nr. 3190
12-03-1939

Engelsche Gereformeerden en Independenten in Nederland voor Drie Eeuwen (II)

Na de verschijning van deze brochure grepen zoowel Davenport als Paget naar de pen. In het volgende jaar (1635) publiceerde Davenport zijn „Een Protest naar aanleiding van een pamflet, getiteld ‘Een Gerechtvaardigde Klacht”. En Paget, die door zijn bestrijders op de kaak werd gesteld als een bedrijver van onrecht, die een tyranniek kerkbewind voerde, een verdorven leer voorstond, waardoor de Engelsche kerk te Amsterdam verkeerde in den smadelijken toestand van slavernij en gevangenschap, bood verweer in zijn: „Een antwoord op de onrechtvaardigde klachten van W. Best, en van anderen, die ze onderschreven hebben. Alsmede een antwoord aan den heer J. Davenport betreffende zijn weergave van sommige gebeurtenissen; zijn aanhalingen uit de Schrift tegen het doopen van zeker soort kinderen” enz. (1635).

Het werd nu twee tegen een, want zoowel Best als Davenport repliceerden. Best verdedigde zijn independentische principes in zijn „Het pleidooi der Kerk voor haar Recht, of een Repliek op het antwoord, gegeven door den heer J. Paget tegen W. Best en anderen” (1635). Davenport gaf in 1636 zijn „Een Repliek tot Verweer op een boek getiteld „Een Antwoord op de onrechtvaardigde klacht van W. Best.”” enz., een geschrift van grooteren omvang en van meer waarde, tevens ook gematigder dan dat van Best.

De kampvechters begonnen daarna het terrein van den strijd te verlaten. Davenport emigreerde in 1638 naar Nieuw-Engeland, waar hij vele jaren independentisch predikant was te New Haven, en in hoog aanzien stond. Met Cotton en Thomas Hooker ontving hij de vereerende uitnoodiging om naar Engeland over te komen, en deel te nemen aan de Westminster-Synode, waaraan zij echter geen gevolg gaven. Paget retireerde zich na ongeveer dertigjarigen diensttijd te Amsterdam, en stierf in 1640. Een jaar na zijn dood verscheen Pagets voornaamste werk „Een Verdediging der Kerkregeering uitgeoefend in Kerkeraads-Classicale en Synodale Vergaderingen, naar de praktijk der Gereformeerde Kerken, betreffende: I. de macht van den particulieren kerkeraad tegen hen, die het pleit voeren voor een regeering louter door het volk; II. het gezag der classen en sijnoden tegen de beschermers van het Independentisme”. In het tweede verreweg het grootste gedeelte van dit tractaat keerde Paget zich tegen zijn vroegere opponenten Best en Davenport. Nu leek het aanvankelijk alsof Paget het laatste woord zou hebben. Het is echter anders uitgekomen. Want Davenport heeft in Amerika zijn antwoord geschreven. Toen evenwel trof hem het ongeluk, dat het schip, dat het manuscript naar Engeland zou brengen met andere handschriften, en enkele dierbare christenen, naar den bodem van den oceaan verhuisde. Davenport ging onvermoeid opnieuw aan het werk. Maar tot publiceeren kwam het voorloopig niet. Pas in 1672, toen Davenport zelf ook reeds de eeuwige rust was ingegaan, verscheen in Londen van zijn hand: „De Macht der Congregationeele Kerken verdedigd en gehandhaafd; in antwoord op een tractaat van den heer J. Paget, getiteld ‘De Verdediging der Kerkregeering, uitgeoefend in Classen en Synoden”. En hiermee was de polemiek nu werkelijk ten einde. Welgeteld waren 40 jaren verstreken sinds het begin van het conflict, dat er aanleiding toe gaf.

Men ziet, dat de mannen der 17e eeuw op het stuk der polemiek een langen adem hadden. Wanneer de polemici onzer dagen dezelfde volharding betoonen, dan hebben we nog heel wat voor den boeg, en kan de discussie nog jaren duren. Droevig schrikbeeld voor hen, die wars zijn van alle polemiek. Maar de minnaars van den vrede kunnen troost putten uit de vergissing van Dr Vos, in het vorig nummer besproken. Ook onze polemici kan het lot treffen, dat Paget te beurt viel van de zijde van Vos. Het is niet ondenkbaar dat in het jaar 2203 een ijverige historicus met moeite op een vergeeld blad den naam ontcijferd van een onzer predikanten, die een heros is in de polemiek, schrijver van meer dan één lijvig boek, en dat hij hem dan in het graf der vergetelheid bijzet, met de opmerking, die Vos maakt ten aanzien van Paget: Eenig door of over hem geschreven werk mocht ik niet ontdekken. Sic transiit gloria theologi! Zoo vergaat de roem van den theoloog! Maar de waarheid blijft eeuwig.

