nr. 3206
02-07-1939

De drieërlei macht (XXIII)

Na de Schotsche Kerk en haar Kerkenorde te hebben afgehandeld, blijft thans nog alleen ter bespreking over de Presbyteriaansche Kerk in Engeland met de Westminstersche Synode, die na de Synode van Dordt wel de beroemdste Synode der Gereformeerde Kerk is geweest en de Geloofsbelijdenis heeft vastgesteld, welke nog altoos geldt voor de Presbyteriaansche Kerken in Engeland, Schotland en Noord-Amerika. Van belang is deze Westminster Synode vooral, omdat zij voor ’t eerst in haar Confessie zich over het gezag der Synodes heeft uitgesproken.

Aangezien men echter evenals bij de Fransche en Schotsche Kerk het beroep op deze Westminster Synode gewraakt heeft met de bewering, dat ook deze Synode „hierarchisch” is geweest, is het wel noodig haar van deze onverdiende blaam te zuiveren door aan te toonen, hoe deze Presbyteriaansche Kerk haar ontstaan te danken heeft gehad juist aan het krachtig verzet der Puriteinen tegen de hierarchische inrichting der bisschoppelijke Kerk in Engeland en haar overdreven ritualisme. Calvinisten, als zij waren, niet alleen in de leer, maar ook wat de inrichting van den eeredienst en de Kerkregeering aangaat, hebben zij om hun strijd tegen de episcopale hierarchie de heftigste vervolging moeten verdragen, ballingschap, marteling en doodstraf, zoodat men wel het bitterste onrecht hun aandoet, met juist hen van hierarchie te beschuldigen. Een kort overzicht van dezen strijd der Puriteinen of Presbyterianen, zooals ze zich noemden, moge daarom voorop gaan, voordat ik de Westminster Synode zelve bespreek en haar getuigenis beluisteren laat.

De Reformatie in Engeland heeft een heel ander verloop gehad dan in Schotland, waar onder de krachtige leiding van John Knox het parlement den band met den Paus had verbroken, een beslist Calvinistische belijdenis, door Knox opgesteld, had aangenomen, een liturgie was ingevoerd, ontleend aan die van Calvijn, en een Kerkenorde was vastgesteld, die de presbyteriale en synodale kerkregeering invoerde. Van Episcopalisme en ritualisme was in deze Gereformeerde Kerk dan ook geen sprake. In Engeland daarentegen heeft de reformatie der Kerk nooit een dergelijk doortastend karakter gedragen, wat ten deele te wijten is aan den conservatieven aard van het Engelsche volk en ten deele daaraan, dat de Koningen van Engeland zich als het hoofd der Engelsche Kerk beschouwden, het Episcopaat hun veel gemakkelijker middel scheen om de kerk te regeeren dan de presbyteriaal-synodale kerkinrichting, die de vrijheid en zelfstandigheid der Kerk waarborgde.

