nr. 3189
05-03-1939

Engelsche Gereformeerden en Independenten in Nederland voor Drie Eeuwen (I)

In de 17e eeuw bereikten de kerken der Calvinistische Reformatie haar hoogsten bloei. Door de synode van Dordrecht (1618-’19) werd een einde gemaakt aan de Remonstrantsche troebelen, en de Nederlandsche kerk voor verval behoed. Tevens namen daaraan deel de afgevaardigden der Gereformeerde kerken uit het buitenland met uitzondering van Frankrijk, zoodat deze synode in zekeren zin een oecumenische kon genoemd worden, en duidelijk toonde, dat de Gereformeerde kerken der verschillende landen één waren in de leer. Ook de Fransche kerken toch, die door het verbod van den koning van Frankrijk aan de synode van Dordrecht niet konden deelnemen, hebben op haar nationale synode van Alais (1620) met de daar vastgestelde Leerregels haar instemming betuigd.

Nog schooner perspectief opende zich toen in 1643 in Engeland de Westminster-synode samenkwam. Een oecumenisch karakter droeg zij niet. Want zij was bijeengeroepen door het Engelsche parlement, dat op voet van oorlog verkeerde met den koning, en deze politieke factor sloot van zelf internationale deelneming uit. Slechts de Schotten, die destijds met het parlement tegen den koning verbonden waren, hadden er hun vertegenwoordigers. De verwachting was, dat nu ook de Engelsche kerk de bisschoppelijke hiërarchie en de Anglikaansche katholiseerende ceremoniën definitief zou afschaffen, en zich ook in de kerkregeering en de liturgie zou conformeeren aan de kerken van Schotland, Nederland en Frankrijk. Dit zou de zaak der Reformatie ten goede komen en de stootkracht tegen Rome vermeerderen.

Maar reeds deden zich factoren gelden, die de gezonde ontwikkeling van de Gereformeerde kerken bedreigden. Het was al een veeg teeken, dat in Nederland de beroemde synode van Dordrecht (1618-’19) door geen andere generale synode werd gevolgd, en mede door het provincialisme het samenkomen daarvan tijdens den duur der Republiek voor goed werd belet.

Bovendien, de synode van Westminster heeft wel uitnemende beteekenis gehad. Zij ontwierp een Confessie, die zeker als de rijpste vrucht der dogmatische bezinning van de Gereformeerden uit den bloeitijd der Reformatie mag worden beschouwd, zij stelde haar grooten en haar kleinen catechismus samen, en ontwierp een liturgie en een concept-kerkenordening. Dit alles geschiedde onder groote belangstelling en hartelijk medeleven der Gereformeerden uit andere landen. De synode werd daarbij zeer gesteund door de eminente Schotsche theologen afgevaardigd door de generale synode dezer kerk, A. Henderson, G. Gillespie, S. Rutherford en R. Baillie. Maar juiste voor Engeland wierp het werk der synode weinig vrucht af. De triomf van de Independenten onder Cromwell deed het moeizaam verkregen resultaat geheel te niet. Onmiddellijk na de restauratie der Stuarts werd de bisschoppelijke hiërarchie en de oude liturgie hersteld, en hierin bracht de glorieuze revolutie van 1688, toen Willem III den Engelschen troon besteeg, geen wijziging. Voor de Westminster-synode bestaat heden ten dag in Engeland slechts in kleinen kring belangstelling. In den catalogus der bibliotheek van het Britsche Museum te Londen staat zij niet geregistreerd onder de synoden van de kerk van Engeland, maar onder die der….. Dissenters.

Was het ophouden der nationale synoden in Nederland reeds teleurstellend, was het te betreuren, dat de eenheid met de kerk van Engeland slechts was een eenheid in de leer, doch niet in de liturgie en de kerkregeering, nog donkerder wolken pakten zich samen boven de oecumenische Gereformeerde kerk in de 2e helft van de 17e eeuw. In Frankrijk, waar de Gereformeerden een minderheid vormden, konden zij gedurende honderd jaren regelmatig in nationale synode samenkomen. Na de 29e synode, in 1659 te Loudun gehouden, werd dit echter voor goed belet. Straks volgde de herroeping van het edict van Nantes, en brak voor de Hugenoten de vervolging los met den gruwel der dragonades. De komst der réfugié’s versterkte andere landen, met name ook Nederland wel met edel bloed, doch van de Fransche kerken zelf bleef slechts een schaduw over der vroegere grootheid. Zoo ging het aan het einde der 17e eeuw uitwendig achteruitgang gepaard met inwendig verval.