 

Het blijft nu de eere van Paget, dat hij op krachtige wijze de Gereformeerde kerkregeering tegen de ondermijnende aanvallen van het Independentisme heeft verdedigd. Een enkel treffend argument van Paget moge hier aan de vergetelheid ontrukt worden, omdat het nog heden ten dage volle waarde behoudt. Het betreft het gezag van de classis. Dat dit punt in het geding kwam, vond zijn oorzaak hierin, dat de Engelsche kerk te Amsterdam tot de classis Amsterdam der Gereformeerde kerken behoorde. En meermalen heeft de classis in de zaken der Engelsche kerk haar gezaghebbende stem doen hooren. Dit was den independentischen leden van de Engelsche kerk een doorn in het oog. Zoo laakten zij het, dat door de beslissing der classis het beroepen der Engelsche kerk van Thomas Hooker niet kon doorgaan; en zoowel de meer rigoristische Independent Best, als de meer gematigde Davenport, die oordeelde, dat de classis in de zaken der particuliere kerk slechts adviseerdende macht had, meenden, dat de classis door op dit punt de handelingen der Engelsche kerk te niet te doen, een beroovende macht had uitgeoefend, die der classis niet toekwam.

Paget verweert zich hiertegen aldus:

„In de classicale vereeniging en gemeenschap der naburige kerken heeft geen kerk eenig voorrecht boven of macht over een andere, noch eenig predikant of ouderling grooter gezag dan een andere (art. 84 der K.O. van Dordrecht); maar hun kwesties worden beslist by meerderheid van stemmen; en zij zijn allen wederzijds en gelijk elkander onderdanig in den Heere. Deze regeering der kerken door classen berooft particuliere kerken en gemeenten niet van haar vrijheid en macht, maar dient haar te leiden en te sterkten in het rechte gebruik en de uitoefening van haar macht; bij voorbeeld, wanneer een particuliere kerk met haar ouderlingen of de meerderheid ervan samen overeenkomen om een predikant te kiezen, die aanstoot geeft of ongeschikt voor hen is, indien dan de classis na behoorlijke overweging van de zaak hun verkiezing te niet doet en hun maatregelen verhindert, zoo berooven zij hen daardoor toch niet van hun vrijheid, en evenmin ontnemen zij hun hun verkiezingsrecht, in zoo ver zij hun maar steeds een vrijheid laten om een anderen geschikten predikant te kiezen; zij gaan in dit geval niet voor hen aan het verkiezen, noch hun een predikant opdringen tegen hun wil, maar sporen hen alleen aan om hun macht en vrijheid recht te gebruiken, en om meer zorg en vrome wijsheid te betoonen, door iemand uit te zoeken die minder aanstoot zal geven en meer geschikt zal zijn voor den opbouw van hun kerk.”

Voor ik dit citaat bespreek, wil ik er eerst op wijzen, dat de gedachte hierin uitgesproken, later terugkeert in een beroemd kerkrechtelijk geschrift, dat in 1646 tijdens de Westminster-Synode enkele Londensche predikanten in het licht gaven: „Jus Divinum Regiminis Ecclesiastici, of het Goddelijk Recht der Kerkregeering gehandhaafd en bewezen uit de Heilige Schriften”. In deel II, hoofdstuk 14 nemen zij, wat Paget zegt van de classis, in verkorten vorm eenigszins gewijzigd over en passen dit toe op de synode. Zij schrijven:

„De macht der synoden verderft, rooft, of vernietigt niet de macht der classicale vergaderingen, of der afzonderlijke gemeenten, maar strekt eerder tot volmaking en bewaring daarvan. Onderstel b.v. dat een afzonderlijke gemeenten een predikant zou kiezen, die gezond is in zijn oordeel, of ergernis geeft in zijn omgang, dan mag de synode die verkiezing vernietigen en te niet doen, en hun voorschrijven om een betere keuze te doen; daardoor wordt in geen enkel opzicht inbreuk gemaakt op die vrijheid van verkiezing, noch deze geschonden, maar in hun eigen voordeel geregeld”.1

Nu is het verder merkwaardig, dat de Nederlansche theoloog P. van Mastricht in het kerkrechtelijk deel van zijn dogmatiek later heele stukken van het werk der Londensche Predikanten in verkorten vorm heeft overgenomen en verwerkt. Dit is met deze passage ook het geval. Zij luidt bij van Mastricht aldus:

„En het recht der breedere vergadering neemt niet weg of vermindert niet de vrijheid en het gezag der smallere; b.v. het recht der synode neemt niet weg of vermindert niet de vrijheid en het gezag der classis; noch dat der classis dat der kerkeraden, maar het leidt en volmaakt dit slechts; b.v., laat een kerk een ongeschikten dienaar kiezen, de classis het beroep verwerpen, en eischen dat een meer geschikte gekozen wordt, dan wordt hier door dit feit de vrijheid en het recht „om een dienaar te kiezen niet van den kerkeraad weggenomen, maar dit slechts geleid en volmaakt.” (Theoretica Practica Theologia, lib. VII, cap II, p. 28).

Ook hier hebben wij bij van Mastricht dezelfde redeneering als die van Paget. Paget verdedigde met dit argument de vernietiging van het beroep der Engelsche gemeente te Amsterdam van Th. Hooker door de classis Amsterdam in 1632. Als algemeene uitspraak vinden we hetzelfde betoog in kern terug bij de Londensche predikanten, en dan weer bij van Mastricht in het land, waar indertijd deze kerkrechtelijke kwestie zich voordeed.

M.B. 

 

noten:

1) Ed. 1646, p. 216, 217 – Dit werk verscheen evenals de vorige in dit artikel genoemde geschriften in de Engelsche taal.