Hendrik VIII had wel met de suprematie van den Paus gebroken ten einde zelf als opperste Hoofd der Kerk op te treden, maar al werden de kloosters en abdijen opgeheven en enkele Roomsche misbruiken afgeschaft, van een werkelijke reformatie der kerk in evangelischen zin was geen sprake geweest. Eerst toen de vrome jonge Koning Eduard hem opvolgde, kwam door Cramner den Aartsbisschop van Canterbury, die onder invloed der Zwitsersche reformatie stond, een doortastender reformatie tot stand. Met behulp van de Gereformeerde Theologen, die uit Duitschland naar Engeland waren uitgeweken om het interim, werd een Geloofsbelijdenis opgesteld, die een beslist Protestantsch karakter draagt en inzonderheid wat het Avondmaal betreft, de Gereformeerde opvatting huldigt. De Engelsche Kerk werd dan ook van toen af tot de Gereformeerde kerken gerekend en was daarom ook op de Synode van Dordt vertegenwoordigd. Ook werd een nieuwe Liturgie ingevoerd, het Commonprayer book, dat nog altoos in de Anglicaansche kerk gebruikt wordt en, hoeveel schoons het voor den eeredienst bevat, toch, evenals de Luthersche kerk, te veel van het Roomsche ritueel behield. Wie een eeredienst in de Anglicaansche kerk heeft bijgewoond met zijn altaar, crucifix, heiligenbeelden, priesterkleeding en tal van ceremoniën zal eerder den indruk ontvangen van een Roomschen dan van een Protestantschen eeredienst bij te wonen. Lag in dat ritualisme zeker gevaar, zooals de historie genoegzaam getoond heeft, niet minder daarin, dat de hierarchische kerkregeering, zij het onder suprematie van den koning, onveranderd gehandhaafd bleef. De hierarchie van Aartsbisschoppen en bisschoppen, die de kerk regeerden, bleef bestaan. De plaatselijke kerk had alleen een predikant, die nog den titel van priester behield; ouderlingen naast hem waren er niet. Synodes werden wel gehouden, maar het waren bisschoppelijke synodes, die daar hun regeermacht uitoefenden, geen synodes, die door afvaardiging de plaatselijke kerken vertegenwoordigden.

Onder de regeering van de fanatiek Roomsche Koningin Maria, die daarna volgde, werd de Engelsche kerk weer onder de Pauselijke heerschappij teruggevoerd en werden de Protestanten ten bloede toe vervolgd. Zelfs de grijze Aartsbisschop Cramner werd onthoofd. De meeste Protestanten vluchtten nu naar Duitschland en Zwitserland, waar ze in aanraking kwamen met de zooveel beter georganiseerde kerken en onder den invloed van John Knox, die bij hen predikant werd. Ze vormden vluchtelingengemeenten, die wat kerkregeering en eeredienst betreft geheel waren ingericht naar ’t model van Genève. Nadat Maria, de Bloedige, gestorven was, en haar zuster, Elisabeth, den troon had bestegen, werd de Engelsche kerk weer in haar Protestantsch karakter hersteld, maar Elisabeth, die van Calvijn en John Knox om persoonlijke redenen niets weten wilde, was bovendien zelf zeer ritualistisch gezind en een vurig voorstandster van het Episcopaat onder haar oppergezag. Het Commonprayerbook met nog enkele ceremoniën vermeerderd werd nu door parlementsbesluit weer ingevoerd en door de uniformiteitsacte ieder verplicht zich daaraan te houden. En evenzoo geschiedde ten opzichte van de Confessie, nadat deze op een bisschoppenvergadering bekort en herzien was. Onder de Exulanten, die nu uit hun ballingschap terugkeerden, was echter een machtige groep, die in plaats van de Koninklijke suprematie voor de zelfstandigheid der kerk, in plaats van het Episcopaat voor de presbyteriaansche kerkregeering, in plaats van den superstitieuzen ritus voor den eenvoud van de eeredienst naar Gods Woord en niet minder voor strenge handhaving van de tucht opkwamen. Ze heetten Non-conformisten, omdat zij met de uniformiteitsacte zich niet conformeeren wilden, of Puriteinen, omdat zij de kerk zuiveren wilden van Roomsche overblijfselen. Van de Engelsche kerk, wier belijdenis nog goed was, zich afscheiden, wilden ze niet, maar wel wilden ze vrijheid hebben zich in deze kerk naar eigen overtuiging in te richten. In hun gemeente lieten ze ouderlingen kiezen; ze hielden gemeenschappelijke synodes; in plaats van het Commonprayerbook gebruikten ze Knox’ Liturgie. Onder het volk en ook bij de predikanten vonden ze veel aanhang. Toen na Elisabeth’s dood Jacobus I den troon besteeg, werd bij hem een petitie ingediend van bijna duizend predikanten om vrijheid voor hun kerkinrichting en eeredienst te vragen. Maar noch Elisabeth, noch de Stuart’s die haar opvolgden, Jacobus I en Karel I waren bereid deze tolerantie toe te staan. De presbyteriaansch gezinde predikanten werden afgezet; een derde deel der parochiekerken in Engeland werd van herders verstoken. Een soort inquisitieraad werd ingesteld; de weerspannigen gevangen gezet, gemarteld en op schandelijke wijze gemutileerd, door bijv. de ooren hun af te snijden. En duizenden moesten weer ’t land verlaten om in Holland en elders een veilige rustplaats te zoeken.