In de eerste helft der 17e eeuw bestond tusschen Engeland en Nederland – de Low Countries, zooals de Engelschen het woord de „Nederlanden” letterlijk vertalen – een nauw contact. Reeds voor de 17e eeuw was dit het geval. Men denke aan het verblijf van Leicester in ons land, door wiens bemoeiing mede in 1586 te ’s-Gravenhage een nationale synode werd gehouden. Er waren in de 17e eeuw in Nederland verschillende Engelsche kerken, mede doordat in Nederland ook Engelsche troepen dienst deden. De druk door het bisschoppelijk regiem op de Puriteinen uitgeoefend, deed velen, die zich aan de ceremoniën niet conformeeren wilden, de zoogen. non-conformisten, vrijere oorden opzoeken.

Er is voldoende reden om voor sommigen van deze Engelsen in de volgende artikelen aandacht te vragen. Want dit deel der kerkgeschiedenis heeft niet die bekendheid, die het verdient. Er zijn in dien tijd kerkrechtelijke werken verschenen, en discussies gevoerd, soms naar aanleiding van concrete kwesties, die voor de kerkrechtelijke controvers, die heden onder ons bestaat, van groote betekenis zijn. Bovendien zal over een viertal jaren het derde eeuwgetij der Westminster-synode herdacht worden; mogen deze artikelen, die in hoofdzaak handelen over daaraan voorafgaande jaren, het interesse der Nederlandse Gereformeerden wekken voor deze belangrijke kerkvergadering.

Dat zich vergissen tot de menschelijke eigenschappen behoort, toont Dr. Vos, de bekende tegenstander van Dr. Kuyper in het Doleantieconflict. In zijn Amstels Kerkelijk Leven heeft hij op blz. 387 een lijstje van 4 Engelsche predikanten, die tot 1638 verbonden zijn geweest aan de omstreeks 30 jaar te voren geïnstitueerde Engelsche kerk te Amsterdam, die zich voor de oefening van haar eeredienst de Begijnhofkerk zag toegewezen, welke zij heden na drie eeuwen nog gebruikt. Hij vermoedt, dat haar eerste predikant John Paget reeds in 1616 overleden is, en heeft „eenig door of over hem geschreven werk” niet mogen ontdekken. Vos heeft echter de vitaliteit van Paget, en de vruchtbaarheid van diens pen beduidend onderschat.

Want in 1618 schoot hij af Een Pijl tegen de Afscheiding der Brownisten. In dit lijvige boek keerde hij zich tegen den voorganger der afgescheidene, eveneens uit Engelsche leden bestaande Brownistische gemeente te Amsterdam, den extremistischen Independent H. Ainsworth.

In 1633 kreeg Paget het te kwaad met Independentische elementen in zijn eigen gemeente. In dit jaar werd Abbot als aartsbisschop van Canterbury opgevolgd door Laud. De vervolgingen namen toe. Toen gingen drie later zeer bekende Independentische theologen scheep naar Amerika (Nieuw-Engeland). Het waren John Cotton, Thomas Hooker en S. Stone. De kolonisten waren met dit edele drietal zoo ingenomen, dat de woordspeling de ronde deed, dat zij nu katoen hadden om zich te kleeden (cotton = katoen), steenen om huizen te bouwen (stone = steen), en haken om mee te visschen (hock = haak), (vergelijk de benamingen Hoeken en Kabeljauwen uit de vaderlandsche geschiedenis).

In ditzelfde jaar 1633 kwam John Davenport naar Amsterdam, waar Thomas Hooker nog kort te voren had vertoefd. Men poogde nu Davenport als tweeden predikant aan de Engelsche kerk verbonden te krijgen. Dit mislukte echter, omdat hij te groote vriendelijkheid betoonde tegenover de Brownisten, en omdat hij zich verzette tegen de algemeen gebruikelijke min rigoristische doopspraktijk van Paget. Tusschen Paget en de independentisch-gezinde leden zijner gemeente, onder wie naast Davenport W. Best genoemd moet worden, ontstonden nu moeilijkheden; de laatsten genoten daarbij, gelijk zich denken laat, de sympathie en den steun der Brownisten.

De polemiek brak los, en welk een polemiek! 

Zij werd geopend met een anonym pamflet, getiteld: „Een gerechtvaardigde klacht tegen een bedrijver van onrecht; waarin uiteengezet wordt in welk een ellendige slavernij en gevangenschap de Engelsche kerk van Amsterdam thans verkeert, uit oorzaak van de lyranieke regeering en verdorven leer van den heer John Paget, haar tegenwoordigen predikant”. enz. (1634). De auteur meent verder, dat dit alles duidelijk blijkt uit twee brieven, de eene geschreven door Davenport aan de Nederlandsche classis, de andere door sommigen van de broederen ingediend bij den Engelschen kerkraad; hij noemt zich verder „iemand die hen zeer beklaagt, en dagelijks bidt voor hun verlossing”.

Men ziet dat felheid en betuiging van vroomheid (het dagelijksch gebed!) de kenmerken van dezen aanval vormen. Om zakelijk en met gewatteerden handschoen polemiek te leeren voeren, moet men bij de mannen der 17e eeuw ter schole gaan.

M.B.