuur van de mindere vergadering wordt er door ongedaan gemaakt, maar het belet den kerkeraad in geen enkel opzicht om op goede wijze de kerk te regeeren, En dat in volle vrijheid. Het door Paget besproken geval leert dat duidelijk. Al werd der Engelsche kerk bij het beroepen van den Independent Th. Hooker de pas afgesneden tot haar eigen heil, zoo bleef zij niettemin de volle vrijheid behouden om naar eigen keuze elken wel beroepbaren candidaat of predikant als haar dienaar te verkiezen.

 

Maar keeren wij naar de 17e eeuw terug. Zooals ik reeds zeide, behoorde de Engelsche kerk te Amsterdam tot de Nederlandsche classis Amsterdam. We staan hier voor het opmerkelijke feit, dat de Engelsche kerken in Nederland nooit alle in een eigen Engelsch synodaal verband vereenigd zijn geweest, anders dan de Fransche of Waalsche kerken, die wel een eigen synodaal ressort vormden. Dit had zijn bijzondere oorzaak. De Fransche Gereformeerden toch vormden in hun land een minderheid, en de Roomsche regeering van Frankrijk toonde geen bijzondere politieke belangstelling voor het interne leven der Fransche kerken in Nederland. Daarentegen mengde het Engelsche gouvernement zich gaarne in de zaken der Engelsche kerken hier te lande.

Een eigen Engelsch kerkverband kon deze bemoeizucht slechts aanwakkeren. Men bedacht dit nog ter rechter tijd. Reeds was men in de twintiger jaren der 17e eeuw vrij ver gevorderd met de organisatie van een Engelsche classis of synode, en de Saten verleenden in 1628 daaraan hun bekrachtiging. Toen echter gaf de Britsche gezant aan eenige gedelegeerden der Engelsche synode te kennen, dat Zijne Majesteit van plan was, om een der Engelsche predikanten tot kerkelijk deputaat en gevolmachtigde te benoemen. Ex ungue leonem, uit den klauw kent men den leeuw! Het was duidelijk, dat Karel I in de Engelsche kerkorganisatie de bisschoppelijke hiërarchie, en dan ook de Anglicaansche ceremoniën wilde invoeren, waarvan de vele non-conformistische Engelschen in Holland zoo afkeerig waren. (Voetius, Pol. Eccl. I, 69, 70). Zoo liep de zaak op niets uit. Wel wordt er in de actestukken uit die dagen later nog gesproken van een Engelsche classis, maar zij leidde een kwijnend bestaan, en groot kan haar invloed niet geweest zijn. De toestand bleef een tijdlang verward; sommige Engelsche kerken behoorden er toe, andere hielden zich op zich zelf, nog weer andere waren aangesloten bij de Hollandsche classis, op het gebied waarvan zijn gelegen waren. Zoo bleef Paget en de Engelsche kerk te Amsterdam der Amsterdamsche classis trouw, en werd ook Harris in 1643 als Engelsch predikant te Utrecht lid van de classis Utrecht.

Het is hier de plaats om iets mede te deelen uit de correspondentie, die deze predikant gevoerd heeft met den Engelschen gezant te ’s-Gravenhage Sir William Boswell. De belangstelling van den gezant strekte zich ook uit tot kerkelijke en godsdienstige aangelegenheden. Een heele collectie brieven van onderscheidene personen hierop betrekking hebbende zijn bewaard gebleven in een handschrift, dat zich bevindt in het Britsche Museum te Londen (de Boswell-papers).

Harris, die over een aanmerkelijke dosis gevoel van eigenwaarde beschikte, werd na onderzoek door de Utrechtsche classis predikant te Utrecht in hetzelfde jaar dat te Londen de Westminster-Synode haar zittingen aanving. Boswell kreeg door het uitbreken van het conflict tusschen den koning en het parlement een moeilijke positie te ’s-Gravenhage. De meelevende kerkelijke Gereformeerden hoopten van harte, dat de door het parlement bijeengeroepen Westminster-Synode tot het resultaat zou leiden, dat aan de hiërarchie en de Anglicaansche ceremoniën een einde kwam, en in Engeland de presbyteriale kerkregeering zou worden ingevoerd. Boswell moest weten, hoe de geesten hier op het gebeuren in Engeland reageerden. De Engelsche predikanten konden hem daarbij diensten bewijzen.

Op de classisvergadering, waar het onderzoek van Harris plaats had, was blijkbaar een woord gevallen over de paapsche superstitiën, waarvan de kerk van Engeland niet vrij zou zijn. Op de samenkomst der classis, waarvan hij voor het eerst als predikant der Engelsche kerk lid is, heeft hij terstond gelegenheid om hierover wraak te nemen. Ik geef Harris het woord. Men bedenke hierbij wel, dat het volgende ontleend is aan een particulier schrijven van Harris aan Boswell; hij geeft zijn eigen kijk op den gang van zaken, en is van een zekere ingenomenheid niet vrij te pleiten.

Hij schrijft in Juni 1643:

„Gisteren nam ik zitting in de classis. Onder andere zaken kwam aan de orde, dat één van de theologen van het platteland zich beklaagde over verschillende beleedigingen hem aangedaan door paapsche priesters. Toen mijn oordeel daarover door den praeses gevraagd werd, gaf ik uiting aan mijn groote verwondering, dat zoo iets in dit land kon plaats vinden. Waarom, zei ik, wordt onze Kerk van Engeland beschuldigd van paapsche superstities alleen om enkele ceremoniën, terwijl er hier zooveel uitgesproken papisme bestaat, en in zulk een mate, dat men predikanten in de uitoefening van hun ambt beleedigen kan? Ik kan mij daar slechts over verwonderen. Van zulke zaken heb ik in Engeland nooit gehoord. Sommigen van de professoren bogen hun hoofd” (sic!).

Onder de professoren op deze classisvergadering aanwezig, wien Harris – volgens zijn eigen zeggen althans – het schaamrood naar de wangen joeg, zal ook Voetius wel geweest zijn. Want hij begint thans terstond over Voetius te spreken:

„Ik zend de disputaties (theses) van D. Voetius, en omdat zij alle over hetzelfde onderwerp handelen, zend ik ze alle, hoewel één ervan uitkwam in Februari. Er komen er nog meer over hetzelfde onderwerp, die ik zeker evenals de andere zenden zal.”

Na nog een klein boekenpraatje worden we gewaar, dat Harris begeert met de Utrechtsche theologen nader kennis te maken. Dit geschiedt echter niet zonder bijoogmerk. (Add. Manuscripts van de Bibl. van het Britsche Museum te Londen, no. 6394, fol. 342).

M.B.