Wat dit conflict nog verscherpte was tweeërlei. Vooreerst, dat waar het Episcopaat in Engeland aanvankelijk zijn bestaansrecht verdedigd had als een kerkelijke instelling, die Gods Woord toeliet en nuttig was voor den staat en de kerk, thans de Roomsche theorie ingang vond, dat het episcopaat bestond krachtens het jus divinum, d.w.z. door God was voorgeschreven, wettig berustte op de successie van het episcopaat van Petrus en de presbyteriaansche kerkregeering een ketterij was, die met de excommunicatie uit de kerk moest gestraft worden.

En in de tweede plaats, dat onder deze zoo hoog zich voelende geestelijkheid nu de arminiaansche richting steeds meer veld won. Mannen als Cranmer, de leidsman van Koning Eduard, en Whitegift, de aartsbisschop, die onder Elisabeth de kerk regeere, waren beslist Augustiniaansch of zoo men wil Calvinist wat de praedestinatie-leer aangaat. De Engelsche bisschop Carlton, dien Koning Jacobus naar de Synode van Dordt zond, hielp mee de Remonstranten veroordeelen. Ussher, de bisschop van Ierland, stelde zelfs voor de Iersche kerk een geloofsbelijdenis op, waarin zoo beslist mogelijk de praedestinatie geleerd werd. Maar onder Karel I werden de hekken verhangen. Laud, de aartsbisschop en primas van de Engelsche kerk, vervolgde en brandmerkte als Puritanisme de leer van Augustinus; de kerkrechtelijke werd een dogmatische strijd, waarbij het ging om het cor ecclesiae, de leer der uitverkiezing. En daarbij kwam, dat Laud de Avondmaalsliturgie in Roomschen zin veranderde en niet alleen aan de Engelsche, maar ook aan de Schotsche kerk dezen Baälsdienst opdringen wilde.

De spanning werd vooral door dit optreden van Laud ondragelijk. Het absolute koningschap, zooals de Stuarts het opvatten, die zonder parlement regeerden, tastte de volksvrijheden aan, waarop het Engelsche volk trotsch was. Toen de koning ook in Schotland het episcopaat en deze romaniseerenden eeredienst wilde invoeren, sloten de Schotten een Covenant of verbond om zich te verzetten, zonden een leger naar Engeland en dwongen den koning om het parlement saam te roepen, het zoogenaamde lange parlement, dat van 1640 tot 1653 zitting hield, waarin nu de puriteinen verreweg de meerderheid hadden. Het was dit parlement, dat besloot tot afschaffing van het Episcopaat in de Engelsche kerk en nu de Westminstersynode saamriep om voor de Engelsche kerk een verbeterde geloofsbelijdenis op te stellen en een nieuwe kerkenorde en liturgie te ontwerpen, die dan door het parlement zouden worden goedgekeurd en vastgesteld.

Het is aan dit parlementsbesluit, dat de Westminster Synode, die in 1643 saamkwam, haar saamroeping te danken had. En wie nu de worsteling nagaat, die aan haar saamroeping is voorafgegaan, zal wel begrijpen, hoe dwaas niet alleen maar ook hoe onbillijk het is aan deze Synode het brandmerk op te drukken, dat zij voor een hierarchische kerkinrichting het pleit zou hebben gevoerd. Heel de strijd van het Presbyterianisme, die in deze Synode zijn bekroning vond, had zich juist tegen de hierarchie in de Engelsche Kerk gericht.

H.H.K.